<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P9_TA(2024)0010</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Implementatie van territoriale ontwikkeling (GB-verordening, titel III, hoofdstuk II) en de toepassing ervan in de Territoriale Agenda van de Europese Unie 2030</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A9-0420/2023 - Rapporteur: Marcos Ros Sempere)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 16 januari 2024 over de uitvoering van territoriale ontwikkeling (GB-verordening, titel III, hoofdstuk II) en de toepassing ervan in de Europese Territoriale Agenda 2030 (2023/2048(INI))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name titel XVIII,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid<FOOTNOTE><FIELD> PB L 231 van 30.6.2021, blz. 159.</FIELD></FOOTNOTE> (de “verordening gemeenschappelijke bepalingen” of “GB-verordening”),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/1058 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds<FOOTNOTE><FIELD> PB L 231 van 30.6.2021, blz. 60.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/1059 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 betreffende specifieke bepalingen voor de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (Interreg) ondersteund door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en door externe financieringsinstrumenten<FOOTNOTE><FIELD> PB L 231 van 30.6.2021, blz. 94.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/1056 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot oprichting van het Fonds voor een rechtvaardige transitie<FOOTNOTE><FIELD> PB L 231 van 30.6.2021, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013<FOOTNOTE><FIELD> PB L 435 van 6.12.2021, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2020/2220 van het Europees Parlement en de Raad van 23 december 2020 tot vaststelling van een aantal overgangsbepalingen voor steun uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) in de jaren 2021 en 2022 en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1305/2013, (EU) nr. 1306/2013 en (EU) nr. 1307/2013 wat betreft de middelen en toepassing in de jaren 2021 en 2022 en van Verordening (EU) nr. 1308/2013 wat betreft de middelen en verdeling van die steun voor de jaren 2021 en 2022<FOOTNOTE><FIELD> PB L 437 van 28.12.2020, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad<FOOTNOTE><FIELD> PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de Overeenkomst die op de 21e Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (COP21) op 12 december 2015 in Parijs is goedgekeurd (de Overeenkomst van Parijs),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de VN-Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, in het bijzonder duurzameontwikkelingsdoelstelling 11 (SDG 11) inzake duurzame steden en gemeenschappen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de Territoriale Agenda 2030, “Een toekomst voor alle plaatsen”, die op 1 december 2020 is aangenomen tijdens de informele bijeenkomst van de ministers die verantwoordelijk zijn voor ruimtelijke ordening, territoriale ontwikkeling en/of territoriale cohesie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Pact van Amsterdam tot vaststelling van de stedelijke agenda voor de EU, die op 30 mei 2016 werd overeengekomen tijdens de informele bijeenkomst van EU-ministers met verantwoordelijkheid voor stedelijke aangelegenheden,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het nieuwe Handvest van Leipzig betreffende de transformatieve kracht van steden voor het algemeen belang, goedgekeurd tijdens de informele ministeriële bijeenkomst over stedelijke aangelegenheden op 30 november 2020,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de overeenkomst van Ljubljana, die op 26 november 2021 is aangenomen tijdens de informele bijeenkomst van ministers met verantwoordelijkheid voor stedelijke aangelegenheden,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de nieuwe stedelijke agenda die op 20 oktober 2016 door de Verenigde Naties is aangenomen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 17 januari 2023 getiteld “Het benutten van talent in Europa’s regio’s” (COM(2023)0032),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 4 februari 2022 over het 8e cohesieverslag: Naar cohesie in Europa in 2050 (COM(2022)0034),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 30 juni 2021 getiteld “Een langetermijnvisie voor de plattelandsgebieden van de EU – Naar sterkere, verbonden, veerkrachtige en welvarende plattelandsgebieden in 2040” (COM(2021)0345),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2021 getiteld “Een Unie van gelijkheid: strategie inzake de rechten van personen met een handicap 2021-2030” (COM(2021)0101),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 getiteld “De Europese Green Deal” (COM(2019)0640),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 17 september 2020, getiteld “Een ambitieuzere klimaatdoelstelling voor Europa voor 2030: investeren in een klimaatneutrale toekomst voor ons allemaal” (COM(2020)0562),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het “Nieuw Europees Bauhaus”-initiatief dat de Commissie op 16 september 2020 heeft gelanceerd,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 17 juni 2022 getiteld “New European Bauhaus territorial development model (NEB TDM) financial instrument” (SWD(2022)0172),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 14 september 2022 over het Nieuw Europees Bauhaus<FOOTNOTE><FIELD> PB C 125 van 5.4.2023, blz. 56.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 13 december 2022 over een langetermijnvisie voor de plattelandsgebieden van de EU – Naar sterkere, verbonden, veerkrachtige en welvarende plattelandsgebieden in 2040<FOOTNOTE><FIELD> PB C 177 van 17.5.2023, blz. 35.