<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P9_TA(2024)0022</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Bevordering van de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek in de EU</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A9-0393/2023 - Rapporteur: Christian Ehler)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 17 januari 2024 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de bevordering van de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek in de EU (2023/2184(INL))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 49, 56 en 179, lid 1, en 225 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 12 en 13 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de Verklaring van Bonn over de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek, die op 20 oktober 2020 tijdens de ministeriële conferentie inzake de Europese Onderzoeksruimte in Bonn is aangenomen (de “Verklaring van Bonn”),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 30 september 2020 getiteld “Een nieuwe EOR voor onderzoek en innovatie”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 18 mei 2021 over de totaalaanpak voor onderzoek en innovatie getiteld “De strategie van Europa voor internationale samenwerking in een veranderende wereld”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de beleidsagenda voor de Europese Onderzoeksruimte, actie 6,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 3 december 2020 betreffende het actieplan voor Europese democratie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien overweging 72 van Verordening (EU) 2021/695 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van Horizon Europa – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, tot vaststelling van de regels voor deelname en verspreiding en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1290/2013 en (EU) nr. 1291/2013<FOOTNOTE><FIELD> Verordening (EU) 2021/695 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 tot vaststelling van Horizon Europa – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, tot vaststelling van de regels voor deelname en verspreiding en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1290/2013 en (EU) nr. 1291/2013 (PB L 170 van 12.5.2021, blz. 1).</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de beoordeling van de Europese meerwaarde van de bevordering van de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek van 2023, die op 18 september 2023 door de afdeling Europese Meerwaarde aan de Commissie industrie, onderzoek en energie is gepresenteerd,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het ministerieel communiqué van Rome van 19 november 2020 van de Europese ministers voor hoger onderwijs in het kader van de Europese ruimte voor hoger onderwijs, meer bepaald bijlage I over academische vrijheid,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van het SFIC inzake de toepassing van de Verklaring van Bonn in internationale samenwerking inzake onderzoek en innovatie (ERAC-SFIC 1356/21) (2021),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Unesco over wetenschap en wetenschappelijke onderzoekers (2017),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling betreffende het statuut van het onderwijzend personeel in het hoger onderwijs, die door de Algemene Vergadering van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (Unesco) tijdens haar 29e vergadering van 21 oktober tot 12 november 1997 is vastgesteld,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 47 en 54 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbevelingen van het Strategisch Forum voor internationale wetenschappelijke en technologische samenwerking,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A9-0393/2023),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek, die een wezenlijk onderdeel van de democratie en de academische vrijheid uitmaakt, in de Unie onder druk staat en geleidelijk wordt uitgehold<FOOTNOTE><FIELD> STOA-studie: State of play of academic freedom in the EU member states: Overview of de facto trends and developments (De stand van zaken op het vlak van academische vrijheid in de lidstaten van de EU: overzicht van feitelijke trends en ontwikkelingen).