<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2026)0262</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">De gevolgen van de Turkse invasie van 1974 voor Cypriotische vrouwen en meisjes, en de misdaden die door Turkse troepen zijn begaan en de gevolgen daarvan voor de gendergelijkheid</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(B10-0333/2026)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 8 juli 2026 over de gevolgen van de Turkse invasie van 1974 voor Cypriotische vrouwen en meisjes, en de misdaden die door Turkse troepen zijn begaan en de gevolgen daarvan voor de gendergelijkheid (2026/2617(RSP))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en de artikelen 8, 10, 78 en 83 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ<FOOTNOTE><FIELD> PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2012/29/oj.</FIELD></FOOTNOTE> van de Raad (de richtlijn slachtofferrechten), die voorziet in een kader voor slachtoffergerichte rechtspraak, onder meer in gevallen van seksueel geweld,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Richtlijn (EU) 2024/1385 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld<FOOTNOTE><FIELD> PB L, 2024/1385, 24.5.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2024/1385/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 23 oktober 2020 over gendergelijkheid in het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU<FOOTNOTE><FIELD> PB C 404 van 6.10.2021, blz. 202.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 16 september 2021 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende het aanmerken van gendergerelateerd geweld als een nieuwe vorm van criminaliteit als bedoeld in artikel 83, lid 1, VWEU<FOOTNOTE><FIELD> PB C 117 van 11.3.2022, blz. 88.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 5 mei 2022 over de gevolgen van de oorlog tegen Oekraïne voor vrouwen<FOOTNOTE><FIELD> PB C 465 van 6.12.2022, blz. 155.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof van 17 juli 1998,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de Verdragen van Genève, en met name het Vierde Verdrag van Genève van 12 augustus 1949 betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de VN-Verklaring over de uitbanning van geweld tegen vrouwen, van 20 december 1993,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien resolutie 1325 (2000) van de VN-Veiligheidsraad van 31 oktober 2000 over vrouwen, vrede en veiligheid en de daarmee verband houdende vervolgresoluties, namelijk de resoluties 1820 (2008) van 19 juni 2008, 1888 (2009) van 30 september 2009, 1889 (2009) van 5 oktober 2009, 1960 (2010) van 16 december 2010, 2106 (2013) van 24 juni 2013, 2122 (2013) van 18 oktober 2013, 2242 (2015) van 13 oktober 2015, 2467 (2019) van 23 april 2019 en 2493 (2019) van 29 oktober 2019,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het recentste jaarverslag van de secretaris-generaal van de VN over conflictgerelateerd seksueel geweld (S/2025/389) van 15 juli 2025, ingediend overeenkomstig Resolutie 2467 (2019) van de VN-Veiligheidsraad, waarin de Veiligheidsraad de secretaris-generaal van de VN verzocht jaarlijks verslag uit te brengen over de uitvoering van de Resoluties 1820 (2008), 1888 (2009), 1960 (2010) en 2106 (2013) van de VN-Veiligheidsraad en strategische maatregelen aan te bevelen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de grondbeginselen van het internationaal recht, het VN-Handvest, de overeenkomsten op hoog niveau tussen de leiders van de twee gemeenschappen in Cyprus van 1977 en 1979, de desbetreffende resoluties van de VN-Veiligheidsraad over Cyprus, waaronder Resolutie 186 (1964), waarin de soevereiniteit van de Republiek Cyprus nogmaals wordt bevestigd, resolutie 541 (1983) en resolutie 550 (1984) over separatistische acties in Cyprus en resolutie 2815 (2026) over de VN-vredesmacht in Cyprus (UNFICYP), en het overeengekomen kader van een federatie van twee gemeenschappen en twee zones met politieke gelijkheid, zoals uiteengezet in de desbetreffende resoluties van de VN-Veiligheidsraad, voor een alomvattende oplossing van de kwestie-Cyprus,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens van 10 juli 1976 