<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P9_TA(2024)0041</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie – fraudebestrijding – jaarverslag 2022</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A9-0434/2023 - Rapporteur: Maria Grapini)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 18 januari 2024 over de bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie – fraudebestrijding – jaarverslag 2022 (2023/2045(INI))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 310, lid 6, en artikel 325, lid 5, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie van 27 juli 2023, getiteld “34e jaarverslag over de bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie en de bestrijding van fraude — 2022” (COM(2023)0464) (PIF-verslag 2022),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) over 2022<FOOTNOTE><FIELD> OLAF, Drieëntwintigste verslag van het Europees Bureau voor fraudebestrijding, 1 januari-31 december 2022, 2022.</FIELD></FOOTNOTE> en het jaarverslag van het Comité van toezicht van OLAF over 2022<FOOTNOTE><FIELD> Activiteitenverslag van het Comité van toezicht van OLAF – 2022, PB C 225 van 27.6.2023, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag 2022 van het Europees Openbaar Ministerie (EOM), dat op 1 maart 2023 is gepubliceerd,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2020/2092 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de Uniebegroting (de conditionaliteitsverordening)<FOOTNOTE><FIELD> PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2022 in de zaken C-156/21<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Hof van Justitie van 16 februari 2022, Hongarije tegen Europees Parlement en Raad van de Europese Unie, ECLI:EU:C:2022:97.</FIELD></FOOTNOTE> en C-157/21<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Hof van Justitie van 16 februari 2022, Republiek Polen tegen Europees Parlement en Raad van de Europese Unie, ECLI:EU:C:2022:98.</FIELD></FOOTNOTE> en de conclusies van het Hof dat het conditionaliteitsmechanisme met betrekking tot de rechtsstaat in overeenstemming is met het EU-recht,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het voorstel van de Commissie van 18 september 2022 voor een uitvoeringsbesluit van de Raad betreffende maatregelen ter bescherming van de Uniebegroting tegen schendingen van de beginselen van de rechtsstaat in Hongarije (COM(2022)0485),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid<FOOTNOTE><FIELD> PB L 231 van 30.6.2021, blz. 159.</FIELD></FOOTNOTE> (verordening gemeenschappelijke bepalingen),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het voorstel van de Commissie van 16 mei 2022 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (herschikking Financieel Reglement) (COM(2022)0223),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt<FOOTNOTE><FIELD> PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29.</FIELD></FOOTNOTE> (“PIF-richtlijn”),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2022, getiteld “Tweede verslag van de Commissie over de uitvoering van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt” (COM(2022)0466),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden<FOOTNOTE><FIELD> PB L 305 van 26.11.2019, blz. 17.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 13 juli 2022, getiteld “Verslag over de rechtsstaat 2022” (COM(2022)0500),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de studie getiteld “Strengthening the fight against organised crime: Assessing the legislative framework”, gepubliceerd in december 2022<FOOTNOTE><FIELD> Europese Commissie, directoraat-generaal Migratie en Binnenlandse Zaken, Blondes, E., Disley, E., Hulme, S. et al., studie “Strengthening the fight against organised crime – Assessing the legislative framework”, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, 2022.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag getiteld “Assessing the Threats to the NextGenerationEU (NGEU) fund – A Joint Europol-OLAF Report”, openbaar gemaakt op 6 juni 2023,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de slotnota van de Europese Ombudsman over het strategisch initiatief inzake de transparantie en verantwoordingsplicht van de herstel- en veerkrachtfaciliteit van 12 september 2023 in verband met zaak SI/6/2021/PVV, geopend op 24 februari 2022,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarlijks activiteitenverslag 2022 van de Europese Rekenkamer, gepubliceerd op 4 mei 2023,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Analyse 04/2023 van de Europese Rekenkamer van 6 juli 2023, getiteld “De digitalisering van het beheer van EU-middelen”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Speciaal verslag 06/2023 van de Europese Rekenkamer van 13 maart 2023, getiteld “Belangenconflicten in cohesie- en landbouwuitgaven van de EU – Kader is aanwezig, maar er zijn lacunes in de transparantie en detectiemaatregelen”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/785 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2021 tot vaststelling van het fraudebestrijdingsprogramma van de Unie en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 250/2014<FOOTNOTE><FIELD> PB L 172 van 17.5.2021, blz. 110.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 23 november 2021 met aanbevelingen aan de Commissie over de digitalisering van de Europese rapportage, monitoring en controle<FOOTNOTE><FIELD> PB C 224 van 8.6.2022, blz. 11.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 14 december 2020 over de beoordeling van de Europese Unie in het kader van het beoordelingsmechanisme voor de tenuitvoerlegging van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie (UNCAC) (COM(2020)0793),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn aanbeveling van 17 februari 2022 aan de Raad en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid over corruptie en mensenrechten<FOOTNOTE><FIELD> PB C 342 van 6.9.2022, blz. 295.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 19 januari 2023 over de bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie – fraudebestrijding – jaarverslag 2021<FOOTNOTE><FIELD> PB C 214 van 16.6.2023, blz. 133.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 54 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0434/2023),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat de Commissie overeenkomstig de in artikel 325, lid 5, VWEU neergelegde verplichting jaarlijks in samenwerking met de EU-lidstaten bij het Europees Parlement en de Raad verslag uitbrengt over de ter uitvoering van dat artikel genomen maatregelen (het zogeheten PIF-verslag);</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat een doelmatige besteding van overheidsmiddelen en de bescherming van de financiële belangen van de EU belangrijke doelstellingen van het EU-beleid behoren te zijn, met als doel het vertrouwen van de burgers te vergroten door te waarborgen dat het geld van de belastingbetalers goed en doeltreffend wordt gebruikt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat het PIF-verslag gebaseerd is op door de lidstaten verstrekte informatie, met inbegrip van gegevens over geconstateerde onregelmatigheden en fraude; overwegende dat in het PIF-verslag rekening moet worden gehouden met de financiële kenmerken van elke lidstaat en in dit verband de nodige flexibiliteit aan de dag moet worden gelegd;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat het aantal geconstateerde en gerapporteerde frauduleuze onregelmatigheden de resultaten aantoont van de inspanningen van de lidstaten om fraude en andere illegale activiteiten tegen te gaan, en niet mag worden geïnterpreteerd als een aanwijzing van de omvang van de fraude in de lidstaten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat alle lidstaten op correcte en objectieve wijze moeten worden behandeld;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat er verschillende niveaus en actoren betrokken zijn bij de bescherming van de EU-begroting door middel van preventie (onderbreking en opschorting van betalingen), opsporing, financiële correcties en terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat het systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting de EU-begroting beschermt tegen risico’s van insolventie, nalatigheid, fraude of onregelmatigheden van particuliere actoren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat het conditionaliteitsmechanisme met betrekking tot de rechtsstaat van toepassing is op de gehele EU-begroting en het mogelijk maakt maatregelen te nemen in geval van schendingen van de beginselen van de rechtsstaat die het goede financiële beheer van de EU-begroting of de financiële belangen van de EU aantasten of ernstig in gevaar brengen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat eerbiediging van de waarden waarop de Unie is gegrondvest en van de grondrechten, alsook naleving van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, noodzakelijk zijn om toegang te krijgen tot EU-financiering;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat fraude en corruptie een altijd aanwezig gevaar vormen voor de integriteit van de besluitvorming;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat artikel 22 van Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit<FOOTNOTE><FIELD> PB L 57 van 18.2.2021, blz. 17.</FIELD></FOOTNOTE> bepalingen bevat betreffende de bescherming van de financiële belangen van de EU;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat de uiteenlopende mate van digitalisering in de lidstaten moet worden aangepakt door in de EU meer uniforme, interoperabele en vergelijkbare administratieve en verslagleggingssystemen in het leven te roepen, die functioneel zijn en nodig zijn voor een gedegen alomvattende analyse en voor de effectieve preventie van onregelmatigheden en de bestrijding van fraude en corruptie; overwegende dat de lidstaten tegelijkertijd moeten worden aangemoedigd om gebruik te maken van EU-brede datamininginstrumenten zoals Arachne of het systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting (EDES);</P></CONS><CONS><P><NO.P>M.</NO.P>overwegende dat Arachne een vrijwillig instrument is, dat reeds breed wordt ingezet met betrekking tot het cohesiebeleid en geleidelijk ook gebruikt zal gaan worden voor landbouwuitgaven, en dat verplichte toepassing ervan – waar het Parlement herhaaldelijk op aangedrongen heeft – een belangrijke stap vooruit zou zijn;</P></CONS><CONS><P><NO.P>N.</NO.P>overwegende dat de verscheidenheid aan rechts- en bestuurssystemen in de lidstaten een nadeel is en adequaat moet worden aangepakt om meer uniforme, interoperabele en vergelijkbare bestuurs- en meldingssystemen in de EU tot stand te kunnen brengen teneinde fraude en corruptie doeltreffend te voorkomen en te bestrijden en een eind te maken aan onregelmatigheden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>O.