<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P9_TA(2024)0031</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Ontwikkelingssamenwerking van de EU ter ondersteuning van de toegang tot energie in ontwikkelingslanden</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A9-0441/2023 - Rapporteur: Caroline Roose)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 17 januari 2024 over de ontwikkelingssamenwerking van de EU ter ondersteuning van de toegang tot energie in ontwikkelingslanden (2023/2073(INI))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de VN en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s), met name SDG 1 inzake uitbanning van armoede, SDG 7 inzake het waarborgen van toegang tot betaalbare, betrouwbare, duurzame en moderne energie voor iedereen, SDG 9 inzake industrie en infrastructuur, SDG 13 inzake klimaatactie en SDG 5 inzake het verwezenlijken van gendergelijkheid en het versterken van de positie van alle vrouwen en meisjes,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, waarin staat dat het hoofddoel van het EU-beleid op het gebied van ontwikkelingssamenwerking is om de armoede terug te dringen en uiteindelijk uit te bannen en waarin wordt voorgeschreven dat “de Unie [...] bij de uitvoering van beleid dat gevolgen kan hebben voor de ontwikkelingslanden rekening [houdt] met de doelstellingen van de ontwikkelingssamenwerking”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 3, lid 5 en artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, waarin wordt uiteengezet dat de Unie zich inzet voor een op waarden gebaseerde benadering van ontwikkelingssamenwerking om de samenhang van haar externe optreden te waarborgen, met inachtneming van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en ter bevordering van de duurzame ontwikkeling van de ontwikkelingslanden op economisch, sociaal en milieugebied,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, het Parlement en de Commissie van 30 juni 2017 over de nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling: “Onze wereld, onze waardigheid, onze toekomst”<FOOTNOTE><FIELD> PB C 210 van 30.6.2017, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/947 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juni 2021 tot vaststelling van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking — Europa in de wereld, tot wijziging en intrekking van Besluit nr. 466/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU) 2017/1601 en Verordening (EG, Euratom) nr. 480/2009 van de Raad<FOOTNOTE><FIELD> PB L 209 van 14.6.2021, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de conclusies van de Raad van 4 oktober 2022 over klimaatfinanciering met het oog op de 27e Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC (COP27) in Sharm-el-Sheikh van 6 t/m 18 november 2022, van 25 januari 2021 over klimaat- en energiediplomatie — verwezenlijking van de externe dimensie van de Europese Green Deal, en van 28 november 2016 over energie en ontwikkeling,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019, getiteld “De Europese Green Deal” (COM(2019)0640),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het voorstel van de Commissie van 16 maart 2023 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader om een veilige en duurzame voorziening van kritieke grondstoffen te waarborgen, en tot wijziging van de Verordeningen (EU) 168/2013, (EU) 2018/858, 2018/1724 en (EU) 2019/1020 (COM(2023)0160),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/1184 van de Commissie van 10 februari 2023 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad door de bepaling van een gemeenschappelijke Uniemethode die voorziet in gedetailleerde regels voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong<FOOTNOTE><FIELD> PB L 157 van 20.6.2023, blz. 11.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 16 maart 2023 over de Europese waterstofbank (COM(2023)0156),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 8 juli 2020, getiteld “Een waterstofstrategie voor een klimaatneutraal Europa” (COM(2020)0301),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 18 mei 2022, getiteld “De externe energiebetrokkenheid van de EU in een veranderende wereld” (JOIN(2022)0023),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 1 december 2021, getiteld “De Global Gateway” (JOIN(2021)0030),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 9 maart 2020, getiteld “Naar een brede strategie met Afrika” (JOIN(2020)0004),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de speciale rapporteur van de VN-Mensenrechtenraad inzake mensenrechtenverplichtingen met betrekking tot het genot van een veilig, schoon, gezond en duurzaam milieu van 5 januari 2023, getiteld “Women, girls and the right to a clean, healthy and sustainable environment”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de nieuwe partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie, enerzijds, en de leden van de Organisatie van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (OACPS), anderzijds (de Samoa-overeenkomst), die in werking zal treden zodra het Europees Parlement ermee heeft ingestemd en de partijen de overeenkomst hebben geratificeerd,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) van 1992 en het bijbehorende Protocol van Kyoto, de 21e Conferentie van de Partijen (COP21) bij het UNFCCC in Parijs in december 2015, de goedkeuring van de Overeenkomst van Parijs (de allereerste universele, juridisch bindende mondiale klimaatovereenkomst), en het vijfde evaluatierapport over klimaatverandering van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het speciale verslag van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering van 24 september 2019, getiteld “Special Report on the Ocean and Cryosphere in a changing Climate”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de VN-verklaring over de rechten van inheemse volken, die op 13 september 2007 is aangenomen door de Algemene Vergadering van de VN,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van het Milieuprogramma 2022 van de VN over de emissiekloof, en het tweede samenvattende verslag over de productie van fossiele brandstoffen (verslag over de productiekloof 2021)<FOOTNOTE><FIELD> <STRING UNDERLINE="on">Het Milieu-instituut van Stockholm, het Internationaal Instituut voor duurzame ontwikkeling, het Overseas Development Institute, E3G, en het Milieuprogramma van de VN, “2021 Report – The Production Gap: Governments’ planned fossil fuel production remains dangerously out of sync with Paris Agreement limits”, 2021</STRING>.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten, die de VN-Mensenrechtenraad op 16 juni 2011 heeft goedgekeurd,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen en de OESO-richtsnoeren over passende zorgvuldigheid voor verantwoord ondernemerschap,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de beleidsnota 2018 van het Departement Economische en Sociale Zaken van de VN, getiteld “Policy Brief #12: Global Progress of SDG7 – Energy and Gender”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van 2022 van het Internationaal Agentschap voor hernieuwbare energie, getiteld “World Energy Transitions Outlook 2022: 1.5 °C Pathway”<FOOTNOTE><FIELD> <STRING UNDERLINE="on">Het Internationaal Agentschap voor hernieuwbare energie, “World Energy Transitions Outlook 2022: 1.5 °C Pathway, International Renewable Energy Agency”, Abu Dhabi, 2022</STRING>.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het gezamenlijke verslag van 2023 van de Wereldbank, het Internationaal Energieagentschap, het Internationaal Agentschap voor hernieuwbare energie, de VN en de Wereldgezondheidsorganisatie, getiteld “Tracking SDG7: The Energy Progress Report, 2023”<FOOTNOTE><FIELD> <STRING UNDERLINE="on">Het Internationaal Energieagentschap, “Tracking SDG7: The Energy Progress Report, 2023”, Internationaal Energieagentschap, Parijs, juni 2023</STRING>.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het actieplan voor groen herstel van de Afrikaanse Unie 2021-2027, dat een alomvattende strategie omvat om groene initiatieven te bevorderen, de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen, het milieu te beschermen en de weerbaarheid tegen klimaatverandering te vergroten<FOOTNOTE><FIELD> <STRING UNDERLINE="on">Afrikaanse Unie, “The African Union green recovery action plan”, Afrikaanse Unie, Addis Abeba, 2021</STRING>.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van Nairobi van Afrikaanse leiders over klimaatverandering en oproep tot actie van 6 september 2023,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring over klimaat en ontwikkeling van de Afrikaanse bevolking van 2023,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resoluties van 14 maart 2023 over beleidscoherentie voor ontwikkeling<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2023/398, van 23.11.