in Cyprus tegen Turkije (verzoekschriften nrs. 6780/74 en 6950/75),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Verdrag van de Verenigde Naties tot beperking der staatloosheid van 30 augustus 1961,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het mondiaal pact inzake vluchtelingen van de VN van 2018,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de op 20 november 2020 gepubliceerde algemene aanbeveling nr. 38 van het VN-Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen over vrouwen- en meisjeshandel in de context van mondiale migratie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa van 15 december 1994 over de situatie in Cyprus (recente politieke ontwikkelingen),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Verdrag van de Raad van Europa van 11 mei 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het werkbezoek van zijn Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid (commissie FEMM) aan Nicosia (Cyprus) van 26 t/m 28 mei 2025 en het verslag van dat werkbezoek,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 167, lid 2, van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de ontwerpresolutie van de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat de Turkse strijdkrachten op 20 juli 1974 de Republiek Cyprus zijn binnengevallen en, ondanks het door de VN bemiddelde staakt-het-vuren dat op 22 juli 1974 was afgekondigd overeenkomstig Resolutie 353 van de VN-Veiligheidsraad (1974), op 14 augustus 1974 een tweede grootschalig offensief hebben gelanceerd, in flagrante schending van dat staakt-het-vuren, waarbij zij hun illegale bezetting hebben geconsolideerd en uitgebreid tot ongeveer 36 % van het grondgebied van de Republiek Cyprus, een groot deel van de burgerbevolking met geweld hebben verdreven en op grote schaal schendingen en wreedheden hebben begaan tegen burgers, waaronder vrouwen en meisjes;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat het bezettingsregime, dat een gevolg is van de Turkse invasie van 1974 en ondergeschikt is aan Turkije, illegaal is en niet internationaal wordt erkend; overwegende dat de daders van het gendergerelateerde geweld voornamelijk leden van de Turkse strijdkrachten waren, die naar verluidt handelden op aanwijzing en/of onder de bescherming van hun officieren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat de gevolgen van de Turkse militaire invasie in Cyprus in 1974 voor vrouwen en meisjes lange tijd over het hoofd zijn gezien, en dat de ervaringen van Cypriotische vrouwen met geweld en gedwongen ontheemding nog steeds tot de minst erkende behoren en vaak worden uitgesloten van officiële historische, wettelijke en institutionele erkenning;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat het leed dat is veroorzaakt door de gebeurtenissen van 1974 en de nasleep daarvan, alsook in de context van eerder intercommunautair geweld, vrouwen en meisjes uit alle gemeenschappen op Cyprus heeft getroffen, waaronder Grieks-Cypriotische, Turks-Cypriotische, maronitische, Armeense en Latijnse vrouwen, en dat hun ervaringen met geweld, ontheemding, verlies en trauma gelijke erkenning, waardigheid en steun verdienen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat de Republiek Cyprus nog steeds de enige EU-lidstaat is waarvan het grondgebied gedeeltelijk illegaal door een derde land wordt bezet, met langdurige gevolgen voor alle Cyprioten, in het bijzonder vrouwen en meisjes, en voor de EU;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat het van essentieel belang is om het systematische, georganiseerde en grootschalige gendergerelateerde geweld door de Turkse strijdkrachten en het gendergerelateerde geweld door extremistische paramilitaire daders op het eiland te erkennen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat de Turkse strijdkrachten door systematisch gedrag en gevestigde praktijk levens hebben ontnomen aan alle Cypriotische gemeenschappen, onder meer door willekeurig burgers te doden, en personen, waaronder vrouwen van alle leeftijden, aan foltering en onmenselijke en vernederende behandeling hebben onderworpen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat vrouwen onevenredig zwaar worden