<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P9_TA(2024)0056</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Verzoek om opheffing van de immuniteit van Eva Kaili</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A9-0029/2024 - Rapporteur: Ilana Cicurel)</STRING></HIDDEN><TXTLST><DECISION><TI><STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 6 februari 2024 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Eva Kaili (2023/2007(IMM))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verzoek tot opheffing van de immuniteit van Eva Kaili d.d. 15 december 2022 dat door de Europese hoofdaanklager werd ingediend en van de ontvangst waarvan op 19 januari 2023 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>na Eva Kaili te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”)<FOOTNOTE><FIELD>PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 29, lid 2,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011, 17 januari 2013 en 19 december 2019<FOOTNOTE><FIELD>Arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI: EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T‑346/11 en T‑347/11, ECLI:EU:T:2013:23; arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2019, Junqueras Vies, C-502/19, ECLI:EU:C:2019:1115.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 62 van de grondwet van de Helleense Republiek,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A9-0029/2024),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>Α.</NO.P>overwegende dat de Europese hoofdaanklager om de opheffing heeft verzocht van de parlementaire immuniteit van Eva Kaili in het kader van een lopend onderzoek naar feiten die mogelijk het zware strafbare feit vormen van aanzetting tot fraude die schadelijke gevolgen heeft voor de financiële belangen van de EU, met de omstandigheid dat zij herhaaldelijk zouden zijn gepleegd, als gevolg waarvan schade is ontstaan van meer dan 120 000 en 150 000 EUR, waarop een gevangenisstraf staat van 5 tot 15 jaar, zoals bepaald in artikel 46, lid 1, artikel 52, lid 2, en artikel 98, lid 2, van het Griekse wetboek van strafrecht en artikel 4, lid 1, en artikel 4, lid 2, punt b), van wet 2803/2000, in samenhang met artikel 2, lid 1, en artikel 386, lid 2, van het Griekse wetboek van strafrecht, artikel 24, lid 2, en artikel 26, lid 3, van wet 4689/2020;</P></CONS><CONS><P><NO.P>Β.</NO.P>overwegende dat de gedelegeerd Europese aanklager voor Griekenland naar aanleiding van een verslag van OLAF dat door het Europees Openbaar Ministerie is geregistreerd op 1 juli 2021, het onderzoek in kwestie heeft geopend op 8 september 2021; dat de gedelegeerd Europese aanklager die met de zaak is belast, op 12 november 2021 overeenkomstig haar taken OLAF heeft verzocht om overlegging van de documenten in het dossier; dat zij na analyse van de zaak OLAF op 2 februari 2022 om een nader onderzoek heeft verzocht en op 7 februari 2022 om vertaling van de documenten in het dossier van het Engels naar het Grieks; dat OLAF zijn eindverslag en de bewijsstukken heeft ingediend op 8 december 2022 en de bijbehorende vertalingen op 14 december 2022;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">overwegende dat de vermoedelijke onregelmatigheden waarvan Eva Kaili op de hoogte zou zijn geweest, met name betrekking hebben op:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(a)</SYMBOL>de niet-nakoming door een van haar geaccrediteerde parlementaire medewerkers (APA’s) van haar verplichtingen inzake aanwezigheid op de werkplek tussen 28 september 2015 en 2 juli 2019 en inzake uitoefening van haar taken;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(b)</SYMBOL>de indiening van verzoeken tot opdrachten voor dienstreizen en van kostendeclaraties en de inning van vergoedingen voor dienstreizen die niet zouden zijn verricht door vier van de APA’s van Eva Kaili, tussen februari 2016 en maart 2018 in het geval van de eerste, tussen mei 2015 en februari 2020 in het geval van de tweede, tussen december 2015 en april 2019 in het geval van de derde, en tussen oktober 2014 en februari 2020 in het geval van de vierde APA;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(c)</SYMBOL>de betaling van een deel van de salarissen/kosten van dienstreizen van een APA aan Eva Kaili, waarom zij zou hebben verzocht, tussen 28 september 2015 en 2 juli 2019;</ITEM></LIST></P></CONS></GRCONS><GRCONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat het Parlement niet als een rechtbank kan worden beschouwd en dat het lid in het kader van een procedure tot opheffing van de immuniteit niet als een “verdachte” kan worden beschouwd<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Gerecht van 30 april 2019, Briois/Parlement, T-214/18, ECLI:EU:T:2019:266.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat het gestelde strafbare feit geen betrekking heeft op een mening of stem die Eva Kaili in de uitoefening van haar ambt heeft geuit respectievelijk uitgebracht in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat ingevolge artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie de leden van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied de immuniteiten genieten die aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun staat worden verleend;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat in artikel 62 van de grondwet van de Helleense Republiek onder meer is bepaald dat leden van het parlement tijdens de zittingsperiode niet zonder voorafgaande toestemming van het parlement kunnen worden vervolgd, aangehouden, opgesloten of op enige andere wijze in hun rechten kunnen worden beperkt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat de parlementaire immuniteit tot doel heeft het Parlement en zijn leden te beschermen tegen gerechtelijke procedures in verband met activiteiten die in de uitoefening van parlementaire taken zijn verricht en die niet van die taken kunnen worden gescheiden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat het Parlement in deze zaak geen bewijs heeft gevonden dat duidt op fumus persecutionis, dat wil zeggen feiten die erop wijzen dat de betrokken gerechtelijke procedure is ingeleid om de politieke activiteit van het lid en dus van het Europees Parlement te schaden;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>besluit de immuniteit van Eva Kaili op te heffen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan het Europees Openbaar Ministerie en aan Eva Kaili.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST></SDOCTA>