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2023/398/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, van 25 maart 2021 over een nieuwe strategie EU-Afrika — een partnerschap voor duurzame en inclusieve ontwikkeling<FOOTNOTE><FIELD> PB C 494 van 8.12.2021, blz. 80.</FIELD></FOOTNOTE>, van 15 januari 2020 over de Europese Green Deal<FOOTNOTE><FIELD> PB C 270 van 7.7.2021, blz. 2.</FIELD></FOOTNOTE>, van 1 december 2016 over toegang tot energie in ontwikkelingslanden<FOOTNOTE><FIELD> PB C 224 van 27.6.2018, blz. 167.</FIELD></FOOTNOTE> en van 2 februari 2012 over ontwikkelingssamenwerking van de EU met het oog op universele toegang tot energie tegen 2030<FOOTNOTE><FIELD> PB C 239 E van 20.8.2013, blz. 83.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het actieplan voor gendergelijkheid en empowerment van vrouwen in het externe optreden 2021-2025 (GAP III),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van mei 2022 van de Economische Commissie voor Latijns-Amerika en het Caribisch Gebied, getiteld “Energy in Latin America and the Caribbean: access, renewability and efficiency”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Wereldcommissie voor dammen van 16 november 2000, getiteld “A new framework for decision-making”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 54 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A9-0441/2023),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat energie centraal staat in alle SDG’s, maar dat in het verslag over de duurzameontwikkelingsdoelstellingen 2023<FOOTNOTE><FIELD> Departement Economische en Sociale Zaken van de VN, “The Sustainable Development Goals Report 2023: Special Edition – July 2023”, New York, VS, 2023.</FIELD></FOOTNOTE> wordt geconcludeerd dat de wereld nog steeds niet op koers ligt om universele toegang tot energie te verwezenlijken; overwegende dat energie een bevorderende factor is voor ontwikkeling, met name de ontwikkeling van landbouw, het bedrijfsleven, communicatie, onderwijs, gezondheidszorg en vervoer, en voor het functioneren van de staat;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat in SDG 7 de doelstelling is vastgelegd dat uiterlijk in 2030 de duurzame toegang tot betaalbare en schone energie moet worden bewerkstelligd, met name door te pleiten voor meer internationale samenwerking om de toegang tot onderzoek, infrastructuur en technologie op het gebied van schone en hernieuwbare energie te verbeteren en investeringen in deze doelstellingen te bevorderen; overwegende dat het van essentieel belang is om de diplomatieke inspanningen ter bevordering van een grotere politieke ambitie op te voeren teneinde energiearmoede doeltreffend aan te pakken en te beëindigen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat volgens de VN medio 2023 wereldwijd ongeveer 733 miljoen mensen, van wie 80 % in Afrika bezuiden de Sahara, nog steeds geen toegang hebben tot betaalbare, betrouwbare, schone en hoogwaardige energie<FOOTNOTE><FIELD> Het Internationaal Agentschap voor hernieuwbare energie, “Basic Energy Access Lags Amid Renewable Opportunities New Report Shows”, 6 juni 2023.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat de toegang tot energie sterk verschilt in de ontwikkelingslanden; overwegende dat 52 % van de bevolking in Afrika bezuiden de Sahara geen toegang tot elektriciteit heeft en dat dit de enige regio ter wereld is waar het percentage mensen zonder toegang tot elektriciteit toeneemt; overwegende dat dit cijfer grote verschillen verhult, aangezien slechts 30,4 % van de plattelandsbevolking in de regio, tegenover 80,7 % van de stedelijke bevolking, regelmatige toegang heeft tot energie; overwegende dat onderwijs wordt beschouwd als een van de belangrijkste facetten van armoedebestrijding; overwegende dat toegang tot elektriciteit ook bijdraagt aan hoogwaardig onderwijs, maar dat slechts 47 % van de scholen in Afrika bezuiden de Sahara elektriciteit heeft;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat het gebrek aan toegang tot elektriciteit in stedelijke gebieden of aan de rand van steden gevolgen heeft voor de bevolking van grote irreguliere nederzettingen, alsook voor gedwongen ontheemden en vluchtelingen; overwegende dat zelfs wanneer elektriciteit voorhanden is de kwaliteit van de dienstverlening vaak slecht is;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat de toegang tot betaalbare, betrouwbare, schone en hoogwaardige energie nog moeilijker is in landen die te maken hebben met conflicten en natuurrampen; overwegende dat er zelfs in regio’s met een betere toegang tot energie, zoals Azië en de Stille Oceaan of Latijns-Amerika en het Caribisch gebied, grote ongelijkheden bestaan tussen landen en binnen bevolkingsgroepen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat de energiecrisis als gevolg van de Russische invasie van Oekraïne nog steeds zijn tol eist, waarbij hoge energieprijzen de meest kwetsbare groepen het hardst treffen, met name in ontwikkelingslanden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat toegang tot energie cruciaal is voor humanitaire en ontwikkelingsorganisaties om efficiënte humanitaire hulp te verlenen, met name medische zorg en noodhulp;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat uit de huidige prognoses blijkt dat er in 2030 wereldwijd ongeveer 660 miljoen mensen geen toegang zullen hebben tot elektriciteit en dat ongeveer een miljard mensen geen toegang zullen hebben tot schoon koken als er geen passende maatregelen worden genomen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat een betere toegang tot betaalbare en schone energie zal leiden tot duurzame economische groei, bedrijvigheid en ondernemerschap zal aantrekken en de menselijke gezondheid, het welzijn en de veiligheid zal verbeteren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat energiearmoede, gedefinieerd als het gebrek aan duurzame, schone en veilige energiebronnen, onder meer een genderkwestie is, waarbij vrouwen en meisjes gemiddeld tot 18 uur per week bezig zijn om brandstoffen voor voedselbereiding te verzamelen<FOOTNOTE><FIELD> Ontwikkelingsprogramma van de VN, “Energy and Gender Equality”.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat vrouwen wereldwijd sterk ondervertegenwoordigd zijn als werknemers in de energiesector, met name in leidinggevende functies; overwegende dat de betrokkenheid van vrouwen als actieve actoren in hernieuwbare-energieoplossingen, in overeenstemming met het GAP III van de EU, de duurzaamheid zal verbeteren en positieve genderresultaten zal opleveren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>M.</NO.P>overwegende dat vooral traditionele brandstoffen voor voedselbereiding (vaste biomassa, kerosine en steenkool) debet zijn aan koolstofemissies, ontbossing en klimaatverandering en een bedreiging vormen voor de volksgezondheid; overwegende dat er wereldwijd 2,4 miljard mensen afhankelijk zijn van deze brandstoffen, wat leidt tot ongeveer 3,7 miljoen vroegtijdige sterfgevallen per jaar, waarbij vrouwen en kinderen het zwaarst worden getroffen; overwegende dat er alleen al in Afrika in 2019 maar liefst 700 000 sterfgevallen zijn geregistreerd als gevolg van vervuiling van de binnenlucht;</P></CONS><CONS><P><NO.P>N.</NO.P>overwegende dat de EU-financiering voor schone brandstoffen voor voedselbereiding marginaal is; overwegende dat zelfs wanneer er schone kookstrategieën bestaan de uitvoering zwak is en er weinig financiële middelen beschikbaar zijn, waardoor het zelfs moeilijk is om bescheiden winsten te boeken en er nog steeds te weinig gebruik wordt gemaakt van betere fornuizen; overwegende dat minder dan 10 % van de mensen die geen toegang hebben tot schoon koken woont in landen met een doeltreffend beleid en voldoende financiering om daar uiterlijk in 2030 universele toegang toe te bieden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>O.</NO.P>overwegende dat de COVID-19-pandemie en de stijging van de energieprijzen de vooruitgang bij een betere toegang tot schoon koken hebben vertraagd; overwegende dat de EU in ontwikkelingslanden die voor het koken sterk afhankelijk zijn van biomassa alternatieven voor houtverbruik moet ondersteunen en oplossingen zoals kooktoestellen op zonne-energie moet bevorderen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>P.