getroffen door geweld in verband met en in de nasleep van conflicten en dat de gevolgen vele vormen aannemen, zoals seksueel geweld, gedwongen ontheemding, dwangarbeid en verplichte arbeid, vormen van seksuele uitbuiting, economische ineenstorting en lichamelijke en psychologische trauma’s; overwegende dat de daaruit voortvloeiende schade vaak nog tientallen jaren na het formele einde van de vijandelijkheden voortduurt, waardoor de economische onafhankelijkheid, de lichamelijke autonomie en de politieke participatie van vrouwen worden ondermijnd;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat veel overlevenden genoodzaakt waren te migreren om aan het stigma te ontsnappen en posttraumatische stress het hoofd te bieden, en dat er sprake is van een ongespecificeerd aantal gevallen van zelfmoord of poging tot zelfmoord; overwegende dat het onderwerp grotendeels taboe blijft, ondanks recente gevallen van overlevenden die in het openbaar getuigenis hebben afgelegd, ook anoniem;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat verkrachting en seksueel geweld tegen de burgerbevolking nog steeds op grote schaal en opzettelijk worden gebruikt als oorlogswapen om politiek of militair voordeel te behalen; overwegende dat conflictgerelateerd seksueel geweld ook wordt gebruikt als foltermethode en zelfs wordt beschouwd als “oorlogsbuit”; overwegende dat conflictgerelateerd seksueel geweld ook een vernietigingswapen en een vernietigingstactiek kan zijn; overwegende dat in het internationaal recht inzake de mensenrechten is bepaald dat seksueel geweld zowel in oorlogs- als in vredestijd een misdrijf is;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat de wijdverbreide straffeloosheid voor verkrachting bijdraagt tot een verkrachtingscultuur;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat tijdens het werkbezoek van de commissie FEMM aan Cyprus werd vermeld dat er voortdurende contacten zijn met de Grieks-orthodoxe kerk als maatschappelijke actor die bijdraagt tot het behoud van de culturele identiteit en dialoog in de context van de huidige situatie in Cyprus, na de gebeurtenissen van 1974 die hebben geleid tot de bezetting van het eiland; overwegende dat tijdens werkbezoek naar voren is gebracht dat zij zich in staat toont om in tijden van acute maatschappelijke onrust met tact en pragmatisme te reageren, en dat zij zich in dit verband inzet om gendergelijkheid te bevorderen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>M.</NO.P>overwegende dat er dringend iets moet worden gedaan aan het langdurige trauma, de ervaringen en het lijden van Cypriotische vrouwen en dat er moet worden voorzien in slachtoffergerichte begeleiding en speciaal daartoe ontworpen ondersteunende diensten om hen op persoonlijk, maatschappelijk en economisch vlak te helpen empoweren; merkt op dat dit moet gebeuren op een manier die autonomie en vertrouwelijkheid eerbiedigt en die, meer in het algemeen, het grootste respect toont voor de menselijke waardigheid, met inbegrip van de psychologische waardigheid;</P></CONS><CONS><P><NO.P>N.</NO.P>overwegende dat het werkelijke aantal Cypriotische slachtoffers van seksueel geweld onbekend blijft, dat de ramingen aanzienlijk uiteenlopen en dat in het verslag van het werkbezoek van de commissie FEMM cijfers tussen 700 en 1 500 worden genoemd; overwegende dat deze onzekerheid het proces van herstel en schadeloosstelling belemmert; overwegende dat de overlevenden van seksueel geweld in Cyprus vaak geen aangifte doen van de daden waarvan zij het slachtoffer waren, als gevolg van trauma’s, stigmatisering, angst, schaamte, gebrek aan institutionele steun en het ontbreken van een veilig en betrouwbaar meldingsmechanisme; overwegende dat dit de psychologische, maatschappelijke en economische gevolgen op lange termijn nog heeft verergerd;</P></CONS><CONS><P><NO.P>O.</NO.P>overwegende dat onder de slachtoffers vrouwen van alle leeftijden waren, van minderjarige meisjes en tieners tot jonge vrouwen, moeders van middelbare leeftijd en oudere vrouwen, en zelfs jongens, vaders en mannen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>P.