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 15 september 2022 over economische, sociale en territoriale cohesie in de EU: het achtste cohesieverslag<FOOTNOTE><FIELD> PB C 125 van 5.4.2023, blz. 100.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 15 februari 2022 over de uitdagingen voor stedelijke gebieden na COVID-19<FOOTNOTE><FIELD> PB C 342 van 6.9.2022, blz. 2.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 20 mei 2021 over demografische tendensen in de regio’s van de EU ombuigen met behulp van instrumenten van het cohesiebeleid<FOOTNOTE><FIELD> PB C 15 van 12.1.2022, blz. 125.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 25 maart 2021 over het cohesiebeleid en regionale milieustrategieën in het kader van de strijd tegen de klimaatverandering<FOOTNOTE><FIELD> PB C 494 van 8.12.2021, blz. 26.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 13 maart 2018 over de rol van regio’s en steden van de EU bij de tenuitvoerlegging van de COP21-overeenkomst van Parijs over klimaatverandering<FOOTNOTE><FIELD> PB C 162 van 10.5.2019, blz. 31.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van 18 september 2020 van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de herziening van de Territoriale Agenda van de EU, het Handvest van Leipzig en de stedenagenda voor de EU<FOOTNOTE><FIELD> PB C 429 van 11.12.2020, blz. 145.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de diepteanalyse getiteld “Territorial Agenda 2030 – Implementation Review”, die op 7 juni 2023 door het directoraat-generaal Intern Beleid van het Parlement is gepubliceerd<FOOTNOTE><FIELD> Diepteanalyse “Territorial Agenda 2030 – Implementation Review”, Europees Parlement, directoraat-generaal Intern Beleid, beleidsondersteunende afdeling B – Structuur- en Cohesiebeleid, 7 juni 2023.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de in opdracht van het directoraat-generaal Regionaal Beleid en Stadsontwikkeling (DG REGIO) van de Commissie uitgevoerde studie getiteld “Integrated territorial and urban strategies: how are ESIF adding value in 2014-2020”, die in december 2017 is gepubliceerd<FOOTNOTE><FIELD> Europese Commissie, “Integrated territorial and urban strategies: how are ESIF adding value in 2014-2020? – Final Report”, december 2017.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien STRAT-Board, het interactieve instrument dat is ontwikkeld door het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (JRC) van de Europese Commissie en DG REGIO en dat laat zien hoe de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF’s) de geïntegreerde aanpak van stedelijke en territoriale ontwikkeling ondersteunen<FOOTNOTE><FIELD> Europese Commissie, <STRING UNDERLINE="on">“</STRING>STRAT-Board”.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Handboek voor territoriale en lokale ontwikkelingsstrategieën<FOOTNOTE><FIELD> Europese Commissie, “Handbook of territorial and local development strategies”.</FIELD></FOOTNOTE> en het Handboek voor duurzame stadsontwikkelingsstrategieën<FOOTNOTE><FIELD>Europese Commissie, “Handbook of Sustainable Urban Development Strategies”</FIELD></FOOTNOTE>, gepubliceerd door het JRC,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het in maart 2023 gepubliceerde werkdocument van DG REGIO getiteld “The geography of EU discontent and the regional development trap”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de door de Raad der Europese Gemeenten en Regio’s uitgevoerde studie getiteld “ITI and CLLD – The use of integrated territorial tools in cohesion policy”, gepubliceerd in december 2022,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Handvest van Leipzig betreffende duurzame Europese steden van 2007 en het nieuwe Handvest van Leipzig – de transformatieve kracht van steden voor het algemeen belang van 30 november 2020,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 54 van zijn Reglement, alsmede artikel 1, lid 1, punt e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling (A9‑0420/2023),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat het cohesiebeleid het belangrijkste investeringsbeleid blijft en moet blijven voor de regio’s en steden van de EU, en dat het niet bedoeld is om stelselmatig als eerste keuze voor financiële bijstand te dienen voor de aanpak van onvoorziene gebeurtenissen die onze sociale markteconomie schaden; overwegende dat de Territoriale Agenda het leidende instrument is voor het territoriale beleid van de EU, zoals dat uitdrukking komt in de overeenkomstige nationale programma’s en projecten, en dat daarmee richting wordt gegeven aan strategische ruimtelijke ordening en regionale ontwikkeling, wordt opgeroepen tot versterking van de territoriale dimensie van sectoraal beleid op alle bestuursniveaus en wordt gestreefd naar een inclusieve en duurzame toekomst voor alle plaatsen en naar de verwezenlijking van de SDG’s in Europa;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat de uitdagingen waarmee de regio’s in de EU worden geconfronteerd, op territoriaal niveau worden vastgesteld en aangepakt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat de vorige en de huidige verordening gemeenschappelijke bepalingen niet specifiek verwijzen naar respectievelijk de Territoriale Agenda 2020 of 2030; overwegende dat titel III, hoofdstuk II, van de huidige verordening gemeenschappelijke bepalingen de basis vormt voor het opnemen van middelen uit het cohesiebeleid via territoriale ontwikkelingsstrategieën; overwegende dat in artikel 7 van Verordening (EU) nr. 1301/2013<FOOTNOTE><FIELD> Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling “Investeren in groei en werkgelegenheid”, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289).