<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2026)0252</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: traject om de bijdrage van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen met een hoog risico van indirecte veranderingen in landgebruik geleidelijk te verlagen tot de streefcijfers voor hernieuwbare energie</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(B10-0337/2026)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 8 juli 2026 over de gedelegeerde verordening van de Commissie van 10 april 2026 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/807 van de Commissie met het oog op de invoering van een traject om de bijdrage van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen met een hoog risico van indirecte veranderingen in landgebruik geleidelijk te verlagen tot de streefcijfers voor hernieuwbare energie (C(2026)02306) – 2026/2680(DEA))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2026)02306),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen<FOOTNOTE><FIELD> PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2018/2001/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 26, lid 2, vijfde alinea, en artikel 35, lid 7,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/807 van de Commissie van 13 maart 2019 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het bepalen van de basismaterialen met een hoog risico van indirecte veranderingen in landgebruik waarbij een belangrijke uitbreiding van het productiegebied naar land met grote koolstofvoorraden waar te nemen valt, en de certificering van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen met een laag risico op indirecte veranderingen in landgebruik<FOOTNOTE><FIELD> PB L 133 van 21.5.2019, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2019/807/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 114, lid 3, van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de ontwerpresolutie van de Commissie industrie, onderzoek en energie,</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat Richtlijn (EU) 2018/2001, om ervoor te zorgen dat biobrandstoffen die meetellen voor het behalen van dat streefcijfer echte voordelen opleveren, een kader ingevoert om het risico van indirecte veranderingen in landgebruik (ILUC) aan te pakken, op grond waarvan grondstoffen kunnen worden ingedeeld als grondstoffen met een hoog ILUC-risico;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/807 van de Commissie de methode is vastgesteld voor het bepalen van grondstoffen met een hoog ILUC-risico, waarbij in artikel 3 uitdrukkelijk vereist is dat de beoordeling wordt gebaseerd op gegevens “sinds 2008”, en voor de uitbreiding naar land met grote koolstofvoorraden een drempel van 10 % is vastgesteld waarboven een grondstof als grondstof met een hoog ILUC-risico wordt aangemerkt; overwegende dat op grond van die methode en dat basisscenario in het verslag van de Commissie van 2019 werd vastgesteld dat het aandeel van soja in de uitbreiding naar land met hoge koolstofvoorraden 8 % bedroeg, wat onder de drempel ligt, waardoor soja niet als teelt met een hoog ILUC-risico werd aangemerkt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat Indonesië en Maleisië WTO-geschillen (DS593 en DS600) hebben aangespannen waarin zij het ILUC-kader van de Unie aanvechten, met name het feit dat palmolie is aangemerkt als een teelt met een hoog ILUC-risico, en de certificeringsprocedure voor een laag ILUC-risico; overwegende dat in de uitspraak van het WTO-panel van januari 2025 over het algemeen in het voordeel van de Unie werd geoordeeld, maar specifieke schendingen werden vastgesteld, namelijk het niet tijdig bijwerken van wetenschappelijke gegevens, tekortkomingen in de certificeringsprocedure voor een laag ILUC-risico en het niet naar behoren melden van maatregelen; overwegende dat het panel kritiek heeft geuit op procedurele tekortkomingen van de Unie en niet op de keuze van de Unie welke gewassen een hoog ILUC-risico inhouden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat sojabonen, op basis van geactualiseerde wetenschappelijke gegevens, naast palmolie in de gedelegeerde handeling zijn toegevoegd aan de lijst van gewassen met een hoog ILUC-risico, wat betekent dat biodiesel op basis van soja tegen 2030 helemaal niet meer zou meetellen voor de berekening van de EU-doelstellingen voor hernieuwbare energie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat het Parlement geen bezwaar maakt tegen het uitfaseringstraject voor palmolie, waarvan de indeling als zijnde een teelt met een hoog ILUC-risico wetenschappelijk onderbouwd en onbetwist is, noch tegen het verhelpen van tekortkomingen in de certificeringsprocedure voor een laag ILUC-risico, die beide passende reacties vormen op de uitspraak van het WTO-panel