<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P9_TA(2023)0458</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">De uitvoering van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking – Europa in de wereld</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A9-0374/2023 - Rapporteurs: Michael Gahler, Charles Goerens, Pedro Marques, Tomas Tobé)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 12 december 2023 over de uitvoering van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking – Europa in de wereld (2023/2029(INI))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name de artikelen 209 en 212 en artikel 322, lid 1,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/947 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juni 2021 tot vaststelling van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking – Europa in de wereld, tot wijziging en intrekking van Besluit nr. 466/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EU) 2017/1601 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG, Euratom) nr. 480/2009 van de Raad<FOOTNOTE><FIELD> PB L 209 van 14.6.2021, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie van 8 november 2022, getiteld “Jaarverslag 2022 over de uitvoering van de instrumenten voor extern optreden van de Europese Unie in 2021” (COM(2022)0578),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verschillende verslagen van de Europese Rekenkamer (ERK) over de externe financiering van de EU, met name Speciaal verslag nr. 14/2023, getiteld “Programmering van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking – Europa in de wereld: alomvattende programma’s met tekortkomingen in de methoden voor de toewijzing van middelen en de effectbeoordeling”, en gezien het Speciaal verslag nr. 09/18, getiteld “Publiek-private partnerschappen in de EU: algemeen voorkomende tekortkomingen en beperkte voordelen”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 1 december 2021, getiteld “De Global Gateway” (JOIN(2021)0030),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de conclusies van de Raad van 14 juni 2021 over het verbeteren van de Europese financiële architectuur voor ontwikkeling,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie van 24 maart 2022, getiteld “Routekaart van de Commissie voor een verbeterde Europese financiële architectuur voor ontwikkeling en voortgangsverslag 2021” (COM(2022)0139),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de conclusies van de Raad van 14 juni 2021 over een sterker engagement van Team Europa voor menselijke ontwikkeling,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de conclusies van de Raad van 20 mei 2022 over het hernieuwde partnerschap van de EU met de minst ontwikkelde landen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 18 april 2018 over de tenuitvoerlegging van de externe financieringsinstrumenten van de EU: tussentijdse evaluatie 2017 en toekomstige architectuur na 2020<FOOTNOTE><FIELD> PB C 390 van 18.11.2019, blz. 76.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 17 april 2018 over de tenuitvoerlegging van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking, het instrument voor humanitaire hulp en het Europees Ontwikkelingsfonds<FOOTNOTE><FIELD> PB C 390 van 18.11.2019, blz. 33.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn standpunt in eerste lezing van 27 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking<FOOTNOTE><FIELD> PB C 108 van 26.3.2021, blz. 312.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 24 november 2022 over de toekomstige Europese financiële architectuur voor ontwikkeling<FOOTNOTE><FIELD> PB C 167 van 11.5.2023, blz. 57.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 23 juni 2022 over de tenuitvoerlegging en verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen<FOOTNOTE><FIELD> PB C 32 van 27.1.2023, blz. 28.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 15 juni 2023 over de tenuitvoerlegging en verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen<FOOTNOTE><FIELD> Aangenomen teksten, P9_TA(2023)0250.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn aanbeveling van 15 maart 2023 aan de Raad en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid met een balans van de werking van de EDEO en een pleidooi voor een sterkere EU in de wereld<FOOTNOTE><FIELD> Aangenomen teksten, P9_TA(2023)0077.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 25 november 2020 over de verbetering van de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp en de efficiëntie van steun<FOOTNOTE><FIELD> PB C 425 van 20.10.2021, blz. 73.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 54 van zijn Reglement, alsmede artikel 1, lid 1, punt e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de gezamenlijke beraadslagingen van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie ontwikkelingssamenwerking overeenkomstig artikel 58 van het Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van de Begrotingscommissie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A9-0374/2023),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat de Europese Unie en haar 27 lidstaten samen nog altijd 's werelds grootste verlener van externe steun zijn en ongeveer 43 % van de totale officiële ontwikkelingshulp (ODA) uitmaken die door alle OESO-leden samen aan ontwikkelingslanden wordt verleend; overwegende dat externe financieringsinstrumenten het belangrijkste mechanisme zijn voor het ondersteunen van het EU-optreden in de wereld en overwegende dat het externe optreden van de EU steeds belangrijker wordt voor de Europese burger;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking – Europa in de wereld (hierna: “het instrument”) op 14 juni 2021 in werking is getreden en dat eerdere instrumenten daarmee tot één instrument werden samengevoegd; overwegende dat het instrument, met een totale begroting van 79,5 miljard EUR, een historische verandering betekent in het externe en ontwikkelingsbeleid van de EU;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat de Commissie verantwoordelijk is voor het identificeren, formuleren, uitvoeren, monitoren en evalueren van de EU-hulp; overwegende dat de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) de taak heeft de continuïteit en samenhang van het externe beleid van de EU te waarborgen met de geïntegreerde aanpak die dit instrument omvat; overwegende dat het Parlement verantwoordelijk is voor democratische controle en toezicht, en in het kader van medebeslissingsprocedures als een medewetgever optreedt; overwegende dat de invoering van de Team Europa-aanpak moet bijdragen tot de ontwikkeling van één strategisch coördinatiekader voor de externe respons van de EU op grote uitdagingen; overwegende dat deze aanpak verdere samenwerking tussen de EU-instellingen, de lidstaten en de Europese Investeringsbank (EIB) mogelijk maakt en de collectieve doeltreffendheid en zichtbaarheid van de EU voortdurend vergroot; overwegende dat het instrument moet worden toegepast door middel van een combinatie van modaliteiten, waaronder bilaterale samenwerking, subsidies aan een reeks partners en een investeringskader;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat het externe investeringskader van het instrument gemengde financiering en garanties samenbrengt in het kader van de garantie voor extern optreden van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling+ (EFDO+), die door in aanmerking komende partners moet worden toegepast in een open en op samenwerking gebaseerde aanpak, met een specifieke rol voor de