<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P9_TA(2024)0044</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Uitbreiding van de lijst van EU-misdrijven tot haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A9-0377/2023 - Rapporteur: Maite Pagazaurtundúa)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 18 januari 2024 over het voorstel voor een besluit van de Raad inzake de uitbreiding van de lijst van EU-misdrijven tot haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven (2023/2068(INI))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest), en met name de artikelen 1, 7, 20, 21, 22, 23, 25 en 26,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name de artikelen 2, 3 en 6,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name artikel 19 en artikel 83, lid 1,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de bijbehorende jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 9 december 2021 getiteld “Een inclusiever en beschermender Europa: uitbreiding van de lijst van EU-misdrijven tot haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven” (COM(2021)0777) en het bijgaande voorstel voor een besluit van de Raad,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht<FOOTNOTE><FIELD> PB L 328 van 6.12.2008, blz. 55.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 5 maart 2020 getiteld “Een Unie van gelijkheid: strategie voor gendergelijkheid 2020‑2025” (COM(2020)0152),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 18 september 2020 getiteld “Een Unie van gelijkheid: EU-actieplan tegen racisme 2020-2025” (COM(2020)0565),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 12 november 2020 getiteld “Een Unie van gelijkheid: strategie voor gelijkheid van lhbtiq’ers 2020‑2025” (COM(2020)0698),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2021 getiteld “Een Unie van gelijkheid: strategie inzake de rechten van personen met een handicap 2021-2030” (COM(2021)0101) en het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, dat door de EU en al haar lidstaten is geratificeerd,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 24 juni 2020 getiteld “EU-strategie inzake de rechten van slachtoffers (2020-2025)” (COM(2020)0258),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van het Comité van Ministers van de Raad van Europa van 20 mei 2022 aan de lidstaten van de Raad van Europa over het bestrijden van haatzaaiende uitlatingen (CM/Rec(2022)16),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien algemene beleidsaanbeveling nr. 15 van de Commissie tegen racisme en onverdraagzaamheid (ECRI) van de Raad van Europa, van 8 december 2015, over de bestrijding van haatzaaiende uitlatingen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Kaderverdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van nationale minderheden en het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbevelingen, verslagen en resoluties van ECRI, de Stuurgroep bestrijding van discriminatie, diversiteit en inclusie, de Parlementaire Vergadering, de Commissie van Venetië en andere organen van de Raad van Europa,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de richtsnoeren voor de verbetering van de verzameling en het gebruik van gelijkheidsgegevens die zijn opgesteld door de Subgroep gegevens over gelijkheid van de Groep op hoog niveau inzake non-discriminatie, gelijkheid en diversiteit van de Commissie en die in 2021 zijn gepubliceerd,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mensenrechtenverdragen van de VN en de VN-instrumenten voor de bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, met name de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie en het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, en de aanbevelingen van het jaarlijkse VN-Forum voor minderheidsvraagstukken,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de gegevens over haatmisdrijven van het OVSE-Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten die ieder jaar worden gepubliceerd op 16 november,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 25 november 2020 over versterking van de mediavrijheid: bescherming van journalisten in Europa, haatzaaiende taal, desinformatie en de rol van platforms<FOOTNOTE><FIELD> PB C 425 van 20.10.2021, blz. 28.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 16 september 2021 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende het aanmerken van gendergerelateerd geweld als een nieuwe vorm van criminaliteit als bedoeld in artikel 83, lid 1, VWEU<FOOTNOTE><FIELD> PB C 117 van 11.3.2022, blz. 88.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 13 november 2018 over minimumnormen voor minderheden in de EU<FOOTNOTE><FIELD> PB C 363 van 28.10.2020, blz. 13.