</FIELD></FOOTNOTE> wordt verwezen naar duurzame stedelijke ontwikkeling op basis van geïntegreerde duurzame stedelijke strategieën als kader voor de selectie van concrete acties;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat de plaatsgebonden benadering van beleidsvorming op basis van geïntegreerde territoriale ontwikkeling gericht is op het ontsluiten van uniek potentieel met betrekking tot territoriale bronnen, kennis en troeven, waarbij de noodzaak van op maat gesneden oplossingen in verschillende soorten gebieden wordt erkend;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat het erop lijkt dat lokale en regionale instellingen en maatschappelijke actoren in de periode 2014-2020 vooral problemen hebben ondervonden door een gebrek aan technische en administratieve ondersteuning, buitensporige bureaucratische belemmeringen, een gebrek aan vaardigheden, opleiding, kennis en capaciteitsopbouw, en gebrekkige samenwerking tussen verschillende bestuursniveaus, naast een trage absorptie van middelen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat blijkt dat in regio’s en administratieve eenheden waar de Leader-methode wordt toegepast, de invoering van een verplichte manager voor een plaatselijke actiegroep bijdraagt tot betere prestaties en een betere absorptie van regionale financiering;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat de rijkdom van de territoriale diversiteit van de EU moet worden gezien als een dynamisch en complex systeem waarin elke regio, afhankelijk van haar specifieke kenmerken, voor ontwikkelingsuitdagingen staat; overwegende dat de toenemende ongelijkheid tussen plaatsen en tussen mensen een kritiek niveau heeft bereikt en dat gecoördineerde inspanningen op alle geografische en bestuurlijke niveaus noodzakelijk zijn is om te zorgen voor positieve toekomstperspectieven voor alle mensen en plaatsen in de hele EU;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat het Handboek voor territoriale en lokale ontwikkelingsstrategieën methodologische ondersteuning biedt op alle niveaus;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat microcohesie een vorm van evenwicht is voor onderontwikkelde gebieden binnen meer ontwikkelde regio’s; overwegende dat in de Territoriale Agenda (TA2030), die zich uitdrukkelijk richt op “plaatsen en mensen”, het “idee van interpersoonlijke cohesie” centraal staat, naast territoriale cohesie, doordat er rekening wordt gehouden met het feit dat deze verschillen alleen kunnen worden aangepakt door meer aandacht te besteden aan de diversiteit en het potentieel van gebieden en door plaatsgebonden beleidsmaatregelen en strategieën te ontwikkelen, met als doel in alle EU-middelen meer plaats in te ruimen voor de territoriale dimensie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat in artikel 28 van de GB-verordening geïntegreerde territoriale investeringen (ITI) en vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (CLLD) worden aangewezen als instrumenten voor de uitvoering van territoriale ontwikkelingsstrategieën en dat hierin wordt opgeroepen tot samenhang en coördinatie tussen de fondsen wanneer er meerdere op dezelfde strategie voor regionale of lokale ontwikkeling worden toegepast; overwegende dat deze instrumenten gericht zijn op territoriale ontwikkeling van onderaf en de actieve deelname van lokale belanghebbenden vergroten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat er in de periode 2014-2020 voor de 28 lidstaten 1 975 strategieën waren geprogrammeerd, gefinancierd met 19 miljard EUR uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), waarvan 13,8 miljard EUR was toegewezen aan ITI in negen lidstaten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat CLLD in de periode 2014-2020 het op één na meest gebruikte instrument door de lidstaten was voor het ontwikkelen van territoriale of lokale strategieën en dat dit instrument garandeert dat lokale en regionale overheden en belanghebbenden nauw worden betrokken bij de voorbereiding, uitvoering en monitoring van de EU-middelen die zij ontvangen; overwegende dat er in de programmeringsperiode 2021-2027 geen toewijzing is voor het gebruik van CLLD;</P></CONS><CONS><P><NO.P>M.</NO.P>overwegende dat de uitvoering van ITI en CLLD nog steeds ongelijk is in de EU en dat verschillende lidstaten en beheersautoriteiten zich niet bijzonder voor de uitvoering daarvan lijken in te zetten; overwegende dat de interpretatie en uitvoering van beleidsdoelstelling 5 “Een Europa dat dichter bij de burger staat” (BD 5) van lidstaat tot lidstaat verschilt, met als gevolg een lage uitvoering van ITI en CLLD; overwegende dat de medewetgevers in de toekomst een flexibelere uitvoering van BD 5 moeten overwegen zonder strikte vereisten inzake strategieën en governance, zodat die open kan worden gesteld voor allerlei initiatieven die bijdragen tot regionale en lokale ontwikkeling;</P></CONS><CONS><P><NO.P>N.</NO.P>overwegende dat ITI en CLLD instrumenten zijn die erop gericht moeten zijn om niet alleen een bottom-upbenadering voor territoriale ontwikkeling te faciliteren door lokale en regionale overheden van meet af aan een stem in het kapittel te geven, maar ook de dialoog tussen de verschillende belanghebbenden te vergemakkelijken en de samenwerking tussen de publieke en private sector te vergroten, evenals de samenwerking en informatieoverdracht tussen alle bestuursniveaus te bevorderen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>O.</NO.P>overwegende dat het Parlement en zijn Commissie regionale ontwikkeling, als de commissie die verantwoordelijk is voor economische, sociale en territoriale cohesie, in de TA2030 wordt verzocht om rekening te houden met de doelstellingen ervan door de prioriteiten ervan te bepleiten in wetgevingsprocessen van de EU;</P></CONS><CONS><P><NO.P>P.