EIB; overwegende dat de financiële middelen van het EFDO+ aanzienlijk zijn uitgebreid ten opzichte van die van zijn voorganger, het EFDO, en dat het fonds verrichtingen tot 53,4 miljard EUR zal kunnen garanderen via de garantie voor extern optreden; overwegende dat het beginsel “beleid eerst” moet leiden tot samenwerking op basis van beleidsdoelstellingen en ervoor moet zorgen dat de Europese financiële architectuur voor ontwikkeling hierop wordt afgestemd;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat de Global Gateway-strategie tot doel heeft het geopolitieke gewicht van de EU op het wereldtoneel te bevorderen door slimme, schone en veilige verbindingen op digitaal, energie- en vervoersgebied te stimuleren en de gezondheids-, onderwijs- en onderzoeksstelsels in de hele wereld te versterken, binnen het kader van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de VN en de bijbehorende SDG’s;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat ongelijkheden een van de onderliggende oorzaken zijn van instabiliteit, onveiligheid en geweld;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat de bevordering van de mensenrechten een hoeksteen van het externe optreden van de EU vormt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat menselijke ontwikkeling een belangrijk gebied blijft voor het externe en het ontwikkelingsbeleid van de EU; overwegende dat investeringen in gezondheidszorg, onderwijs, voeding en sociale bescherming van het grootste belang zijn om universele toegang tot deze diensten, die fundamentele mensenrechten vormen, te waarborgen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat de externe financieringsinstrumenten van de EU als gevolg van de beperkte middelen vaak tot het uiterste zijn benut; overwegende dat sinds de goedkeuring van de verordening tot instelling van het instrument gebeurtenissen zoals de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne (die de wereldwijde voedselcrisis heeft verergerd, een crisis op het gebied van energie, levensonderhoudkosten en schulden in de hele wereld heeft veroorzaakt, en economische onzekerheid heeft gecreëerd, wat mogelijk de lidstaten en derde landen nog verder destabiliseert) en de gevolgen van de COVID-19-pandemie de situatie zodanig hebben verslechterd dat een vroegtijdige tussentijdse evaluatie van het instrument en een tussentijdse herziening van het meerjarig financieel kader (MFK) noodzakelijk zijn;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat de COVID-19-pandemie het reeds aanzienlijke financieringstekort in het kader van de SDG’s heeft vergroot en heeft geleid tot een algemene daling van de middelen met 700 miljard USD, en dat terwijl tegelijkertijd een aanzienlijke toename nodig is om het tekort van voor de pandemie aan te pakken in ontwikkelingslanden; overwegende dat reeds 80 % van de buffer is gebruikt en een verhoging ervan moet worden overwogen; overwegende dat het huidige politieke en financiële leiderschap van de EU en de inspanningen van de EU niet volstaan om de Europese consensus inzake ontwikkeling, de SDG’s en de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te verwezenlijken en andere acute mondiale uitdagingen aan te pakken, met name de verergering van de klimaatverandering, de gevolgen van COVID-19 en gewelddadige conflicten, en dat daarom gezamenlijke inspanningen op internationaal niveau nodig zijn om ervoor te zorgen dat het instrument kan worden ingezet om op deze nieuwe uitdagingen te reageren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat de projectuitvoering in het kader van het instrument nog niet volledig kan worden geëvalueerd, aangezien het zich nog in de beginfase bevindt; overwegende dat in de in 2024 verwachte tussentijdse evaluatie moet worden beoordeeld of het instrument bijdraagt aan de strategische prioriteiten van de EU en haar waarden in partnerlanden doeltreffend begunstigt, de mensenrechten bevordert, de armoede en ongelijkheid helpt terug te dringen en de duurzame ontwikkeling van derde landen bevordert, en of de financiering in het kader van het instrument wordt toegewezen op basis van de behoeften en ontwikkelingsstrategieën van derde landen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat de Europese Rekenkamer (ERK) in 2023 heeft geconcludeerd dat er sprake was van tekortkomingen in de methoden voor de toewijzing van middelen en de effectbeoordeling, dat het brede toepassingsgebied van het instrument de impact ervan kon beperken en dat er verbeteringen nodig waren met betrekking tot de wijze waarop ontwikkelingshulp werd toegewezen en gemonitord;</P></CONS><CONS><P><NO.P>M.</NO.P>overwegende dat het instrument moet worden ingezet om nauwere en doeltreffendere partnerschappen, die tastbare resultaten opleveren, met derde landen tot stand te brengen, gebaseerd op wederzijdse belangen, strategische prioriteiten, gestructureerde en doeltreffende samenwerking en duidelijke langetermijndoelstellingen; overwegende dat de nabuurschapsbetrekkingen tussen de EU en Afrika van bijzonder strategisch belang zijn; overwegende dat het instrument moet worden ingezet om een eerlijke groene transitie te waarborgen, lokale toegevoegde waarde te bevorderen en het beginsel “geen ernstige afbreuk doen” te eerbiedigen; overwegende dat de efficiëntie, doeltreffendheid en ontwikkelingsimpact van het instrument belangrijke indicatoren zijn om te volgen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>N.</NO.P>overwegende dat de geopolitieke concurrentie sinds de goedkeuring van het instrument is geëvolueerd en toegenomen; overwegende dat dit het instrument in een nieuw en urgenter licht stelt; overwegende dat de Global Gateway een antwoord is op deze uitdaging en tot doel heeft partnerlanden een levensvatbaar en aantrekkelijk alternatief te bieden dat blijvende voordelen oplevert voor lokale gemeenschappen; overwegende dat EU-optreden in partnerlanden beter moet worden gecommuniceerd en zichtbaarder moeten worden gemaakt; overwegende dat ondanks het feit dat de Global Gateway gericht is op de geopolitieke doelstellingen van de EU, de in het kader van het instrument verleende officiële ontwikkelingshulp moet dienen voor duurzame ontwikkeling op lange termijn in partnerlanden;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Algemene overwegingen</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een herziening van het MFK 2021-2027 met aanvullende financiering voor rubriek 6, aangezien de huidige financiële programmering ontoereikend is voor het instrument, dat ondergefinancierd is, en beter de geopolitieke ambities en mondiale verbintenissen van de EU moet weerspiegelen; neemt kennis van de door de Commissie voorgestelde aanvullende financiering voor rubriek 6, waarvan 9,5 miljard EUR zou worden toegewezen aan de respons op de externe dimensie van migratie, met inbegrip van externe uitdagingen, 3 miljard EUR aan de buffer voor nieuwe uitdagingen en prioriteiten van het instrument en 2,5 miljard EUR aan de reserve voor solidariteit en noodhulp;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>benadrukt de noodzaak om het externe en ontwikkelingsbeleid van de EU te herzien in het licht van de financieringskloof, de toenemende ongelijkheid tussen en binnen landen, en de wereldwijde voedselonzekerheid; erkent de gevolgen van geopolitieke veranderingen, met name de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne, de nieuwe prioriteiten van de EU, het toegenomen belang van strategische partnerschappen met partnerlanden, in overeenstemming met het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling, en