en in elke herziene gedelegeerde handeling moeten worden gehandhaafd;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat de indeling van soja als zijnde een teelt met een hoog ILUC-risico in de gedelegeerde handeling gebaseerd is op geactualiseerde wetenschappelijke gegevens die afwijken van het in artikel 3 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/807 van de Commissie vastgestelde waarnemingsreferentiejaar 2008, doordat de waarnemingsperiode is verschoven naar 2014; overwegende dat deze wijziging van het referentiejaar niet wordt opgelegd door de uitspraak van het WTO-panel, die betrekking had op de tijdigheid van gegevensupdates in plaats van op de keuze van het referentiejaar; overwegende dat bij toepassing van het oorspronkelijke basisscenario van 2008, zoals vereist door het bestaande rechtskader, het aandeel van sojabonen in de uitbreiding naar land met hoge koolstofvoorraden hoogstwaarschijnlijk onder de kwalificatiedrempel van 10 % zou blijven en sojabonen bijgevolg niet zouden worden aangemerkt als grondstoffen met een hoog ILUC-risico;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat in de geactualiseerde wetenschappelijke gegevens die aan de indeling van soja ten grondslag liggen, geen rekening wordt gehouden met dubbele teelten bij de teelt van sojabonen, waarbij soja als tweede gewas wordt geteeld op grond die reeds in hetzelfde kalenderjaar voor een primair gewas is gebruikt; overwegende dat deze methodologische lacune leidt tot een overschatting van de uitbreiding van het productiegebied van sojabonen en bijgevolg het berekende aandeel van sojabonen in de uitbreiding naar land met hoge koolstofvoorraden opdrijft;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat het ILUC-risico in verband met de teelt van sojabonen zich geografisch vooral voordoet bij de productie in Zuid-Amerika; overwegende dat sojateelt in de Unie geen drijvende kracht is achter de ontbossing of landconversie die het ILUC-kader beoogt aan te pakken; overwegende dat de Commissie geen bewijs heeft geleverd waaruit blijkt dat sojateelt in de Unie ILUC veroorzaakt; overwegende dat de indeling van in de Unie geproduceerde sojabonen als sojabonen met een hoog ILUC-risico bij gebrek aan dergelijk bewijs onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd is; overwegende dat de toepassing van een wereldwijd ongedifferentieerde indeling van sojabonen als gewas met een hoog ILUC-risico, ongeacht de geografische herkomst ervan, onevenredig is en producenten in de Unie een last oplegt voor emissies ten gevolge van veranderingen in landgebruik waarvoor zij geen verantwoordelijkheid dragen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat in de visie voor landbouw en voedsel van de Commissie wordt benadrukt dat in de Unie een zelfvoorzienender eiwitsysteem tot stand moet worden gebracht; overwegende dat de Unie slechts ongeveer 6 % van de sojabonen produceert die zij consumeert, waardoor de Unie sterk afhankelijk is van invoer; overwegende dat het aangekondigde EU-eiwitplan van de Commissie en de daarin vermelde doelstellingen, samen met de doelstellingen inzake open strategische autonomie, met name gericht zijn op een uitbreiding van de sojateelt in de EU om die afhankelijkheid te verminderen; overwegende dat de markt voor biobrandstoffen een belangrijke economische aanjager is voor de sojateelt en de sojavermalingssector in de Unie; overwegende dat de indeling van sojabonen als gewas met een hoog ILUC-risico deze marktprikkel wegneemt en haaks staat op de doelstellingen van het EU-eiwitplan en de doelstellingen inzake strategische autonomie van de Unie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat bij het vermalen van sojabonen zowel sojameel wordt geproduceerd, dat het belangrijkste product en een essentiële bron van eiwitten voor diervoeder vormt, als sojaolie, die slechts ongeveer 20 % van het sojabonenzaad uitmaakt en onder meer als grondstof voor biobrandstoffen wordt gebruikt; overwegende dat de belangrijkste drijvende kracht achter de teelt en verwerking van sojabonen de vraag naar sojameel voor diervoeder is in plaats van het gebruik van sojaolie in biobrandstoffen; overwegende dat de economische realiteit van de sector derhalve verkeerd wordt voorgesteld en de ILUC-impact in verband met sojabiodiesel wordt overschat als de expansiedynamiek van de sojateelt in de eerste plaats wordt toegeschreven aan sojaolie die in biobrandstoffen wordt gebruikt; overwegende dat de devaluatie van sojaolie, als biobrandstoffen als afzetmarkt verloren gaan, de vermalingsmarges zal verslechteren en de economische levensvatbaarheid van sojavermaling in de Unie zal verminderen; overwegende dat dit de Unie zou dwingen om tot 4,8 miljoen ton in de Unie geproduceerd sojameel te vervangen door invoer uit derde landen, waardoor