</NO.P>overwegende dat ITI en plaatsgebonden beleid noodzakelijke voorwaarden zijn om strategische doelstellingen van de EU, zoals de groene en de digitale transitie, te verwezenlijken; overwegende dat plaatsgebonden beleid gebieden kan helpen om te ontsnappen aan langdurige economische achteruitgang en de “val van regionale ontwikkeling”, waarbij een regio niet in staat is om haar economische dynamiek in termen van inkomsten, productiviteit en werkgelegenheid te behouden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>Q.</NO.P>overwegende dat in de TA2030 twee overkoepelende doelstellingen zijn geformuleerd, een rechtvaardig Europa en een groen Europa, die zes prioriteiten hebben (evenwichtig Europa, functionele regio’s, integratie over de grenzen heen, gezond milieu, circulaire economie en duurzame verbindingen) voor de ontwikkeling van het Europese grondgebied als geheel en al zijn plaatsen; overwegende dat de TA2030 de doelstellingen van de EU op het gebied van territoriale ontwikkeling verder afstemt op de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de VN en de Europese Green Deal; overwegende dat de Europese stedelijke agenda via het Handvest van Leipzig de doelstellingen van de TA2030 ondersteunt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>R.</NO.P>overwegende dat een sterke gemeenschappelijke territoriale ontwikkeling via de GB-verordening en de tenuitvoerlegging van de TA2030 kan helpen bij de versterking van solidariteit en democratische processen en de transitie naar een eerlijke en groene EU; overwegende dat territoriale benaderingen waarde toevoegen doordat ze een strategische, ruimtelijke blik hanteren die de specifieke combinaties van sociale, institutionele, economische en ecologische uitdagingen en mogelijkheden vastlegt die de ontwikkeling van alle soorten gebieden beïnvloeden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>S.</NO.P>overwegende dat de uitvoering van de TA2030-prioriteiten niet overal in de EU gelijk is, met name gezien de ruimtelijke verschillen, zoals een eilandkarakter; overwegende dat uit de conclusies van de TA2030 blijkt dat de ongelijkheid binnen de EU toeneemt, waardoor de kloof tussen mensen en tussen gebieden nog groter wordt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>T.</NO.P>overwegende dat de TA2030 een oproep bevat om de territoriale dimensie van sectoraal beleid op alle bestuursniveaus te versterken; overwegende dat de drijvende beginselen van de TA2030 zijn vervat in de twee prioriteiten “Mensen en plaatsen groeien uit elkaar” en “Duurzame ontwikkeling en klimaatverandering”;</P></CONS><CONS><P><NO.P>U.</NO.P>overwegende dat er met de goedkeuring van de TA2030 zeven proefprojecten zijn gestart, die als voorbeeld dienen van de toepassing van de doelstellingen ter plekke, op lokaal en regionaal niveau, en als inspiratiebron voor gezamenlijke acties in de hele EU, namelijk: “Een toekomst voor achterstandsregio’s”, “Inzicht in hoe sectoraal beleid vormgeeft aan ruimtelijke (on)evenwichtigheden”, Kleine plaatsen zijn belangrijk”, “Grensoverschrijdende ruimtelijke ordening”, “Klimaatactie in Alpensteden”, “Aanpassing aan klimaatverandering en veerkracht door landschapstransitie”, en “Vermindering van kunstmatig land, stedelijke wildgroei en bodemafdekking in steden van verschillende grootte en functionele stedelijke gebieden”;</P></CONS><CONS><P><NO.P>V.</NO.P>overwegende dat er een betere gegevensverzameling nodig is en dat de TA2030 op coherente wijze moet worden herzien, daar er bij de uitrol van de proefprojecten sprake was van een beperkt geografisch evenwicht en van administratieve problemen omdat de proefprojecten door verschillende programma’s werden gefinancierd;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF><ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>benadrukt dat in de periode 2014-2020 slechts 28 % van de strategieën voor duurzame stedelijke ontwikkeling werd uitgevoerd via ITI; verzoekt de Commissie actie te ondernemen om het gebruik van dergelijke instrumenten voor de ontwikkeling van de TA2030 aan te moedigen, met name door sterkere communicatieactiviteiten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>wijst op de waardevolle bijdrage aan territoriale ontwikkeling die wordt geleverd door acties die via CLLD worden uitgevoerd, zoals de acties in het kader van het programma Leader; verzoekt de Commissie en de lidstaten het programma Leader te versterken door de begrotingsmiddelen te verhogen, door een hoog niveau van autonomie voor de plaatselijke actiegroepen te waarborgen waar het hun statuten en besluitvorming betreft, en door de administratieve lasten te verlichten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>vraagt de Commissie om de resultaten van het aanstaande evaluatieverslag van 2024 voor de programmeringsperiode 2014-2020 alsook de resultaten van acties die via CLLD zijn verwezenlijkt, zoals die in het kader van het programma Leader, te gebruiken ter ondersteuning van de programma’s voor de periode 2021-2027; wijst op het belang van de kwalitatieve analyse van de instrumenten voor territoriale ontwikkeling; betreurt in dit verband de conclusie van het speciaal verslag van de Europese Rekenkamer over Leader en CLLD dat niet voldoende is aangetoond wat de voordelen daarvan zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>is verheugd over het Handboek voor territoriale en lokale ontwikkelingsstrategieën en het Handboek voor duurzame stadsontwikkelingsstrategieën als leidraden voor alle bestuursniveaus voor het ontwerpen, uitvoeren en monitoren van territoriale