de specifieke rol van EU-investeringen die zowel de waarden en belangen van de EU als de belangen van onze partners moeten weerspiegelen; benadrukt voorts dat bij deze herziening moet worden beoordeeld of de doelstellingen van het instrument (de vermindering van armoede en ongelijkheid, de bevordering van mensenrechten en de duurzame ontwikkeling van partnerlanden op lange termijn) worden verwezenlijkt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>bevestigt opnieuw, in het licht van de voortdurende Russische aanvalsoorlog, zijn onwrikbare steun aan Oekraïne in al zijn vormen, met inbegrip van humanitaire bijstand, herstel, wederopbouw en modernisering; benadrukt echter dat deze steun niet ten koste mag gaan van officiële ontwikkelingshulp, andere partners en derde landen die negatieve gevolgen ondervinden door de Russische aanvalsoorlog en waarvan de EU-financiering niet mag worden verminderd; verzoekt daarom om een grondige evaluatie van de middelen van het instrument, waarbij ook moet worden beoordeeld of deze toereikend zijn om de doelstellingen van het instrument te verwezenlijken zoals vastgelegd in de verordening tot vaststelling van het instrument, en om de middelen van het instrument gepast te verhogen en ervoor te zorgen dat deze relevant blijven in de context van de huidige geopolitieke uitdagingen, de EU als een betrouwbare partner weergeven en de invloed van andere wereldmachten tegengaan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>is ingenomen met de samenvoeging van het grootste deel van het externe optreden van de EU in één enkel instrument, waardoor de talrijke eerdere instrumenten geleidelijk worden gestroomlijnd en geharmoniseerd; is echter van mening dat deze vereenvoudiging weliswaar heeft geleid tot meer flexibiliteit en efficiëntie, maar niet gepaard is gegaan met voldoende doeltreffende verantwoordingsplicht en transparantie; onderstreept in dit verband dat maatregelen alleen als doeltreffend kunnen worden beschouwd wanneer de doeltreffendheid ervan aan de hand van duidelijke en vergelijkbare monitoring- en evaluatiemechanismen kan worden aangetoond; herinnert aan de bevindingen van het Speciaal verslag nr. 14/2023 van de Europese Rekenkamer, waarin erop werd gewezen dat meer dan 20 % van de indicatoren in de steekproef geen of een onduidelijke uitgangswaarde had en dat 24 % geen of onduidelijke streefdoelen had, terwijl de gegevensbronnen in de meerjarige indicatieve programma’s (MIP’s) onvolledig waren of ontbraken; verzoekt de Commissie het gebruik van indicatoren van het resultatenkader voor Europa in de wereld te verplichten, hetgeen de norm moet zijn voor maatregelen gedurende de hele uitvoeringscyclus van MIP’s, namelijk planning, uitvoering en verslaglegging van resultaten, en om de capaciteit van de EU-delegaties aanzienlijk te vergroten; benadrukt dat het instrument moet zorgen voor efficiënte, doeltreffende, samenhangende en inclusieve uitvoering, die stoelt op het beginsel “beleid eerst” en in overeenstemming is met de strategische belangen en de waarden van de EU en de prioriteiten van partnerlanden; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om ten minste tweemaal per jaar een voortgangsverslag over de doeltreffendheid van de hulp te publiceren dat consequent gestandaardiseerde, begrijpelijke en vergelijkbare indicatoren bevat die betrekking hebben op gezamenlijke planning, gezamenlijke uitvoering en gezamenlijke resultatenkaders; verzoekt de Commissie dit voortgangsverslag voor te leggen aan het Parlement;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over de escalatie van geopolitieke onrust, autoritaire trends en recente aanvallen op de fundamenten van de democratie en de rechtsstaat over de hele wereld; dringt erop aan dat er bij de tussentijdse evaluatie een grondige beoordeling wordt uitgevoerd van het vermogen van het instrument om de algemene doelstellingen van het externe beleid van de EU te verwezenlijken, met name de doelstelling om bij te dragen aan de bevordering van multilateralisme en duurzame ontwikkeling en aan de bescherming, bevordering en verbetering van de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en de fundamentele vrijheden; benadrukt dat het externe optreden van de EU op het gebied van democratie, dat in het kader van het instrument ten uitvoer wordt gelegd, moet worden aangepast aan een nieuwe geopolitieke realiteit die wordt gekenmerkt door concurrerende governancemodellen, om democratische achteruitgang beter te kunnen voorkomen en om er beter op te kunnen reageren; verzoekt de Commissie kritisch, en met een passende granulariteit van de informatie, de vooruitgang op het gebied van de uitvoering van het instrument voor alle programma’s, uitgavendoelstellingen en benchmarks te beoordelen, en daarbij af te zien van het herhalen van oppervlakkige beleidsstandpunten; bevestigt nogmaals dat het hoofddoel van ontwikkelingssamenwerking er volgens de Verdragen en de nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling in moet bestaan armoede uit te bannen en de duurzame, economische, sociale en ecologische ontwikkeling van ontwikkelingslanden te bevorderen; benadrukt dat de “beleid eerst”-aanpak geleid moet worden door de beginselen en doelstellingen van het strategisch kompas van de EU, de Europese consensus inzake ontwikkeling, de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de VN, de Overeenkomst van Parijs en de actieagenda van Addis Abeba;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>verzoekt met name om een eerlijke en grondige beoordeling van het gebruik van artikel 42, lid 4, van de verordening tot vaststelling van het instrument, en van overweging 40 van die verordening, waarin staat dat de steun kan worden geschorst indien de democratie, de mensenrechten of de rechtsstaat in derde landen erop achteruitgaan; pleit voor beoordelingen vooraf om de mogelijke gevolgen en risico’s van projecten met betrekking tot de mensenrechten vast te stellen, in overeenstemming met artikel 25, lid 5, van de verordening; verzoekt om toezicht op de mensenrechten gedurende de uitvoering van projecten in derde landen, met name bij projecten met een hoog risico op schendingen; verzoekt om opschorting of modulatie van projecten die bijdragen tot mensenrechtenschendingen in derde landen; verzoekt de Commissie alle beoordelingen die betrekking hebben op de mensenrechten proactief met het Parlement te delen; onderstreept dat de EU een principiëlere benadering moet hanteren ten aanzien van partnerlanden die een koers in tegengestelde richting aan het varen zijn wat kernwaarden en -beginselen betreft; steunt de schorsing van begrotingssteun om in dit verband het goede voorbeeld te geven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>is bezorgd dat de financiering van de bijstand aan Oekraïne door middelen uit de buffer van het instrument beschikbaar te stellen, in plaats van het geschikte begrotingsinstrument te gebruiken, de buffer grotendeels heeft opgemaakt, waardoor het instrument maar in beperkte mate op onvoorziene uitdagingen zal kunnen reageren; is ingenomen met het voorstel van de Commissie tot instelling van de faciliteit voor Oekraïne<FOOTNOTE><FIELD> Voorstel van de Commissie van 20 juni 2023 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van de faciliteit voor Oekraïne (COM(2023)0338).