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 105, lid 5, van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A9-0377/2023),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat op grond van artikel 21 van het Handvest iedere vorm van discriminatie op grond van o.a. geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid, verboden is; overwegende dat binnen het rechtskader van de Verdragen en onverminderd de bijzondere bepalingen ervan, ook iedere discriminatie op grond van nationaliteit verboden is; overwegende dat ingevolge de ruime interpretatie van de grond “geslacht” door het HvJ EU, dit begrip ruim moet worden opgevat, d.w.z. dat alle vormen van discriminatie in verband met genderidentiteit, genderexpressie en geslachtskenmerken erin begrepen zijn<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Hof van Justitie van 30 april 1996, <STRING ITALIC="on">P.</STRING> tegen <STRING ITALIC="on">S. en Cornwall County Council</STRING>, C-13/94, ECLI:EU:C:1996:170; arrest van het Hof van Justitie van 7 januari 2004, <STRING ITALIC="on">K.B</STRING>. tegen <STRING ITALIC="on">National Health Service Pensions Agency en Secretary of State for Health</STRING>, C-117/01, ECLI:EU:C:2004:7; arrest van het Hof van Justitie van 27 april 2006, <STRING ITALIC="on">Sarah Margaret Richards</STRING> tegen <STRING ITALIC="on">Secretary of State for Work and Pensions</STRING>, C-423/04, ECLI:EU:C:2006:256; en arrest van het Hof van Justitie van 26 juni 2018, <STRING ITALIC="on">MB</STRING> tegen <STRING ITALIC="on">Secretary of State for Work and Pensions</STRING>, C-451/16, ECLI:EU:C:2018:492.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat alle vormen en uitingen van haat en onverdraagzaamheid, met inbegrip van haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven, onverenigbaar zijn met de waarden van de Unie op het gebied van menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren, zoals verankerd in artikel 2 VEU; overwegende dat de bevordering en bescherming van deze fundamentele waarden van de Unie afhangt van de EU-instellingen, de lidstaten en alle andere relevante actoren die vooroordelen, vooringenomenheid en onverdraagzaamheid bestrijden, alsook van de uitbanning van haat;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven complexe en multidimensionale verschijnselen zijn met verstrekkende gevolgen voor de mensenrechten en de rechtsstaat in democratische samenlevingen; overwegende dat de bestrijding van vreemdelingenhaat, racisme, vrouwenhaat, homofobie, transfobie en andere vormen van vooroordelen, onverdraagzaamheid, discriminatie, onder meer op basis van politieke of andere opvattingen, en haat tegen bepaalde personen of maatschappelijke groepen vereist dat de EU en haar lidstaten een holistische respons ontwikkelen in nauwe samenwerking met relevante belanghebbenden, waaronder het maatschappelijk middenveld; overwegende dat strafbaarstelling één instrument is om haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven te bestrijden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat de bestrijding van haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven, zowel online als offline, een multidimensionale aanpak vereist en, in voorkomend geval, verschillende middelen om ze te bestrijden, met inbegrip van het strafrecht, civiele en administratieve procedures en andere belangrijke beleidsmaatregelen of sociale maatregelen; overwegende dat de lidstaten zich er al toe hebben verbonden wetgeving en maatregelen vast te stellen om haatmisdrijven te bestraffen, onderrapportage aan te pakken en activiteiten voor capaciteitsopbouw voor rechtshandhavings- en gerechtelijke functionarissen in te voeren of verder te ontwikkelen<FOOTNOTE><FIELD> Jaarlijkse gegevens over haatmisdrijven van het OVSE-Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten.</FIELD></FOOTNOTE>; overwegende dat het voor een doeltreffende bestrijding van haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven van essentieel belang is de onderliggende oorzaken ervan, met name stereotypen, aan te pakken; overwegende dat preventieve maatregelen, onderwijs, met inbegrip van digitaal onderwijs, geletterdheid en vaardigheden ter bevordering van veilige digitale ruimten, opleiding en bewustmaking in dit verband van cruciaal belang zijn; overwegende dat de EU en de lidstaten een beter begrip moeten bevorderen van het feit dat er diversiteit en dialoog nodig is binnen een context van democratie, mensenrechten en de rechtsstaat, dat zij het publieke bewustzijn moeten vergroten over het feit dat het belangrijk is pluriformiteit te eerbiedigen en dat zij negatieve stereotypering en stigmatisatie moeten bestrijden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven bijzonder ernstige misdrijven kunnen zijn en niet alleen de afzonderlijke slachtoffers en hun gemeenschap treffen, door hun leed toe te brengen en hun grondrechten en fundamentele vrijheden