</NO.P>overwegende dat verkrachting en andere vormen van seksueel geweld in 1974 al verboden waren op grond van het internationaal humanitair recht, waaronder artikel 27 van het Vierde Verdrag van Genève, dat voorschrijft dat vrouwen speciale bescherming moeten krijgen tegen verkrachting en elke vorm van aanranding;</P></CONS><CONS><P><NO.P>Q.</NO.P>overwegende dat tijdens het werkbezoek van de commissie FEMM aan Cyprus in mei 2025 werd benadrukt dat de gevolgen van de invasie en de aanhoudende bezetting voor vrouwen en meisjes dringend moeten worden erkend, onder meer omdat het gaat om de waardigheid van en gerechtigheid voor de overlevenden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>R.</NO.P>overwegende dat gendergelijkheid, eerbiediging van de menselijke waardigheid en de bescherming van de grondrechten kernwaarden van de EU zijn en consequent moeten worden gehandhaafd, ook met betrekking tot misdrijven uit het verleden die EU-burgers hebben getroffen;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF><ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>veroordeelt in de krachtigste bewoordingen de militaire invasie in en de aanhoudende illegale bezetting van de Republiek Cyprus door de Republiek Turkije, die inmiddels al 52 jaar duurt, als een ernstige schending van het internationaal recht en een belemmering voor vrede, stabiliteit en de betrekkingen tussen de EU en Turkije; veroordeelt ten stelligste de ernstige en aanhoudende gevolgen van de invasie voor Cypriotische vrouwen en meisjes, waaronder conflictgerelateerd seksueel geweld en andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen ontheemding, scheiding van gezinnen en andere schendingen van het internationaal humanitair recht en het recht inzake de mensenrechten, waardoor vrouwen en meisjes onevenredig zwaar worden getroffen, alsook de langdurige maatschappelijke, economische en psychologische schade die zij hebben geleden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>benadrukt dat de Republiek Turkije krachtens het internationaal recht verantwoordelijk blijft voor de schendingen die tijdens en na de invasie van 1974 zijn begaan, waaronder ernstige schendingen van de Verdragen van Genève, en herinnert eraan dat deze verantwoordelijkheid de verplichting inhoudt om ervoor te zorgen dat de slachtoffers volledige schadeloosstelling krijgen, met inbegrip van restitutie, rehabilitatie, genoegdoening en garanties dat dergelijke schendingen zich niet zullen herhalen; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat alle slachtoffers van gendergerelateerd geweld, met inbegrip van seksueel geweld, daadwerkelijk herstel krijgen; herinnert eraan dat dergelijke herstel toereikend moet zijn, onmiddellijk moet worden toegekend en holistisch moet zijn om de geleden schade te erkennen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>vraagt dat de onderhandelingen over de hereniging van Cyprus onder auspiciën van de secretaris-generaal van de VN met spoed worden hervat, en benadrukt dat ze moeten worden voortgezet vanaf het punt waarop ze in 2017 in Crans-Montana zijn afgebroken; bevestigt nogmaals met klem zijn standpunt dat de enige oplossing voor de kwestie-Cyprus een rechtvaardige, alomvattende, levensvatbare en democratische regeling is, binnen het reeds lang bestaande en overeengekomen VN-kader en het EU-acquis, op basis van een federatie van twee gemeenschappen en twee zones met politieke gelijkheid, zoals uiteengezet in de desbetreffende resoluties van de VN-Veiligheidsraad;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>erkent ten volle de ingrijpende en veelkantige gevolgen van de invasie en de bezetting voor Cypriotische vrouwen en meisjes, wier moed, kracht en leed maar al te vaak onzichtbaar en ondergerapporteerd zijn gebleven en onvoldoende erkenning hebben gekregen op nationaal, Europees en internationaal niveau; onderstreept dat Cypriotische vrouwen en meisjes ook belangrijke actoren van verzet, solidariteit en vredesopbouw zijn geweest en vraagt dat hun leiderschap wordt erkend en ondersteund op alle betreffende beleidsgebieden; stelt dat vrouwen volledig moeten worden betrokken bij elk politiek proces met betrekking tot de toekomst van het eiland, in overeenstemming met Resolutie 1325 (2000) van de