en lokale, waaronder ook stedelijke, ontwikkelingsstrategieën; acht het noodzakelijk de verspreiding van goede praktijken inzake territoriale ontwikkeling te bevorderen om de doeltreffendheid en duurzaamheid van de projecten te waarborgen; betreurt echter de late publicatie van deze handboeken en moedigt de Commissie aan om tijdig richtsnoeren op te stellen om het proces voor het ontwikkelen van de programma’s te vereenvoudigen; benadrukt dat de lidstaten meer richtsnoeren moeten krijgen en meer flexibiliteit moeten hebben bij de uitvoering van BD 5 “Een Europa dat dichter bij de burger staat” en de maatregelen om dit te bereiken, en dat die in overeenstemming moeten worden gebracht met die van de TA2030 en dat er stimulansen moeten worden gecreëerd om meer middelen toe te wijzen aan BD 5;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>roept de lidstaten op om strategische ruimtelijke ordening te bevorderen waarin rekening wordt gehouden met gebieden als geheel, buiten metropolitane, stedelijke en functionele stedelijke gebieden; verzoekt de lidstaten voorts de banden tussen stad en platteland te versterken om zodoende tot een evenwichtigere territoriale ontwikkeling in de hele EU te komen, en grensoverschrijdende planning en uitvoering te overwegen aan de hand van bottom-upbenaderingen zoals CLLD/ITI;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>dringt er bij de Commissie en de Raad op aan om, op dezelfde manier als de 8 % van de middelen van het cohesiebeleid die wordt uitgetrokken voor de ontwikkeling van programma’s in het kader van de stedelijke agenda, financiering toe te wijzen aan plattelandsgebieden en regio’s die met ernstige en permanente natuurlijke en demografische belemmeringen te maken hebben; merkt op dat deze middelen voornamelijk moeten worden gebruikt via instrumenten voor geïntegreerde territoriale ontwikkeling;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>acht, rekening houdend met de capaciteiten die lokale en regionale overheden hebben laten zien bij de uitvoering en het beheer van territoriale instrumenten, een paradigmaverschuiving noodzakelijk voor wat betreft de betrokkenheid van lokale en regionale overheden bij de uitvoering en het beheer van territoriale instrumenten; pleit voor een effectieve toepassing van het partnerschapsbeginsel en diepgaand overleg met lokale en regionale overheden en andere belanghebbenden voorafgaand aan de vaststelling van ITI- en CLLD-acties; wijst op het belang van de bottom-upbenadering van territoriale ontwikkeling, waarbij burgers in staat worden gesteld verantwoordelijkheid te nemen voor de ontwikkeling van hun plaats of regio;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>dringt erop aan om territoriale of lokale ontwikkelingsstrategieën die door meer dan één programma worden gefinancierd, overeenkomstig artikel 28 van de GB-verordening en waar nodig met ondersteuning van de Commissie, samen te voegen tot één traject om vertragingen en administratieve belemmeringen te voorkomen; is ingenomen met de in de programmeringsperiode 2021-2027 ingevoerde mogelijkheid om een hoofdfonds aan te wijzen voor strategieën die door meer dan één fonds worden gefinancierd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>merkt op dat territoriale instrumenten zoals CLLD en ITI beproefde maatregelen zijn die de EU dichter bij de burgers kunnen brengen; stelt vast dat de gegevens in STRAT-Board voor de periode 2014-2020 laten zien dat CLLD’s een belangrijke rol hebben gespeeld bij de ontwikkeling van territoriale strategieën, waaruit blijkt hoe groot de belangstelling op lokaal niveau is om actief deel te nemen aan de ontwikkeling van deze strategieën; verzoekt de lidstaten en de Commissie het administratieve beheer van fondsen te vereenvoudigen, met name wanneer CLLD’s uit meer dan één fonds putten; wijst erop dat ITI het belangrijkste instrument zijn dat wordt gebruikt door de lidstaten met een grotere toewijzing van EFRO-middelen, aangezien zij de bedragen snel kunnen absorberen en meerdere hoofdassen kunnen bestrijken die in één of meerdere programma’s aanwezig zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>wijst op het duidelijke onderscheid tussen lidstaten die zich inzetten voor de ontwikkeling van ITI of CLLD en lidstaten die dat niet doen; verzoekt de Commissie dit onderscheid te verduidelijken om geografische verschillen te voorkomen en de lidstaten die deze territoriale instrumenten nog niet hebben gebruikt, van technische ondersteuning op maat te voorzien; moedigt alle lidstaten aan meer gebruik te maken van de instrumenten voor geïntegreerde territoriale ontwikkeling zoals gedefinieerd in artikel 28 en ervoor te zorgen dat het partnerschap zoals gedefinieerd in artikel 8 wordt geëerbiedigd; is van mening dat instrumenten voor geïntegreerde territoriale ontwikkeling voor de lidstaten verplicht moet worden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>is ingenomen met de technische vereenvoudigingen op het gebied van territoriale ontwikkeling die in de programmeringsperiode 2021-2027 zijn doorgevoerd; verzoekt de Commissie en de lidstaten echter om de noodzakelijke aanvullende administratieve voorschriften tot een minimum te beperken en zich meer te richten op evenredigheid, aangezien kleine projecten momenteel verhoudingsgewijs meer administratieve lasten (voor begunstigden) en beheerkosten (voor programmeringsinstanties) met zich meebrengen dan grotere projecten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>is van mening dat de TA2030 een reëel en toereikend instrument is dat erop gericht is de ruimtelijke dimensie van ongelijkheden te verminderen en de cohesie van de EU te waarborgen door middel van het beheer van elke regio met