</NO.P>overwegende dat vanwege de gebrekkige toegang tot schoon koken vrouwen en meisjes meer tijd doorbrengen met koken; overwegende dat dit de ongelijke verdeling van huishoudelijk werk tussen mannen en vrouwen verder in de hand werkt; overwegende dat de mogelijkheid tot schoon koken vrouwen en meisjes naar schatting gemiddeld 1,5 uur per dag zou schelen — tijd die zij zouden kunnen besteden aan vrije tijd en/of onderwijs;</P></CONS><CONS><P><NO.P>Q.</NO.P>overwegende dat ontwikkelingslanden over meer dan toereikende hernieuwbare energiebronnen beschikken, maar vaak een stimulerend beleids- en regelgevingskader en de nodige industriële en technologische oplossingen ontberen voor de ontwikkeling en het gebruik van duurzame energie; overwegende dat deze landen ook te maken hebben met tal van uitdagingen, zoals klimaatverandering, een overmatige schuldenlast en een snelle demografische groei, die allemaal van invloed zijn op de vraag naar en het verbruik van energie; overwegende dat landen als Namibië en Angola betrokken zijn bij ambitieuze projecten op het gebied van hernieuwbare energie; overwegende dat sommige ontwikkelingslanden, zoals Senegal, Rwanda en Kenia, aanzienlijke vooruitgang hebben geboekt op het gebied van toegang tot energie; overwegende dat er rekening moet worden gehouden met de uiteenlopende context in elk land teneinde doorbraken op het gebied van toegang tot energie tot stand te brengen, met de juiste dosis politieke wil en toereikende EU-steun;</P></CONS><CONS><P><NO.P>R.</NO.P>overwegende dat de EU een lange traditie van samenwerking op energiegebied heeft in Afrika; overwegende dat de EU en haar lidstaten het overgrote deel van de financiering van officiële ontwikkelingshulp voor SDG 7-projecten in Afrika hebben verstrekt, d.w.z. een bedrag van 13,8 miljard EUR tussen 2014 en 2020; overwegende dat dit nog steeds niet voldoende is en dat er meer inspanningen moeten worden geleverd; overwegende dat naar schatting 53 % van de uitbetalingen de vorm van leningen aannam, maar dat deze extra schuld het vermogen van deze landen om te investeren in de SDG’s, waaronder SDG 7, vermindert; overwegende dat 21 lage-inkomenslanden in Afrika in 2023 in een schuldencrisis (dreigden te) verkeren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>S.</NO.P>overwegende dat de financiële stromen voor energie beperkt blijven tot een kleine groep landen, waardoor de minst ontwikkelde landen vaak achterop raken; overwegende dat, wat geografische concentratie betreft, slechts drie van de tien voornaamste begunstigden de minst ontwikkelde landen zijn, waaruit blijkt dat de middelen voor een betere toegang tot energie en de bestrijding van energiearmoede niet in volgorde van prioriteit zijn toegewezen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>T.</NO.P>overwegende dat de energietransitie in ontwikkelingsregio’s, met name in de minst ontwikkelde landen, kampt met ernstige en hardnekkige onderfinanciering; overwegende dat het Natural Resource Governance Institute (Instituut voor het beheer van natuurlijke hulpbronnen) de “vloek van de bodemschatten” definieert als het feit dat veel landen die rijk zijn aan bodemschatten er niet in slagen ten volle te profiteren van hun rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen, en dat de regeringen in deze landen zodoende niet doeltreffend kunnen inspelen op de behoeften van het openbaar welzijn<FOOTNOTE><FIELD> Natural Resource Governance Institute, “The Resource Curse – The Political and Economic Challenges of Natural Resource Wealth”, NRGI Reader, maart 2015.</FIELD></FOOTNOTE>; overwegende dat een buitensporige afhankelijkheid van de uitvoer van fossiele brandstoffen het risico van geringe economische diversificatie met zich meebrengt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>U.</NO.P>overwegende dat de EU de financiering van hernieuwbare energie in ontwikkelingslanden moet verhogen, met name in de nieuwe geopolitieke context die is ontstaan vanwege de Russische invasie van Oekraïne, en tegelijkertijd corruptie en zwakke instellingen moet aanpakken, die de problemen van onderfinanciering verergeren, met name in de minst ontwikkelde landen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>V.</NO.P>overwegende dat de meeste door de EU gefinancierde projecten gericht zijn op de bevordering van elektriciteitsopwekking, maar dat het distributiesegment het zwakst is, terwijl juist dat segment cruciaal is voor de verwezenlijking van SDG 7; overwegende dat veel ontwikkelingslanden nog steeds afhankelijk zijn van steenkool als primaire energiebron voor elektriciteitsopwekking;</P></CONS><CONS><P><NO.P>W.</NO.P>overwegende dat de landen die het zwaarst worden getroffen door de negatieve gevolgen van de klimaatverandering de laagste uitstoot veroorzaken; overwegende dat Afrika bijna 18 % van de wereldbevolking herbergt, maar minder dan 6 % van het wereldwijde energieverbruik voor zijn rekening neemt; overwegende dat Afrika verantwoordelijk is voor slechts 3 % van de energiegerelateerde CO<STRING SUBSCRIPT="on">2</STRING>-emissies in de wereld; overwegende dat de G20-landen verantwoordelijk zijn voor 80 % van de wereldwijde emissies;</P></CONS><CONS><P><NO.P>X.</NO.P>overwegende dat het energiepartnerschap Afrika-EU in februari 2022 op een nieuwe leest werd geschoeid om rekening te houden met de Agenda 2063 van de Afrikaanse Unie en de prioriteiten van de EU op het gebied van klimaatverandering, energiezekerheid, REPowerEU en de Global Gateway, die tot doel hebben de opwekking en distributie van hernieuwbare energie te bevorderen, onder meer voor uitvoer naar Europa; overwegende dat er een investeringspakket van ongeveer 150 miljard EUR is aangekondigd ter ondersteuning van de gemeenschappelijke ambities van de continenten, zoals uiteengezet in de Agenda 2030 en in de Agenda 2063 van de Afrikaanse Unie, met als doel om onder meer een energietransitie te waarborgen die kosteneffectief, modern, efficiënt, betrouwbaar, eerlijk, rechtvaardig en billijk is;</P></CONS><CONS><P><NO.P>Y.</NO.P>overwegende dat het partnerschap van de EU met Zuid-Afrika voor een rechtvaardige energietransitie een voorbeeld is van de bereidheid van de EU om zich te positioneren als wereldleider in de rechtvaardige energietransitie en aldus bij te dragen aan de externe dimensie van de energie- en klimaatstrategie van de EU en de ambitie van de Europese Green Deal wereldwijd te bevorderen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>Z.</NO.P>overwegende dat de energieautonomie van kleine eilandstaten in ontwikkeling, voortbouwend op hun grote potentieel op het vlak van hernieuwbare energie, een duidelijke doelstelling moet blijven;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AA.</NO.P>overwegende dat onder “koolstofarme waterstof” ook waterstof kan vallen die wordt geproduceerd met behulp van kernenergie en aardgas en dus niet noodzakelijk emissievrij is; overwegende dat groene waterstof uit hernieuwbare bronnen de enige soort waterstof is die daadwerkelijk kan bijdragen tot klimaatneutraliteit op de lange termijn;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AB.</NO.P>overwegende dat in REPowerEU de doelstelling is vastgesteld om uiterlijk in 2030 jaarlijks 10 miljoen ton groene waterstof te importeren; overwegende dat de Commissie in november 2022 onder andere memoranda van overeenstemming over strategische partnerschappen voor hernieuwbare waterstof heeft ondertekend met Namibië en Egypte;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AC.</NO.P>overwegende dat volgens de Global Hydrogen Review 2023 van het Internationaal Energieagentschap<FOOTNOTE><FIELD> Internationaal Energieagentschap, “Global Hydrogen Review 2023”, 2023 en Internationaal Energieagentschap, “Hydrogen”, 2023.</FIELD></FOOTNOTE> 99 % van de wereldwijd geproduceerde waterstof afkomstig is van fossiele brandstoffen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AD.</NO.P>overwegende dat groene waterstof het potentieel heeft om versneld tot een koolstofvrije industriële productie in partnerlanden te komen, mits dit de lokale energietransitie niet vertraagt en deel uitmaakt van een bredere strategie om het totale energieverbruik in ontwikkelde landen te verminderen teneinde de grenzen van onze planeet te eerbiedigen; overwegende dat er tegelijkertijd echter terdege rekening moet worden gehouden met het feit dat de noodzakelijke infrastructuur voor groene waterstof kapitaal- en technologie-intensief is, dat het transport en de opslag van waterstof over lange afstand energie-intensief en duur zijn en dat er voor de grootschalige productie van groene waterstof enorme hoeveelheden land en water nodig zijn;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AE.