te beperken, maar ook de samenleving als geheel, waardoor de fundamenten van de EU worden ondermijnd;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat niet alle haatzaaiende uitlatingen een misdrijf vormen, maar dat zij wel bijdragen tot de normalisering van uitingen van haat, geweld en onverdraagzaamheid in de samenleving;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat er de afgelopen decennia een sterke toename is van discriminatie, haatmisdrijven en haatzaaiende uitlatingen in de hele EU<FOOTNOTE><FIELD> Zie bijvoorbeeld de jaarverslagen over de activiteiten van ECRI over de perioden van 1 januari tot en met 31 december 2019 en van 1 januari tot en met 31 december 2020, en de studie in opdracht van de beleidsondersteunende afdeling Rechten van de burger en Constitutionele Zaken van het Europees Parlement getiteld “Hate speech and hate crime in the EU and the evaluation of online content regulation approach”, gepubliceerd in juli 2020.</FIELD></FOOTNOTE>, een toename van diverse vormen van racisme, antisemitisme, islamofobie, vreemdelingenhaat, homofobie, transfobie en andere vormen van onverdraagzaamheid en een alarmerende piek in haatzaaiende uitlatingen en aanzetting tot haat online en offline; overwegende dat personen die tot kwetsbare groepen behoren, zoals lhbtiq+- personen, geracialiseerde personen, etnische, religieuze of taalminderheden, inheemse gemeenschappen<FOOTNOTE><FIELD> Lingaas, C., “Hate Speech and Racialised Discrimination of the Norwegian Sámi: Legal Responses and Responsibility”, <STRING ITALIC="on">Oslo Law Review</STRING>, vol. 8, nr. 2, 2021, blz. 88.</FIELD></FOOTNOTE> <FOOTNOTE><FIELD> Civil Rights Defenders, “Joint submission to the UN Universal Periodic Review of Sweden –35th Session of the UPR Working Group of the Human Rights Council – January 2020”, 2019.</FIELD></FOOTNOTE>, personen met een handicap, personen met een sociaal-economische achterstandspositie, asielzoekers, vluchtelingen en migranten, herhaaldelijk het doelwit zijn van haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven; overwegende dat er in Europa een significante toename is van het aantal haatmisdrijven en haatzaaiende uitlatingen tegen lhbtiq-personen<FOOTNOTE><FIELD> ILGA Europe, “2023 Annual Review of the Human Rights Situation of Lesbian, Gay, Bisexual, Trans and Intersex People in Europe and Central Asia”, februari 2023.</FIELD></FOOTNOTE>, alsmede een toename van de discriminatie en haat tegen vrouwen; overwegende dat meervoudige, intersectionele discriminatie een vruchtbare bodem is voor haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven; overwegende dat doelwitten van haatzaaiende uitlatingen steeds meer worden uitgesloten uit de samenleving;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat de toename van discriminatie en haat in veel lidstaten nog wordt verergerd door extremistische en populistische bewegingen en het multiplicatoreffect van de onlineomgeving en sociale media, die tot revictimisatie leiden; overwegende dat deze stijging leidt tot gevaarlijke verdeeldheid in de samenleving als geheel en een bedreiging vormt voor de democratie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat er aanwijzingen zijn dat haatzaaiende uitlatingen en door haat ingegeven incidenten in de EU nog steeds te weinig worden gemeld<FOOTNOTE><FIELD> Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, “Encouraging hate crime reporting – The role of law enforcement and other authorities”, 2021.</FIELD></FOOTNOTE>, waardoor het moeilijk is de omvang van het probleem te kwantificeren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat de media en journalisten een fundamentele rol spelen doordat zij de samenleving informeren en een bijdrage leveren aan de democratische processen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat het politieke debat steeds meer wordt gekenmerkt door haatzaaiende uitlatingen; overwegende dat verkiezingscampagnes een bijzonder vruchtbare bodem zijn voor haatzaaiende uitlatingen en het aanzetten tot haat, hetgeen niet alleen gevolgen heeft voor de politieke sfeer, maar ook voor de werking van de samenleving in het algemeen en de politieke polarisatie doet toenemen; overwegende dat haatzaaiende uitlatingen tegen vrouwen in openbare functies een alarmerend niveau hebben bereikt; overwegende dat politieke leiders een belangrijke rol en verantwoordelijkheid hebben in de strijd tegen haatzaaiende uitlatingen en onverdraagzaamheid; overwegende dat zij het goede voorbeeld moeten geven en gevallen van haat publiekelijk aan de kaak moeten stellen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat minderjarigen bijzonder kwetsbare slachtoffers zijn van haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven, onder meer in scholen en online, in de vorm van cyberpesten; overwegende dat dergelijke aanvallen hun lichamelijke en geestelijke integriteit in gevaar brengen en hun ontwikkeling en lichamelijke en geestelijke gezondheid aantasten; overwegende dat zij bijzondere aandacht behoeven;</P></CONS><CONS><P><NO.P>M.