<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P9_TA(2024)0077</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Associatieovereenkomsten betreffende de deelname van derde landen aan programma’s van de Unie</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(B9-0096/2024)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 8 februari 2024 over associatieovereenkomsten betreffende de deelname van derde landen aan programma’s van de Unie (2023/3018(RSP))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name artikel 218,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/695 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 tot vaststelling van Horizon Europa – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, tot vaststelling van de regels voor deelname en verspreiding en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1290/2013 en (EU) nr. 1291/2013<FOOTNOTE><FIELD>PB L 170 van 12.5.2021, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE> (Horizon Europa-verordening), en gezien de verklaring over associatieovereenkomsten zoals geformuleerd in het standpunt van het Parlement in eerste lezing van 17 april 2019 over die verordening<FOOTNOTE><FIELD>Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing van 17 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van Horizon Europa – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, en tot vaststelling van de regels voor deelname en verspreiding (PB C 158 van 30.4.2021, blz. 184).</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de partnerschapsovereenkomst op het gebied van betrekkingen en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Nieuw‑Zeeland, anderzijds<FOOTNOTE><FIELD>PB L 321 van 29.11.2016, blz. 3.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de ontwerpovereenkomst tussen de Europese Unie, enerzijds, en Nieuw‑Zeeland, anderzijds, betreffende de deelname van Nieuw‑Zeeland aan programma’s van de Unie<FOOTNOTE><FIELD>PB L 182 van 19.7.2023, blz. 4.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de ontwerpovereenkomst tussen de Europese Unie enerzijds en de regering van de Faeröer anderzijds betreffende de deelname van de Faeröer aan programma’s van de Unie<FOOTNOTE><FIELD>PB L 154 van 7.6.2022, blz. 4.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Besluit (EU) 2022/1526 van de Raad van 9 september 2022 houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen met Canada voor het sluiten van een overeenkomst inzake de algemene beginselen betreffende de deelname van Canada aan programma’s van de Unie en de associatie van Canada met Horizon Europa – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2021‑2027)<FOOTNOTE><FIELD>PB L 237 van 14.9.2022, blz. 17.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Besluit (EU) 2023/1081 van de Raad van 15 mei 2023 houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen met Japan met het oog op een overeenkomst inzake de algemene beginselen voor de deelname van Japan aan programma’s van de Unie en de associatie van Japan met Horizon Europa – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2021‑2027)<FOOTNOTE><FIELD>PB L 144 van 5.6.2023, blz. 58.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Besluit (EU) 2023/1093 van de Raad van 15 mei 2023 houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen met de Republiek Korea over een overeenkomst inzake de algemene beginselen voor de deelname van de Republiek Korea aan EU-programma’s en de associatie van de Republiek Korea met Horizon Europa – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie 2021‑2027<FOOTNOTE><FIELD>PB L 146 van 6.6.2023, blz. 18.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie van 20 november 2010<FOOTNOTE><FIELD>PB L 304 van 20.11.2010, blz. 47.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de vraag aan de Commissie over associatieovereenkomsten betreffende de deelname van derde landen aan programma’s van de Unie (O-000004/2024 – B9-0009/2024),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 136, lid 5, en artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de ontwerpresolutie van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie industrie, onderzoek en energie,</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Algemene overwegingen</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>wijst erop dat met EU-programma’s betere resultaten kunnen worden behaald als actief wordt samengewerkt met derde landen die dezelfde democratische waarden delen met de EU, en dat alle partijen daar baat bij hebben;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>merkt op dat Horizon Europa het grootste gezamenlijke onderzoeks- en innovatieprogramma ter wereld is voor de periode 2021‑2027;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>is er voorstander van dat derde landen met een gedegen