</NO.P>overwegende dat de klimaatdoelstellingen voor 2030 en 2050 niet zullen worden verwezenlijkt zonder de decarbonisatie van belangrijke sectoren die moeilijk koolstofvrij te maken zijn; overwegende dat de invoer van groene waterstof uit landen buiten de EU een belangrijk onderdeel vormt van nieuwe strategische partnerschappen van de EU; overwegende dat volgens de Global Hydrogen Review 2023 van het Internationaal Energieagentschap het kostenplaatje een bedreiging vormt voor de winstgevendheid van de uitrol van waterstofproductie op lange termijn; overwegende dat de uitrol van waterstofproductie het risico met zich meebrengt dat het gebruik van fossiele brandstoffen en ontginningsmethoden wordt uitgebreid, met inbegrip van de mogelijke grootschalige toe-eigening van land, water en energie in producerende ontwikkelingslanden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AF.</NO.P>overwegende dat kritieke grondstoffen een cruciale rol spelen bij het waarborgen van de toegankelijkheid en betaalbaarheid van technologieën voor schone energie voor iedereen, en dat de EU bezig is een samenhangend kader tot stand te brengen om de continue, veilige en verantwoorde voorziening van die grondstoffen te waarborgen, waarbij de mensenrechten worden geëerbiedigd en lokale ontwikkeling wordt ondersteund;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AG.</NO.P>overwegende dat gedecentraliseerde, via micronetten geleverde en niet aan het net gekoppelde hernieuwbare energie goede oplossingen biedt voor afgelegen gemeenschappen, vooral op het vlak van nieuwe banen, onderwijs en gezondheid, die echter vergezeld moeten gaan van overheidssteun om een levensvatbaar en verantwoordelijk bedrijfsmodel tot stand te brengen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AH.</NO.P>overwegende dat de uitbreiding van hernieuwbare energiebronnen op basis van zonne- en windenergie, de productie van hernieuwbare waterstof en de bouw van waterkrachtdammen ook uitdagingen met zich meebrengen, aangezien daarvoor grote stukken land nodig zijn, waardoor het bestaande landgebruik en de lokale behoeften, met name op het gebied van toegang tot water, mogelijk worden verstoord, en dit de verplaatsing van lokale en inheemse gemeenschappen kan veroorzaken en schade kan toebrengen aan ecosystemen en natuurlijke habitats; overwegende dat land- en zeegebieden die kunnen worden gebruikt voor de opwekking van hernieuwbare energie in kaart moeten worden gebracht, waarbij rekening wordt gehouden met de eerbiediging van de biodiversiteit, de lokale economie en de instemming van inheemse volkeren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AI.</NO.P>overwegende dat de transitie naar hernieuwbare energiebronnen naar verwachting meer werkgelegenheid in de sector hernieuwbare energie zal opleveren; overwegende dat nieuwe technologieën voor hernieuwbare energie het potentieel hebben om economische kansen te creëren, die op hun beurt het recht op levensonderhoud en fatsoenlijk werk kunnen ondersteunen; overwegende dat Afrika een veelbelovende toekomst heeft op het gebied van hernieuwbare-energiesystemen, aangezien dit continent beschikt over 60 % van de beste bronnen van zonne-energie ter wereld, maar slechts over 1 % van de installaties voor zonne-energie; overwegende dat Latijns-Amerika een van de belangrijkste regio’s ter wereld is wat betreft het gebruik en de opwekking van hernieuwbare energie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AJ.</NO.P>overwegende dat volgens het Internationaal Energieagentschap de wereldwijde waterkrachtcapaciteit tussen 2021 en 2030 met 17 % zal kunnen toenemen; overwegende dat het grootste onbenutte waterkrachtpotentieel in ontwikkelingslanden in Afrika, Azië en Latijns-Amerika ligt; overwegende dat grootschalige waterkrachtprojecten echter gepaard gaan met negatieve sociale en milieueffecten, variërend van de ontheemding van kwetsbare bevolkingsgroepen tot de vernietiging van unieke biodiversiteit; overwegende dat waterkracht nieuwe uitdagingen met zich meebrengt tegen de achtergrond van de klimaatverandering, waardoor de frequentie van overstromingen en droogvallende rivieren waar waterkrachtprojecten zich bevinden drastisch zal toenemen en de risico’s voor zowel de veiligheid van de projecten als de capaciteit om elektriciteit op te wekken ook zullen toenemen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AK.</NO.P>overwegende dat de EU en haar partnerlanden een gemeenschappelijke, maar andere verantwoordelijkheid hebben om een duurzame energietransitie tot stand te brengen; overwegende dat de EU-steun voor projecten op het gebied van hernieuwbare energie in de eerste plaats tegemoet moet komen aan de behoeften van de lokale bevolking en dan pas mag dienen voor de ondersteuning van de export;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AL.</NO.P>overwegende dat de uitgesproken wens van bepaalde ontwikkelingslanden om hun koolwaterstofbronnen te exploiteren ook moet worden geanalyseerd in het licht van de inspanningen van de EU om tijdens de COP28 tot een wereldwijde toezegging te komen om fossiele brandstoffen geleidelijk af te bouwen; overwegende dat het gebruik van natuurlijke hulpbronnen voor energieopwekking economische kansen kan creëren, maar dat ontwikkelingslanden, door prioriteit te geven aan het exporteren van hernieuwbare energie, hun binnenlandse energietransitie in gevaar kunnen brengen en de hoeveelheid fossiele brandstoffen in hun eigen elektriciteitsmix mogelijk vergroten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AM.</NO.P>overwegende dat volgens het World Resources Institute een kwart van de wereldbevolking elk jaar te maken heeft met extreme waterstress; overwegende dat water van cruciaal belang is voor de teelt van gewassen en veeteelt, het opwekken van elektriciteit, het in stand houden van de menselijke gezondheid, het bevorderen van rechtvaardige samenlevingen en het verwezenlijken van de mondiale klimaatdoelstellingen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AN.</NO.P>overwegende dat agrovoedingssystemen ongeveer 30 % van de mondiale energie verbruiken en dat een derde van de broeikasgasemissies in de sector voortkomt uit energieverbruik; overwegende dat de energietransitie en de transformatie van agrovoedingssystemen met elkaar verweven zijn;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">De universele toegang tot schone energie bevorderen </STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>herinnert eraan dat toegang tot universele, betaalbare en duurzame energie een fundamenteel mensenrecht is en een voorwaarde is voor de verwezenlijking van de SDG’s en de doelstelling om niemand aan zijn lot over te laten; onderkent in dit verband de rol van publieke en private financiering; benadrukt dat een koolstofneutrale toekomst en de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen gecombineerd moeten worden met economische diversificatie, groene industrialisatie, decarbonisatie, armoedebestrijding en een op mensenrechten gebaseerde aanpak;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>benadrukt dat het waarborgen van een stabiele energievoorziening niet alleen een economische en logistieke kwestie is, maar ook een geopolitiek vraagstuk; herinnert eraan dat de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne ernstige gevolgen heeft gehad voor de mondiale energiemarkten, met name in ontwikkelingslanden, en dat er nog steeds gecoördineerd optreden nodig is om een stabiele energievoorziening en betaalbare prijzen te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>verzoekt de EU de toegang tot hernieuwbare energie in ontwikkelingslanden te bevorderen door middel van beleids-, regelgevings- en administratieve ondersteuning, met inbegrip van capaciteitsopbouw en technologieoverdracht; moedigt partnerschappen aan die afstappen van de exploitatie van fossiele hulpbronnen en gericht zijn op het gebruik van schone energie; benadrukt dat moet worden gewaarborgd dat groene investeringen bijdragen tot sociaal-economische ontwikkeling en een grotere deelname van ontwikkelingslanden aan het nieuwe geopolitieke landschap op het vlak van energieneutraliteit;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>benadrukt dat er oplossingen moeten worden uitgewerkt om de uitrol van hernieuwbare energie in ontwikkelingslanden, met inbegrip van mariene en rivierenergie, te helpen verwezenlijken en tegelijkertijd de biodiversiteit te beschermen; wijst op het aanzienlijke potentieel van nieuwe offshore-installaties voor de opwekking van hernieuwbare energie in ontwikkelingslanden; benadrukt hoe belangrijk het holistische beheer van maritieme gebieden is, waar alle belanghebbenden bij worden betrokken en de instemming van lokale gemeenschappen een vereiste is;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>spoort