</NO.P>overwegende dat samenwerking met internationale partners en mondiale financiële instellingen van cruciaal belang is om EU-middelen die buiten Europa worden uitgegeven en de ontvangstenzijde van de EU-begroting te beschermen;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Algemene opmerkingen </STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>is ingenomen met het PIF-verslag 2022 en de daarin opgenomen analyses;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>deelt het standpunt van de Commissie dat de preventie en opsporing van fraude en de monitoring van de teruggavemechanismen voor onterecht toegekende fondsen moeten worden ondersteund door verdere digitalisering en het gebruik van geavanceerde technologie op basis van machinaal leren om de toegankelijkheid, de interoperabiliteit, het gebruik en het beheer van gegevens met betrekking tot potentiële fraude te verbeteren; wijst erop dat er efficiënt fraudebestrijdingsbeheer en doeltreffende resultaatgerichte processen en naar behoren uitgeruste structuren moeten zijn om de samenwerking en coördinatie tussen alle onderdelen van de architectuur voor fraudebestrijding en de relevante actoren te waarborgen; is van mening dat daartoe de nodige digitale en procedurele kennis moet worden verstrekt aan de ambtenaren die verantwoordelijk zijn voor de verschillende onderdelen van de architectuur voor fraudebestrijding;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>wijst erop dat, met het oog op een hoog niveau van bescherming van de financiële belangen van de EU, een solide samenwerking tussen de autoriteiten die administratieve onderzoeken uitvoeren en autoriteiten die strafrechtelijke onderzoeken uitvoeren, zowel op EU-niveau als op het niveau van de lidstaten, van essentieel belang is;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>waardeert de inspanningen van de Commissie om vooruit te lopen op de publicatie van het jaarlijkse PIF-verslag, waardoor de resolutie van het Parlement binnen jaar n+1 kan worden aangenomen en de daarin opgenomen opmerkingen en aanbevelingen actueler zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>waardeert de verbeterde algemene samenhang van de fraudebestrijdingswetgeving in de hele EU na de maatregelen die door de lidstaten zijn genomen om de EU-regels correct om te zetten in nationale stelsels; vindt het onrustwekkend dat de situatie in bepaalde opzichten nog steeds suboptimaal is, met name wat betreft de opsporing en melding van vermoedelijke fraude en onregelmatigheden en de follow-up daarvan, waarvoor de verschillen tussen de lidstaten nog steeds zeer aanzienlijk zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>benadrukt dat preventie en communicatie van cruciaal belang zijn voor de bestrijding van fraude en corruptie, en dat de Commissie de lidstaten moet ondersteunen bij de uitvoering van doeltreffende maatregelen op deze terreinen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>deelt de mening van de Commissie dat de frauderisicoanalyse moet worden uitgebreid om te beoordelen of de melding van een laag fraudeniveau het gevolg is van een daadwerkelijk gering voorkomen van wangedrag of van een zwakke opsporing;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>betreurt dat de nationale autoriteiten van veel lidstaten niet altijd de aanbevelingen van de Commissie en OLAF opvolgen, uitvoerig rapporteren of tijdig erkende goede praktijken aannemen; wijst erop dat in veel lidstaten het percentage onregelmatigheden die vele jaren nadat ze voor het eerst werden gemeld nog steeds als vermoedelijke fraude zijn aangemerkt, extreem hoog is, zelfs als het gaat om zaken die als afgesloten zijn aangemerkt; is van mening dat dergelijke situaties wijzen op een gebrek aan adequate follow-up, op onvoldoende of ontoereikend opgeleid personeel, op communicatieproblemen of inefficiënte rapportagekanalen, op zwakke samenwerking en coördinatie, of zelfs op het ongerechtvaardigd uitstellen van het als frauduleus herclassificeren van onregelmatigheden om de statistische rapportage op te smukken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>benadrukt dat de Commissie de lidstaten in dergelijke gevallen moet ondersteunen om het proces van opsporing, follow-up en rapportage van fraude minder bureaucratisch te maken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>oppert dat zowel de EU- als de nationale autoriteiten nauwer moeten samenwerken en een intensiever gebruik van digitale instrumenten moeten bevorderen om fraude te bestrijden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>neemt kennis van het feit dat het aantal door de bevoegde EU- en nationale autoriteiten gemelde gevallen van fraude en onregelmatigheden – in totaal 12 455 – in 2022 licht is toegenomen ten opzichte van 2021; merkt op dat de getroffen financiering met betrekking tot deze gevallen in 2022 is gedaald tot 1,77 miljard EUR (van 2,05 miljard EUR in 2021); is van mening dat deze cijfers nog steeds extreem hoog zijn en een aanzienlijk verlies voor de EU-begroting inhouden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>is zich ervan bewust dat als gevolg van de meerjarige cyclus van uitvoering van talrijke programma’s de vergelijking van jaar tot jaar van de rapportage van onregelmatigheden niet altijd een betrouwbare analyse van trends en patronen biedt; is van mening dat de vergelijking met een vijfjarig gemiddelde geschikter is om realtimesituaties in kaart te brengen; waardeert in dit verband dat in het PIF-verslag 2022 veelvuldig wordt verwezen naar de resultaten van de periode 2018-2021;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>is van mening dat de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij het aanpakken van fraude van cruciaal belang is om de preventie en opsporing te verbeteren, en dat dit steun inhoudt voor onderzoeksjournalistiek, die doeltreffend kan zijn voor zover deze gemakkelijk en adequaat toegang krijgt tot informatie over projecten, begunstigden en betalingen; wijst met name op de belangrijke rol die de media en onderzoeksjournalisten spelen in de strijd tegen corruptie; herhaalt dat een hoger en consistent niveau van bescherming voor journalisten en klokkenluiders in de gehele Unie helpt om de verspreiding van een subcultuur tegen te gaan die wordt gekenmerkt door straffeloosheid, stilzwijgen en samenzwering; merkt op dat, wat de pluriformiteit en vrijheid van de media betreft, de meest recente resultaten van de monitor voor de pluriformiteit van de media (MPM 2022) een lichte verslechtering van de indicator met betrekking tot de bescherming van journalisten te zien geven en dat de concentratie van nieuwsmedia nog steeds een zeer hoog risico op het hele continent inhoudt; is van mening dat het vrijwaren van de media tegen politieke druk en invloed en het waarborgen van het recht op toegang tot informatie waarover overheidsinstanties beschikken, van essentieel belang zijn om de onafhankelijkheid van de media en hun rol van waakhond voor democratie en goed beheer van middelen te beschermen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>is ingenomen met de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 3 mei 2023 over corruptiebestrijding (JOIN(2023)0012), waarin de ernst van corruptie wordt erkend, aangezien zij de doelmatigheid van overheidsuitgaven, de doeltreffendheid van de eengemaakte markt en de duurzaamheid van de economische groei ondermijnt; wijst erop dat corruptiebestrijding een van de belangrijkste verbintenissen van de Unie is, op gelijke voet met transparantie en integriteit; benadrukt dat nepotisme met betrekking tot staatsbedrijven en aanbestedingen waarbij sprake is van EU-middelen eveneens een groot risico vormt voor een goed beheer en de financiële belangen van de EU; is derhalve ingenomen met het nieuwe voorstel voor een richtlijn ter bestrijding van corruptie<FOOTNOTE><FIELD> Voorstel van 3 mei 2023 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bestrijding van corruptie, ter vervanging van Kaderbesluit 2003/568/JBZ van de Raad en van de Overeenkomst ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad (COM(2023)0234).</FIELD></FOOTNOTE>;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>is bezorgd over het feit dat het moeilijk is om met grote precisie in te schatten in welke mate de georganiseerde misdaad illegaal profiteert van de financiën van de EU; stelt dat er in alle lidstaten een gemeenschappelijke aanpak nodig is om de gevolgen van de georganiseerde misdaad voor de middelen van de EU te beoordelen en om de doeltreffendheid te evalueren van de maatregelen die zijn genomen om dit probleem aan te pakken; verzoekt de Commissie snel alle benodigde maatregelen te nemen om deze harmonisatie tot stand te brengen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>benadrukt het belang van een effectbeoordeling waarin de economische en sociale effecten van fraude op de financiële belangen van de EU en op haar burgers worden geëvalueerd; dringt erop aan om te analyseren hoe de voor fraudepreventie toegewezen middelen zich verhouden tot de verliezen die konden worden voorkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>stelt dat het gebrek aan doelmatige omzetting van nationale wetgeving in veel lidstaten en het gebrek aan harmonisatie van nationale wetgeving de georganiseerde misdaad kansen bieden voor een aantal illegale grensoverschrijdende activiteiten op gebieden die de financiële belangen van de Unie schaden; herhaalt derhalve zijn eerdere oproepen tot herziening van Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit<FOOTNOTE><FIELD> PB L 300 van 11.11.2008, blz. 42.</FIELD></FOOTNOTE> en tot invoering van een nieuwe gemeenschappelijke definitie van georganiseerde criminaliteit, waarbij met name rekening wordt gehouden met het gebruik van corruptie, geweld, dreigingen of intimidatie om controle over economische activiteiten of overheidsopdrachten te verwerven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>merkt op dat de EU-strategie voor de aanpak van georganiseerde criminaliteit (2021-2025)<FOOTNOTE><FIELD> Mededeling van de Commissie van 14 april 2021 over de EU-strategie voor de aanpak van georganiseerde criminaliteit (2021-2025) (COM(2021)0170).</FIELD></FOOTNOTE> tot doel heeft de instrumenten en maatregelen vast te stellen om de bedrijfsmodellen en structuren van criminele organisaties over de grenzen heen te verstoren, zowel online als offline; roept de lidstaten op bij te dragen aan de inspanningen van de Commissie en regionale samenwerkingsnetwerken op te zetten voor de uitwisseling van informatie over zaken en strategieën ter bestrijding van fraude door georganiseerde criminelen; herinnert in dit verband aan het belang van de voorgestelde nieuwe richtlijn betreffende ontneming en confiscatie van vermogensbestanddelen<FOOTNOTE><FIELD> Voorstel van 25 mei 2022 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende ontneming en confiscatie van vermogensbestanddelen (COM(2022)0245).</FIELD></FOOTNOTE>, waarvan de daadwerkelijke tenuitvoerlegging de autoriteiten betere instrumenten zou bieden om georganiseerde criminele organisaties de financiële middelen te ontnemen om verdere criminele activiteiten uit te voeren; herinnert er voorts aan dat de uitwisseling van beste praktijken en de ontwikkeling van gemeenschappelijke en gecoördineerde strategieën essentieel zijn voor de bestrijding van grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>wijst erop dat het EOM met betrekking tot corruptiezaken eind 2022 87 onderzochte misdrijven heeft gemeld (tegenover 40 onderzochte gevallen in de eerste zeven maanden van zijn operationele activiteiten in 2021); merkt op dat in het beheersysteem voor onregelmatigheden in de periode 2018-2022 door tien lidstaten 30 gevallen zijn gemeld, waarvan vijf met betrekking tot landbouw, 22 met betrekking tot cohesie en drie met betrekking tot pretoetredingssteun, met een algemene financiële impact van naar schatting ongeveer 50 miljoen EUR;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>benadrukt nogmaals dat corruptie, met name corruptie op hoog niveau, ook binnen de EU-instellingen, een bijzonder ernstig misdrijf is dat zich over de grenzen heen kan uitstrekken, de financiële belangen van de Unie en de economie van de EU als geheel aantast en het vertrouwen van de burgers in de democratische instellingen van de EU en van de lidstaten ondermijnt; herhaalt dat er binnen de EU-instellingen een nultolerantiebeleid ten aanzien van corruptie moet worden gevoerd; ondersteunt de integratie van corruptiebestrijding in de beleidsopzet van de EU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>stelt vast dat OLAF momenteel in geen geval toegang heeft tot kantoren, computers of e-mailaccounts van de leden, zelfs niet wanneer het zaken onderzoekt waarin een gegrond vermoeden bestaat van betrokkenheid van leden; onderstreept de noodzaak van een passende procedure om OLAF toegang te verlenen in gevallen van gegronde vermoedens jegens individuele leden; verzoekt het Bureau een dergelijke procedure in te voeren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>wijst erop dat het EOM momenteel onderzoek verricht naar de aankoop van COVID-19-vaccins door de Commissie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>benadrukt dat elke EU-instelling, lidstaat en publieke of particuliere ontvanger van Uniefinanciering verplicht is om, op officieel verzoek van de Europese Rekenkamer in het kader van een lopende controle, alle relevante documenten, waaronder informatie over door de Commissie gevoerde voorlopige onderhandelingen, openbaar te maken; herinnert aan de aanbeveling van het Parlement in zijn kwijtingsresolutie over 2020 (Afdeling III – Commissie)<FOOTNOTE><FIELD> Resolutie van het Europees Parlement van 4 mei 2022 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van de besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen, Aangenomen teksten, P9_TA(2022)0144.