</NO.P>overwegende dat de lidstaten haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven niet op gelijke wijze aanpakken in hun strafrecht, waardoor bepaalde groepen in sommige delen van de Unie onvoldoende beschermd worden; overwegende dat dit het moeilijk maakt om een gemeenschappelijke Europese aanpak voor de bestrijding van haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven vast te stellen; overwegende dat het ontbreken van juridische bescherming verwoestende gevolgen kan hebben voor de slachtoffers;</P></CONS><CONS><P><NO.P>N.</NO.P>overwegende dat het huidige EU-kader alleen betrekking heeft op haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven op grond van ras, kleur, godsdienst, afkomst en nationale of etnische oorsprong; overwegende dat er momenteel op EU-niveau geen alomvattende gemeenschappelijke wettelijke definitie van haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven bestaat; overwegende dat er duidelijk behoefte is aan een doeltreffende aanpak van haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven op andere gronden, zoals geslacht, seksuele gerichtheid, gender, genderidentiteit, genderexpressie, geslachtskenmerken, leeftijd, handicap en welke andere fundamentele kenmerken ook, met name degene die beschermd zijn op grond van artikel 21 van het Handvest, alsmede elke combinatie van deze kenmerken; overwegende dat de EU de meest kwetsbaren in de samenleving moet beschermen; overwegende dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan het identificeren van de personen, groepen of gemeenschappen die het kwetsbaarst zijn voor haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven, teneinde negatieve gevolgen voor de bescherming van slachtoffers te voorkomen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>O.</NO.P>overwegende dat artikel 83, lid 1, VWEU duidelijke vereisten bevat voor de opname van nieuwe vormen van criminaliteit in de lijst van grensoverschrijdende EU-misdrijven; overwegende dat haatzaaiende uitlatingen op het internet duidelijk een specifieke grensoverschrijdende dimensie hebben; overwegende dat de digitale transformatie aantoont dat dit verschijnsel op Europees niveau moet worden aangepakt; overwegende dat haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven op gemeenschappelijke basis en op EU-niveau moeten worden bestreden; overwegende dat de EU de verantwoordelijkheid heeft om op te treden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>P.</NO.P>overwegende dat het EU-strafrecht een krachtige, evenredige en op maat gesneden respons moet bieden op haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven, om het slachtoffer naar behoren te beschermen en naar behoren rekening te houden met de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van informatie, die hoekstenen zijn van de democratie; overwegende dat de EU moet waarborgen dat beperkingen op de vrije meningsuiting met het oog op het voorkomen en bestrijden van haatzaaiende uitlatingen niet door de bevoegde autoriteiten in de lidstaten worden misbruikt om minderheden monddood te maken of kritiek de kop in te drukken; overwegende dat de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake de vrijheid van meningsuiting moeten worden nageleefd bij het vaststellen van bescherming tegen haatzaaiende uitlatingen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>Q.</NO.P>overwegende dat de grondrechten die in de strijd tegen haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven worden beschermd in de eerste plaats de menselijke waardigheid en het beginsel van non-discriminatie zijn; overwegende dat deze bescherming universeel moet zijn; overwegende dat de bescherming tegen onverdraagzaamheid, zowel op basis van ras als op basis van nationale afkomst, seksuele gerichtheid, godsdienst, ideologie, leeftijd, mening of enige andere persoonlijke, fysieke of sociale toestand of omstandigheid, ongeacht de uitdrukkingsvorm, niet louter beperkt mag worden tot bepaalde gronden of motieven;</P></CONS><CONS><P><NO.P>R.</NO.P>overwegende dat veranderingen in de sociale dynamiek tot nieuwe motieven voor haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven kunnen leiden die moeten worden aangepakt binnen een gemeenschappelijk EU-kader, zodat artikel 83, lid 1, VWEU, waarin de lijst van EU-misdrijven is vastgesteld, moet worden uitgebreid;</P></CONS><CONS><P><NO.P>S.