ontwikkelingslanden actief aan zich in te zetten voor energierechtvaardigheid via hun regelgevingskaders, die moeten zorgen voor lokale acceptatie, de participatie van de gemeenschap, de bescherming van landrechten en de naleving van internationaal erkende mensenrechtennormen, met als doel om de toegang tot betaalbare energie voor iedereen te waarborgen; onderstreept dat energiepartnerschappen moeten worden gekoppeld aan de vaststelling van regelgevingskaders en dat er technische bijstand moet worden verleend voor de uitvoering ervan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>wijst erop dat energiezekerheid een genderspecifieke aanpak vereist; benadrukt dat energiearmoede vrouwen en meisjes onevenredig zwaar treft; onderstreept dat zij dagelijks ver van huis brandhout en houtskool verzamelen; dringt erop aan vrouwen op te nemen als actieve spelers in het energietransitieproces, ook in beschermde mariene gebieden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>dringt er bij de EU op aan haar technische ondersteuning bij de gendermainstreaming van de energietransitie op te voeren, onder meer door prioriteit te geven aan genderbewuste energieprojecten waarbij door vrouwen geleide energieorganisaties en -bedrijven betrokken zijn, en tevens te zorgen voor lokale zeggenschap, met bijzondere aandacht voor de minst ontwikkelde landen en middeninkomenslanden die te kampen hebben met aanzienlijke ongelijkheden op het gebied van toegang tot energie en schoon koken; benadrukt dat er naar gender uitgesplitste gegevens moeten worden verzameld over de toegang tot energie als leidraad voor het externe optreden van de EU op energiegebied; wijst erop dat energiearmoede ook minderheden en gemarginaliseerde gemeenschappen treft;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>is bezorgd over de gevolgen voor de gezondheid en het milieu van door huishoudens veroorzaakte emissies van brandhout, zoals ademhalingsziekten, hart- en vaatziekten en kanker, teloorgang van bossen, broeikasgasemissies en biodiversiteitsverlies; wijst op het risico dat verbonden is aan het toenemende gebruik van niet-schone kookbrandstoffen om te voorzien in de energiebehoeften van de groeiende bevolking, met name in Afrika bezuiden de Sahara;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>benadrukt dat mensen die in extreme armoede leven op veel plaatsen geen toegang meer hebben tot brandhout en dat zij daardoor andere materialen gebruiken voor verwarmen en koken die zij in de buurt van hun huis of in de omgeving vinden, zoals banden en andere stoffen die schadelijk zijn voor de gezondheid; benadrukt in dit verband dat vrouwen en meisjes onevenredig zwaar lijden onder vervuiling van de binnenlucht;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>wijst erop dat het tempo waarin de toegang tot schone kookbrandstoffen momenteel in veel ontwikkelingslanden wordt uitgebreid niet hoog genoeg ligt om de bijbehorende doelstellingen in het kader van SDG 7 uiterlijk in 2030 te halen; is zich bewust van de gecompliceerde uitdagingen in verband met de invoering van schoon koken en geschikte fornuizen die in overeenstemming zijn met de WHO-normen; pleit voor de bewustmaking van de gezondheidsrisico’s in verband met vervuiling van de binnenlucht als gevolg van traditionele kookpraktijken en van de voordelen van alternatieven; dringt er bij de EU op aan nationale maatregelen in partnerlanden financieel te ondersteunen, te bepleiten en aan te moedigen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>verzoekt de EU verder om de toegang tot schoon koken als prioriteit op te nemen in haar energiepartnerschappen en indicatieve meerjarenprogramma’s met ontwikkelingslanden en in de programmering van de samenwerking op lokaal, regionaal en nationaal niveau; benadrukt hoe belangrijk overleg met het lokale maatschappelijk middenveld is, vooral met door vrouwen geleide organisaties, met het oog op de verwezenlijking van gendergelijkheid en de bevordering van een gelijkere verdeling van huishoudelijke en zorgtaken tussen mannen en vrouwen, in overeenstemming met het concept van een zorgmaatschappij; wijst op de kansen die worden geboden door Global Gateway-initiatieven, zoals moderne kookfaciliteiten voor Afrika en initiatieven ter versterking van het ondernemersmilieu voor schoon koken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>verzoekt de EU daarnaast bijzondere aandacht te besteden aan infrastructuur en nutsvoorzieningen, met inbegrip van de aanleg van en de toegang tot riolering, en de toegang van huishoudens of gemeenschappen tot putten of waterzuiveringssystemen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>betreurt de zeer ernstige gevolgen van het gebrek aan toegang tot elektriciteit voor de basisbehoeften van de bevolking; verzoekt de EU en haar lidstaten elektrificatie tot prioriteit te maken in hun samenwerking en partnerschappen met ontwikkelingslanden; benadrukt dat er vooral moet worden geïnvesteerd in opwekkingscapaciteit, met name in Afrika bezuiden de Sahara, om de doelstelling van universele toegang tot energie te verwezenlijken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>vestigt de aandacht op de mogelijkheden voor toegang tot alternatieve energiebronnen, zoals onbenutte geothermische energiebronnen; wijst erop dat steun voor betaalbare energiekosten van cruciaal belang is voor een betere toegang tot elektriciteit, met name in Afrika, waar 30 % van de bevolking zich geen essentiële elektriciteitsdiensten kan veroorloven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>uit zijn bezorgdheid over de toenemende energiebehoeften van vluchtelingen en intern ontheemden die in kampen wonen; betreurt het dat in geïsoleerde gebieden en gebieden waar humanitaire hulp geboden wordt de energieonzekerheid lokale gezondheidsklinieken en scholen belet volledig te functioneren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>benadrukt dat de begrotingslijn voor humanitaire hulp moet worden verhoogd in het kader van de herziening van het meerjarig financieel kader om tegemoet te komen aan de humanitaire behoeften, onder meer door meer financiële bijstand te verlenen om de energievoorziening in kampen te waarborgen, zo ook door middel van groene projecten buiten het net, mininetwerken en hernieuwbare-energieprojecten, om te waarborgen dat humanitaire organisaties ter plaatse elementaire humanitaire hulp kunnen verlenen, met name medische en acute zorg;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">De energietransitie ondersteunen in overeenstemming met het beginsel van beleidssamenhang op het gebied van ontwikkelingssamenwerking</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan te zorgen voor beleidssamenhang op het gebied van duurzame ontwikkeling in de hele externe energieagenda van de EU, die moet worden afgestemd op lokale bijzonderheden en behoeften;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>herhaalt zijn inzet voor energierechtvaardigheid; verzoekt de EU ontwikkelingslanden te ondersteunen bij de uitvoering van op rechten gebaseerde regelingen voor hernieuwbare energie die op doeltreffende wijze bijdragen aan hun duurzame ontwikkeling; is van mening dat het beginsel van vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming voor de gemeenschappen in kwestie een voorwaarde is voor een succesvolle groene en rechtvaardige energietransitie; benadrukt dat energie-efficiëntie en lokale vaardigheden moeten worden bevorderd en dat technologische innovatie, technologieoverdracht en technische samenwerking bij dergelijke projecten op het vlak van energietransitie moeten worden aangemoedigd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>benadrukt dat de EU ontwikkelingslanden waar nodig moet ondersteunen bij het vaststellen of versterken van regelgevingskaders die de distributie van energie en de universele dienstverlening op hun grondgebied waarborgen, evenals de capaciteit voor goed bestuur en transparantie in alle projecten op het vlak van energietransitie; verzoekt de EU de technische bijstand voor de hervorming van elektriciteitssystemen te verbeteren; verzoekt de Commissie daarnaast verslag uit te brengen over de vooruitgang die is geboekt bij het verbeteren van de toegang tot energie en de regulering van de energiesector door middel van specifieke EU-projecten en -investeringen in ontwikkelingslanden die partnerlanden van de EU zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">wijst op de mogelijke risico’s van conflicten over land- en watergebruik, met name gedwongen hervestiging en onteigening vanwege grootschalige installaties voor hernieuwbare energie; dringt er bij de EU op aan de regeringen van