</FIELD></FOOTNOTE>, die moet zorgen voor duurzame langetermijnfinanciering voor Oekraïne zonder dat het instrument daarbij zijn vermogen verliest om aan toekomstige uitdagingen het hoofd te bieden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>dringt erop aan dat de tussentijdse evaluatie juridische en politieke duidelijkheid verschaft over de opname van Oekraïne, de Republiek Moldavië en Georgië als begunstigden in het nabuurschapshoofdstuk van het instrument; merkt op dat Oekraïne en de Republiek Moldavië kandidaat zijn geworden voor toetreding tot de EU en dat Georgië wordt beschouwd als potentiële kandidaat voor het EU-lidmaatschap; onderstreept in dit verband dat Oekraïne, de Republiek Moldavië en Georgië daarom als begunstigden moeten worden opgenomen met de adequate overdracht van bilaterale financiële middelen naar de verordening inzake het instrument voor pretoetredingssteun (IPA III)<FOOTNOTE><FIELD> Verordening (EU) 2021/1529 van het Europees Parlement en de Raad van 15 september 2021 tot vaststelling van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA III) (PB L 330 van 20.9.2021, blz. 1).</FIELD></FOOTNOTE>, die een afzonderlijke rechtsgrondslag heeft en een beleidskader dat losstaat van het instrument en het Europees nabuurschapsbeleid, wat de druk op het instrument zou verminderen; is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een nieuwe en specifieke faciliteit voor Oekraïne die de toekomstige steun zou bundelen in één afzonderlijk instrument onder rubriek 6 van het MFK om aan de onmiddellijke behoeften te voldoen, maar benadrukt het belang van het gebruik van een langetermijninstrument;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>verzoekt om bij de tussentijdse evaluatie met name te beoordelen in hoeverre de financiering tastbare resultaten heeft opgeleverd in Afrika, in overeenstemming met de doelstellingen van het instrument, de strategie EU-Afrika en de resultaten en prioriteiten van de zesde top van de Afrikaanse Unie en de EU in 2022, en om na te gaan of een herziening van de prioriteiten en doelstellingen noodzakelijk is; benadrukt dat een analyse van de tastbare resultaten van de verleende bijstand, op basis van duidelijke indicatoren, van bijzonder belang is voor een adequate beoordeling van de doeltreffendheid van het gebruik van de middelen; verzoekt de Commissie beter gebruik te maken van de optie om geografische middelen ten behoeve van pan-Afrikaanse programma’s te combineren, zoals bepaald in artikel 4, lid 2 van de verordening tot vaststelling van het instrument, om de toezeggingen van de EU en de Afrikaanse Unie te ondersteunen; onderstreept dat de EU de nieuwe Afrikaanse continentale vrijhandelszone actief moet blijven ondersteunen, onder andere via dit instrument, waarbij ze voortbouwt op haar eigen ervaring met de ontwikkeling van de Europese eengemaakte markt, teneinde duurzame economische ontwikkeling te stimuleren, meer banen te scheppen, armoede terug te dringen en gedeelde welvaart in Afrika te doen toenemen; benadrukt dat Afrikaanse partnerlanden moeten worden ondersteund door het continent zijn grote onbenutte potentieel op het gebied van hernieuwbare energie te benutten en dat er in Afrika sneller vooruitgang moet worden geboekt met betrekking tot betaalbare en duurzame energie (SDG 7), hetgeen niet alleen de economische groei, de werkgelegenheid en de sociale ontwikkeling zal stimuleren, maar ook het mondiale aandeel van hernieuwbare energie aanzienlijk zal vergroten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>bevestigt opnieuw met klem de in het instrument vastgelegde verbintenis om armoede uit te bannen, klimaatverandering en voedselonzekerheid tegen te gaan, ongelijkheid en discriminatie te bestrijden en duurzame menselijke ontwikkeling te bevorderen; herinnert aan de verbintenis van de EU en de lidstaten om hun ODA tegen 2030 te verhogen tot 0,7 % van het bruto nationaal inkomen, met inbegrip van een bijdrage van ten minste 20 % van de ODA, die uit hoofde van het instrument wordt gefinancierd, aan sociale inclusie en menselijke ontwikkeling, zoals gezondheid, onderwijs, voeding en sociale bescherming, en een verstrekking van 0,2 % van het bruto nationaal inkomen van de EU als ODA aan de minst ontwikkelde landen; onderstreept dat het EFDO+ gericht moet zijn op het ondersteunen van investeringen als middel om bij te dragen tot de verwezenlijking van de SDG’s; benadrukt het belang van een holistische benadering ten aanzien van menselijke veiligheid als nieuw leidend paradigma; dringt er in het kader van het komende programmeringsproces op aan dat het EU-genderactieplan III volledig ten uitvoer wordt gelegd, met een sterke inzet voor genderperspectief en gendermainstreaming, en dringt erop aan dat de mondiale gezondheidsstrategie van de EU en het jongerenactieplan operationeel worden gemaakt in het externe optreden van de EU; onderstreept dat in haar externe optreden de inspanningen van de EU ter bevordering en bescherming van de mensenrechten moeten worden opgevoerd en is in dit verband ingenomen met de tussentijdse evaluatie van de uitvoering van het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie; benadrukt het belang van een krachtige houding tegen corruptie bij alle ontwikkelingsinspanningen van de EU en steunt de conclusies van de Raad van 4 mei 2023 inzake corruptie als hindernis in het kader van ontwikkeling;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>benadrukt dat investeringen in menselijke ontwikkeling van cruciaal belang zijn voor de strijd tegen ongelijkheid en voor onderwijs, met inbegrip van beroepsopleidingen, en een duidelijke prioriteit moeten blijven in het komende programmeringsproces, aangezien deze de partnerlanden in ontwikkeling in staat stellen het potentieel aan menselijk kapitaal bij hun jonge bevolking te ontsluiten en de menselijke ontwikkeling, economische groei en werkgelegenheid in hun land te stimuleren; verzoekt de Commissie een marker voor kinderbeleid in te voeren die voortbouwt op de bestaande methodologie die is ontwikkeld op het gebied van gender, klimaat, migratie en digitalisering, om de instellingen en partners van de EU in staat te stellen investeringen in kinderen te meten en te controleren; benadrukt dat het volgen en controleren van de EU-investeringen in kinderen van fundamenteel belang is om de toegevoegde waarde en doeltreffendheid van de EU te kunnen aantonen; onderstreept dat COVID-19 een wake-upcall was voor laag- en middeninkomenslanden die duidelijk heeft aangetoond dat het nodig is om sneller vooruitgang te boeken bij de opbouw van universele, door de overheid gefinancierde gezondheidszorgstelsels; vraagt dat bij de programmering van het instrument prioriteit wordt gegeven aan subsidies en aan de bevordering van de publieke sector op het gebied van gezondheid, om ervoor te zorgen dat ontwikkelingshulp eerst de mensen bereikt; beklemtoont dat het belangrijk is voldoende geld te blijven uittrekken om sociale resultaten te verbeteren en systemische kwesties aan te pakken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>spreekt zijn bezorgdheid uit over de toestand van de lhbtiq+-rechten wereldwijd, alsook over de algemene weerstand tegen vrouwenrechten, gendergelijkheid, en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten in ontwikkelingslanden; verzoekt de Commissie en de EDEO de achteruitgang op het gebied van de erkenning en bescherming van deze rechten aan te pakken; onderstreept in dit verband dat prioriteit moet worden gegeven aan de gerichte ondersteuning voor maatschappelijke organisaties en gemeenschappen die pleiten voor de eerbiediging van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, vrouwenrechten, gendergelijkheid, de lhbtiq+-gemeenschap en andere gemarginaliseerde bevolkingsgroepen, met inbegrip van versterkte