</NO.P>overwegende dat de Commissie in 2021 een mededeling heeft gepresenteerd getiteld “Een inclusiever en beschermender Europa: uitbreiding van de lijst van EU-misdrijven tot haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven”, met het oog op het toevoegen, overeenkomstig artikel 83, lid 1, VWEU, van haatmisdrijven en haatzaaiende uitlatingen aan de lijst van vormen van criminaliteit waarvoor het Parlement en de Raad minimumvoorschriften betreffende de bepaling van strafbare feiten en sancties kunnen vaststellen die van toepassing zijn in alle EU-lidstaten; overwegende dat de Raad in dit verband een besluit moet vaststellen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>T.</NO.P>overwegende dat dit besluit van de Raad een eerste stap zou zijn in de richting van het vaststellen van de nodige rechtsgrondslag voor de vaststelling, als tweede stap, van een gemeenschappelijk rechtskader ter bestrijding van haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven in de hele EU; overwegende dat een dergelijk gemeenschappelijk rechtskader dringend nodig is om minimumnormen betreffende de bepaling van strafbare feiten en sancties vast te stellen en zodoende haatmisdrijven en haatzaaiende uitlatingen te bestrijden op gemeenschappelijke Europese basis, teneinde te zorgen voor een consistente bescherming van de potentiële slachtoffers van dergelijke handelingen in de hele Unie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>U.</NO.P>overwegende dat de Raad nog geen besluit heeft genomen; overwegende dat sommige lidstaten concrete vooruitgang met betrekking tot dit specifieke dossier in de Raad hebben geblokkeerd;</P></CONS><CONS><P><NO.P>V.</NO.P>overwegende dat op grond van artikel 83, lid 1, VWEU eenparigheid van stemmen in de Raad is vereist om vast te stellen welke “andere vormen van criminaliteit” aan de criteria voldoen; overwegende dat deze vereiste nadelig is gebleken voor het boeken van de noodzakelijke gemeenschappelijke vooruitgang bij de bestrijding van haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven in de hele Unie;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF><ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>dringt er bij de Raad op aan een besluit vast te stellen om haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven op te nemen in de lijst van strafbare feiten van artikel 83, lid 1, VWEU, zodat de Commissie de tweede fase van de procedure kan inleiden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>herinnert eraan dat haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven op verschillende manieren worden behandeld in het strafrecht van de lidstaten en dat er alleen geharmoniseerde minimumregels op EU-niveau bestaan wanneer dergelijke misdrijven worden begaan tegen een groep of een persoon op grond van ras, huidskleur, godsdienst, afkomst of nationale of etnische afkomst, wat de uitvoering van een succesvolle gemeenschappelijke strategie voor het effectief bestrijden van haat bemoeilijkt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>betreurt ten zeerste dat er bijna twee jaar zijn verstreken sinds de publicatie van de mededeling van de Commissie en dat de Raad er geen vooruitgang mee heeft geboekt, terwijl hij wel in staat was voor andere doeleinden de lijst van EU-misdrijven snel uit te breiden; betreurt dit gebrek aan actie in het licht van de toename van haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>verzoekt de lidstaten op verantwoorde en constructieve wijze samen te werken en de onderhandelingen binnen de Raad te hervatten om vóór het einde van de huidige zittingsperiode een besluit van de Raad vast te stellen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>dringt er bij de lidstaten op aan de aanneming van het ontwerpbesluit te steunen of er zich in elk geval niet tegen te verzetten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>verzoekt de huidige en toekomstige voorzitterschappen van de Raad van de Unie het voorstel van de Commissie als prioriteit te beschouwen bij het opstellen van hun agenda en het bepalen van doelstellingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>beveelt aan artikel 83 VWEU te wijzigen om de toepassing ervan te laten afhangen van een versterkte gekwalificeerde meerderheid in plaats van de momenteel vereiste unanimiteit; dringt er in dit verband op aan de overbruggingsclausule in werking te stellen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>benadrukt dat toekomstige EU-wetgeving om minimumnormen betreffende de bepaling van strafbare feiten en sancties voor haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven vast te stellen de menselijke waardigheid moet beschermen, moet streven naar het voorkomen van schade, gelijkheid moet waarborgen en haat en onverdraagzaamheid moet bestrijden, ongeacht de motieven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>herinnert eraan dat de bescherming universeel moet zijn, met bijzondere aandacht voor de personen die tot doelwit worden gemaakt en voor kwetsbare groepen en