ontwikkelingslanden via haar partnerschappen te ondersteunen om:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>a)</SYMBOL>voorafgaand aan de ontwikkeling van projecten op het vlak van hernieuwbare energie op onafhankelijke en objectieve wijze het traditionele grond- en watergebruik in kaart te brengen, onder meer voor temporele begrazing, inheems cultureel erfgoed en hoogwaardige biodiversiteitssystemen, teneinde duurzame ruimtelijke ordening aan te moedigen en de ecologische en sociale gevolgen te beoordelen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>b)</SYMBOL>vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming van de lokale gemeenschappen te verkrijgen, waarbij hun recht om nee te zeggen, naar de rechter te stappen, een beroep in te stellen en compensatie of vergoeding te krijgen, wordt gegarandeerd;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>c)</SYMBOL>milieu- en sociale criteria en verantwoorde bedrijfspraktijken te definiëren in overeenstemming met de internationale regelgevingskaders en de naleving daarvan te waarborgen door middel van mechanismen voor toezicht en klachten;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>d)</SYMBOL>de bescherming van klimaatactivisten te waarborgen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>e)</SYMBOL>de uitwisseling van kennis en beste praktijken tussen ontwikkelingslanden en regio’s die met succes zijn omgegaan met conflicten over landgebruik in verband met energieprojecten mogelijk te maken;</ITEM></LIST></P></ACTION><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>stelt vast dat voor sommige grootschalige groene energieprojecten (zoals wind- en zonne-energie), zoals de projecten die worden opgezet in droge gebieden, deugdelijk overleg met de oorspronkelijke gebruikers van het land (zoals nomadische veehouders) essentieel is; herinnert eraan dat traditionele collectieve rechten een behoorlijk zwakke juridische status hebben en vaak niet ten uitvoer worden gelegd, waardoor het risico op landroof toeneemt; verzoekt de EU en haar partnerlanden tegen deze achtergrond het recht van inheemse volkeren op eigendom van en zeggenschap over hun land en natuurlijke rijkdommen, zoals neergelegd in de Verklaring over de rechten van inheemse volken van de VN en Verdrag nr. 169 van de Internationale Arbeidsorganisatie, te erkennen en te beschermen, en het beginsel van vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming te eerbiedigen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>beveelt de lidstaten van de EU die dat nog niet hebben gedaan aan Verdrag nr. 169 van de Internationale Arbeidsorganisatie betreffende inheemse en in stamverband levende volken te ratificeren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>onderkent de gevolgen die waterverslindende praktijken voor de omzetting van energie, zoals waterkrachtcentrales en waterkrachtproductie, kunnen hebben voor landbouwgemeenschappen; wijst op de negatieve gevolgen van waterkrachtdammen voor rivieren en de biodiversiteit, met name in riviermondingen, zoals onder meer uiteengezet in het verslag van de Wereldcommissie voor dammen van 16 november 2000; wijst echter op het potentieel om osmotische energie te ontwikkelen, met name in riviermondingen en -delta’s om oplossingen te bieden voor de opwekking van hernieuwbare energie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>herinnert eraan dat grote waterkrachtprojecten in ontwikkelingslanden vaak kampen met allerhande uitdagingen, waaronder buitensporige aanloopkosten, enorme kostenoverschrijdingen en vertragingen, moeilijkheden bij het aantrekken van financiering, de sociale en ecologische voetafdruk, kwetsbaarheid voor klimaatverandering en een slechte staat van dienst wat betreft het leveren van de beloofde energie; benadrukt hoe belangrijk het is om duurzame waterkrachtprojecten te bevorderen door uitgebreide milieu- en sociale effectbeoordelingen uit te voeren en te zorgen voor zinvolle participatie van de gemeenschap; is van mening dat waar mogelijk voorrang moet worden gegeven aan andere kleinschalige en verschillende soorten hernieuwbare-energieprojecten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>benadrukt dat volgens de aanbevelingen van het verslag van de Wereldcommissie voor dammen van 16 november 2000 elke planning van dammen moet worden beoordeeld aan de hand van vijf waarden: rechtvaardigheid, efficiëntie, op participatie gebaseerde besluitvorming, duurzaamheid en verantwoordingsplicht; benadrukt meer in het algemeen dat in het besluitvormingsproces met betrekking tot dammen ten volle rekening moet worden gehouden met het begrip mensenrechten, zoals verankerd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948 en de bijbehorende verdragen die daarna zijn aangenomen, om zo complexe kwesties in verband met water, dammen en ontwikkeling op te lossen; onderstreept dat de EU moet werken binnen het kader van haar partnerschappen met ontwikkelingslanden zodat de gemeenschappen die de gevolgen ondervinden van damprojecten naar behoren worden gecompenseerd en kunnen profiteren van passende maatregelen voor de instandhouding van hun levensonderhoud;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>is bezorgd over de kwetsbaarheid van installaties vanwege extreme weersomstandigheden, zoals blijkt uit de recente overstromingen in Libië, waardoor hele wijken werden weggespoeld en kritieke infrastructuur beschadigd raakte; dringt aan op de belangrijkste doelstellingen van SDG 9, die gericht is op de aanleg van veerkrachtige infrastructuur, het bevorderen van duurzame industrialisatie en het stimuleren van innovatie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>stelt met bezorgdheid vast dat er in Afrika steeds meer projecten op het gebied van fossiele brandstoffen worden uitgevoerd, waardoor het risico bestaat dat niet tijdig de overstap wordt gemaakt naar hernieuwbare energie; merkt verder op dat Afrika weliswaar 18 % van de wereldbevolking herbergt, maar slechts 6 % van het wereldwijde energieverbruik voor zijn rekening neemt; wijst erop dat een groot deel van de huidige olie-, gas- en steenkoolproductie in Afrika bestemd is voor de export, terwijl het continent zelf nog steeds kampt met energiearmoede; benadrukt dat er prioriteit moet worden gegeven aan investeringen in duurzame infrastructuur voor hernieuwbare energie in Afrika, met name in plattelands- en gemarginaliseerde gemeenschappen, door gedecentraliseerde energiesystemen en micronetwerken tot stand te brengen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>28.</NO.P>verzoekt de EU de ontwikkeling aan te moedigen van energiesystemen die geen uitbreiding van bestaande of nieuwe projecten op het gebied van fossiele brandstoffen omvatten of daarvan afhankelijk zijn, in overeenstemming met de aanbevelingen van het Internationaal Energieagentschap; wijst op het belang van wederzijds voordelige partnerschappen die ook ten goede komen aan exporterende landen en hun bevolking op het gebied van hernieuwbare energie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>29.</NO.P>hekelt het feit dat particuliere en openbare financiële instellingen in ontwikkelde landen met twee maten meten: zij doen steeds meer toezeggingen om uiterlijk in 2050 tot koolstofneutraliteit te komen, maar financieren tegelijkertijd de ontwikkeling en uitbreiding van fossiele brandstoffen; onderstreept dat oproepen aan lage- en middeninkomenslanden om hun afhankelijkheid van steenkool af te bouwen niet doeltreffend zullen zijn zolang ontwikkelde landen zo afhankelijk blijven van andere fossiele brandstoffen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>30.</NO.P>herinnert eraan dat alternatieven op basis van hernieuwbare energie in toenemende mate een goedkopere, toegankelijkere, inclusievere en betrouwbaardere energiebron kunnen vormen; benadrukt de rol van hernieuwbare energie bij het verbeteren van de aanpassing en efficiëntie van agrovoedingssystemen; verzoekt de EU en haar lidstaten het gebruik van hernieuwbare energiebronnen in agrovoedingssystemen tot prioriteit te maken in hun partnerschapsovereenkomsten met landen buiten de EU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>31.</NO.P>beveelt aan om in het kader van het partnerschap tussen de EU en de Afrikaanse Unie een gezamenlijke planning voor de energietransitie uit te voeren, waarbij wordt voortgebouwd op de Paritaire Parlementaire Vergadering EU-Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan en het Afrikaanse maatschappelijk middenveld, met inachtneming van de soevereiniteit van de Afrikaanse naties; beveelt aan richtsnoeren op te stellen voor een eerlijke verdeling van investeringen, inkomsten, technologieën en vaardigheden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>32.