</FIELD></FOOTNOTE> met betrekking tot toegang tot de tekstberichten die met een farmaceutisch bedrijf zijn uitgewisseld over de aankoop van een COVID-19-vaccin;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>benadrukt dat het nultolerantiebeleid ten aanzien van corruptie moet worden geïntegreerd en naar behoren moet worden gecommuniceerd in de context van de Europese verkiezingen, om de opkomst van kiezers en het vertrouwen van burgers in overheidsinstellingen te vergroten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>is ingenomen met het feit dat de Commissie in haar jaarverslag over de rechtsstaat een specifiek hoofdstuk heeft gewijd aan corruptiebestrijding om een diepgaande vergelijkende analyse te maken van de benaderingen, procedures en instrumenten die de lidstaten bij hun bestrijding van corruptie gebruiken en om te helpen beoordelen welke gebieden het grootste risico lopen; verzoekt de Commissie voor alle hoofdstukken van het verslag over de rechtsstaat altijd aanbevelingen en follow-upopmerkingen voor de lidstaten op te nemen; wijst nogmaals op het belang van een volledige uitvoering van landspecifieke aanbevelingen met betrekking tot corruptie; verzoekt de lidstaten om bij de ontwikkeling van hun beleid inzake corruptiebestrijding rekening te houden met de bevindingen van het verslag over de rechtsstaat; verzoekt de Commissie in te grijpen en de lidstaten te ondersteunen bij het aanpakken van structurele uitdagingen met betrekking tot hun anticorruptiecapaciteit;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>wijst erop dat uit de Eurobarometer-enquêtes over corruptie van 2022 blijkt dat corruptie nog steeds een ernstig punt van zorg is voor EU-burgers en bedrijven in de EU, waarbij een groot deel van de Europese burgers van mening is dat corruptie in hun land wijdverbreid is (68 %) en dat het niveau van corruptie is toegenomen (41 %); is ingenomen met het feit dat bijna alle lidstaten momenteel over strategieën inzake corruptiebestrijding beschikken, die regelmatig worden geëvalueerd en herzien, en herinnert eraan dat niet alleen een robuust rechtskader, maar ook doeltreffende uitvoering nodig is om corrupte praktijken uit te bannen en dat het voorkomen van dergelijke praktijken ook transparante en verantwoordingsplichtige governance- en integriteitskaders vereist; is in dit verband ingenomen met de door de Commissie ingediende voorstellen voor corruptiebestrijding, die aansluiten bij de oproepen van het Parlement om de strijd tegen corruptie op te voeren; merkt op dat de Commissie voornemens is de preventie van corruptie in de opzet van EU-beleid en -programma’s te integreren en actief steun te verlenen aan de inspanningen van de lidstaten om krachtige anticorruptiemaatregelen en -wetgeving in te voeren; prijst de wil om de grensoverschrijdende dimensie van corruptie aan te pakken, door corruptiedelicten strafbaar te stellen en sancties in de hele EU te harmoniseren, in coördinatie met het voorstel van de hoge vertegenwoordiger om een specifieke sanctieregeling voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid in te stellen om ernstige corruptie wereldwijd aan te pakken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>benadrukt dat corruptie en witwaspraktijken onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en dat het witwassen van geld een van de belangrijkste hefbomen voor de illegale activiteiten van de georganiseerde misdaad is waarmee criminelen de opbrengsten van hun misdrijven naar de legale economie sluizen, en is zich ervan bewust dat fraude ten nadele van de EU-begroting ook een basisdelict kan zijn dat aan het witwassen van geld voorafgaat; benadrukt dat het door de transnationale dimensie van deze misdrijven moeilijk is deze misdrijven te voorkomen, op te sporen en tegen te gaan als gevolg van heterogene rechtsstelsels; is ingenomen met de vooruitgang die is geboekt bij de oprichting van de nieuwe EU-autoriteit voor de bestrijding van witwassen, naar aanleiding van het voorstel van de Commissie van juli 2021, het op 29 juni 2022 in de Raad bereikte politieke akkoord en zijn op 7 december 2022 overeengekomen standpunt over het ene rulebook, en het op 17 april 2023 door de plenaire vergadering van het Parlement verleende mandaat om trialogen aan te gaan; betreurt dat de autoriteit pas in 2026 volledig operationeel zal zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>28.</NO.P>merkt op dat via het beheersysteem voor onregelmatigheden in de periode 2018-2022 375 gevallen met betrekking tot belangenconflicten zijn gemeld, die ook kunnen worden ontdekt in omgevingen die lijken op de omgevingen waar corrupte praktijken plaatsvinden; onderstreept dat de grote meerderheid van de gerapporteerde gevallen van belangenconflicten verband houdt met de uitvoering van het cohesiebeleid (86 % tegenover 9 % met landbouw en 5 % met pretoetredingssteun), waarbij voor deze periode in totaal bijna 117 miljoen EUR gemoeid is; onderstreept dat de gemelde belangenconflicten vooral betrekking hebben op relaties tussen ontvangers van de middelen en hun aannemers en onderaannemers, terwijl slechts 7 % van de gevallen betrekking heeft op belangenconflicten tijdens het stadium van de gunning en/of beoordeling van projecten, waarbij leden van evaluatiecomités betrokken zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>29.</NO.P>is van mening dat dit een indicator kan zijn voor de positieve gevolgen en het afschrikkende effect van de wijzigingen in de financiële regels, die van toepassing zijn geworden op alle nationale autoriteiten die EU-middelen beheren, samen met het feit dat een derde van de gevallen is ontdekt via bronnen buiten het beheers- en controlesysteem, waaronder klokkenluiders en onderzoeksjournalisten, wat wijst op een basisniveau van transparantie en toegankelijkheid en op bijdragen van het maatschappelijk middenveld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>30.</NO.P>merkt ook bezorgd op dat het algemene voorkomen van gevallen van belangenconflicten hoger is dan in het beheersysteem voor onregelmatigheden is gemeld, zoals blijkt uit de aanvullende informatie die is ontvangen door de directoraten-generaal voor regionaal beleid en stadsontwikkeling en voor werkgelegenheid, sociale zaken en inclusie van de Commissie over gevallen van belangenconflicten en daarmee verband houdende terugvorderingen bij overheidsopdrachten in het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, die rechtstreeks vanuit de lidstaten is gerapporteerd via het fondsbeheersysteem van de EU (bekend als het SFC, dat in 2014-2020 31 gevallen met betrekking tot 16 programma’s in elf lidstaten presenteerde met een effect van 3,4 miljoen EUR);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>31.</NO.P>herhaalt zijn oproep om het jaarlijkse PIF-verslag meer holistisch te maken, teneinde een uitgebreid overzicht te geven van de synergieën tussen alle relevante actoren, beste praktijken in kaart te brengen en tekortkomingen aan te pakken; is in dit verband ingenomen met de opneming van bevindingen uit de jaarverslagen van het EOM en OLAF in het PIF-verslag 2022; dringt aan op verdere verbetering van deze holistische aanpak, met als doel een duidelijker, vollediger en concreter beeld te geven van de algemene stand van zaken met betrekking tot de bescherming van de financiële belangen van de Unie, waarbij het volledige beleid inzake fraudebestrijding wordt bestreken, zowel op nationaal als op EU-niveau;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>32.</NO.P>dringt erop aan dat de bepalingen inzake belangenconflicten worden toegepast op een manier die rechtszekerheid waarborgt, dat zij gebaseerd zijn op een duidelijke en evenredige beoordeling van de risico’s en dat de bevoegde autoriteiten ze in de praktijk kunnen toepassen; roept ertoe op dat de richtsnoeren van de Commissie duidelijkheid verschaffen aan aanvragers en besluitvormingsinstanties, onnodige administratieve rompslomp vermijden en het evenredigheidsbeginsel eerbiedigen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Ontvangsten</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>33.</NO.P>merkt op dat het totale aantal frauduleuze en niet-frauduleuze onregelmatigheden in verband met traditionele eigen middelen (4 661) in 2022 7,6 % hoger was dan het vijfjarig gemiddelde (2018-2022); neemt er met bezorgdheid kennis van dat de totale bedragen die door dergelijke onregelmatigheden zijn getroffen, zoals geraamd en vastgesteld door de lidstaten, ook aanzienlijk zijn gestegen (met 47 %, tot 783 miljoen EUR); benadrukt, wat hetzelfde punt betreft, dat het totale terugvorderingspercentage in 2022 voor zowel frauduleuze als niet-frauduleuze gevallen slechts 48 % bedroeg (tegenover 54 % in 2021) en dat het percentage voor frauduleuze gevallen slechts 25 % bedroeg, dat zeer ongelijk over de lidstaten was verdeeld; verzoekt de Commissie zich harder in te spannen voor een snelle terugvordering van misbruikte middelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>34.</NO.P>wijst erop dat de Commissie in 2022 voor slechts 19 nieuwe verslagen inzake oninbare bedragen die zes lidstaten bij de Commissie hadden ingediend van oordeel was dat op bevredigende wijze was aangetoond dat traditionele eigen middelen verloren waren gegaan om redenen die niet aan de betrokken lidstaten konden worden toegerekend en dat zij niet financieel verantwoordelijk waren voor het verlies, terwijl de Commissie in 82 gevallen, ter waarde van in totaal bijna 39 miljoen EUR, van oordeel was dat de lidstaten niet op bevredigende wijze hadden aangetoond dat traditionele eigen middelen verloren waren gegaan om redenen die niet aan hen konden worden toegerekend en dat zij financieel verantwoordelijk werden gehouden voor het verlies (de Commissie beoordeelde in 2022 135 gevallen voor in totaal 76,8 miljoen EUR); moedigt de Commissie aan vast te houden aan dit doeltreffende mechanisme voor de herziening van de afschrijvingszaken om de doeltreffendheid van de terugvorderingsacties van de nationale overheidsdiensten te bevorderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>35.</NO.P>merkt op dat ook in 2022 controles door fraudebestrijdingsdiensten en controles na de vrijgave de meest succesvolle opsporingsinstrumenten waren voor respectievelijk frauduleuze en niet-frauduleuze onregelmatigheden, in toenemende mate in combinatie met belastingcontroles en controles op de vrijgave; benadrukt dat in 2022 smokkel, onjuiste waarde en onjuiste indeling en verkeerde omschrijving van goederen de belangrijkste handelwijzen waren in frauduleuze gevallen, met een opvallende toename van het aantal gemelde gevallen van sigarettensmokkel;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>36.