VN-Veiligheidsraad;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>roept Turkije op om zijn troepen terug te trekken uit Cyprus, zich te onthouden van unilateraal optreden dat de permanente bezetting van het eiland zou bestendigen, en niets te doen dat het demografische evenwicht zou verstoren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>erkent de gevolgen van de gedwongen ontheemding, inclusief interne ontheemding, als gevolg van de invasie en de aanhoudende bezetting, en de blijvende impact daarvan op Cyprioten van de eerste, tweede en derde generatie, in het bijzonder vrouwen en meisjes, die onevenredig zwaar zijn getroffen; benadrukt dat velen hun huis, sociale netwerk en culturele continuïteit hebben verloren en te kampen hebben met intergenerationele trauma’s, een versplinterde identiteit, blijvende ontreddering en het gevoel nergens bij te horen, wat nog wordt verergerd door genderongelijkheid en de specifieke maatschappelijke verwachtingen die aan vrouwen worden gesteld; benadrukt dat dit moet worden aangepakt door middel van gericht beleid voor psychosociale ondersteuning van slachtoffers en overlevenden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>erkent dat conflictgerelateerd seksueel geweld langdurige secundaire sociale en economische gevolgen heeft, waaronder armoede, uitsluiting en stigmatisering, en verzoekt de Raad ervoor te zorgen dat deze gevolgen volledig worden geëvalueerd en dat er rekening mee wordt gehouden bij op nationaal niveau vastgestelde herstelmaatregelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>erkent dat de meerderheid van de vrouwen en meisjes die tijdens en in de nasleep van de invasie werden verkracht, in Cypriotische ziekenhuizen en Britse bases toegang hadden tot diensten op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid, en met name abortus, ook al was abortus toen strafbaar;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat overlevenden van verkrachting toegang hebben tot alle diensten op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, met name tot noodanticonceptiemiddelen, profylaxe na blootstelling, de behandeling en preventie van seksueel overdraagbare aandoeningen, waaronder hiv- en HPV tests, veilige en legale abortusdiensten en kraamzorg, als onderdeel van de klinische behandeling na verkrachting;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>prijst de 22 EU-lidstaten die het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen (Verdrag van Istanbul) hebben geratificeerd, waaronder Cyprus; verzoekt de Commissie om wetgeving voor te stellen waarin een EU-brede definitie van verkrachting wordt vastgelegd, waarbij verkrachting wordt gedefinieerd als het ontbreken van vrije, geïnformeerde en herroepbare toestemming, overeenkomstig artikel 36 van het Verdrag van Istanbul; roept de lidstaten op wetswijzigingen in gang te zetten om de definitie van verkrachting in hun nationale wetgeving in overeenstemming te brengen met artikel 36 van het Verdrag van Istanbul;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>verzoekt de Commissie Cyprus te ondersteunen bij zijn niet-aflatende inspanningen om de volledige omvang van conflictgerelateerde misdrijven, waaronder seksueel geweld, in kaart te brengen, het aantal slachtoffers te bepalen, gegevens te verzamelen en getuigenissen veilig te documenteren, teneinde te zorgen voor passende officiële erkenning, herstel en schadeloosstelling voor overlevenden en, in voorkomend geval, hun nakomelingen, het historisch bewustzijn te bevorderen en ondersteunende diensten voor overlevenden te verlenen aan de hand van een verbeterd nationaal actieplan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>erkent het initiatief in Cyprus om in Nicosia een monument op te richten voor vrouwen die het slachtoffer zijn geweest van seksueel geweld, als plek van collectieve herinnering en erkenning; is van mening dat de oprichting van het monument op een zichtbare en prominente plek zal bijdragen aan de erkenning van het trauma en het leed van de slachtoffers;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>moedigt lidstaten die te maken hebben gehad met wijdverbreide mensenrechtenschendingen, hetzij