haar eigen specifieke kenmerken; pleit daarom voor een grotere betrokkenheid van samenlevingen en gebieden als het gaat om het erkennen van het belang van deze agenda; verzoekt de Commissie om de rol van de TA2030 uit te breiden tot meer dan een richtsnoer voor territoriaal beheer;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>constateert dat met de TA2030 niet alleen een lans wordt gebroken voor plaatsgebonden beleidsreacties op territoriale uitdagingen, maar dat die ook een visie en ambitie biedt voor de doelstelling van territoriale cohesie door middel van een grotere betrokkenheid van lokale en regionale overheden en burgers;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>benadrukt dat, hoewel multifinanciering een van de hoofddoelen van de territoriale geïntegreerde instrumenten is, de huidige bevindingen laten zien dat het gebruik van multifinanciering in sommige landen nog steeds moeilijk kan zijn, vooral omdat het Elfpo (plattelandsontwikkeling) in de huidige periode niet langer in de GB-verordening is opgenomen en er derhalve aanvullende en specifieke maatregelen nodig zijn om de regels van het Elfpo en van andere fondsen van het cohesiebeleid op elkaar af te stemmen (d.w.z. het gebruik van verschillende EU-fondsen voor geïntegreerde projecten op lokaal niveau die bijdragen aan verschillende beleidsdoelstellingen);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>verzoekt de lidstaten om bij de voorbereiding en uitvoering van de proefprojecten van de TA2030 in het veld gendermainstreaming actief te bevorderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>beklemtoont dat een eerlijk en waardig inkomen en levenskwaliteit voor burgers en hun gezinnen in de plattelandsgebieden van cruciaal belang zijn om te zorgen voor sociale vooruitgang en succesvolle territoriale en lokale ontwikkeling; benadrukt dat moet worden gezorgd voor fatsoenlijke arbeids- en levensomstandigheden en sociale bescherming voor iedereen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>beklemtoont dat het belangrijk is de beleidscoherentie te verbeteren en een “plattelandstoetsing” in te voeren voor toekomstige EU-initiatieven op het gebied van geïntegreerde territoriale ontwikkeling en andere relevante initiatieven om de samenhang en complementariteit van beleidsmaatregelen van de EU en de mogelijke gevolgen ervan voor plattelandsgebieden te beoordelen, en zo de ontvolking van het platteland op doeltreffende wijze tegen te gaan en generatievernieuwing, gelijke toegang tot essentiële diensten van hoge kwaliteit en het scheppen van banen in plattelandsgebieden te vergemakkelijken; wijst op het belang van het mechanisme voor plattelandstoetsing, ook wanneer de lidstaten de gevolgen van voorgestelde wetgeving in plattelandsgebieden beoordelen; onderstreept dat het belangrijk is de lokale en regionale overheden te betrekken bij de vaststelling en uitvoering van mechanismen voor plattelandstoetsing, alsook bij het beheer ervan op zowel EU- als nationaal niveau, om vervoersgerelateerde sociale uitsluiting te bestrijden en de territoriale toegankelijkheid van de betrokken gebieden te verhogen, teneinde de grensoverschrijdende samenwerking evenals de samenwerking tussen stad en platteland, de toegang tot breedbandinternet en adequate diensten, met name gezondheidszorg en onderwijs, alsook de diversificatie van de plattelandseconomie te verbeteren en plattelandsgebieden nieuw leven in te blazen, zodat deze gebieden aantrekkelijker worden en een duurzame toekomst voor deze gemeenschappen gewaarborgd is;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>benadrukt dat TA2030-acties een centrale rol moeten spelen in partnerschapsovereenkomsten en -programma’s; wijst erop dat deze acties duidelijker moeten zijn bij de toewijzing van middelen en dat de integratie van de TA2030 in het EU-beleid moet worden bevorderd, met de nadruk op de lagere bestuursniveaus; is van mening dat de TA2030 in het toekomstige meerjarig financieel kader moet worden voorzien van adequate financiering en een toewijzingsmethode;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>wijst erop dat het van essentieel belang is om de prioriteiten en doelstellingen van de TA2030 op te nemen in de wetgevingsinstrumenten en programma’s van de cohesiebeleidsfondsen, die specifiek moeten worden afgestemd op elk gebied; is verheugd over de ontwikkelde proefacties van de TA2030 en roept de lidstaten en de Commissie op om in deze acties te blijven investeren, het geografisch evenwicht ervan te verbeteren en ze beter af te stemmen op de beginselen van de TA2030;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>benadrukt de noodzaak om het Parlement, en met name zijn bevoegde Commissie regionale ontwikkeling, te betrekken bij de proefacties, om ervoor te zorgen dat deze aansluiten op de huidige prioriteiten van de EU, en de resultaten van proefacties op EU-niveau onder de aandacht te brengen en kenbaar te maken, door deze te integreren in en af te stemmen op initiatieven zoals het cohesiebeleid, met name het EFRO en Interreg;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>dringt aan op een strategie voor de bevordering van synergieën tussen verschillende EU-fondsen voor projecten die via territoriale instrumenten worden uitgevoerd en voor de administratieve vereenvoudiging voor proefacties die door meer dan één fonds worden gefinancierd, teneinde de administratieve belemmeringen te verminderen en aanvragen voor deze projecten te vergemakkelijken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>is van mening dat bedrijven een cruciale rol kunnen spelen in de territoriale ontwikkelingsstrategieën; roept de Commissie op om systemen voor samenwerking tussen bedrijven en de lokale