</NO.P>is ingenomen met de rol van OLAF bij het opsporen en onderzoeken van fraude met de traditionele eigen middelen van de EU; neemt kennis van een lichte afname van het aantal openstaande onderzoeken op het gebied van de eigen middelen in 2022 en verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat OLAF over voldoende middelen beschikt om zijn mandaat volledig en doeltreffend uit te oefenen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>37.</NO.P>merkt op dat China in monetaire termen het belangrijkste land van oorsprong bleef van goederen die door onregelmatigheden werden getroffen, dat de Verenigde Staten en Vietnam op de tweede en derde plaats stonden, en dat textiel en schoeisel de goederen waren die het meest werden getroffen, zowel wat het aantal als wat de waarde van de ontdekte en gemelde gevallen betreft;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>38.</NO.P>herhaalt zijn oproep om de btw-kloof te verkleinen door het gebrek aan middelen, de beperkte digitale efficiëntie bij belastingadministraties en de lacunes in de wetgeving die de doeltreffendheid van de maatregelen tegen belastingontduiking en -ontwijking beperken, aan te pakken; herinnert eraan dat versterking van de administratieve samenwerking de doeltreffendste manier is om grensoverschrijdende btw-fraude tegen te gaan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>39.</NO.P>benadrukt dat het EOM bevoegd is om onderzoek te doen naar ernstige strafbare feiten tegen het gemeenschappelijke btw-stelsel die verband houden met het grondgebied van twee of meer lidstaten en een totaal verlies van ten minste 10 miljoen EUR inhouden; maakt zich zorgen over de gegevens in het jaarverslag van het EOM over 2022, waaruit blijkt dat 16,5 % van zijn actieve onderzoeken (185) verband hield met btw-fraude, maar dat deze 47 % van de geraamde schade (6,7 miljard EUR) uitmaken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>40.</NO.P>is ingenomen met het op 16 september 2022 gepubliceerde tweede verslag van de Commissie over de uitvoering van de PIF-richtlijn (COM(2022)0466), maar betreurt dat de Commissie de drempel van 10 miljoen EUR ongemoeid heeft gelaten, wat grote gevolgen heeft voor de activiteiten van het EOM in btw-fraudezaken; benadrukt dat de terugkerende en nog hangende vragen over de verschillende interpretaties van de methoden die worden toegepast om de drempel te berekenen (of de schade die zich in verschillende lidstaten voordoet moet worden samengevoegd, en of de landen die bij de berekening worden betrokken moeten worden beperkt tot de landen die aan het EOM deelnemen) de situatie onduidelijk maken; is er stellig van overtuigd dat de huidige drempel de afschrikking beperkt, daders in staat stelt de zwakste jurisdictie te zoeken om aan het EOM te ontkomen en nadelige gevolgen heeft voor onderzoeken, aangezien de nationale autoriteiten in de eerste fase van het onderzoek vaak geen volledig beeld hebben van de omvang van de criminele activiteiten; roept de Commissie op haar standpunt in het volgende omzettingsverslag van de PIF-richtlijn te heroverwegen en de drempel weg te nemen, of aanzienlijk te verlagen, en in de tussentijd adequate richtsnoeren voor de berekeningsmethode te verstrekken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>41.</NO.P>onderstreept dat doeltreffende samenwerking tussen OLAF en het EOM een voorwaarde is voor een goed beheer en de bescherming van de financiële belangen van de EU-begroting, zowel aan de uitgaven- als aan de ontvangstenzijde; is in dit verband van mening dat een dergelijke versterkte samenwerking aan de ontvangstenzijde de inning van ontvangsten voor de EU-begroting kan doen toenemen, waardoor de op het bni gebaseerde bijdrage van de lidstaten daalt, en aan de uitgavenzijde ervoor kan zorgen dat het geld van de belastingbetaler adequaat wordt besteed;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>42.</NO.P>benadrukt dat OLAF en het EOM hun operationele onafhankelijkheid moeten behouden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>43.</NO.P>is ingenomen met de verklaring van Commissievoorzitter Ursula von der Leyen dat de EU moet waarborgen dat geld wordt besteed overeenkomstig het beoogde doel en in overeenstemming met de beginselen van de rechtsstaat, en dat zij ervoor moet zorgen dat fondsen worden beschermd;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Uitgaven</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>44.</NO.P>merkt op dat het aantal frauduleuze en niet-frauduleuze onregelmatigheden die zijn gemeld als van invloed op de uitvoeringsmaatregelen voor plattelandsontwikkeling in de periode 2018-2022 is toegenomen, voornamelijk als gevolg van het verhoogde opsporingspercentage met betrekking tot acties in de programmeringsperiode 2014-2022; wijst er echter op dat het aantal opgespoorde en gerapporteerde frauduleuze gevallen nog steeds lager is dan verwacht, en dat dit een verhoogde monitoring van de situatie vereist;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>45.</NO.P>merkt op dat de frauduleuze onregelmatigheden die in het kader van steun aan de landbouw zijn gemeld, in 2022 weliswaar zijn toegenomen ten opzichte van 2021, maar dat de opsporingspercentages voor plattelandsontwikkeling merkbaar hoger waren dan die voor steun aan de landbouw; neemt kennis van het feit dat binnen steun voor de landbouw door de lidstaten het hoogste fraudeniveau is gemeld voor marktmaatregelen; wijst erop dat verschillende complexe gevallen in verband met de afzetbevordering van landbouwproducten ook door OLAF zijn onderzocht;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>46.</NO.P>betreurt dat in de periode 2018-2022, zowel bij plattelandsontwikkeling als bij rechtstreekse betalingen, de bijdragen van risicoanalyse, klokkenluiders, informanten en onderzoeksjournalisten aan de opsporing van frauduleuze zaken zeer beperkt zijn geweest; is ook bezorgd over de duur van de administratieve procedures die voor de behandeling van de gemelde frauduleuze gevallen zijn ingeleid, waarvoor in de periode 2014-2022 gemiddeld bijna vier jaar na het begin van de onregelmatigheid nodig was om tot een vermoeden van frauduleuze activiteit te komen, en bijna drie jaar extra om de zaak af te sluiten nadat deze aan de Commissie was gemeld; wijst erop dat het inzake cohesie ongeveer anderhalf jaar duurde om te komen tot een vermoeden dat er een frauduleuze onregelmatigheid was begaan en dat het meer dan twee jaar duurde om de fraudezaak af te sluiten nadat deze aan de Commissie was gemeld; verzoekt de Commissie vaker aanbevelingen te doen aan en follow-upoverleg te plegen met de autoriteiten van de lidstaten om de duur van administratieve procedures te verkorten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>47.</NO.P>betreurt het gebrek aan transparantie inzake de besteding van overheidsgeld door de Commissie tijdens de COVID-19-pandemie; betreurt dat de Commissie nog geen verslag over COVID-19-gerelateerde uitgaven heeft gepubliceerd<FOOTNOTE><FIELD>Resolutie van het Europees Parlement van 4 mei 2022 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van de besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen, Aangenomen teksten, P9_TA(2022)0144.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>48.</NO.P>neemt er kennis van dat het grootste aantal in 2022 gemelde onregelmatigheden, zowel frauduleus als niet-frauduleus, gevolgen had voor het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO, respectievelijk 59 % en 67 %) en, in mindere mate, voor het Europees Sociaal Fonds (ESF, respectievelijk 27 % en 20 %); wijst erop dat de meest risicovolle gebieden vervoer en milieubescherming zijn, als gevolg van de grote geldbedragen die bij het wangedrag gemoeid zijn, en onderzoek, technologische ontwikkeling en innovatie (OTO&amp;I), waar het aantal frauduleuze onregelmatigheden het hoogst is;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>49.</NO.P>is bezorgd over het feit dat in 2022 het aantal gemelde onregelmatigheden met betrekking tot het instrument voor pretoetredingssteun (IPA) een piek bereikte, en is zich ervan bewust dat de gevallen betrekking hebben op het instrument voor pretoetredingssteun I (IPA I) voor de periode 2007-2013 en het instrument voor pretoetredingssteun II (IPA II) voor de periode 2014-2020; roept de Commissie op voort te bouwen op de lessen die met betrekking tot deze instrumenten zijn getrokken om de toekomstige acties en initiatieven met identieke of soortgelijke doelstellingen fraudebestendig te maken, zoals in het geval van Oekraïne, dat naar verwachting zeer relevante middelen uit IPA en Horizon Europa zal ontvangen, en waar de juiste inzet van middelen, zelfs in zeer moeilijke omstandigheden, van het grootste belang is voor de werkzaamheid en de doeltreffendheid van het toetredingsproces;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>50.</NO.P>benadrukt dat op het gebied van het cohesiebeleid het aantal en de financiële bedragen van de niet-frauduleuze onregelmatigheden die tijdens de eerste negen jaar van de programmeringsperiode 2007-2013 waren gemeld veel hoger waren dan die welke tijdens de programmeringsperiode 2014-2020 zijn gemeld en dat deze trend betrekking heeft op alle middelen en op de meeste lidstaten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>51.</NO.P>merkt op dat voor het cohesiebeleid de meest voorkomende soort frauduleuze inbreuk die in het beheersysteem voor onregelmatigheden wordt gemeld, betrekking heeft op de ondersteunende documenten (onjuist, ontbrekend, vals of vervalst), terwijl voor niet-frauduleuze onregelmatigheden de inbreuk op regels voor overheidsopdrachten het meest wordt gemeld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>52.</NO.P>wijst met bezorgdheid op de bevindingen in het jaarverslag 2022 van de Rekenkamer over de uitvoering van de EU-begroting voor het begrotingsjaar 2022, waaruit blijkt dat controleautoriteiten ondanks verbeteringen het risico op fraude nog steeds onvoldoende aanpakken en dat de autoriteiten van de lidstaten vermoedelijke fraudegevallen niet zoals vereist in het beheersysteem voor onregelmatigheden melden; dringt erop aan dat de Commissie deze kwesties dringend aanpakt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>53.</NO.P>neemt kennis van het feit dat er in 2022 770 terugvorderingsposten waren geregistreerd voor onregelmatigheden in het kader van direct beheer (tegenover 879 in 2021), waarvan 37 voor frauduleuze zaken (tegenover 54 als frauduleus aangegeven zaken voor 2021), voor een bedrag van 61,28 miljoen EUR (waarvan 5,67 miljoen EUR voor fraude, tegenover 7,04 miljoen EUR in 2021);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>54.</NO.P>merkt op dat de ontdekte frauduleuze onregelmatigheden voor direct beheer over de periode 2018-2022 in het algemeen stabiel zijn gebleven; waardeert het dat OLAF voor direct beheer in de periode 2018-2022 als opsporingsbron is aangewezen voor 88 % van de terugvorderingsposten in verband met als frauduleus gemelde onregelmatigheden, wat overeenkomt met 92 % van de totale terugvorderingsbedragen; merkt op dat ongeveer 97 % van de onregelmatigheden die niet als fraude werden gemeld, werd ontdekt door middel van controles door de Commissie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>55.</NO.P>is bezorgd over het feit dat de gemiddelde terugvordering tussen 2018 en 2022 nog steeds gering was, met een gemiddeld terugvorderingspercentage van 56 % (voortvloeiend uit 34 % voor “als frauduleus gemelde onregelmatigheden” en 59 % voor “als niet-frauduleus gemelde onregelmatigheden”); verzoekt de Commissie zich harder in te spannen voor een snelle terugvordering van misbruikte middelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>56.