tijdens gewapende conflicten, hetzij onder autoritaire regimes, aan om de kwestie van seksueel en gendergerelateerd geweld waarmee slachtoffers en overlevenden te maken hebben gehad onverwijld aan de orde te stellen, het stilzwijgen te doorbreken, getuigenissen aan te moedigen door middel van formeel onderzoek en herdenkingsinitiatieven op te zetten om specifiek schendingen ten aanzien van vrouwen en meisjes, waaronder conflictgerelateerd seksueel geweld, gedwongen ontheemding en gendergerelateerde vervolging, te erkennen en te documenteren teneinde de misdrijven officieel te erkennen en de mogelijkheid van schadeloosstelling te openen; benadrukt dat dergelijke initiatieven integraal deel moeten uitmaken van gerechtelijke procedures die erop gericht zijn het door de geschiedenis heen opgelegde zwijgen te doorbreken, stigma’s weg te nemen en de autonomie, integriteit, handelingsvaardigheid en waardigheid van vrouwen te bevestigen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>verzoekt de secretaris-generaal van de VN, die elk jaar een verslag opstelt over seksueel geweld in conflictgebieden, de relevante VN-archieven en andere bronnen te onderzoeken om de wreedheden die in Cyprus zijn begaan, te documenteren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>is ingenomen met de inspanningen die in Cyprus op nationaal niveau worden geleverd om overlevenden te erkennen en iets te doen aan het onrecht dat alle gemeenschappen in het verleden is aangedaan; vraagt de lidstaten om in overeenstemming met de richtlijn slachtofferrechten schadevergoedingsmechanismen in te stellen voor slachtoffers en overlevenden van seksueel geweld; wijst erop dat in artikel 16 van de richtlijn slachtofferrechten is bepaald dat schadevergoeding door de dader moet worden betaald;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>verzoekt Turkije een doeltreffende schadeloosstelling te bieden voor de slachtoffers en overlevenden van conflictgerelateerd seksueel geweld en andere ernstige schendingen die tijdens en na de invasie van 1974 zijn gepleegd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>moedigt EU-brede bewustmaking over conflictgerelateerd seksueel geweld en de langetermijngevolgen daarvan aan om taboes te doorbreken, stigmatisering tegen te gaan en overlevenden te empoweren om hun verhaal te doen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>steunt de organisatie van een openbare hoorzitting op hoog niveau met deelname van mensen die wereldwijd, en met name in Cyprus, seksueel geweld in conflictsituaties hebben overleefd, vrouwenrechtenorganisaties en vredesactivisten, deskundigen op het gebied van internationaal strafrecht en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, teneinde hun getuigenissen en ervaringen binnen het institutionele kader van de EU formeel te erkennen en te tonen hoe erg de Turkse invasie van 1974 was;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>benadrukt dat er in Cyprus sterkere rechtskaders en op slachtoffers gerichte justitiële mechanismen nodig zijn om het conflictgerelateerde seksuele geweld tegen talloze vrouwen naar behoren aan te pakken en te zorgen voor een passend antwoord op de roep van de slachtoffers om gerechtigheid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>veroordeelt ten stelligste het gebruik van seksueel geweld als oorlogswapen, dat een ernstige schending van de Verdragen van Genève is, en verzoekt de Commissie aan bewustmaking over deze kwestie te doen door na te denken over de ervaringen met het Cypriotische conflict, teneinde verder geweld te voorkomen en actie te ondernemen als er nieuwe conflicten zouden uitbreken; verzoekt de Commissie voorts ervoor te helpen zorgen dat er verantwoording wordt afgelegd en initiatieven – inclusief speciale financiële mechanismen – te blijven steunen die voor de rechten van slachtoffers en hun families opkomen, herdenking bevorderen, gendergelijkheid binnen de EU promoten en de sociale re-integratie van slachtoffers vergemakkelijken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>verzoekt de Commissie haar financiële steun aan het Comité inzake vermiste personen in Cyprus te versterken, zodat het zich volledig van zijn