de afhankelijkheid van de invoer van eiwitten zou toenemen, de voederkosten zouden stijgen en de waardescheppende industriële activiteit naar buiten de Unie zou verschuiven; overwegende dat de economische gevolgen voor de sector worden geraamd op ongeveer 36 miljoen EUR aan verliezen voor sojaboeren in de Unie, 120 miljoen EUR voor vermalers in de Unie en tot 1,3 miljard EUR voor de biodieselindustrie van de Unie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat sojabonen een stikstofbindend gewas zijn dat de afhankelijkheid van chemische stikstofmeststoffen vermindert en een positieve bijdrage levert aan vruchtwisseling en bodemgezondheid; overwegende dat het ontmoedigen van sojateelt in de EU de Unie afhankelijker zou maken van ingevoerde chemische meststoffen, hetgeen indruist tegen de doelstellingen van de Unie inzake veerkracht van de toeleveringsketen van meststoffen, die dringender zijn geworden in de context van voorzieningsverstoringen na de Russische invasie van Oekraïne;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat in de Clean Industrial Deal wordt opgeroepen tot een concurrerende, koolstofvrije industriële economie die wordt ondersteund door een breed en gediversifieerd scala aan schone brandstoffen en grondstoffen; overwegende dat het verminderen van de beschikbare grondstoffen voor biobrandstoffen door het schrappen van sojabonen de bevoorradingsbasis van de Unie voor het koolstofvrij maken van de vervoerssector verkleint, de prijsvolatiliteit en de kwetsbaarheid van de voorziening vergroot en niet strookt met de technologieneutrale aanpak en de voorzieningszekerheid die de doelstellingen van de Unie op het gebied van concurrentievermogen vereisen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>M.</NO.P>overwegende dat in het kompas voor concurrentievermogen de vermindering van strategische afhankelijkheden en de versterking van de industriële capaciteit en het verwerkingsvermogen van de Unie als kernprioriteiten van de Unie worden aangemerkt; overwegende dat de indeling van sojabonen als gewas met een hoog ILUC-risico de strategische afhankelijkheid van de Unie in zowel de eiwit- als de biobrandstofsector vergroot in plaats van verkleint;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF><ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>maakt bezwaar tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en haar ervan in kennis te stellen dat de gedelegeerde verordening niet in werking kan treden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">verzoekt de Commissie onverwijld een herziene gedelegeerde handeling in te dienen waarin rekening wordt gehouden met de volgende aanbevelingen:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>a)</SYMBOL>de bepaling van de ILUC-risicostatus van sojabonen moet worden gebaseerd op gegevens “sinds 2008”, zoals uitdrukkelijk vereist op grond van artikel 3 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/807 van de Commissie, en de indeling van sojabonen als gewas met een hoog ILUC-risico moet in het licht van die gecorrigeerde methode worden herzien; indien het aandeel van sojabonen in de uitbreiding naar land met hoge koolstofvoorraden, op basis van gegevens sinds 2008, onder de in het bestaande kader vastgestelde drempel van 10 % daalt, mogen sojabonen in de herziene handeling niet als gewas met een hoog ILUC-risico worden aangemerkt;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>b)</SYMBOL>de methode moet worden geactualiseerd om ten volle rekening te houden met dubbele teelten bij de teelt van sojabonen, zodat de uitbreiding van het productiegebied van sojabonen en het berekende aandeel van de uitbreiding naar land met hoge koolstofvoorraden een nauwkeurige afspiegeling vormen van de reële dynamiek van veranderingen in landgebruik;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>c)</SYMBOL>voor sojabonen die in de Unie of in derde landen met gelijkwaardige en geverifieerde normen inzake monitoring van landgebruik en ontbossing worden geproduceerd, moet worden voorzien in erkenning als sojabonen met een laag ILUC-risico, met de daaruit voortvloeiende uitsluiting van het uitfaseringstraject, op grond van het feit dat die productie geen drijvende kracht is achter de verandering in landgebruik die het ILUC-kader beoogt aan te pakken;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>d)</SYMBOL>benadrukt dat het geen bezwaar maakt tegen de uitfasering van biobrandstoffen op basis van palmolie, noch tegen het verhelpen van tekortkomingen in de certificeringsprocedure voor een laag ILUC-risico, die passende en noodzakelijke reacties vormen op de uitspraak van het WTO-panel en in elke herziene gedelegeerde handeling moeten worden gehandhaafd;</ITEM></LIST></P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>