</NO.P>verzoekt de EU en haar lidstaten onderwijs- en opleidingsprogramma’s voor de lokale bevolking op te nemen in hun energiepartnerschappen met landen buiten de EU om de lokale energietransitie te ondersteunen en werkgelegenheidskansen voor lokale gemeenschappen te creëren; dringt tevens bij de EU aan op een intensievere wetenschappelijke samenwerking met ontwikkelingslanden wat betreft toegang tot onderzoek en technologieën op het vlak van hernieuwbare energie; is van mening dat de winningsmatrix van hernieuwbare energie moet worden gewijzigd om af te stappen van een louter extractivistisch perspectief;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>33.</NO.P>herinnert eraan dat de verklaring van Glasgow van 2021 over internationale overheidssteun voor de transitie naar schone energie de ondertekenaars ertoe verbindt een einde te maken aan nieuwe rechtstreekse overheidssteun voor de energiesector van fossiele brandstoffen; verzoekt de EU en haar lidstaten het goede voorbeeld te geven en de financiering van projecten op het gebied van fossiele brandstoffen stop te zetten;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Groene waterstof</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>34.</NO.P>wijst op de cruciale rol van groene waterstof als instrument om het energiesysteem koolstofvrij te maken, wereldwijd uiterlijk in 2050 broeikasgasneutraliteit te bewerkstelligen en de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te verwezenlijken, maar herhaalt het belang van levenscyclusbeoordelingen waarin rekening wordt gehouden met de gebruikte productie- en vervoerswijzen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>35.</NO.P>waarschuwt voor het mogelijke risico van een nieuwe “groene waterstofvloek” die ontwikkelingslanden afhankelijker zou maken van de export en investeringen in de ontwikkeling van lokale energiemarkten mogelijk verdringt; stelt dat de sector groene waterstof een cruciale rol kan spelen bij de ontwikkeling van ontwikkelingslanden die rijk zijn aan hulpbronnen, mits bepaalde factoren aanwezig zijn, zoals goed bestuur, de uitvoering en monitoring van een degelijk rechtskader, corruptiepreventie, de werking van de rechtsstaat en transparantie met betrekking tot financiële stromen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>36.</NO.P>benadrukt dat de mondiale infrastructuur voor de productie, de opslag, het vervoer, de distributie en het verbruik van groene waterstof, de kosten van langeafstandsvervoer en de gevolgen voor het klimaat, de beperkte investeringen en financiële capaciteit en de risico’s in verband met zwakke instellingen en corruptie in sommige ontwikkelingslanden moeten worden aangepakt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>37.</NO.P>verzoekt de EU, met name via het Global Gateway-initiatief, wederzijds voordelige partnerschappen te ondersteunen die zowel importerende als exporterende landen en hun bevolking ten goede komen; dringt er in dit verband op aan dat de EU de ontwikkeling van een waardeketen voor groene waterstof ondersteunt wanneer deze voor exporterende landen gelijke sociale en economische voordelen oplevert, met name wat betreft de opleiding en omscholing van de lokale bevolking, het scheppen van banen, de decarbonisatie van industriële activiteiten die moeilijk koolstofvrij te maken zijn en de toegang tot schonere mobiliteit en energie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>38.</NO.P>verzoekt de EU economische diversificatie en binnenlandse toegang tot elektriciteit en water te ondersteunen, met volledige eerbiediging van ecosystemen en met het oog op het verminderen van de buitensporige afhankelijkheid van de uitvoer van fossiele brandstoffen; benadrukt dat nauwere samenwerking tussen bedrijven en kmo’s uit de EU en partnerlanden, waarbij de deskundigheid van verschillende gelijkgestemde partners wordt gecombineerd, het pad kan effenen naar gezond ondernemerschap in de sector groene waterstof;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>39.</NO.P>beseft dat de uitbreiding van groene waterstof negatieve sociale en milieueffecten kan hebben voor het zuidelijk halfrond, met name omdat dit gebied afhankelijk is van mijnbouw en het gebruik van grondstoffen en zeldzame aardmetalen, waarvoor grote hoeveelheden zoet water nodig zijn en waardoor er waterverontreiniging ontstaat; benadrukt dat er een mondiaal systeem voor hulpbronnenbeheer moet worden ontwikkeld waarin prioriteit wordt gegeven aan duurzaamheid, efficiëntie en circulariteit om de wereldwijde vraag naar nieuwe grondstoffen te verminderen, terwijl er ook wordt stilgestaan bij de uitdagingen die daarmee gepaard gaan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>40.</NO.P>wijst op de noodzaak van een systematische aanpak om de lokale kansen en gevolgen van de productie van groene waterstof voor de Europese behoeften in ontwikkelingslanden te beoordelen; benadrukt dat de EU de duurzaamheid moet waarborgen van de gewonnen, verwerkte en gerecycleerde kritieke grondstoffen die cruciaal zijn voor waterstof en de andere nettonultechnologieën;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>41.</NO.P>neemt met bezorgdheid kennis van het tegenstrijdige gebruik van water in de mijnbouw en de ontwikkeling van grootschalige installaties voor hernieuwbare energie, zoals voor groene waterstof; bekrachtigt dat toegang tot water een fundamenteel mensenrecht is; onderstreept dat de waterinfrastructuur in regio’s waar mijnbouw en hernieuwbare-energiecentrales een prominente rol spelen, moet worden verbeterd door te investeren in waterzuiveringsinstallaties en waterrecyclingsystemen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>42.</NO.P>benadrukt dat water als hulpbron voor de productie van groene waterstof op duurzame wijze moet worden gereguleerd, met name in dorre regio’s, onder meer door middel van uitvoeringsverordeningen die duurzame waterwinningstechnieken, efficiënt watergebruik en de minimale lozing van afvalwater voorschrijven, zodat de toegang van de lokale bevolking tot water niet in gevaar komt en de waterkosten niet worden opgedreven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>43.</NO.P>wijst op de toename van ontziltingsinstallaties om waterschaarste aan te pakken; onderkent dat ontziltingsinstallaties lokale gemeenschappen en de binnenlandse economie ten goede kunnen komen, maar wijst erop dat de ontzilting van zeewater grote milieueffecten kan hebben, met name voor de mariene biodiversiteit; dringt aan op de bevordering van een duurzame aanpak van waterontzilting en van oplossingen die geen gevolgen hebben voor kustgebieden, zoals ontzilting van de diepzee; benadrukt dat het verminderen van het watergebruik en het recyclen of hergebruiken van gezuiverd afvalwater vaak goedkoper is dan ontzilting;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>44.</NO.P>wijst op de potentiële risico’s van waterroof en waterverontreiniging in verband met buitenlandse directe investeringen in de grootschalige aankoop van land voor hernieuwbare energie; verzoekt de EU en haar lidstaten zorgvuldigheids- en verslagleggingsnormen in verband met water vast te stellen voor bedrijven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>45.</NO.P>hamert erop dat strategieën voor groene waterstof moeten voldoen aan strenge sociale en duurzaamheidsnormen; verzoekt de EU in haar partnerschapsovereenkomsten passende monitoringkaders op te nemen die het mogelijk maken de bredere impact van die overeenkomsten op de SDG-prestaties te beoordelen, met name door milieu-, sociale en governance-indicatoren vast te stellen en meetbare doelen te stellen; dringt erop aan dat er verplichte milieueffectbeoordelingen worden uitgevoerd, zo ook voor ontzilting, en dat biodiversiteitshotspots worden uitgesloten als locaties voor installaties voor groene waterstof; is van mening dat bij de productie van groene waterstof moet worden aangetoond dat deze afhankelijk is van materialen die gewonnen zijn volgens milieu- en mensenrechtennormen voor winningsactiviteiten (bijvoorbeeld uit landen die het initiatief inzake de transparantie van winningsindustrieën hebben ondertekend);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>46.</NO.P>dringt er bij de Commissie op aan een inclusief governancekader voor partnerschapsovereenkomsten op te zetten dat ook maatschappelijke organisaties omvat, zodat het “niet-schaden”-beginsel ten aanzien van lokale gemeenschappen wordt geëerbiedigd en dat de mondiale mensenrechtennormen worden nageleefd;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Meer financiering uittrekken voor een rechtvaardige energietransitie</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>47.