</NO.P>herhaalt nogmaals zijn verzoek aan de Commissie om een wetgevingsvoorstel in te dienen over wederzijdse administratieve bijstand op de EU-uitgaventerreinen die tot dusver niet in deze praktijk voorzien, teneinde een horizontale aanpak van de bescherming van de financiële belangen van de Unie te waarborgen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">NextGenerationEU (NGEU) en de herstel- en veerkrachtfaciliteit</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>57.</NO.P>herinnert eraan dat de lidstaten, vanwege de specifieke opzet van de herstel- en veerkrachtfaciliteit, samen met de Commissie ervoor moeten zorgen dat de financiële belangen van de Unie doeltreffend worden beschermd, in overeenstemming met hun respectieve verantwoordelijkheden; onderstreept dat de controlesystemen van de lidstaten ervoor moeten zorgen dat uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit gefinancierde investeringsprojecten aan de EU-regels en de nationale regels voldoen; wijst erop dat de Commissie en de lidstaten elke verantwoordingskloof op EU-niveau moeten voorkomen en, indien nodig, aanvullende waarborgen moeten invoeren om deze kwestie aan te pakken, in overeenstemming met de desbetreffende aanbevelingen van de Rekenkamer;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>58.</NO.P>is zich ervan bewust dat de uitvoering van de herstel- en veerkrachtfaciliteit haar hoogtepunt bereikt en dat de verordening die de toepassing ervan regelt, vereist dat de lidstaten doeltreffende en efficiënte controlesystemen invoeren met het oog op de bescherming van de financiële belangen van de Unie en de naleving van de EU-regels en de nationale regels;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>59.</NO.P>merkt op dat de Commissie deze controlesystemen heeft beoordeeld voordat de plannen werden goedgekeurd en vervolgens in 2022 16 op de bescherming van de financiële belangen van de EU gerichte systeemaudits heeft uitgevoerd<FOOTNOTE><FIELD> Europese Rekenkamer, “2022 EU audit in brief”, blz. 57.</FIELD></FOOTNOTE>, die betrekking hadden op de coördinatie- en uitvoeringsorganen, zoals ministeries en agentschappen; spreekt zijn waardering uit voor het feit dat de Commissie van plan is voor het einde van 2023 alle lidstaten ten minste eenmaal te controleren, en is ingenomen met de keuze van de auditdoelstellingen op basis van een risicobeoordeling;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>60.</NO.P>is bezorgd over het feit dat de Rekenkamer tekortkomingen in de rapportage- en controlesystemen van de lidstaten heeft vastgesteld, waarvan sommige niet volledig operationeel waren bij de presentatie van de herstelplannen, hetgeen een risico vormde voor de regelmatigheid van de uitgaven in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit en voor de bescherming van de financiële belangen van de EU<FOOTNOTE><FIELD> Europese Rekenkamer, Jaarverslag 2022, paragrafen 11.47 t/m 11.55.</FIELD></FOOTNOTE>, hetgeen heeft geleid tot de vaststelling van “controlemijlpalen”;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>61.</NO.P>merkt op dat de auditwerkzaamheden van de Commissie ook hebben bevestigd dat de interne-controlesystemen binnen de uitvoerende en coördinerende instanties verschillen vertonen en dat er binnen enkele van de bestaande procedures goede praktijken zijn vastgesteld om fraude, corruptie, belangenconflicten en dubbele financiering te verifiëren en te voorkomen; verzoekt de lidstaten hun beste procedures te delen om een meer gecoördineerde en fraudebestendige verwerking van de middelen te vergemakkelijken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>62.</NO.P>is zich bewust van de inherente kenmerken van het uitgavenmodel van de herstel- en veerkrachtfaciliteit, de moeilijkheid van het beoordelen van een (met andere EU-uitgaventerreinen) vergelijkbaar foutenpercentage en de beperkingen die voortvloeien uit de methode van de Commissie voor de opschorting van betalingen<FOOTNOTE><FIELD> In Spanje, Slowakije, Estland, Denemarken, Griekenland, Tsjechië, Italië, Litouwen, Malta, Slovenië, Bulgarije, Cyprus, Finland, Ierland, Letland en Polen.</FIELD></FOOTNOTE>; wijst er niettemin op dat er vertragingen kunnen worden waargenomen bij de indiening van betalingsverzoeken door de lidstaten in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit en verzoekt de Commissie waakzaam te blijven, met name tegen het einde van de levenscyclus van de herstel- en veerkrachtfaciliteit, om ervoor te zorgen dat de lidstaten de financiële belangen van de EU beschermen en dat het geld van de EU-belastingbetalers naar behoren wordt besteed; wijst erop dat met name de bestrijding van fraude, corruptie, belangenconflicten (gedefinieerd als “ernstige onregelmatigheden”) en dubbele financiering passende middelen en aandacht moet krijgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>63.</NO.P>herinnert aan de bevindingen van de Rekenkamer in het jaarverslag 2022 dat de controlemijlpalen in de nationale herstel- en veerkrachtplannen qua vereisten en granulariteit verschillen; vraagt zich af waarom bepaalde lidstaten louter een controlesysteem moesten ontwerpen, terwijl andere lidstaten over een operationeel systeem moesten beschikken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>64.</NO.P>verzoekt de Commissie haar controleprocedures achteraf dringend te herzien om te zorgen voor adequate verificatie van de vraag of de eerder als behaald beoordeelde gecontroleerde streefdoelen niet zijn teruggedraaid na de respectieve betalingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>65.</NO.P>verzoekt de Commissie voorts voortdurend toe te zien op de verwezenlijking van de mijlpalen en streefdoelen in verband met de bescherming van de financiële belangen van de EU en alle nodige maatregelen toe te passen in geval van niet-naleving of terugdraaiing van eerder behaalde mijlpalen, met inbegrip van een evenredige verlaging van de steun in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit en de terugvordering van alle aan de begroting van de Unie verschuldigde bedragen, of te verzoeken om vervroegde terugbetaling van de lening in geval van fraude, corruptie en belangenconflicten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, of een ernstige schending van een verplichting die voortvloeit uit de financieringsovereenkomsten, die niet door de lidstaat zijn gecorrigeerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>66.</NO.P>herhaalt dat doeltreffende preventie, opsporing en onderzoek van illegale activiteiten die de uitvoering van NGEU bedreigen, met name risico’s van infiltratie van georganiseerde criminele organisaties, afhankelijk zijn van het doeltreffend verzamelen en uitwisselen van gegevens, met inbegrip van de snelle behandeling van verzoeken om toegang van onderzoeksdiensten binnen een lidstaat, alsmede uit andere landen of op EU-niveau, door OLAF en het EOM en, zo nodig, door Eurojust en Europol, waaraan toegang moet worden verleend;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>67.</NO.P>betreurt de interpretatie door de Commissie van het begrip “eindontvanger” in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit; herinnert eraan dat de lidstaten volgens de gewijzigde verordening tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit de lijst moeten publiceren van de honderd grootste eindontvangers die het hoogste bedrag aan financiering ontvangen voor de uitvoering van maatregelen in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit; betreurt dat de Commissie niet verlangt dat de lidstaten informatie verstrekken over de eindbegunstigde of ontvanger van financiering in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit, en ervoor heeft gekozen de lidstaten te verplichten alleen informatie over “ontvangers op het tweede niveau” te verstrekken; is van mening dat deze interpretatie niet strookt met de overeenkomst tussen de medewetgevers;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>68.</NO.P>is ingenomen met de gezamenlijke analyse door Europol en OLAF van de risico’s van fraude en onregelmatigheden in verband met NGEU; is ingenomen met de aanbevelingen van Europol en OLAF en roept de Commissie, de gespecialiseerde EU-agentschappen en -organen en de lidstaten op actief samen te werken en te communiceren om de bescherming van de financiële belangen van de EU bij de uitvoering van NGEU te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>69.</NO.P>is ingenomen met het in februari 2022 gelanceerde strategische initiatief van de Ombudsman om onderzoek te doen naar de transparantie van de nationale herstel- en veerkrachtplannen, de publieke informatie- en communicatiestrategieën inzake de herstel- en veerkrachtfaciliteit en de wijze waarop de middelen worden gecontroleerd; benadrukt het belang van dit initiatief, aangezien het jaarverslag van de Europese Rekenkamer voor 2022 een hoger geschat foutenpercentage voor dat jaar bevatte; is verheugd over de inspanningen van de Ombudsman om de transparantienormen op het gebied van de herstel- en veerkrachtfaciliteit te verbeteren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>70.</NO.P>herinnert aan het “NextGenerationEU – Law Enforcement Forum (NGEU-LEF)”, een gezamenlijk initiatief van Europol en Italië dat Europol, het EOM, OLAF, Eurojust, het Agentschap van de Europese Unie voor opleiding op het gebied van rechtshandhaving en nationale autoriteiten bij elkaar brengt door een forum te bieden voor het delen van inlichtingen en het coördineren van acties om de infiltratie van de georganiseerde criminaliteit in de legale economie aan te pakken en het stimuleringspakket van NGEU te beschermen, met bijzondere aandacht voor corruptie, belastingontduiking, verduistering en het witwassen van geld; is ingenomen met het feit dat het initiatief NGEU-LEF de prijs van de Europese Ombudsman voor goed bestuur 2023 heeft gewonnen in de categorie “meest populair bij het publiek”;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>71.</NO.P>is bezorgd over het feit dat er nog veel problemen zijn, voornamelijk vanwege een gebrek aan voldoende toezicht door coördinerende instanties, onvolledige fraudebestrijdingsstrategieën, ontbrekende elementen in frauderisicobeoordelingen, de noodzaak van verbetering van de controles vooraf ter voorkoming van belangenconflicten, geringe deelname aan opleidingsactiviteiten om fraude meer onder de aandacht te brengen en tekortkomingen bij de melding van onregelmatigheden aan OLAF met het oog op een mogelijk onderzoek; verzoekt de Commissie het Parlement te informeren over de vastgestelde problemen, de aanbevelingen aan de lidstaten en het gevolg dat is gegeven aan het oplossen van de problemen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>72.</NO.P>benadrukt dat meer transparantie een cruciale rol speelt bij het blootleggen van frauduleuze regelingen en het ontmoedigen van frauduleuze acties; dringt aan op de invoering van nieuwe initiatieven en beleidsmaatregelen inzake transparantie om de verantwoordingsplicht te bevorderen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Digitalisering en transparantie om fraude beter te bestrijden</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>73.</NO.P>is ingenomen met Analyse 04/2023 van de Europese Rekenkamer, getiteld “De digitalisering van het beheer van EU-middelen”, waarin wordt benadrukt dat digitalisering de controle van EU-middelen efficiënter kan maken; wijst op de opmerkingen van de Rekenkamer dat er veel verschillen zijn in de mate van digitalisering van de EU-uitgaven, met de grootste centralisering waar de Commissie direct beheer heeft en meer fragmentering bij de andere beheerswijzen, zoals gedeeld beheer;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>74.