gemeenschappen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>herinnert eraan dat de vrijheid van meningsuiting een fundamentele waarde van democratische samenlevingen is en niet ten onrechte mag worden beperkt; herinnert er voorts aan dat wetgeving inzake haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven gebaseerd moet zijn op de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid; onderstreept dat de vrijheid van meningsuiting moet worden uitgeoefend binnen het kader van de wet en in overeenstemming met artikel 11 van het Handvest, en niet mag worden uitgebuit als schild voor haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>verzoekt de Commissie een open aanpak te overwegen waarbij de lijst van discriminatiegronden niet wordt beperkt tot een gesloten lijst, om haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven die worden ingegeven door een nieuwe en veranderende sociale dynamiek doeltreffend te bestrijden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>benadrukt dat misbruik van het internet en het bedrijfsmodel van socialemediaplatforms, dat gebaseerd is op microtargeting op het gebied van reclame, bijdragen aan de verspreiding en versterking van haatzaaiende uitlatingen, het aanzetten tot discriminatie en geweld en het vergroten van het risico van revictimisatie; verzoekt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor de correcte tenuitvoerlegging van de huidige wetgeving, zoals Verordening (EU) 2022/2065<FOOTNOTE><FIELD> Verordening (EU) 2022/2065 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende een eengemaakte markt voor digitale diensten en tot wijziging van Richtlijn 2000/31/EG (digitaledienstenverordening) (PB L 277 van 27.10.2022, blz. 1).</FIELD></FOOTNOTE>, en gebruik te maken van alle middelen en instrumenten waarover zij beschikken om de verspreiding van haatzaaiende uitlatingen op het internet tegen te gaan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>herinnert eraan dat overheidsinstanties verantwoordelijk zijn voor het voorkomen, onderzoeken, vervolgen en melden van haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven, en dat zij daarbij rekening moeten houden met feiten die op haat wijzen; benadrukt dat toekomstige EU-wetgeving nauwe samenwerking moet ondersteunen en bevorderen met het maatschappelijk middenveld, organen voor gelijke behandeling en nationale mensenrechteninstellingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>verzoekt de Commissie en de lidstaten bijzondere aandacht te besteden aan minderjarigen, met inbegrip van minderjarigen die behoren tot kwetsbare groepen, teneinde hun speciale bescherming te bieden tegen haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven, te voorkomen dat deze incidenten zich voordoen, met inbegrip van pesten op school en cyberpesten, en de gevolgen ervan voor de ontwikkeling en de geestelijke gezondheid van minderjarigen tot een minimum te beperken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat een solide EU-kader voor juridische bescherming wordt ingesteld, zodat slachtoffers doeltreffend beschermd worden, met name slachtoffers uit kwetsbare groepen in de hele EU; benadrukt dat een intersectionele benadering moet worden gevolgd en dat het belangrijk is alomvattende maatregelen vast te stellen, waaronder het verstrekken van opleiding aan beroepsbeoefenaars die in contact kunnen komen met slachtoffers, alsook maatregelen ter waarborging van bescherming, veilige toegang tot een onafhankelijke justitie, gespecialiseerde hulporganisaties en schadeloosstelling voor slachtoffers; benadrukt dat slachtoffers hun ervaringen moeten kunnen melden bij de bevoegde autoriteiten en bescherming moeten kunnen krijgen; wijst erop dat wanneer de juridische bescherming van slachtoffers wordt gewaarborgd, dit een veilige omgeving zou creëren die zou bijdragen aan een toename van het aantal meldingen, wat nodig is om haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven te documenteren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>verzoekt de Commissie en de lidstaten, in samenwerking met de relevante instellingen en organen van de Unie, adequate gegevensverzamelingssystemen op te zetten voor het verkrijgen van solide, vergelijkbare, uitgesplitste en anonieme gegevens over haatincidenten, met inbegrip van haatmisdrijven, met inachtneming van de relevante nationale rechtskaders en de EU-wetgeving op het gebied van gegevensbescherming, en ook te zorgen voor adequate monitoringmechanismen om de regelmatige beschikbaarheid, vergelijkbaarheid en kwaliteit van de verzamelde gegevens te verbeteren en het effect van het beleid en de regelgeving op de bestrijding van haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven te beoordelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>verzoekt zijn voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>