</FIELD></FOOTNOTE>, hetgeen wordt geïllustreerd door het feit dat alle lidstaten in 2008 een score van meer dan 0,85 op de index voor academische vrijheid hadden, terwijl sommige lidstaten in 2022 het aanzienlijk slechter doen, waarbij de laagste score voor 2022 0,34 was;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat beperkingen op de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek de innovatie afremmen, wetenschappelijke vooruitgang vertragen en het mondiale concurrentievermogen van Europa verminderen en dus een negatieve weerslag hebben op de economie van de EU;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat de uitholling van de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek bijdraagt tot een braindrain van toponderzoekers, zelfcensuur onder academici, minder kritische analyse van sociale en politieke kwesties, minder interdisciplinaire samenwerking en minder openbaar debat;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat baanonzekerheid het lastig maakt om de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek ten volle te kunnen uitoefenen; overwegende dat duizenden onderzoekers met beperkte projectfinanciering werken – door middel van individuele of projectonderzoekssubsidies, arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd of door specifieke taken als zelfstandige uit te voeren – en over geringe baanzekerheid en arbeidsbescherming beschikken;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat de Verklaring van Bonn een definitie van de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek omvat, alsook de erkenning dat regeringen en onderzoeksorganisaties beide de verantwoordelijkheid hebben om de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek te bevorderen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat de bescherming van de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek waarborgt dat wetenschappelijk onderzoek bijdraagt aan het algemeen belang en aan de ontwikkeling en betere levensomstandigheden van mensen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat de Verklaring van Bonn geen uitvoeringsinstrumenten op Europees niveau omvat;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat er op het gebied van academische vrijheid, met inbegrip van de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek, een solide corpus van rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bestaat, waarin een aantal juridische normen en beginselen voor de bescherming en de bevordering van de academische vrijheid is opgenomen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat het Hof van Justitie in zijn arrest van 6 oktober 2020 in zaak C-66/18<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Hof van Justitie van 6 oktober 2020, Commissie/Hongarije, C-66/18, ECLI:EU:C:2020:792.</FIELD></FOOTNOTE> oordeelde dat de Hongaarse wet op het nationaal hoger onderwijs de betroffen organisaties de organisatiestructuur heeft ontnomen die zij nodig hebben om hun academisch onderzoek uit te voeren, wat illustreert hoe de academische vrijheid in Hongarije wordt uitgehold;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek wordt beperkt door specifieke wetgevingshandelingen van de Unie, aangezien daarin regelingen worden opgelegd aan de academische sector die voornamelijk bedoeld zijn om de interne markt te reguleren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat Commissievoorzitter Ursula von der Leyen, vóór de bevestiging van haar ambt door het Parlement, in de politieke beleidslijnen voor de volgende Europese Commissie (2019-2024) heeft beloofd een initiatiefrecht voor het Parlement te zullen steunen en heeft toegezegd te zullen reageren met een wetgevingshandeling wanneer het Parlement resoluties aanneemt waarin de Commissie wordt verzocht wetgevingsvoorstellen in te dienen;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF><ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>	bevestigt nogmaals dat de Unie zich inspant om de grondrechten te handhaven, met inbegrip van het recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, academische vrijheid en de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek in alle wetenschappelijke disciplines en kunsten als verankerd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>ziet in dat de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek van essentieel belang is om onze kennis van natuurlijke en sociale fenomenen te vergroten en aldus bij te dragen tot de bevordering van innovatie, maatschappelijke vooruitgang en een beter algemeen welzijn van Unieburgers, zowel binnen als buiten de Unie; herinnert eraan dat de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek een universeel recht en een publiek goed is, dat op alle wetenschappelijke disciplines moet worden toegepast; onderstreept dat de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek in de wereldwijde concurrentie op het gebied van onderzoek, ontwikkeling en innovatie een voorwaarde is voor het aantrekken van talent met concurrerende nieuwe ideeën; betreurt in dat verband dat de Verklaring van Bonn op Europees niveau niet concreet wordt uitgevoerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>ziet in dat de aanhoudende precaire situatie in de sector zware gevolgen heeft