</NO.P>is zich ervan bewust dat de inspanningen van de Commissie en andere uitvoerende organen om de EU-begroting te digitaliseren veel hindernissen moeten overwinnen om de compatibiliteit tussen de IT-systemen die door de vele betrokken entiteiten worden gebruikt, te verbeteren; waardeert in dit verband de consistentie van de mededeling aan de Commissie van 30 juni 2022, getiteld “European Commission digital strategy – Next generation digital Commission” (C(2022)4388); wijst erop dat digitalisering al jaren een strategische prioriteit van de Commissie is, meent dat het stroomlijnen van het beheer van EU-middelen verdere vereenvoudiging van het IT-landschap vereist en herhaalt dat interoperabiliteit in EU-beleid moet worden geïntegreerd om de compatibiliteit tussen de IT-systemen die door de vele betrokken entiteiten worden gebruikt, te verbeteren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>75.</NO.P>benadrukt dat de interoperabiliteit van gegevenssystemen en de harmonisatie van rapportage, monitoring en controle in de EU moeten worden verbeterd; herhaalt in dit verband zijn oproep aan de Commissie om definities te harmoniseren teneinde vergelijkbare gegevens in de hele EU te verkrijgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>76.</NO.P>stelt dat digitalisering de preventie en opsporing van fraude heeft gestimuleerd en de administratieve procedures heeft vereenvoudigd en dat digitalisering centraal moet staan in elke fraudebestrijdingsstrategie, met inbegrip van de nationale fraudebestrijdingsstrategieën; roept de Commissie op haar aanbevelingen aan de lidstaten die nog geen nationale fraudebestrijdingsstrategie hebben aangenomen, te herhalen en op te volgen, en de nationale fraudebestrijdingsstrategieën actueel te houden door gebruik te maken van de mogelijkheden die door nieuwe technologieën worden geboden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>77.</NO.P>spreekt nogmaals zijn krachtige steun uit voor het verplichte gebruik van het geïntegreerde IT-systeem voor datamining en risicoclassificatie Arachne zoals bedoeld in de herschikking van het Financieel Reglement, dat moet zorgen voor een betere bescherming van de financiële belangen van de Unie, samen met en in aanvulling op de door de lidstaten op nationaal niveau ontwikkelde IT-instrumenten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>78.</NO.P>neemt kennis van het feit dat van de beschikbare opties Arachne veruit het meest gebruikte IT-systeem was (door 21 lidstaten) ter ondersteuning van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) en de herstel- en veerkrachtfaciliteit; merkt bezorgd op dat veel lidstaten hun eigen specifieke IT-instrumenten voor fraudebestrijding hebben gebruikt, vaak in combinatie met EU-instrumenten, hoewel beide soorten instrumenten zelden interoperabel waren en bijgevolg de opsporing en melding van fraude aan de Commissie belemmerden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>79.</NO.P>beklemtoont dat het EDES als zwarte lijst van de EU een enorm potentieel heeft om mensen en bedrijven te signaleren die misbruik maken van EU-middelen; dringt erop aan het EDES uit te breiden tot alle soorten beheerswijzen en met name tot gedeeld beheer; benadrukt dat de uiteenlopende benaderingen van de lidstaten ten aanzien van uitsluitingsmaatregelen bijdragen tot ongelijke bescherming van de financiële belangen van de EU; onderstreept dat het gebruik van het EDES als gemeenschappelijk uitsluitingssysteem voor door de lidstaten beheerde fondsen verplicht moet worden gesteld; is van mening dat deze uitbreiding de capaciteit van de EU en de lidstaten zou versterken om de financiële belangen van de Unie en uiteindelijk het geld van de belastingbetaler te beschermen; dringt er bij de lidstaten op aan om, met het oog op de bescherming van de financiële belangen van de EU-begroting, deze uitbreiding onverwijld te aanvaarden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>80.</NO.P>wijst erop dat het in één databank consolideren, centraliseren en publiceren van de door de lidstaten en andere uitvoerende entiteiten verstrekte informatie over de ontvangers van EU-financiering de financiële transparantie zou vergroten, door verschillende beheerswijzen te bundelen en kruiscontroles en uitputtende analyses mogelijk te maken; verzoekt de Commissie de relevante belanghebbenden, met inbegrip van de nationale autoriteiten, aan te moedigen daartoe samen te werken; vestigt de aandacht van de Commissie op de noodzaak persoonsgegevens en gevoelige informatie over begunstigden te beschermen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>81.</NO.P>benadrukt dat digitalisering en geavanceerde IT-instrumenten op nationaal en EU-niveau het beheer, de controle en de audit van EU-middelen zouden verbeteren en zouden kunnen bijdragen tot het voorkomen van onregelmatigheden en tot een aanzienlijke vermindering van de bureaucratie, omdat digitalisering gemakkelijkere en snellere toegang tot belangrijke gegevensreeksen en kruiscontroles vanop afstand mogelijk maakt, waardoor controles ter plaatse niet nodig zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>82.</NO.P>is ingenomen met en steunt de beoordeling van de Rekenkamer in haar jaarverslag 2022, waarin ertoe wordt opgeroepen de uitrol van het IT-systeem voor datamining en risicoclassificatie Arachne te vervroegen van 2028 naar 2025; herinnert aan het standpunt van het Parlement waarin ertoe wordt opgeroepen het systeem vanaf 2026 in te zetten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>83.</NO.P>neemt kennis van het feit dat de digitalisering van fraudebestrijding ook een van de prioriteiten is van de in 2022 gestarte en in juli 2023 aangenomen herziening van het actieplan bij de fraudebestrijdingsstrategie van de Commissie van 2019, dat is aangepast aan de snel veranderende economische en sociale scenario’s en aan de nieuwe uitdagingen; is zich ervan bewust dat de Commissie 60 van de in totaal 63 acties van het vorige plan met succes heeft uitgevoerd en dat sommige daarvan van continue aard zijn en nog steeds lopen; verzoekt de Commissie het Parlement de normen en criteria voor te leggen die aan het herziene actieplan ten grondslag liggen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>84.</NO.P>dringt erop aan te erkennen dat het belangrijk is visuele hulpmiddelen zoals tabellen en grafieken op te nemen om statistische informatie toegankelijker en begrijpelijker te maken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>85.</NO.P>dringt aan op de gebruikmaking van geavanceerde gegevensanalyse, artificiële intelligentie en machinaal leren bij het vaststellen van onregelmatigheden;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">De EU-architectuur voor fraudebestrijding en de belangrijkste maatregelen in 2022 </STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>86.</NO.P>is ingenomen met de maatregelen die de Commissie in 2022 heeft genomen om het niveau van bescherming van de financiële belangen van de EU te verbeteren, maar dringt aan op verdere waakzaamheid en aanvullende maatregelen op dit gebied;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>87.</NO.P>herinnert aan zijn eerdere resoluties waarin wordt benadrukt dat de bestrijding van fraude ten nadele van de EU-begroting alleen doeltreffend kan zijn als deze op holistische wijze wordt benaderd, waarbij alle stadia van de fraudebestrijdingscyclus worden bestreken en waarbij gebruik wordt gemaakt van een groot aantal belanghebbenden, processen en acties; wijst erop dat voor de vier fasen van deze cyclus (preventie, opsporing, onderzoek en vervolging, en invordering en bestraffing) risicoanalyses, rapportageprocessen en samenwerking moeten worden nagestreefd door middel van geharmoniseerde maatregelen op wetgevend, administratief, organisatorisch en operationeel niveau; herinnert aan de opmerking van de Europese Rekenkamer in haar speciaal verslag over het financiële landschap van de EU<FOOTNOTE><FIELD> Speciaal verslag 05/2023, getiteld “Het financiële landschap van de EU – Een lappendeken die verdere vereenvoudiging en verantwoording behoeft”.</FIELD></FOOTNOTE> dat de complexiteit van het stelsel van fondsen en instrumenten ter aanvulling van de EU-begroting een toenemend risico op ernstige leemten in het audit- en controlesysteem en een gebrek aan verantwoordingsplicht met zich meebrengt; is van mening dat deze complexiteit een even alomvattende en gerichte aanpak voor de bescherming van de betrokken financiële belangen vergt, om onregelmatigheden en fraude aan te pakken die kunnen optreden door te profiteren van de algehele ondoorzichtigheid van het financiële landschap; herinnert eraan dat de huidige versnippering van de toegankelijke gegevens vraagt om gestandaardiseerde maatregelen voor het verzamelen, vergelijken en samenvoegen van informatie en cijfers, met name over de eindontvangers en begunstigden van Uniefinanciering, met het oog op audit en controle, met inbegrip van onderzoeken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>88.</NO.P>wijst erop dat het fraudebestrijdingsprogramma van de Unie is opgezet voor een periode van zeven jaar, van 2021 tot en met 2027, en dat 2022 het tweede uitvoeringsjaar is, onder direct beheer, met OLAF als leidende dienst voor de uitvoering van het programma;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>89.</NO.P>merkt op dat in het financieringsbesluit van 2022 15,4 miljoen EUR is toegewezen aan het onderdeel Hercule, 9 miljoen EUR aan het onderdeel antifraude-informatiesysteem (AFIS) en ongeveer 1 miljoen EUR aan het onderdeel beheersysteem voor onregelmatigheden, wat heeft geleid tot de toekenning van subsidies aan de betrokken uitvoerende organen en tot de financiering van gespecialiseerde opleidingen, databanken, steun voor onderzoek, monitoring en analyses;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>90.</NO.P>wijst erop dat het beheersysteem voor onregelmatigheden nu wordt gebruikt door 35 landen, waaronder lidstaten en andere begunstigde landen, met ongeveer 700 rapporterende organisaties, waar meer dan 3 000 gebruikers van het beheersysteem voor onregelmatigheden werken en die verschillende gebieden bestrijken, waaronder de herstel- en veerkrachtfaciliteit en andere gebieden zoals asiel- en nabuurschapsbeleid en pretoetredingssteun, naast de traditionele gebieden van landbouw-, cohesie- en visserijbeleid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>91.</NO.P>waardeert de complementaire rol van Fiscalis, douaneprogramma’s en programma’s met betrekking tot instrumenten voor douanecontroleapparatuur en is van mening dat de synergie-effecten van de invoering van deze financiële steun tastbare verbeteringen oplevert op het gebied van belastingen, de uitwisseling van risicogerelateerde informatie en de opwaardering naar geavanceerde douanecontroleapparatuur;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>92.</NO.P>betreurt dat de deelname van lidstaten aan het EOM niet verplicht is; merkt op dat in 2022 slecht 22 lidstaten al aan het EOM hebben deelgenomen, en dat dezelfde vijf landen als in 2021 zich ervan hebben onthouden; dringt erop aan dat de lidstaten die nog niet deelnemen, dit onverwijld doen; verzoekt de Commissie de deelname aan het EOM met positieve maatregelen te stimuleren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>93.