maatregelen om homoseksualiteit te decriminaliseren; herinnert eraan dat ten minste 85 % van de nieuwe acties die in het kader van het instrument worden uitgevoerd gendergelijkheid als hoofd- of belangrijke doelstelling moet hebben, en dat ten minste 5 % van die acties gendergelijkheid en de rechten en empowerment van vrouwen en meisjes als hoofddoelstelling moet hebben;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>wijst erop hoe belangrijk het is dat alle doelstellingen van het instrument die met de uitgaven en het programma te maken hebben, worden verwezenlijkt en verzoekt om gedetailleerde informatie over de vooruitgang die in dit verband is geboekt; betreurt de aanzienlijke tekorten bij de verwezenlijking van de 30 %-klimaatdoelstelling van het instrument, bij de bijdrage aan de 10 %-biodiversiteitsdoelstelling uit hoofde van het MFK voor 2026 en 2027, en bij het waarborgen van de nakoming van de mondiale financiële verplichtingen van de EU in het kader van de VN, met name wat de bijdrage aan het verlies- en schadefonds betreft; herinnert eraan dat de voedselproductie en de toegang tot voedsel steeds sterker onder druk zullen komen te staan als gevolg van de klimaatverandering, in het bijzonder in kwetsbare regio’s, waardoor de voedselzekerheid en voeding zullen worden ondermijnd; herinnert er voorts aan dat biodiversiteit een cruciale factor is in de strijd tegen klimaatverandering en dat het verlies aan biodiversiteit en ecosysteemdiensten de vooruitgang bij ongeveer 80 % van de vastgestelde streefdoelen voor de SDG’s zal ondermijnen; dringt aan op een gedetailleerd plan waarin wordt uiteengezet hoe de Commissie de uitgaven- en genderdoelstellingen tegen het einde van het MFK beoogt te halen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>bevestigt opnieuw de in het instrument vastgelegde verbintenis om de onderliggende oorzaken van irreguliere migratie en gedwongen ontheemding aan te pakken; is van mening dat, onverminderd onvoorziene omstandigheden, de verbintenis in het kader van het instrument om een indicatieve 10 % van de financiële middelen van het instrument te besteden aan acties ter ondersteuning van het beheer en de governance van migratie en gedwongen ontheemding in het kader van de doelstellingen van het instrument, moet worden nagekomen en dat deze clausule niet mag worden gewijzigd; merkt niettemin op dat 14 % van de in 2021 vastgelegde middelen heeft bijgedragen tot de uitgavendoelstelling voor migratie; verwacht regelmatig substantiële updates te ontvangen over de stand van zaken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>betreurt het feit dat het huidige gebruik van de pijler voor snelle respons niet op zichtbare en doeltreffende wijze bijdraagt aan het bevorderen van de belangen van de EU in de wereld; verzoekt daarom om bij de tussentijdse evaluatie in 2024 te overwegen opnieuw programmagerelateerde steun voor de doelstellingen van het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU uit te trekken;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Veiligstelling van de nodige middelen en mobilisering van investeringen</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>wijst erop dat de tussentijdse evaluatie van het MFK in 2024 er in geen geval toe mag leiden dat de middelen van het instrument worden verminderd of dat ze worden herverdeeld tussen de thematische en geografische langetermijnprogramma’s voor duurzame ontwikkeling; is bezorgd over het feit dat het instrument sinds het begin van het MFK 2021-2027 ondergefinancierd is en dat de geografische focus ervan ten koste is gegaan van belangrijke thematische begrotingslijnen, zoals het prioritaire domein “Mensen” van het begrotingsonderdeel voor mondiale uitdagingen, dat als gevolg van COVID-19 onder nog grotere druk kwam te staan, waardoor er weinig tot geen speelruimte overblijft voor een volledige nakoming van de toezeggingen van de EU om multilaterale gezondheidsinitiatieven in de komende jaren te ondersteunen; onderstreept dat het gebrek aan middelen een gevaarlijke kloof creëert tussen de ambitie van de EU en haar vermogen om haar beloften na te komen; herinnert eraan dat ontoereikende financiering ook zal leiden tot schadelijke concurrentie tussen kortetermijnbehoeften en langetermijninvesteringen, en tussen belangrijke ontwikkelingssectoren, wat uiteindelijk de doeltreffendheid van de EU-steun en de bijdrage ervan aan de verwezenlijking van de Agenda 2030 zal hinderen; benadrukt de sleutelrol van het instrument, het EFDO+ en de garantie voor extern optreden (EAG) bij het bieden van een strategisch kader voor gemengde financiering, voor het minder risicovol maken van investeringen en garanties, alsmede bij het aantrekken van middelen uit de particuliere sector met de steun van de EU-begroting, met name in het licht van de toenemende geopolitieke en economische concurrentie; benadrukt dat projecten met gemengde financiering en doeltreffende partnerschappen met de particuliere sector in ontwikkelingslanden gericht moeten zijn op het maximaliseren van de ontwikkelingsresultaten en in overeenstemming moeten zijn met de SDG’s, de Overeenkomst van Parijs en de nationale ontwikkelingsprioriteiten; herinnert eraan dat steun van de particuliere sector eerder een aanvulling op overheidsinvesteringen is dan een vervanging ervoor, in het bijzonder in kritieke diensten zoals gezondheidszorg, onderwijs en sociale bescherming, die cruciale langetermijnvooruitzichten bieden om uit de armoede te geraken; verzoekt het EFDO+ geen investeringen te financieren die een negatief effect hebben op de verwezenlijking van de SDG’s, in het bijzonder wat de strijd tegen de klimaatverandering betreft; vraagt dat de langetermijnbegroting wordt aangepast om de positieve impact, invloed en geloofwaardigheid van de EU op het wereldtoneel te beschermen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>erkent de specifieke rol van EU-investeringen, die de strategische belangen en de ontwikkelingsdoelstellingen van zowel de EU als onze partnerlanden, alsook de waarden van de EU moeten weerspiegelen, en benadrukt de belangrijke rol van de begrotingsgaranties bij de verwezenlijking ervan volgens het beginsel “beleid eerst”; benadrukt hoe belangrijk het is ervoor te zorgen dat de garanties het investeringsrisico in de landen met het hoogste risico compenseren, zodat relevante investeringen ook naar hen toe worden geleid; benadrukt dat de EU in dit opzicht het goede voorbeeld moet geven, gezien het debat dat aan de gang is over de hervorming van multilaterale ontwikkelingsbanken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>neemt kennis van de specifieke rol van de EIB in de Europese financiële architectuur voor ontwikkeling, zoals vastgelegd in artikel 209 VWEU en artikel 36 van de verordening tot vaststelling van het instrument, en erkent het potentieel van de EIB om aanvullende financiering te mobiliseren die bijdraagt aan de doelstellingen van het instrument; is ingenomen met de oprichting van EIB Global, die sinds 1 januari 2022 operationeel is en tot doel heeft de aanwezigheid en expertise van de bank in ontwikkelingslanden te vergroten; merkt op dat EIB Global sinds de oprichting van de nieuwe ontwikkelingstak meer dan ooit tevoren gebruik heeft gemaakt van het door het instrument geboden specifieke investeringsvenster, waarbij in 2022 meer dan 10 miljard EUR ter beschikking werd gesteld, met name ter ondersteuning van Oekraïne en de Global Gateway; herinnert aan het belang van de EU-begroting als enige garant voor de activiteit waarbij de EIB leningen buiten