</NO.P>benadrukt dat EU-financiering voor hernieuwbare energie in overeenstemming moet zijn met de beginselen van billijkheid, duurzaamheid en klimaatrechtvaardigheid, die onder meer kan bestaan uit schuldbijstand, schuldverlichting en -kwijtschelding, schuldherstructurering en het verlies- en schadefonds;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>48.</NO.P>benadrukt dat investeringen in hernieuwbare waterstof die wordt geproduceerd in landen buiten de EU moeten uitgaan van internationale zorgvuldigheidsbeginselen, zoals de leidende beginselen van de Verenigde Naties inzake bedrijfsleven en mensenrechten, de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen en de OESO-richtsnoeren over passende zorgvuldigheid voor verantwoord ondernemerschap;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>49.</NO.P>verzoekt de EU en haar lidstaten het bedrag aan officiële ontwikkelingshulp voor de energiesector te verhogen, met name op grond van rubriek 6 van het meerjarig financieel kader en vooral in Afrika, waarbij subsidies voorrang krijgen boven leningen en de financiering wordt gericht op landen met een slechtere toegang tot elektriciteit met als doel om hun transitie naar schone en hernieuwbare energie te ondersteunen in overeenstemming met de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>50.</NO.P>moedigt de ontwikkeling van publieke en private partnerschappen en programma’s ter bevordering van de overdracht van kennis en groene technologieën aan; benadrukt dat de elektriciteitssectoren van veel Afrikaanse landen specifieke kenmerken hebben (zoals een sterke groei van de vraag, kleinschalige netten, kwetsbare nationale nutsbedrijven en het beperkte vermogen van afnemers om te betalen) waarmee rekening moet worden gehouden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>51.</NO.P>benadrukt dat de toegang tot financiering voor een rechtvaardige energietransitie voor ontwikkelingslanden moet worden vereenvoudigd en versneld; benadrukt dat de EU innovatieve oplossingen kan bieden om de groene transitie te versnellen en het mondiale aandeel van hernieuwbare energie te vergroten; dringt er in dit verband bij de EU en haar lidstaten op aan om “debts for climate swaps” te overwegen, zodat ontwikkelingslanden het geld dat zij verschuldigd zijn, kunnen gebruiken voor de financiering van projecten voor aanpassing aan en beperking van de klimaatverandering;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>52.</NO.P>dringt er meer in het algemeen op aan dat in het kader van het G20-initiatief inzake de opschorting van schuld­aflossingen een langetermijnmechanisme voor “debts for climate swaps” operationeel wordt gemaakt en dat de speciale trekkingsrechten van het IMF worden herschikt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>53.</NO.P>verzoekt de EU en haar lidstaten meer middelen uit te trekken om ontwikkelingslanden te helpen zich aan de klimaatverandering aan te passen en energiesystemen beter bestand te maken tegen klimaatrisico’s; wijst op het belang van groene energie in boslandbouw en projecten voor aanpassing aan de klimaatverandering, zoals de Grote Groene Muur;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>54.</NO.P>dringt er bij de Commissie op aan het aantal programma’s in het kader van het Global Gateway-initiatief te verhogen waarin prioriteit wordt gegeven aan basistoegang tot elektriciteit en schoon koken, met name in de meest behoeftige landen; wijst op het belang van de particuliere sector bij het opschalen van de financiering voor basistoegang tot energie en schoon koken, waarbij de publieke toegang wordt gewaarborgd en de nationale publieke energieleveranciers worden versterkt; dringt er in dit verband bij de Commissie op aan het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling+ te gebruiken als instrument om investeringen van de particuliere sector in ontwikkelingslanden te ondersteunen teneinde de energie-infrastructuur te versterken en betere toegang te bieden tot energie en schoon koken voor huishoudelijk gebruik;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>55.</NO.P>dringt er bij de EU op aan ontwikkelingslanden te ondersteunen bij de geleidelijke afschaffing van subsidies voor fossiele brandstoffen en zich te richten op efficiënte, moderne en betaalbare kooktechnologieën; dringt aan op het mobiliseren van investeringen en het creëren van een gunstig klimaat om de groei van een robuuste schone kookindustrie te stimuleren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>56.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">roept de EU en de Europese instellingen voor ontwikkelingsfinanciering ertoe op om:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>a)</SYMBOL>investeringen te richten op het distributiesegment, met name elektrificatie op het platteland, en voorrang te geven aan gedecentraliseerde, kleinschalige en niet aan het net gekoppelde hernieuwbare energiesystemen wanneer dergelijke oplossingen geschikter zijn dan uitbreiding van het net om de plattelandsbevolking toegang te geven tot elektriciteit;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>b)</SYMBOL>investeringen tussen verschillende instellingen te coördineren om het effect ervan te maximaliseren en dubbel werk te voorkomen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>c)</SYMBOL>ervoor te zorgen dat er onafhankelijke en objectieve effectbeoordelingen op het gebied van de mensenrechten worden uitgevoerd en dat alle vereiste governance-, sociale en milieuwaarborgen en rechtsmiddelen naar behoren worden uitgevoerd en gemonitord, met inbegrip van de richtsnoeren inzake mensenrechten en landeigendom;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>d)</SYMBOL>ervoor te zorgen dat lokale gemeenschappen bij alle fasen van de planning en uitvoering van het project worden betrokken en naar behoren worden geïnformeerd;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>e)</SYMBOL>een op rechten gebaseerde aanpak te hanteren en strikt toe te passen, door te voorzien in doeltreffende klacht- en verhaalmechanismen, in overeenstemming met de internationale normen voor verantwoordelijke bedrijfspraktijken, en effectbeoordelingen voor projecten te eisen, met name met betrekking tot klimaatverandering, ongelijkheid en de ontheemding van lokale bevolkingsgroepen, onder meer bij projecten in het kader van het Global Gateway-initiatief;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>f)</SYMBOL>erop toe te zien dat alle damprojecten met goedgekeurde financiering in overeenstemming zijn met de richtsnoeren van de Wereldcommissie voor dammen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>g)</SYMBOL>lokale en regionale projecten voor elektriciteitsinterconnectie te ondersteunen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>h)</SYMBOL>technische ondersteuning en initiatieven voor capaciteitsopbouw aan te bieden om ontwikkelingslanden zeggenschap te geven over de doeltreffende uitvoering van projecten op het vlak van schone energie;</ITEM></LIST></P></ACTION><ACTION><P><NO.P>57.</NO.P>verzoekt de Commissie uitgesplitste gegevens te verstrekken over de hoeveelheid investeringen in toegang tot energie om na te gaan hoeveel er is toegewezen aan SDG 7, en gegevens te verstrekken over de kernprestatie-indicator “met Uniesteun geïnstalleerde capaciteit voor het opwekken van hernieuwbare energie (MW)”, die is vastgesteld in het kader van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking — Europa in de wereld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>58.</NO.P>is ingenomen met de conclusies van de COP28 van 2023, waarin er voor het eerst in de geschiedenis toe wordt opgeroepen om af te stappen van fossiele brandstoffen en een duidelijke toezegging te doen om de 1,5°-doelstelling te halen, actie te ondernemen om op wereldschaal de capaciteit voor hernieuwbare energie te verdrievoudigen en de energie-efficiëntie tot 2030 te verdubbelen, en wereldwijd een mensgerichte aanpak van klimaatfinanciering en energie-infrastructuurprojecten te bevorderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>59.</NO.P>verzoekt de EU een sleutelrol te spelen in de onderhandelingen over mitigatiemaatregelen voor ontwikkelingslanden om de schadelijke gevolgen van het gebruik van vervuilende brandstoffen te bestrijden en tegelijkertijd de ontwikkeling van duurzame en schone energie te bevorderen;</P></ACTION><SEPARATION><P>°</P><P>°	°</P></SEPARATION><ACTION><P><NO.P>60.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden en de Europese Investeringsbank.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>