voor de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek; breekt een lans voor de arbeidsrechten van wetenschappelijke onderzoekers, de verbetering van hun loopbaan, stabiele arbeidsovereenkomsten en toegang tot uitgebreide socialebeschermingsstelsels; is van mening dat wetenschappelijke onderzoekers over hoogwaardige banen, fatsoenlijke arbeidsomstandigheden, degelijke lonen en gezonde werkplekken moeten beschikken, met inbegrip van een goed evenwicht tussen werk en privéleven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>benadrukt dat gelijke kansen, met name als gevolg van gendergelijkheid, van essentieel belang zijn om de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek te bevorderen en om ervoor te zorgen dat uiteenlopende uitdagingen voor de bevordering van duurzame en billijke ontwikkeling worden opgelost rekening houdend met verschillende invalshoeken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>wijst op de bijzonder precaire situatie van junior onderzoekers en benadrukt dat er duidelijkere en meer gestructureerde loopbaanmogelijkheden moeten komen om het aantal junior onderzoekers te vergroten; beklemtoont dat daartoe ook transparante aanwervingsprocedures moeten worden bevorderd die vrij zijn van vooroordelen, en passende sociale zekerheid moet worden geboden aan alle onderzoekers, met inbegrip van promovendi die zich met bezoldigd onderzoek bezighouden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>merkt op dat de bestuursorganen van organisaties voor wetenschappelijk onderzoek de onderzoeksprioriteiten van die instellingen vaststellen; beseft dat afbrokkeling van de democratie in organisaties voor wetenschappelijk onderzoek de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek aantast; benadrukt daarom het belang van academisch zelfbestuur, waaronder ook het recht van wetenschappelijke onderzoekers op inspraak in het bestuur van hun wetenschappelijke instelling moet vallen, met inbegrip van de arbeidsomstandigheden in die instelling; benadrukt dat wetenschappelijke onderzoekers alle rechten uit hoofde van artikel 12 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moeten kunnen uitoefenen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>is van mening dat organisaties voor wetenschappelijk onderzoek moeten worden aangemoedigd om, zonder afbreuk te doen aan hun institutionele autonomie, internationale samenwerking aan te gaan teneinde bilaterale en multilaterale betrekkingen te versterken en zo een sterke component van wetenschapsdiplomatie uit te bouwen, gericht op de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek en mogelijke gevolgen in geval van inbreuken daarop;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>dringt erop aan dat de Unie een veilige haven moet zijn voor alle onderzoekers die gevaar lopen en dat ze een Europese regeling moet opzetten voor beurzen ter ondersteuning van onderzoekers die gevaar lopen, waarmee financiële steun wordt verleend om onderzoekers die gevaar lopen in noodsituaties bij Europese onderzoeksorganisaties te plaatsen; is van mening dat deze regeling ook een solidariteitsmechanisme moet zijn om Europese onderzoekers van wie de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek wordt geschonden, te ondersteunen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>erkent, in overeenstemming met de Verklaring van Bonn, dat vrijheid van wetenschappelijk onderzoek voor openheid, uitwisseling, excellentie, internationalisme, diversiteit, gelijkheid, integriteit, nieuwsgierigheid, verantwoordelijkheid en reflectie staat en dus een pijler is van elke democratie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>neemt kennis van de definitie van de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek in bijlage II, punt 2, van het voorstel van de Commissie van 13 juli 2023 voor een aanbeveling van de Raad betreffende een Europees kader<FOOTNOTE><FIELD> COM(2023)0436.</FIELD></FOOTNOTE> voor het aantrekken en behouden van onderzoeks-, innovatie- en ondernemingstalenten in Europa;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>is van mening dat de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek de verantwoordelijkheid moet inhouden om de hoogste ethische normen en mate van integriteit in wetenschappelijk onderzoek te eerbiedigen en open wetenschap moet bevorderen; benadrukt dat transparante financiering een voorwaarde is voor de integriteit van wetenschappelijk onderzoek en dat de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek verantwoordelijkheid ten aanzien van de samenleving met zich meebrengt om deze transparantie te waarborgen; spreekt daarom zijn krachtige steun uit voor de gangbare praktijk van transparante communicatie over financieringsbronnen voor