de EU verstrekt ter ondersteuning van het EU-beleid; vraagt om een verhoging van de garanties die uit de EU-begroting aan de EIB worden verstrekt om de EIB in staat te stellen essentiële activiteiten in de publieke en private sector in Oekraïne te blijven uitvoeren en haar activiteiten in het Globale Zuiden uit te breiden; verzoekt de EIB van haar positie gebruik te maken om investeringen voor duurzame ontwikkeling te mobiliseren in overeenstemming met het doel en de criteria van het EFDO+; benadrukt de belangrijke rol van de EIB als partner van de Commissie om 100 miljard EUR van de in het kader van de Global Gateway-strategie toegezegde 300 miljard EUR te leveren; verzoekt de EIB prioriteit te geven aan een agenda voor duurzame ontwikkeling; verzoekt de EIB een groter risico te nemen bij de financiering van projecten met een hoog sociaal rendement; verzoekt de EIB haar aanwezigheid ter plaatse te blijven versterken door voort te bouwen op haar huidige aanpak van colocatie binnen EU-delegaties, en tegelijk mogelijke synergieën met de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBWO) en andere Europese instellingen voor ontwikkelingsfinanciering (DFI’s) verder te benutten; moedigt de EIB aan zich actief te blijven inzetten voor de ontwikkeling van planning, monitoring en evaluatie op nationaal niveau, samen met de EU-delegaties en door middel van medefinanciering met DFI’s; vraagt om een betere coördinatie tussen de Commissie en de EDEO en EU-delegaties om besprekingen en samenwerking met relevante actoren ter plaatse te vergemakkelijken en zo na te gaan welke projecten het beste beantwoorden aan de doelstellingen inzake doeltreffende ontwikkelingshulp;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>is ingenomen met de “open architectuur” van het EFDO+, dat is opgericht om investeringen van de particuliere sector te ondersteunen, en verzoekt de Commissie, de EIB, de EBWO, de lidstaten en de instellingen voor ontwikkelingsfinanciering ten volle gebruik te maken van de mogelijkheden die de garantie voor extern optreden en de desbetreffende investeringsvensters bieden om duurzame investeringen van de particuliere sector te bevorderen; onderstreept dat financiering uit de particuliere sector moet worden gestimuleerd, met bijzondere aandacht voor kleine en middelgrote ondernemingen, en vraagt om grotere inspanningen om knelpunten en belemmeringen voor investeringen aan te pakken; erkent verder de belangrijke rol van de particuliere sector bij het waar mogelijk genereren van nieuwe investeringen, werkgelegenheid en financiering voor ontwikkeling; herinnert aan de controlebevoegdheid van het Parlement en de noodzaak van transparantie bij de tenuitvoerlegging van het EFDO+;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Strategische aanpak</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>is ingenomen met de Team Europa-aanpak en de doelstelling ervan om de samenhang, het effect en de zichtbaarheid van EU-ontwikkelingsprojecten te vergroten, en roept op tot meer gezamenlijke acties met de lidstaten, in het bijzonder Team Europa-initiatieven (TEI’s); herinnert aan de opmerking van de Europese Rekenkamer dat de bijdragen van individuele lidstaten aan TEI’s niet worden vermeld in de MIP’s, waardoor onzekerheid ontstaat over de financiële steun van de lidstaten, waardoor de toekomst van TEI’s als collectief initiatief onduidelijk wordt; verzoekt de Commissie en de lidstaten de doeltreffendheid van de aanpak te evalueren en het Parlement op de hoogte te stellen van hun bevindingen; verzoekt de Commissie de rollen binnen de Team Europa-aanpak te verduidelijken en een mechanisme voor te stellen dat de transparantie en de democratische controle van de initiatieven verbeterd; vraagt verder om een gezamenlijk optreden van de EU en de lidstaten om de doeltreffendheid te vergroten en de middelen te maximaliseren; moedigt de lidstaten, de DFI’s, de EIB en de EBWO aan, om een actievere rol te spelen in Team Europa met financiële toezeggingen en gezamenlijke acties, onder leiding van de Commissie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>is ingenomen met de Global Gateway-strategie als een gezamenlijke reactie van de EU op mondiale uitdagingen; is van mening dat in tijden van nieuwe geostrategische uitdagingen de actoren van het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU en die van ontwikkelingssamenwerking beter moeten samenwerken om de aanwezigheid en zichtbaarheid van de EU wereldwijd te vergroten door middel van investeringen in infrastructuur die nationale waarde creëren in partnerlanden, in overeenstemming met de SDG’s; herinnert eraan dat de Global Gateway moet worden beschouwd als een strategisch concept waarin buitenlands, economisch en ontwikkelingsbeleid zijn geïntegreerd; benadrukt dat er enorme investeringen nodig zijn in zowel harde als zachte infrastructuur in ontwikkelingslanden, van digitale, vervoers- en energienetwerken tot gezondheidszorg, onderwijs en voedselsystemen; betreurt echter het gebrek aan transparantie en het ontbreken van een regelgevingskader voor de governance en de uitvoering van de strategie binnen de doelstellingen en prioriteiten van het instrument; benadrukt de noodzaak van adequate parlementaire betrokkenheid en controle, alsook overleg met het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties door middel van een licht governancekader dat snel zou zorgen voor meer investeringen en meer zichtbaarheid van de EU in partnerlanden in een complexe geopolitieke context; verzoekt de Commissie de gezamenlijke mededeling over de Global Gateway te actualiseren om het governancekader te verduidelijken, met inbegrip van de controlerende rol van het Parlement, en een duidelijke definitie te geven van wat een Global Gateway-project is en wat dergelijke projecten onderscheidt van andere investeringsprojecten; vraagt om duidelijkheid over de wijze waarop het Financieel Reglement van de EU en de regels voor overheidsopdrachten van toepassing zijn; vraagt om een snellere uitvoering van de strategie in het licht van de bestaande en opkomende mondiale uitdagingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>betreurt het gebrek aan duidelijkheid over de financiering voor de Global Gateway-strategie en herinnert eraan dat dergelijke nieuwe initiatieven moeten worden gefinancierd met nieuwe kredieten en de daarmee samenhangende opwaartse herziening van het maximum van rubriek 6; verzoekt de Commissie maatschappelijke organisaties systematischer te betrekken bij Global Gateway-projecten en TEI’s en te overwegen lokale maatschappelijke organisaties actief te betrekken bij de programmering voor elk land;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>benadrukt dat het belangrijk is efficiënter gebruik te maken van synergieën en de financieringsinitiatieven, die de EIB, de EBWO en andere DFI’s hebben genomen en die gericht zijn op landen van het Europees nabuurschapsgebied, met bijzondere aandacht voor kandidaat-lidstaten van de EU, beter op elkaar af te stemmen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Parlementaire controle</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>herinnert aan de bevoegdheden van het Parlement op het gebied van politieke en begrotingscontrole en raadpleging en beklemtoont de rol van de geopolitieke dialoog op hoog niveau bij het verstrekken van algemene beleidslijnen voor de uitvoering van het instrument; benadrukt het belang van gedetailleerde informatie over de begroting die is of zal worden uitgevoerd; onderstreept dat het Parlement volledige en tijdige