taak kan kwijten, die erin bestaat de stoffelijke resten van vermiste personen op te graven, te identificeren en terug te geven aan hun familieleden, onder wie Cypriotische vrouwen die, bovenop de specifieke gevolgen van de oorlog, nog steeds met ernstige psychische problemen te kampen hebben; benadrukt echter dat financiële steun alleen niet volstaat, gezien het uitblijven van volledige medewerking, de beperkte toegang tot militaire gebieden en archieven en de obstructie door Turkije en de illegale separatistische entiteit in het noordelijke deel van Cyprus, die het doeltreffend functioneren en de tijdige voltooiing van het humanitaire mandaat van het Comité sterk belemmeren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>verzoekt Turkije om volledige en onbeperkte toegang te verlenen tot alle relevante officiële documenten in verband met de invasie van 1974 en de nasleep daarvan, en om op het punt van conflictgerelateerd seksueel geweld, gedwongen verdwijningen en andere ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht volledig samen te werken met internationale instanties en de Republiek Cyprus;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>bevestigt nogmaals dat de EU niet alleen een politieke, maar ook een morele en wettelijke verplichting heeft om op te komen voor de waardigheid, de rechten en de historische herinnering van alle EU-burgers, inclusief Cypriotische vrouwen en mannen die te lijden hebben gehad onder conflictgerelateerd geweld, en benadrukt dat zij zich blijvend moet inzetten en principieel moet optreden om dergelijke ernstige schendingen aan te pakken en zo te zorgen voor samenhang met de externe verbintenissen van de EU op het gebied van gendergelijkheid en mensenrechten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>dringt aan op meer en blijvende financiële en technische steun van de EU voor slachtoffergerichte hulpverlening in Cyprus, waaronder gespecialiseerde trauma- en genderbewuste begeleiding, langdurige psychosociale bijstand en programma’s voor intergenerationele verwerking die specifiek zijn afgestemd op overlevenden en hun families en worden uitgevoerd door gekwalificeerd en gespecialiseerd personeel teneinde secundaire victimisatie te voorkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>steunt de volledige tenuitvoerlegging door Cyprus van resolutie 1325 (2000) van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid, met name door de goedkeuring van een verbeterd en uitgebreider nationaal actieplan, en dringt erop aan dat meer vrouwen bij vredesopbouwprocessen worden betrokken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>vraagt dat het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld volledig wordt nageleefd, met name wat betreft de ondersteuning van slachtoffers van seksueel geweld en de nodige zorgvuldigheid bij het voorkomen, onderzoeken en bestraffen van dergelijke gewelddaden en herstelmaatregelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>looft het werk van maatschappelijke organisaties en bicommunautaire groepen op het gebied van gendergelijkheid in Cyprus, waaronder grassrootsinitiatieven van het maatschappelijk middenveld, en met name door vrouwen geleide initiatieven, en spreekt zijn waardering uit voor hun rol bij het bevorderen van vertrouwen, verzoening en dialoog; moedigt de uitwisseling van good practices tussen Cyprus en andere landen die ervaring hebben met schendingen van vrouwenrechten aan; dringt er bij de Commissie op aan om nauwer samen te werken met het Cypriotische maatschappelijk middenveld, verenigingen van slachtoffers en relevante internationale organen die zich inzetten voor waarheidsvinding en verzoening, onder meer door voldoende EU-financiering beschikbaar te stellen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>28.</NO.P>bevestigt nogmaals dat de resoluties van de VN-Veiligheidsraad over Cyprus bindend zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>29.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, en verzoekt ze in het Turks te laten vertalen en te laten toekomen aan de president, de regering en het parlement van de Republiek Turkije.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>