onderzoeksactiviteiten en roept de wetenschappelijke sector op deze praktijk te handhaven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>wijst op de doorslaggevende rol van een naar behoren ontworpen en goed uitgevoerd kader om de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek in de hele Unie doeltreffend te beschermen en te bevorderen, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met beschikbare overheidssteun om de productie, het delen en het verspreiden van kennis als publiek goed te vergemakkelijken, en om elk risico van inmenging in of ondermijning van de onafhankelijkheid van wetenschappelijk onderzoek te voorkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>wijst met klem op het belang van open kennis om de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek te waarborgen; dringt aan op efficiënte en transparante ontwikkeling van kennis zonder kunstmatige belemmeringen die de toegang tot informatie en de verspreiding ervan verhinderen; meent dat het delen van resultaten van wetenschappelijk onderzoek voor niet-commerciële doeleinden door het Unierecht moet worden beschermd en actief moet worden bevorderd; benadrukt dat door de overheid gefinancierde wetenschappelijke resultaten in openbaar toegankelijke vaktijdschriften moeten worden gepubliceerd en dat de resultaten op een laagdrempelige manier voor iedereen te raadplegen moeten zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>maakt zich zorgen over de recente achteruitgang van dit grondrecht in de Unie, dat van essentieel belang is voor politieke vrijheid en sociale participatie en waardoor de ontwikkeling van een functionerende en concurrerende Europese Onderzoeksruimte (EOR) dreigt te worden ondergraven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>merkt op dat er in de mededeling van de Commissie van 30 september 2020 getiteld “Een nieuwe EOR voor onderzoek en innovatie” op wordt gewezen dat de EOR pas kan worden voltooid indien de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek volledig wordt geëerbiedigd, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, niet-inmenging in onderzoeksagenda’s, institutionele autonomie en adequate financiering, alsook de middelen die nodig zijn om onderzoeksresultaten te verspreiden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>maakt zich ernstig zorgen over het feit dat de Commissie, ondanks haar krachtige taal in die mededeling, verzuimt haar wettelijke bevoegdheid te gebruiken om deze vrijheid in de Unie te beschermen; bevestigt nogmaals dat de Unie zich inspant om de grondrechten te handhaven, met inbegrip van het recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, academische vrijheid en de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek en kunsten als verankerd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; maakt zich ernstig zorgen over het feit dat de vrijheid van onderzoek vanuit morele en politieke hoek onder druk wordt gezet;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>dringt er bij de Commissie op aan alle mogelijke stappen te zetten om de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek in de Unie te beschermen en te bevorderen, en ervoor te zorgen dat de onderzoeksethiek en -integriteit niet in het gedrang komen, onder meer door haar wettelijke bevoegdheid te gebruiken teneinde verdere achteruitgang met betrekking tot dit grondrecht te voorkomen; verzoekt de Commissie wetenschappelijk pluralisme actief te bevorderen en te financieren door projecten in het volledige spectrum van wetenschappelijk onderzoek te ondersteunen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>verzoekt de lidstaten de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek volledig te eerbiedigen en te handhaven en ervoor te zorgen dat de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek niet onnodig wordt beknot als gevolg van maatregelen die in het algemeen belang worden genomen, bijvoorbeeld in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, om wanordelijkheden en strafbare feiten te voorkomen, de gezondheid of de goede zeden alsook de goede naam of de rechten van anderen te beschermen, de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechtelijke macht te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>benadrukt dat de EOR slechts kan worden voltooid als de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek naar behoren wordt geëerbiedigd en actief wordt bevorderd in de gehele Unie, en is van mening dat iedere poging om die vrijheid te ondergraven of verzuim om die vrijheid actief te bevorderen, negatieve gevolgen heeft voor de ontwikkeling van een concurrerende en innovatieve EOR; verzoekt de lidstaten en de Commissie wetenschappelijke onderzoekers meer mogelijkheden