toegang tot documenten moet krijgen en het effect en de voortgang van projecten moet kunnen monitoren, om het toepassingsgebied en het effect ervan beter te kunnen beoordelen, en dat het daarom volledige toegang moet krijgen tot gestandaardiseerde uitgangssituatie- en streefdoelindicatoren en gegevensbronnen; verzoekt de Commissie te zorgen voor een consistente interinstitutionele informatiestroom, waarbij het Parlement op de hoogte wordt gehouden van investeringsprojecten, waaronder Global Gateway-projecten, en het kader voor resultaatbeheer volledig beschikbaar te stellen; herhaalt dat de standpunten van het Parlement volledig in aanmerking moeten worden genomen; herhaalt verder dat resoluties van het Parlement deel uitmaken van het algemene beleidskader voor de tenuitvoerlegging van het instrument; dringt er bij de Commissie op aan de tijdige verstrekking van documentatie aan het Parlement voorafgaand aan de geopolitieke dialoog op hoog niveau aanzienlijk te verbeteren, alsook de manier waarop zij rekening houdt met de aanbevelingen van het Parlement, met name door na elke dialoog een schriftelijke procedure in te stellen waarin wordt aangegeven hoe zij elke specifieke aanbeveling van het Parlement zal opvolgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>verzoekt de Commissie de herziening van het MFK aan te grijpen om de nomenclatuur van het instrument te verfijnen door meer begrotingslijnen op te nemen, zodat de begrotingsautoriteit haar controlebevoegdheden kan uitoefenen, in het bijzonder met betrekking tot de begrotingslijnen voor nabuurschap, om de transparantie te vergroten teneinde een datagestuurd beleid tot stand te brengen dat kan worden gecontroleerd met betrekking tot de doelstellingen ervan, en om een strategische benadering beter te weerspiegelen en de programmering op lange termijn te verbeteren; wijst erop dat de overlap tussen financieringsinstrumenten, bijvoorbeeld in het kader van garanties, de controle bemoeilijkt; verzoekt de Commissie om na raadpleging van het Parlement in één document een begrijpelijk, duidelijk en volledig overzicht te geven van de financiële instrumenten, hun onderlinge verhoudingen en de verschillende actoren die erbij betrokken zijn, alsook een volledig en nauwkeurig overzicht van de subsidies en garanties en de wijze waarop deze worden gedekt; roept de Commissie op om de begrotingsautoriteit kwartaalupdates te verstrekken, onder meer over het gebruik en de bedragen van begrotingsgaranties, samen met de geraamde voorzieningen en toekomstige prognoses, alsook met de stand van zaken met betrekking tot de uitgaven en programmagerelateerde doelstellingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>wijst op het belang van het programmeringsproces, en benadrukt de cruciale rol van de EDEO en de EU-delegaties in dit verband, alsook bij het waarborgen van een behoorlijke betrokkenheid van de partnerlanden en andere ontwikkelingsactoren bij het gehele proces, onder meer door nauw en transparant overleg en samenwerking met de regionale en lokale autoriteiten te stimuleren, teneinde gemeenschappelijke prioriteiten vast te stellen en de eigen verantwoordelijkheid van de partnerlanden te versterken; onderstreept het belang van het waarborgen van een doeltreffende, op behoeften gebaseerde en mensgerichte aanpak bij het externe optreden van de EU en benadrukt de essentiële rol die lokale partners en het maatschappelijk middenveld moeten spelen bij het ontwerpen, uitvoeren, monitoren en evalueren van programma’s; beklemtoont het belang van maatschappelijke organisaties en, waar relevant, de particuliere sector bij de uitvoering van het instrument, met name in het programmeringsproces; herhaalt dat de steun aan het maatschappelijk middenveld wereldwijd moet worden opgevoerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>betreurt het gehaaste programmeringsproces dat in de tweede helft van 2021 plaatsvond, waardoor het Parlement geen adequate controle kon uitvoeren; neemt met bezorgdheid kennis van de bevindingen in Speciaal verslag nr. 14/2023 van de ERK, waarin wordt geconcludeerd dat het programmeringsproces nog kan worden verbeterd; verwacht van de Commissie en de EDEO dat zij gevolg geven aan de aanbeveling van de ERK en bij de volgende programmering rekening houden met de opgedane ervaring; verzoekt de Commissie te zorgen voor een voorspelbaardere en transparantere programmering, een gestandaardiseerde, vergelijkbare en transparante methode voor de toewijzing van middelen aan nabuurschapslanden te ontwikkelen, te zorgen voor een strikte toepassing voor niet-nabuurschapslanden en de methode voor de beoordeling van het effect van de EU-steun te verduidelijken en de relevantie ervan in een veranderende geopolitieke context te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>28.</NO.P>is ingenomen met de recente instrumenten betreffende macrofinanciële bijstand (MFB) die zijn goedgekeurd om verschillende landen, met name Oekraïne, te helpen de gevolgen van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne het hoofd te bieden; betreurt het gebrek aan informatieverstrekking aan de begrotingsautoriteiten over het beheer van de financiering van de rentekosten van de MFB; is bezorgd dat de huidige financiering van de MFB-rentekosten door middelen uit de buffer voor nieuwe uitdagingen en prioriteiten van het instrument, in plaats van door nieuwe kredieten, de buffer voor de resterende periode grotendeels of zelfs volledig dreigt uit te putten, waardoor het instrument niet langer in staat zal zijn om op onvoorziene uitdagingen te reageren; onderstreept daarom dat het noodzakelijk is om duurzame oplossingen voor langetermijnfinanciering te vinden en in staat te blijven om het hoofd te bieden aan toekomstige uitdagingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>29.</NO.P>betreurt het dat de Commissie het Parlement niet altijd op de hoogte stelt voordat de buffer wordt gemobiliseerd en betreurt de praktijk van het verzenden van brieven die pas na de mobilisatie van de buffer aankomen, waardoor het controlerecht van het Parlement in feite wordt ondermijnd en de Commissie niet volledig rekening kan houden met de opmerkingen van het Parlement over de aard en de doelstellingen van de mobilisatie en de beoogde financiële bedragen; verzoekt de Commissie het Parlement altijd uitvoerig te informeren voordat de bufferfondsen worden gemobiliseerd en rekening te houden met zijn opmerkingen, overeenkomstig overweging 71 van de verordening tot vaststelling van het instrument;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>30.</NO.P>betreurt dat het gebruik van de buffer door de Commissie niet strookt met de geest van artikel 17 van de verordening tot vaststelling van het instrument, met name wat de financiering van nieuwe wetgevingsinitiatieven betreft; is bezorgd over het feit dat 80 % van de beschikbare middelen voor de periode 2021-2027 van de buffer van het instrument al is gereserveerd, waardoor er slechts 1,9 miljard EUR (21 %) overblijft voor de periode tot 2027; betreurt dat 60 % van de resterende middelen voor de buffer vooraf zijn toegewezen zonder rekening te houden met verwachte toekomstige behoeften, zoals het steunpakket voor Syrische vluchtelingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>31.