en regionale autoriteiten te bevorderen om territoriale ontwikkelingsprojecten te ontwikkelen die bijdragen tot nieuwe banen en economische groei;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>wijst op het enorme potentieel van de TA2030 en de huidige en toekomstige proefprojecten om tegemoet te komen aan de zeer uiteenlopende behoeften van niet-stedelijke gebieden, zoals plattelandsgebieden, berggebieden, eilanden en kustgebieden, afgelegen en dunbevolkte gebieden en vele andere soorten gebieden waar een mix van stedelijke en plattelandskenmerken naast elkaar bestaan; benadrukt met name dat plattelandsgebieden vaak te kampen hebben met demografische uitdagingen, een lage bevolkingsdichtheid en beperkte toegang tot en geringe kwaliteit van diensten van algemeen belang, en niet altijd de capaciteit hebben om innovatieve oplossingen te creëren en uit te voeren, waardoor ze veel baat kunnen hebben bij de uitwisseling van beste praktijken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>wijst op de noodzaak van een grotere verspreiding van de acties en resultaten van de proefprojecten als voorbeelden van de uitvoering van EU-fondsen; schaart zich achter het idee van een tweejaarlijkse conferentie om de proefacties onder de aandacht te brengen bij lokale en regionale overheden, evenals bij relevante actoren op nationaal en EU-niveau, en denkt dat deze conferentie zou kunnen worden gekoppeld aan andere evenementen, bijvoorbeeld in het kader van het plattelandspact of het stedenforum;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>roept de lidstaten op hun territoriale agenda’s te ontwikkelen in overeenstemming met de TA2030 als basis voor de programmering van hun territoriale strategieën, rekening houdend met de specifieke kenmerken en de zeer uiteenlopende behoeften van hun regio’s, die als stimulansen moeten dienen, en om het besluitvormingsproces en de opzet van territoriaal en stedelijk beleid te bevorderen; roept voorts de lidstaten op verschillende territoriale strategieën mogelijk te maken voor alle EU-regio’s, met inbegrip van plattelandsgebieden, regio’s die een industriële overgang doormaken, regio’s die kampen met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen, zoals de meest noordelijke regio’s en regio’s met een zeer geringe bevolkingsdichtheid, eilanden, grensoverschrijdende regio’s en berggebieden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>benadrukt dat de goede prestaties van bestuursstructuren bepalend kunnen zijn voor de optimale mix van investeringsprioriteiten voor de verwezenlijking van de noodzakelijke verticale en horizontale coördinatie op meerdere niveaus om strategieën voor geïntegreerde ontwikkeling te ontwerpen en uit te voeren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>roept de lidstaten en de Commissie op om de uitvoering van de TA2030 te bevorderen, naast proefacties, door van dit instrument een referentiekader voor actie te maken dat concrete en aangepaste richtsnoeren biedt voor EU-gebieden om hun prestaties te verbeteren; benadrukt de mogelijkheid om regionale financiering te koppelen aan de verwezenlijking van de prioriteiten van de TA2030, en verzoekt de Commissie om toezichtindicatoren te ontwikkelen die een verband leggen tussen de TA2030 en het gebruik van fondsen in het kader van het cohesiebeleid, met name het EFRO;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>28.</NO.P>herhaalt dat het dringend noodzakelijk is om het EU-beleid op het gebied van de beperking van en de aanpassing aan de klimaatverandering te versterken, mede gezien de toenemende trend van extreme weersomstandigheden in de EU de afgelopen jaren en maanden; dringt er daarom bij de overheidsinstanties op aan de strijd tegen klimaatverandering voort te zetten; benadrukt in dit verband dat de ambities van de proefprojecten in het kader van de doelstelling “Een groen Europa” en de eerste prioriteit daarvan, “Een gezond milieu”, moeten worden opgevoerd en dat de kwaliteit daarvan moet worden verbeterd; wijst erop dat territoriale ontwikkeling van cruciaal belang is om veerkrachtige regio’s op te bouwen en een duurzame uitvoering van de financiering van het cohesiebeleid te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>29.</NO.P>is ingenomen met het voorstel van het Europees Economisch en Sociaal Comité om een Europees handvest van de rechten en plichten van stedelijke en plattelandsgebieden te bevorderen; is er tevens van overtuigd dat er meer moet worden samengewerkt met stedelijke gebieden om ervoor te zorgen dat er geen enkel gebied of burger “achterblijft” bij de rechtvaardige transitie naar een klimaatneutrale, duurzame en welvarende Europese Unie, waarbij wordt gestreefd naar een landelijke en stedelijke inzet voor een eerlijke aanpak en wordt aangetoond wat de meerwaarde is van samenwerking tussen plattelands- en stedelijke organisaties;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>30.</NO.P>acht het noodzakelijk dat er voor een evenwichtigere ontwikkeling van de EU-regio’s wordt gezorgd door een betere spreiding van de EU-fondsen, inclusief steun uit het gemeenschappelijk landbouwbeleid, binnen en tussen de lidstaten; benadrukt dat het onmogelijk is om duurzame en langdurige territoriale ontwikkeling tot stand te brengen als de toewijzing van steun aan verschillende regio’s gebeurt op basis van historische gegevens;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>31.</NO.P>merkt op dat steeds meer mensen ervoor kiezen in steden te wonen en in plattelandsgebieden te werken; verzoekt de Commissie om programma’s te ontwerpen waarin rekening wordt gehouden met alle gebieden, waaronder grootstedelijke, stedelijke en functionele gebieden; spoort de Commissie aan om Leader zo uit te werken dat het kan worden gebruikt door kleine steden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>32.