te geven bij de toegang tot en het gebruik en de verspreiding van alle informatie die relevant is voor hun werk, onder meer door gebruik te maken van digitale opensource-instrumenten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat de Commissie geen gebruik maakt van haar wettelijke bevoegdheid uit hoofde van de Verdragen om de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek als een van de grondrechten van Unieburgers te beschermen, waardoor ze haar verantwoordelijkheid om de rechtsstaat in de Unie te handhaven feitelijk ontloopt; roept de Commissie op meteen maatregelen te nemen om deze situatie te verhelpen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>verzoekt de Europese Raad de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek te helpen beschermen en bevorderen en ervoor te zorgen dat dit grondrecht in alle lidstaten naar behoren wordt geëerbiedigd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>dringt erop aan te erkennen dat extra overheidsmiddelen moeten worden uitgetrokken om onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek te financieren, waarbij wordt vermeden dat de doelen worden geleid door of de methoden of resultaten worden beïnvloed als gevolg van onbehoorlijke inmenging;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>verzoekt de Commissie en de lidstaten het publiek bewust te maken van het belang van de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek door middel van onderwijs, voorlichting en ondersteuning van wetenschapsjournalistiek;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>verzoekt de Commissie op grond van artikel 182, lid 5, in samenhang met artikel 179, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie een voorstel in te dienen voor een handeling inzake de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek, waarbij de in de bijbehorende bijlage uiteengezette aanbevelingen worden gevolgd om deze vrijheid op het niveau van onderzoeksorganisaties en onderzoekers gedurende hun hele loopbaan te waarborgen, te beschermen en te bevorderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en bijgaande aanbevelingen te doen toekomen aan de Commissie, de Raad en de nationale parlementen.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST><TXTLST><ANNEX><TI><STRING BOLD="on">BIJLAGE BIJ DE RESOLUTIE:</STRING></TI><STI><STRING BOLD="on">AANBEVELINGEN BETREFFENDE DE INHOUD VAN HET VERLANGDE VOORSTEL</STRING></STI><P><STRING BOLD="on">Definitie van de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek</STRING></P><P><NO.P>1.</NO.P>De vrijheid van wetenschappelijk onderzoek vormt een wezenlijk onderdeel van de academische vrijheid en wetenschappelijke integriteit in Europa en is tevens onafhankelijk, zoals blijkt uit de specifieke vermelding in artikel 13 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.</P><P><NO.P>2.</NO.P>De vrijheid van wetenschappelijk onderzoek houdt rechten in voor individuele wetenschappelijke onderzoekers, alsook rechten en plichten voor organisaties voor wetenschappelijk onderzoek en verplichtingen voor overheidsdiensten.</P><P><NO.P>3.</NO.P>Daar de uitoefening van de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, om wanordelijkheden en strafbare feiten te voorkomen, de gezondheid of de goede zeden alsook de goede naam of de rechten van anderen te beschermen, de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechtelijke macht te waarborgen.</P><P>De vrijheid van wetenschappelijk onderzoek kan ook worden beperkt als gevolg van bijzondere onderzoeksomstandigheden of operationele beperkingen. Deze vrijheid moet zorgvuldig worden afgewogen tegen andere legitieme belangen, zoals het verkrijgen van legitieme concurrentievoordelen en de bescherming van intellectuele eigendom. Dergelijke beperkingen mogen evenwel niet indruisen tegen erkende ethische beginselen en praktijken, waaraan onderzoekers zich dienen te houden.</P><P><NO.P>4.</NO.P>In het voorstel moet worden voortgebouwd op de definitie van vrijheid van wetenschappelijk onderzoek als bedoeld in de Verklaring van Bonn en in bijlage II, punt 2, bij het voorstel voor een aanbeveling van de Raad betreffende een Europees kader voor het aantrekken en behouden van onderzoeks-, innovatie- en ondernemingstalenten in Europa.</P><P><STRING BOLD="on">Vrijheid van wetenschappelijke onderzoekers</STRING></P><P><NO.P>5.</NO.P>Het begrip “wetenschappelijke onderzoeker” moet breed worden gedefinieerd, in overeenstemming met het voorstel voor een aanbeveling van de Raad betreffende een Europees kader voor het aantrekken en behouden van onderzoeks-, innovatie- en ondernemingstalenten in Europa.</P><P><NO.P>6.