</NO.P>herinnert eraan dat een grotere betrokkenheid van het Parlement bij alle stadia van de governance en uitvoering van het instrument een voorwaarde was om te aanvaarden dat eerdere externe financieringsinstrumenten in het kader van het instrument zouden worden samengevoegd (zoals bepaald in de resolutie van het Parlement van 18 april 2018 over de tenuitvoerlegging van de externe financieringsinstrumenten van de EU: tussentijdse herziening 2017 en toekomstige architectuur na 2020 en in het onderhandelingsmandaat van het Parlement van 2019 voor het instrument); herinnert eraan dat het instrument de mogelijkheid biedt om wetswijzigingen aan te brengen in de verordeningen inzake het instrument en het IPA III en stelt een grondige beoordeling voor van de rol van het Parlement bij het geven van strategische sturing en controle of met betrekking tot de ontoereikende betrokkenheid van het Parlement bij de opschorting van de steun of het gebruik van de buffer, alsook regelmatige vergaderingen van het comité voor het instrument, waarvan het potentieel onbenut blijft;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>32.</NO.P>verwacht dat het Parlement volledig wordt betrokken bij de programmering voor de tweede helft van het MFK en voor MIP’s voor 2025-2027;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>33.</NO.P>is van mening dat de huidige regelingen voor verslaglegging over wat de EU doet in een bepaald land, een bepaalde regio of een bepaald thematisch gebied ontoereikend en buitensporig legalistisch zijn; vraagt om pragmatische en spoedige verbeteringen met betrekking tot het actualiseren van nuttige gegevens en om het Parlement flexibel en tijdig voorbeelden van beste praktijken bij de uitvoering te verstrekken, zo nodig met toepassing van passende geheimhoudingsregels; is van mening dat de databank van openbare projecten niet gebruiksvriendelijk is en niet bijdraagt aan geactualiseerde informatie; onderstreept dat investeringsprojecten van de EU moeten worden geëvalueerd, gemonitord en gerapporteerd, om hun effectiviteit te bepalen en onbedoelde negatieve effecten te voorkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>34.</NO.P>verzoekt de Commissie samen met de EIB, de EBWO en andere Europese DFI’s gestandaardiseerde procedures te ontwikkelen, met evaluaties vooraf en achteraf en de toepassing van het kader voor resultaatbeheer van de Commissie; dringt er bij de Commissie op aan dit kader te publiceren en ervoor te zorgen dat DFI’s die hun eigen indicatoren gebruiken, deze duidelijk definiëren en hun toepassing en vergelijkbaarheid met het kader toelichten; verzoekt de Commissie de milieu-, sociale en governancenormen van alle investeringsprojecten te monitoren; verzoekt de Commissie het kader voor resultaatbeheer van het EFDO+ toegankelijk te maken, om controle te vergemakkelijken met het oog op vooruitgang in de richting van ontwikkelingsfinanciering met meer verantwoordingsplicht;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Volgende stappen </STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>35.</NO.P>dringt erop aan dat de tussentijdse evaluatie zo volledig mogelijk wordt benut teneinde het instrument of de gedelegeerde handelingen ervan op prioritaire gebieden te actualiseren en de geldigheid van de geografische en thematische indicatieve meerjarenplannen opnieuw te beoordelen, met inbegrip van prominentere voorwaarden met betrekking tot de naleving van het internationaal recht, de mensenrechten, de rechtsstaat en de democratie, de afstemming op het buitenlands beleid van de EU en, als laatste redmiddel, de toepassing van het bijbehorende opschortingsmechanisme, wanneer het buitenlands beleid van een voor het instrument in aanmerking komend land volledig afwijkt van het buitenlands beleid van de EU; benadrukt dat het belangrijk is de zichtbaarheid van de acties van de EU te vergroten, vooral wat de inspanningen op het gebied van ontwikkelingssamenwerking betreft; dringt er daarom op aan dat de EDEO en de EU-delegaties worden uitgerust met de nodige instrumenten om hun strategische communicatiecapaciteiten te ontwikkelen, zodat zij het EU-optreden beter kunnen uitleggen aan besluitvormers en aan het grote publiek in derde landen en om desinformatie tegen te gaan; roept de EU op om zich te verzetten tegen elke vorm van steun aan agressorlanden en hun beleid, met name aan de Russische Federatie in haar aanvalsoorlog tegen Oekraïne;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>36.</NO.P>wijst erop dat de tussentijdse evaluatie vergezeld moet gaan van de noodzakelijke wetswijzigingen met betrekking tot het instrument en IPA III, zodat de relevante verordeningen de nieuwe status van Oekraïne en Moldavië als kandidaat-lidstaten van de EU weerspiegelen, en van een nieuwe gedelegeerde handeling waarin de specifieke doelstellingen en prioritaire samenwerkingsgebieden voor elke regio worden vastgesteld; benadrukt dat het belangrijk is om via DFI’s en de EIB middelen te verstrekken die gericht zijn op de toegang tot essentiële grondstoffen en daarmee verband houdende acties op het gebied van vaardigheden, infrastructuur en het regelgevingskader in overeenstemming met de milieu- en sociale normen van de EIB, als onderdeel van de gezamenlijke planning van de EU en haar partners om hernieuwbare energie te ontwikkelen in het kader van de verwezenlijking van de SDG’s;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>37.</NO.P>is van mening dat de geopolitieke uitdagingen die zijn ontstaan door de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne en de groeiende kwaadwillige invloed en assertiviteit van de Volksrepubliek China een aanzienlijke verhoging van de begroting van het instrument vereisen; benadrukt dat de uitdagingen verspreid zijn over de hele wereld, hetgeen betekent dat de EU haar geopolitieke invloed moet vergroten, waarbij zij moet vasthouden aan haar waarden en principes; wijst erop dat deze uitdagingen alleen op evenwichtige wijze kunnen worden aangegaan als het aandeel van de toewijzingen voor elk gebied van het instrument gelijk blijft; uit zijn bezorgdheid over het feit dat de EU invloed en zichtbaarheid verliest aan een alternatief aanbod van China en Rusland; dringt er bij de EU op aan in te spelen op de verwachtingen van de partnerlanden en de met hen gemaakte politieke afspraken, zoals de Post-Cotonou-overeenkomst, snel na te komen om haar status als betrouwbare bondgenoot op het gebied van ontwikkelingssamenwerking te versterken en te laten zien dat het internationale op regels gebaseerde systeem de hedendaagse uitdagingen het hoofd kan bieden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>38.</NO.P>benadrukt dat het Parlement deel uitmaakt van Team Europa en als zodanig moet worden behandeld, en verwacht derhalve vaker gedetailleerde en zinvolle informatie over de uitvoering van het instrument, inclusief de lijst van de investeringen van de EIB waarbij middelen uit het instrument betrokken zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>39.</NO.P>merkt op dat proefprojecten en voorbereidende acties nieuwe initiatieven zijn die tot financieringsprogramma’s van de EU kunnen worden omgevormd indien ze succesvol blijken te zijn; onderstreept dat ze voor het Parlement een gelegenheid zijn om programma’s in te voeren die anders niet zouden zijn gefinancierd; benadrukt dat het instrument, wanneer het ruim wordt geïnterpreteerd, in theorie een rechtsgrondslag vormt voor alle initiatieven, waardoor initiatieven van het Parlement niet in aanmerking komen en dus de facto onmogelijk worden;</P></ACTION><SEPARATION><P>°</P><P>°	°</P></SEPARATION><ACTION><P><NO.P>40.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Europese Investeringsbank en andere relevante Europese instellingen op het gebied van financiële ontwikkeling.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>