</NO.P>dringt er bij de Commissie op aan de ervaring die is opgedaan bij de uitvoering van de TA2030 te koppelen aan het toekomstige cohesiebeleid en de aanbevelingen van de groep op hoog niveau over het toekomstige cohesiebeleid, om zo territoriale onevenwichtigheden en functionele discrepanties doeltreffender aan te pakken; wijst op de mogelijkheid die de TA2030 biedt als instrument om de impact van het cohesiebeleid op de doelstelling van territoriale cohesie te beoordelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>33.</NO.P>verzoekt de Commissie en de lidstaten om uiterlijk eind 2024 een coherente herziening van de TA2030 uit te voeren, met inbegrip van een grondige evaluatie van het bestuurssysteem, de vooruitgang bij de uitvoering daarvan en de relevantie van de prioriteiten, zoals uiteengezet in de TA2030;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>34.</NO.P>is ingenomen met het bindende karakter van de methodologie die wordt beschreven in het Handboek voor territoriale en lokale ontwikkelingsstrategieën, waardoor territoriaal beleid evenveel aandacht krijgt als stedelijk beleid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>35.</NO.P>roept op tot één enkel kader voor strategieën die gericht zijn op zowel stedelijke als bredere territoriale ontwikkeling, waarbij de territoriale vereisten als geheel worden behandeld; benadrukt dat dit de bureaucratische belemmeringen bij het verwerven van fondsen aanzienlijk kan verminderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>36.</NO.P>verzoekt de Commissie te zorgen voor een goede besteding van de middelen en de uitvoering van de territoriale instrumenten, en daarbij de voorkeur te geven aan een efficiënt beheer zonder buitensporige regeldruk; benadrukt de noodzaak om de toegang tot fondsen te vereenvoudigen door “onestopshops” te creëren voor potentiële begunstigden van EU-cohesiefondsen en ITI- of CLLD-projecten, met name om toegang te krijgen tot informatie over het type financiering, administratieve vereisten en subsidiabiliteit;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>37.</NO.P>erkent de rol van de Europese Raad bij de ontwikkeling van de territoriale activiteiten van de lidstaten; roept de lidstaten op te voorzien in voldoende personele middelen voor zowel de beheersautoriteiten als de uitvoerende organen die belast zijn met ITI of CLLD, teneinde te zorgen voor technische ondersteuning en adviesdiensten, met name voor plaatselijke actiegroepen en voor ITI-partners, en naleving van de verordeningen mogelijk te maken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>38.</NO.P>verzoekt de Commissie haar betrokkenheid bij het territoriale beleid te vergroten door middel van het cohesiebeleid en het bestuur van de regio’s te versterken om cohesie en microcohesie te bevorderen door rekening te houden met de specifieke kenmerken van elke regio, de besluitvorming op lokaal en regionaal niveau te verbeteren en de bestaande instrumenten toe te passen om het beheer van wetgevingsinstrumenten te verbeteren; verzoekt de Commissie en de lidstaten voorts steun te blijven verlenen aan de fondsen van het cohesiebeleid om de veerkracht van territoriale ontwikkeling te vergroten, met name om de gevolgen van onverwachte gebeurtenissen te kunnen opvangen, regio’s daar tegen te beschermen en te voldoen aan het beginsel “doe geen afbreuk aan de cohesie”;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>39.</NO.P>is zich bewust van de invloed van het Europees Semester op de territoriale cohesie en bijgevolg op de capaciteit om territoriale programma’s te ontwikkelen; wijst er daarom nogmaals op dat de territoriale dimensie van het Europees Semester moet worden versterkt en dat de onderlinge samenhang tussen het cohesiebeleid en het Europese economische bestuur moet worden verbeterd door de lokale en regionale overheden te betrekken bij alle stadia van de procedures in verband met het Europees Semester en de landspecifieke aanbevelingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>40.</NO.P>pleit voor actievere rol van het Europees Comité van de Regio’s en het Europees Economisch en Sociaal Comité bij de opvolging en verdere ontwikkeling van de TA2030; verzoekt de Commissie een studie uit te voeren naar het vermogen van elke regio om het hoofd te bieden aan toekomstige mondiale uitdagingen die van invloed zijn op de territoriale cohesie; stelt vast dat dit een instrument voor snelle respons zou vormen dat flexibiliteit mogelijk maakt bij de toewijzing of uitbreiding van middelen, afhankelijk van de actuele situatie van de EU-regio’s;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>41.</NO.P>benadrukt de relevantie van de territoriale instrumenten in termen van een grotere en inclusieve participatie van het maatschappelijk middenveld en lokale en regionale overheden; verzoekt de Commissie nieuwe manieren te zoeken om meer bewustzijn te scheppen over de achterliggende gedachte van deze instrumenten en het gebruik van ITI en CLLD aanzienlijk te vergroten, ook door eventueel een percentage te reserveren voor gebruik in het kader van het cohesiebeleid na 2027;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>42.</NO.P>verzoekt de Europese Investeringsbank de financiële toewijzing voor de fondsen in het kader van het cohesiebeleid, die bedoeld zijn om het evenwicht en de goede werking van regio’s te waarborgen, te verhogen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>43.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de nationale en regionale parlementen van de lidstaten.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>