</NO.P>is ingenomen met het jaarverslag van het EOM over 2022, met de resultaten van het eerste volledige kalenderjaar van operationele activiteiten; merkt op dat het EOM in 2022 3 318 misdaadmeldingen heeft verwerkt (tegenover 2 832 ontvangen meldingen in de zeven maanden van operationele activiteit in 2021) en 865 onderzoeken heeft geopend (in juni-december 2021 zijn er 576 geopend); onderstreept dat na onderzoeken van het EOM een bedrag van 359,1 miljoen EUR is bevroren (tegenover 157,3 miljoen EUR in 2021), wat neerkomt op meer dan zeven keer de begroting van het EOM, en wijst erop dat het EOM eind 2022 een schade van 14,1 miljard EUR heeft geraamd als gevolg van wangedrag, waarnaar het in totaal 1 117 actieve onderzoeken heeft gedaan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>94.</NO.P>verzoekt de Commissie een constructieve dialoog met het EOM aan te gaan, teneinde het beter in staat te stellen de steeds toenemende uitdagingen in het fraudebestrijdingslandschap aan te pakken, onder meer door in voorkomend geval de in de EOM-verordening<FOOTNOTE><FIELD> Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”) (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).</FIELD></FOOTNOTE> vastgestelde tekortkomingen aan te pakken; benadrukt tegelijkertijd dat het fundamentele beginsel en de fundamentele regels van de EOM-verordening moeten worden gewaarborgd, namelijk dat het EOM onafhankelijk moet zijn en over een eigen begroting moet beschikken om te kunnen handelen in het belang van de Unie als geheel en in overeenstemming met de conditionaliteitsverordening;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>95.</NO.P>verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de efficiëntie en doeltreffendheid van de werkzaamheden van OLAF op het gebied van opsporing van corruptie en fraude worden gehandhaafd en dat daartoe de verlaging van de jaarlijkse begroting van OLAF voor voltijdwerknemers in overeenstemming met de werkelijke zakelijke behoeften van OLAF wordt overwogen, zoals weergegeven in zijn jaarverslag;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>96.</NO.P>is ingenomen met de toegenomen opsporingsinspanningen en de resultaten daarvan, in vervolg op de oproepen van het EOM en het Parlement, zoals blijkt uit het aantal onderzoeken naar EU-fraude die in de 22 deelnemende lidstaten zijn gestart, dat hoger is dan het historische gemiddelde vóór de oprichting van het EOM; prijst in dit verband operatie Admiral, waardoor een btw-carrouselfraude aan het licht is gebracht die werd gepleegd door een georganiseerde groep criminelen die in verschillende lidstaten actief was en die verantwoordelijk was voor naar schatting 2,2 miljard EUR fraude;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>97.</NO.P>prijst de samenwerking tussen OLAF en het EOM, die in de jaarverslagen van zowel OLAF als het EOM wordt benadrukt; begrijpt dat er regelmatig informatie wordt uitgewisseld tussen de twee bureaus, en dat met name het EOM heeft geantwoord op 133 door OLAF ingediende hit/no-hit-verzoeken om parallel onderzoek naar dezelfde feiten te voorkomen; roept OLAF en het EOM op hun verslaglegging over de opgezette acties om hun samenwerking tastbaar te maken te coördineren, met bijzondere aandacht voor het aantal door OLAF gevraagde aanvullende onderzoeken (uit hoofde van artikel 12, punt f), EOM-verordening) en het aantal door het EOM gevraagde gevallen ter ondersteuning van EOM-onderzoeken (uit hoofde van artikel 12, punt e), EOM-verordening);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>98.</NO.P>is zich ervan bewust dat de eerste jaarlijkse evaluatie op hoog niveau van de samenwerking tussen het EOM en de Commissie in september 2022 heeft plaatsgevonden, waarbij onder andere aandacht werd besteed aan kwesties inzake wederzijdse rapportage, toegang tot databanken en de institutionele status van het EOM;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>99.</NO.P>is bezorgd over het gebrek aan informatie over de administratieve terugvordering van bedragen die verschuldigd zijn aan de begroting van de Unie, die door de Commissie wordt uitgevoerd na inbreng van het EOM, zoals bepaald in artikel 103, lid 2, van de EOM-verordening, dat verwijst naar de verplichting van het EOM om de Commissie onverwijld en zonder afbreuk te doen aan de vertrouwelijkheid te informeren, en zoals bepaald in artikel 6, lid 4, punt c), van de op 18 juni 2021 ondertekende overeenkomst tussen het EOM en de Commissie, waarin wordt verwezen naar beschermende en corrigerende maatregelen; verzoekt de Commissie en het EOM het Parlement te informeren over de uitvoering van dit belangrijke instrument;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>100.</NO.P>neemt kennis van het feit dat het EOM en Europol op doeltreffende wijze hebben samengewerkt op het gebied van verschillende operationele aangelegenheden, onder auspiciën van de stuurgroep EOM-Europol; begrijpt dat Europol op verzoek van het EOM 28 zaken heeft ondersteund (informatie-uitwisseling, analytische ondersteuning, expertise) en dat het EOM deel is geworden van de applicatie voor veilige informatie-uitwisseling (Siena), die zorgt voor een veilig communicatiekanaal bij operationele samenwerking;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>101.</NO.P>neemt kennis van het feit dat de samenwerking tussen de betrokken actoren in 2022 op bevredigende wijze heeft plaatsgevonden, waarbij de verbindingsteams van het EOM en Eurojust in 2022 tweemaal bijeenkwamen, dat er 15 lopende EOM-zaken bij Eurojust werden behandeld, en dat de onderzoeksafdeling van de Europese Investeringsbank (EIB IG/IN) 63 verwijzingen heeft gedaan naar OLAF, het EOM en andere agentschappen binnen de multilaterale ontwikkelingsbanken en de nationale ontwikkelingsagentschappen die met inherente activiteiten zijn belast; merkt op dat in september 2022 ongeveer honderd openbare aanklagers en personeelsleden van het EOM hebben deelgenomen aan een online bewustmakingssessie over de activiteiten van de EIB en het EIF om de samenwerking tussen het EOM en IG/IN, zoals vastgesteld in het kader van de werkregeling voor 2021, doeltreffender te maken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>102.</NO.P>benadrukt de toegevoegde waarde die EU-organen bieden voor de bescherming van de financiële belangen van de Unie en fraudebestrijding, met name op het gebied van grensoverschrijdende criminaliteit, zoals ook in 2022 blijkt uit de operationele resultaten van het EOM en OLAF; verzoekt nogmaals ervoor te zorgen dat alle relevante EU-actoren die betrokken zijn bij de bestrijding van fraude over voldoende middelen beschikken, en herinnert de Commissie en de Raad er in dit verband aan dat elke euro die aan onderzoek en fraudebestrijdingsmaatregelen wordt besteed, naar de EU-begroting terugvloeit;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>103.</NO.P>merkt op dat in 2022 de uitsluitingsprocedure die na IG/IN-onderzoeken door de EIB is gelanceerd, heeft geleid tot uitsluiting van vier marktdeelnemers van deelname aan door de EIB gefinancierde projecten of activiteiten; verzoekt de Commissie na te gaan of het mogelijk is de door de EIB en het EIF gehanteerde uitsluitingscriteria in overeenstemming te brengen met die welke in het EDES worden gebruikt, aangezien de financiële en administratieve kaderovereenkomsten met de EIB en het EIF slechts vijf van de zeven uitsluitingssituaties van het EDES bestrijken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>104.</NO.P>herhaalt dat ondoeltreffende of trage samenwerking of niet-samenwerking van de lidstaten met het EOM en OLAF een reden is om op te treden uit hoofde van de conditionaliteitsverordening; verzoekt het EOM en OLAF daarom melding te doen van alle gevallen waarin de lidstaten hun verplichting om informatie te verstrekken, bijstand te verlenen en passende maatregelen en voorzorgsmaatregelen te nemen niet zijn nagekomen, en te zorgen voor een passende en tijdige follow-up van de verslagen en aanbevelingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>105.</NO.P>begrijpt dat het algemene niveau van uitvoering van de aanbevelingen van de Commissie in het PIF-verslag 2021 in alle lidstaten bevredigend wordt geacht wat betreft de integratie van specifieke IT-fraudebestrijdingsinstrumenten in hun fraudebestrijding, de versterking van de risicoanalyse en, in het algemeen, de ontwikkeling van IT-systemen aan zowel de inkomsten- als de uitgavenzijde;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>106.</NO.P>wijst op de aanzienlijke verschillen tussen de lidstaten waarvan nog steeds sprake is bij de opsporing, rapportage en follow-up van vermoedelijke fraude; moedigt de lidstaten derhalve aan een proactieve aanpak te volgen om de financiële belangen van de Unie te beschermen, en de uitwisseling van informatie tussen hun nationale autoriteiten en met EU-organen en -agentschappen te verbeteren, onder meer om opkomende risico’s en fraudetrends tijdig in kaart te brengen en aan te pakken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>107.</NO.P>onderschrijft het voornemen van de Commissie om toezicht uit te oefenen op de stand van zaken van de in de lidstaten gevestigde coördinatiediensten voor fraudebestrijding (Anti-Fraud Coordination Services – AFCOS); herinnert eraan dat de definitie van de structuur, de rol, de verantwoordelijkheden en het mandaat van AFCOS beter moet worden verduidelijkt om homogene en geharmoniseerde situaties in de hele Unie te waarborgen, zodat hun samenwerking en informatie-uitwisseling wordt vergemakkelijkt; verzoekt de Commissie nogmaals de oorspronkelijk in 2015 geformuleerde AFCOS-richtsnoeren bij te werken, die niet langer toereikend zijn om de nationale autoriteiten daadwerkelijk bij te staan bij de ontwikkeling van een goed gestructureerde coördinatiedienst; verzoekt de Commissie voorts aan de kwijtingsautoriteit verslag uit te brengen over de lopende werkzaamheden op dit gebied en over de resultaten van de controle;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>108.</NO.P>merkt op dat de nationale fraudebestrijdingsstrategieën door zoveel mogelijk lidstaten moeten worden aangenomen of geactualiseerd, en herhaalt dat de noodzaak voor dergelijke herzieningen, nu het EOM volledig operationeel is, voortvloeit uit het nieuwe fraudebestrijdingslandschap en uit de mogelijkheid om nieuwe significante risico’s in het steeds complexere fraudelandschap in kaart te brengen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>109.</NO.P>herhaalt zijn waardering voor het feit dat de Commissie de lidstaten aanmoedigt om nationale fraudebestrijdingsstrategieën aan te nemen, wat tot nu toe heeft geleid tot een toename van het aantal aangenomen nationale fraudebestrijdingsstrategieën, aangezien eind 2022 15 lidstaten nationale fraudebestrijdingsstrategieën hadden aangenomen, waarvan er negen transversaal waren en bijgevolg de financiële belangen van de EU volledig dekten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>110.</NO.P>stelt met bezorgdheid vast dat drie lidstaten (Finland, Ierland en Polen) eind 2022 nog steeds aangaven geen strategie te hebben vastgesteld om de financiële belangen van de EU te beschermen; merkt op dat vijf lidstaten (België, Spanje, Luxemburg, Nederland en Roemenië) hebben aangegeven dat zij er een aan het opstellen zijn; dringt er bij de lidstaten op aan een nationale fraudebestrijdingsstrategie aan te nemen om aan te tonen dat zij de bescherming van EU-middelen ernstig nemen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>111.</NO.P>is van mening dat de lidstaten baat zouden hebben bij een periodieke evaluatie van hun fraudebestrijdingskaders, met EU-richtsnoeren waar nodig, gericht op het vaststellen van hun doeltreffendheid, het identificeren van de beste praktijken en het herzien van hun fraudebestrijdingsstrategieën om nieuwe risico’s aan te pakken; verzoekt de Commissie de lidstaten aan te moedigen onafhankelijke of collegiale toetsing van de fraudebestrijdingskaders uit te voeren om de samenhang en hoge normen te verbeteren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>112.