</NO.P>De vrijheid van wetenschappelijk onderzoek houdt in dat individuele onderzoekers het recht hebben om onderzoeksvragen vrij te bepalen, theorieën te kiezen en te ontwikkelen, empirisch materiaal te verzamelen en deugdelijke wetenschappelijke onderzoeksmethoden te hanteren, de wetenschappelijke integriteit te handhaven, conventionele kennis in twijfel te trekken, vrijelijk te publiceren en te communiceren en nieuwe ideeën en theorieën aan te dragen en deze in alle vrijheid te verspreiden.</P><P><NO.P>7.</NO.P>De rechten van individuele onderzoekers omvatten ten minste:</P><P><NO.P>a)</NO.P>het recht zich te verenigen in een representatieve academische of beroepsorganisatie;</P><P><NO.P>b)</NO.P>het recht op vrije toegang tot openbare informatie en het recht op toegang tot particuliere informatie die nodig is voor wetenschappelijke doeleinden, hetgeen wel moet worden afgewogen tegen de rechten van de informatiebezitters en de aard/gevoeligheid van de informatie;</P><P><NO.P>c)</NO.P>het recht om specifieke informatie of gegevens, alsook de bron van die informatie of gegevens, vertrouwelijk te houden om te voldoen aan ethische en wetenschappelijke normen, en om wetenschappelijke of andere legitieme doelstellingen te bereiken;</P><P><NO.P>d)</NO.P>het recht om de resultaten en gegevens van hun onderzoek te publiceren, te delen, te verspreiden en er, zowel intern als extern, in alle openheid over te communiceren en het recht om vrijuit en kritisch te spreken over het werk en beleid van instellingen voor wetenschappelijk onderzoek, zonder te hoeven vrezen voor represailles;</P><P><NO.P>e)</NO.P>het recht om vrij onderzoeksonderwerpen te bepalen, empirisch materiaal te kiezen, te ontwikkelen en te verzamelen en met andere onderzoekers contact te hebben.</P><P><NO.P>8.</NO.P>Elke onderzoeker moet die individuele rechten kunnen uitoefenen zonder te hoeven vrezen voor represailles.</P><P><STRING BOLD="on">Rechten en plichten van organisaties voor wetenschappelijk onderzoek</STRING></P><P><NO.P>9.</NO.P>Om de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek voor wetenschappelijke onderzoekers te waarborgen, moeten organisaties voor wetenschappelijk onderzoek over daadwerkelijke institutionele autonomie beschikken. Hoewel institutionele autonomie een voorwaarde vormt voor de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek voor wetenschappelijke onderzoekers en voor de aard van zelfbestuur van onderzoek, is zij niet per definitie ondergeschikt aan de rechten van individuele onderzoekers. Institutionele autonomie is niet alleen nodig om de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek te beschermen, maar ook om de goede werking van de wetenschappelijke sector te verzekeren. Daarom moet in het voorstel een zorgvuldig evenwicht worden gevonden om individuele rechten te harmoniseren met institutionele autonomie.</P><P><NO.P>10.</NO.P>Organisaties voor wetenschappelijk onderzoek moeten de vrijheid hebben om internationale samenwerking aan te gaan.</P><P><NO.P>11.</NO.P>In het kader van hun institutionele autonomie moeten onderzoeksorganisaties voorzien in transparante, eerlijke en op excellentie gebaseerde procedures voor onderzoeksloopbanen.</P><P><NO.P>12.</NO.P>Om tot institutionele autonomie te komen, moet onder meer rekening worden gehouden met organisatorische, financiële, wetenschappelijke en personeelsautonomie.</P><P><NO.P>13.</NO.P>Institutionele autonomie is erg contextgebonden en kan op veel verschillende manieren en met combinaties van verschillende soorten autonomie worden verwezenlijkt. Om tot daadwerkelijke institutionele autonomie te komen, hoeft niet op uniforme wijze aan al die verschillende aspecten van institutionele autonomie te worden voldaan. De definitie van institutionele autonomie in het voorstel mag dus niet statisch zijn, maar moet veeleer aanpassing aan verschillende nationale, regionale en institutionele contexten mogelijk maken. Daartoe moet het met name mogelijk zijn de nadruk te laten verschuiven tussen verschillende aspecten van institutionele autonomie aan de hand van een geleidelijke in plaats van binaire beoordeling van de verschillende aspecten.</P><P><NO.P>14.</NO.P>Institutionele autonomie moet gepaard gaan met een verplichting voor onderzoeksorganisaties om wetenschappelijke onderzoekers op een of andere manier bij de besluitvorming te betrekken.</P><P><NO.P>15.</NO.P>Daaronder valt ook het recht om publiekelijk commentaar te leveren op het bestuur van de organisatie en het systeem, zonder te hoeven vrezen voor represailles. Daarnaast betekent dit dat onderzoeksorganisaties de verantwoordelijkheid hebben om een opendebatcultuur tot stand te brengen. Het houdt tevens in dat er doeltreffende procedures moeten zijn om wangedrag te melden en om mensen die wangedrag of inbreuken op academische of ethische normen melden, in overeenstemming met de in Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad<FOOTNOTE><FIELD> Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (PB L 305 van 26.11.2019, blz. 17).