</NO.P>stelt dat de conditionaliteitsverordening een permanent instrument is dat de grenzen van een bepaald meerjarig financieel kader overstijgt en horizontaal moet worden toegepast, als vereiste voor de handhaving van beginselen van goed financieel beheer in het algemeen en voor een efficiënt en doeltreffend beheer van EU-middelen in het bijzonder, en dat zij een voorwaarde is voor toegang tot alle EU-middelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>113.</NO.P>neemt kennis van het besluit van de Raad van 16 december 2022 om de uitbetaling van 6,3 miljard EUR aan EU-middelen aan Hongarije op te schorten; verwacht dat de Commissie en de Raad de aangenomen maatregelen alleen opheffen indien is aangetoond dat de door de Hongaarse regering genomen corrigerende maatregelen in de praktijk doeltreffend zijn gebleken en, met name, dat de reeds goedgekeurde maatregelen onverminderd en ten volle worden uitgevoerd; betreurt dat de Hongaarse regering tot dusver weinig bereidheid heeft getoond om aan de vereisten van het conditionaliteitsmechanisme te voldoen; herhaalt echter zijn mening dat de 17 maatregelen waarover de Commissie en de Hongaarse regering hebben onderhandeld, alleen niet volstaan om het bestaande systeemrisico voor de financiële belangen van de EU aan te pakken, en betreurt dat de Commissie niet heeft verzocht om voldoende wezenlijke veranderingen en waarborgen om de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht te herstellen en de corruptie terug te dringen; is zeer bezorgd over berichten in de media als zou de Commissie voornemens zijn de opschortingsmaatregelen in Hongarije op te heffen indien de regering steun voor Oekraïne goedkeurt; is van mening dat de Commissie nooit mag toegeven aan chantage, met name wanneer daarmee de bescherming van de financiële belangen van de EU in gevaar wordt gebracht;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>114.</NO.P>betreurt dat de Commissie niet transparant genoeg is over de desbetreffende ontwikkelingen; verzoekt de Commissie daarom het Parlement en de Raad snel en regelmatig op de hoogte te brengen van de lopende onderhandelingen en herinnert de Commissie in het bijzonder aan haar wettelijke verplichtingen zoals bepaald in artikel 25, lid 2, van de verordening tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit en artikel 8 van de conditionaliteitsverordening;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>115.</NO.P>is bezorgd over de bevindingen in het derde verslag over de rechtsstaat<FOOTNOTE><FIELD> Mededeling van de Commissie van 13 juli 2022, getiteld “Verslag over de rechtsstaat 2022” (COM(2022)0500).</FIELD></FOOTNOTE> met betrekking tot de kritieke situatie in Polen, met name wat betreft de ernstige tekortkomingen in de rechterlijke macht<FOOTNOTE><FIELD> Wat de onafhankelijkheid van de Poolse Nationale Raad voor de Rechterlijke Macht betreft, blijft er bezorgdheid bestaan over de werking van het openbaar ministerie, waarbij de functie van minister van Justitie en van procureur-generaal door dezelfde persoon worden uitgeoefend; Poolse rechtbanken hebben ook gewezen op de bezorgdheid dat de praktijk van het detacheren van openbaar aanklagers kan worden beschouwd als een vorm van degradatie en discriminatie, en dat disciplinaire procedures kunnen worden gebruikt om de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in te perken, aangezien de Disciplinaire Kamer van het Hooggerechtshof nog steeds uitspraken deed.</FIELD></FOOTNOTE> en de mediasector; herinnert eraan dat de niet-naleving door Polen van de uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie sinds 2021 heeft geleid tot de betaling van 360 miljoen EUR aan boetes en moedigt de Commissie sterk aan om middelen uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit pas vrij te maken wanneer alle mijlpalen met betrekking tot de rechtsstaat volledig zijn behaald;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>116.</NO.P>verzoekt de Commissie het systeem voor het melden van fraude met betrekking tot middelen die in niet-EU-landen worden besteed, te actualiseren; wijst erop dat in het nieuwe systeem rekening moet worden gehouden met de specifieke problemen die de EU ondervindt wanneer financiële middelen buiten het Europese grondgebied worden besteed;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Externe dimensie van de bescherming van de financiële belangen van de EU</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>117.</NO.P>is van mening dat het voorstel voor de instelling van een horizontaal sanctiekader voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid een aanvulling vormt op de bestaande instrumenten en op de interne en externe beleidsmaatregelen ter bestrijding van corruptie, die reeds in het uitbreidingsproces of in het oostelijk partnerschap zijn goedgekeurd; is van oordeel dat een sterkere betrokkenheid op internationale fora zoals het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie (UNCAC) en de Groep van Staten tegen corruptie (Greco) zal bijdragen tot de bevordering van goed bestuur en de rechtsstaat als een van de belangrijkste prioriteiten van het uitbreidingsproces;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>118.</NO.P>herhaalt dat de EU in de Greco momenteel wel een waarnemersstatus heeft, maar dat sterk wordt geadviseerd dat zij een volwaardig lid wordt, zodat zij i) deelneemt aan het toezicht op de uitvoering van alom erkende internationale wetgeving en normen, ii) horizontaal communiceert met andere leden van de Greco over beleid en instrumenten voor fraudebestrijding, iii) op internationaal niveau ervaringen deelt om bij te dragen tot de erkenning van potentiële tekortkomingen van de interne mechanismen van de EU om corruptie op te sporen en iv) fraude optimaal bestrijdt door tijdig preventie- en opsporingsmaatregelen te activeren; verzoekt de Raad een duidelijk standpunt over een mogelijk EU-lidmaatschap van de Greco in te nemen en te verduidelijken of daar specifiek verzet tegen bestaat en, zo ja, van welke lidstaat;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>119.</NO.P>merkt op dat zowel het aantal niet-frauduleuze onregelmatigheden als de betrokken geldbedragen van 2021 tot 2022 uitzonderlijk sterk zijn toegenomen; neemt kennis van het feit dat het toegenomen aantal zaken te wijten was aan onregelmatigheden in verband met IPA II van 2014-2020 met betrekking tot het instrument voor pretoetredingssteun op het gebied van plattelandsontwikkeling (Ipard) in Noord-Macedonië en Turkije, en dat de betrokken geldbedragen voor de meeste van deze onregelmatigheden lager waren dan 10 000 EUR, terwijl de stijging van de geldbedragen te wijten was aan onregelmatigheden in verband met Ipard in Albanië; onderstreept dat ongeveer 10 % van de onregelmatigheden als frauduleus is gemeld en dat dit percentage, dat mettertijd verandert, in 2020 aanzienlijk is toegenomen (17 %) en in 2021 een piek van 20 % bereikte; verzoekt de Commissie een adequaat niveau van toezicht op deze financieringsinitiatieven te handhaven en verslag uit te brengen aan het Parlement over mogelijke systeemproblemen die bij de inzet van de middelen aan het licht zijn gekomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>120.</NO.P>is van mening dat er op de middelen in het kader van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking – Europa in de wereld (NDICI – Europa in de wereld) voor bijstand in niet-EU-landen en op de middelen die zijn toegewezen voor de reactie van Europa op de oorlog in Oekraïne onvoldoende toezicht wordt gehouden en dat zij onvoldoende worden gecontroleerd; verzoekt de Commissie passende maatregelen te nemen en grondiger controles uit te voeren om ervoor te zorgen dat EU-middelen die naar buurlanden worden gestuurd, ten goede komen aan de meest behoeftigen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>121.</NO.P>onderstreept dat de EU-begroting in het kader van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne naar verwachting aanzienlijk zal bijdragen aan de voorstellen voor structurele oplossingen op langere termijn voor de financieringsbehoeften van Oekraïne; benadrukt in dit verband dat bij het gebruik van Uniemiddelen in Oekraïne de beginselen van transparantie en verantwoording moeten vooropstaan, de rechtsstaat en de financiële belangen van de Unie moeten worden beschermd en fraude, corruptie, belangenconflicten en onregelmatigheden moeten worden voorkomen, opgespoord en gecorrigeerd; is van mening dat alle daarmee verband houdende financieringsinstrumenten strikte bepalingen en waarborgen moeten bevatten om deze doelstellingen te verwezenlijken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>122.</NO.P>onderstreept dat samenwerking met internationale partners van cruciaal belang is om EU-middelen die buiten Europa worden uitgegeven en de ontvangstenzijde van de EU-begroting te beschermen; is derhalve ingenomen met de werkregelingen die het EOM in 2022 heeft gesloten met het Openbaar Ministerie van Oekraïne, het Openbaar Ministerie van de Republiek Albanië, het Openbaar Ministerie van de Republiek Moldavië, het Openbaar Ministerie van Montenegro, het Openbaar Ministerie van Georgië en het Openbaar Ministerie van de Republiek Noord-Macedonië, en met het memorandum van overeenstemming en de werkregeling inzake samenwerking die zijn ondertekend met het ministerie van Justitie en het ministerie van Binnenlandse Veiligheid van de Verenigde Staten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>123.</NO.P>raadt aan de begrotingssteun aan niet-EU-landen, inclusief kandidaat-lidstaten, waar de autoriteiten duidelijk verzuimen reële actie tegen wijdverbreide corruptie te ondernemen, op te schorten, en er tegelijk voor te zorgen dat de bijstand via andere kanalen terechtkomt bij de burgerbevolking; dringt erop aan in pretoetredingsonderhandelingen grotere prioriteit toe te kennen aan de aanpak van corruptie, met een focus op capaciteitsopbouw, bijvoorbeeld door middel van gespecialiseerde corruptiebestrijdingsorganen; verzoekt de Commissie duidelijke signalen af te geven aan kandidaat-lidstaten dat een verslechtering van de normen met betrekking tot de rechtsstaat de toetreding tot de EU in gevaar zal brengen of zal vertragen; betreurt dat volgens Speciaal verslag 01/2022 van de Europese Rekenkamer<FOOTNOTE><FIELD> Speciaal verslag 01/2022, getiteld “EU-steun voor de rechtsstaat in de Westelijke Balkan: ondanks inspanningen nog steeds fundamentele problemen”.</FIELD></FOOTNOTE> 700 miljoen EUR aan financiële steun van de EU voor de verbetering van de rechtsstaat in de Westelijke Balkan tussen 2014 en 2020 weinig effect heeft gehad op fundamentele hervormingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>124.</NO.P>dringt aan op internationale samenwerking met internationale organisaties en buurlanden bij het voorkomen van grensoverschrijdende fraude; wijst nogmaals op het belang van de uitwisseling van beste praktijken in dit verband;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>125.</NO.P>bevestigt nogmaals dat het er stellig van overtuigd is dat de bescherming van de financiële belangen van de EU alleen doeltreffend en efficiënt kan worden nagestreefd en verbeterd door het versterken van de EU-architectuur voor fraudebestrijding, door interoperabiliteit en de afstemming op een uniform kader voor fraudebestrijdingsstrategieën voor de lidstaten binnen de EU aan te moedigen door te kiezen voor meer instroom op het gebied van kwantitatieve en kwalitatieve gegevensanalyse, voor het overwinnen van de inherente grenzen van de nationale systemen, die niet volstaan om de steeds meer grensoverschrijdende aanvallen op de financiële belangen van de Unie tegen te gaan;</P></ACTION><SEPARATION><P>°</P><P>°	°</P></SEPARATION><ACTION><P><NO.P>126.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>