</FIELD></FOOTNOTE> bedoelde normen te beschermen, alsook dat er afzonderlijke procedures moeten bestaan die berusten op de bescherming van de privésfeer en het vermoeden van onschuld en die bedoeld zijn om meldingen van wangedrag te behandelen.</P><P><STRING BOLD="on">Overheidsverplichtingen</STRING></P><P><NO.P>16.</NO.P>Overheidsinstanties in de lidstaten op elk bestuursniveau, met inbegrip van instellingen, organen en instanties van de Unie, moeten verplicht worden de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek, met inbegrip van institutionele autonomie, te eerbiedigen, te beschermen, te bevorderen en te waarborgen.</P><P><NO.P>17.</NO.P>Eerbiediging van de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek betekent dat overheidsinstanties zich niet naar believen bemoeien met en onnodige beperkingen opleggen aan de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek, en zich onthouden van actieve deelname of medeplichtigheid aan schendingen van het recht.</P><P><NO.P>18.</NO.P>De bescherming van de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek betekent dat overheidsinstanties verplicht zijn actieve maatregelen te nemen om bescherming te bieden tegen derde partijen die zich op onrechtmatige wijze mengen in eender welk aspect van de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek.</P><P><NO.P>19.</NO.P>Om de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek te waarborgen, moeten overheidsinstanties actief een klimaat tot stand brengen waarin die vrijheid in al haar facetten, met inbegrip van institutionele autonomie, kan worden beleefd. Dat houdt ook in dat beleid voor duurzame onderzoeksloopbanen moet worden gevoerd waarmee hoogwaardige banen ter beschikking worden gesteld in alle stadia van de loopbaan en dat moet worden gezorgd voor betrouwbare en stabiele institutionele financiering op lange termijn.</P><P><NO.P>20.</NO.P>De bevordering van de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek betekent dat overheidsinstanties actief in dialoog moeten gaan met derde partijen om te pleiten voor de eerbiediging, bescherming en waarborging van de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek en mogelijk moeten afzien van samenwerking met derden die niet dezelfde reeks beginselen en waarden eerbiedigen.</P><P><STRING BOLD="on">Algemene overwegingen</STRING></P><P><NO.P>21.</NO.P>Uit het wetgevingsvoorstel moet duidelijk blijken dat de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek breed moet worden benaderd, onder meer als vrijheid van inmenging en door voor randvoorwaarden te zorgen. Wetenschappelijk onderzoek moet vrij zijn van ongepaste overheidsbemoeienis. Met het oog op de uitoefening van de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek moeten er daarnaast een sterke wetenschappelijke kring en een maatschappelijk draagvlak voor wetenschappelijke kennis bestaan.</P><P>Overheidsinstanties moeten de verantwoordelijkheid hebben onderzoeken in te stellen naar vermeende schendingen van de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek en daders van schendingen ter verantwoording te roepen.</P><P><NO.P>22.</NO.P>Met het wetgevingsvoorstel moet een monitoringsysteem worden ingevoerd voor het melden van inbreuken op wetenschappelijk onderzoek zodra deze worden vastgesteld.</P><P><NO.P>23.</NO.P>In het wetgevingsvoorstel moet rekening worden gehouden met het feit dat de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek weliswaar onafhankelijk is, maar in moderne universiteiten onlosmakelijk verbonden is met de vrijheid om les te geven. Gezien de rechtsgrond van het voorstel en de kernbevoegdheden van de Unie op het gebied van onderzoek betekent dit dat het voorstel erop gericht moet zijn interne verspreiding zo breed mogelijk te beschermen, met inachtneming van de beperkte bevoegdheden van de Unie wat betreft onderwijswetgeving.</P><P><NO.P>24.</NO.P>De voorgestelde handeling moet over de hele Unie juridisch bindend zijn. Het voorstel moet bedoeld zijn om een rechtskader te creëren waarmee voldoende flexibiliteit wordt geboden om rechten en plichten per geval met elkaar in evenwicht te brengen, en kan in de hele Unie worden toegepast, ondanks de enorme verscheidenheid aan nationale en regionale stelsels voor wetenschappelijk onderzoek. Het voorstel moet een uitgangspunt vormen voor de ontwikkeling van wettelijke minimumnormen inzake de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek door middel van de rechtspraak van Europese rechtbanken, met inbegrip van het Hof van Justitie van de Europese Unie.</P></ANNEX></TXTLST></SDOCTA>