capaciteit op het gebied van wetenschap, technologie en innovatie bij Horizon Europa worden betrokken en is van mening dat een dergelijke samenwerking bijdraagt tot de algehele kracht en doeltreffendheid van het externe optreden van de EU; moedigt de Commissie aan om meer associatieovereenkomsten met derde landen na te streven en te sluiten, aangezien dit het concurrentievermogen van de EU op mondiaal niveau vergroot; benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat bij alle relevante associatieovereenkomsten de klimaatdoelstellingen van Horizon Europa in acht worden genomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>benadrukt dat de associatie van derde landen bij EU-programma’s niet louter een technische aangelegenheid is, maar veeleer een politiek besluit betreffende de betrekkingen van de geassocieerde landen met de EU dat, specifiek voor Horizon Europa, raakt aan de kwestie van wetenschappelijke en academische vrijheid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>wijst op de bepalingen van de Verdragen, die, overeenkomstig de rechtsstaat, moeten worden nageleefd om het institutionele evenwicht en de rol van het Parlement te waarborgen; is van mening dat het beginsel van loyale samenwerking moet worden geëerbiedigd, dat waarborgt dat alle EU-instellingen elkaar bijstaan bij de uitvoering van taken die voortvloeien uit de Verdragen, onder meer om ervoor te zorgen dat meer rekening wordt gehouden met het standpunt van het Parlement, als directe vertegenwoordiger van de burgers van de EU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>plaatst vraagtekens bij de benadering van de Commissie met betrekking tot de sluiting van internationale overeenkomsten die gericht zijn op de deelname van derde landen aan programma’s van de Unie, die met zich meebrengt het Parlement wordt belemmerd in de uitoefening van zijn prerogatieven in het kader van de procedures voor de sluiting van internationale overeenkomsten van de Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>dringt er bij de Commissie en de Raad op aan ten volle rekening te houden met de rol van het Parlement bij de sluiting van associatieovereenkomsten die deze nieuwe opzet volgen, in overeenstemming met de Verdragen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>	benadrukt dat zijn vermogen om zinvolle goedkeuring te geven aan internationale overeenkomsten die specifiek betrekking hebben op de deelname van bepaalde landen aan programma’s van de Unie, wordt belemmerd door het feit dat dergelijke overeenkomsten niet voorzien in een structuur die parlementaire controle garandeert in het kader van een goedkeuringsprocedure voor associatie bij een specifiek programma van de Unie;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Samenwerkings- en associatieovereenkomsten tussen Nieuw‑Zeeland en de Europese Unie</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>	wijst op de sterke historische en culturele banden tussen de EU en Nieuw-Zeeland en de uitstekende staat van hun bilaterale betrekkingen, die gebaseerd zijn op gedeelde democratische waarden en talrijke gemeenschappelijke belangen; waardeert de uitstekende samenwerking op het gebied van handel, buitenlands beleid, onderzoek en innovatie en in multilaterale fora;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>benadrukt de belangrijke rol van Nieuw‑Zeeland als een van de belangrijkste gelijkgestemde partners van de EU in de dynamische en strategisch en economisch belangrijke Indo‑Pacifische regio; dringt aan op nauwere samenwerking op gebieden van wederzijds belang, met name buitenlandse zaken; onderstreept in dit verband de lopende samenwerking op het gebied van veiligheid tussen de EU en Nieuw‑Zeeland, met name wat betreft operaties en missies in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid van de EU; herinnert eraan dat Nieuw‑Zeeland een standpunt heeft ingenomen dat identiek is aan dat van de EU, door de illegale invasie van Rusland in Oekraïne te veroordelen en Oekraïne te steunen door het verlenen van bijstand en het opleggen van sancties aan Rusland;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>benadrukt daarnaast de onlangs gesloten vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Nieuw‑Zeeland, die tot doel heeft de bilaterale betrekkingen nog verder te versterken en de handel en investeringen te liberaliseren en te vergemakkelijken, met aanzienlijke wederzijdse voordelen en economische kansen voor bedrijven en consumenten, en die sterke en bindende sociale en milieuverbintenissen omvat in verband met de klimaatovereenkomst van Parijs; wijst op de positieve rol die de Europese diaspora in Nieuw‑Zeeland kan spelen bij de verdere verdieping van de betrekkingen tussen Nieuw‑Zeeland en de EU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>wijst erop dat de EU en Nieuw‑Zeeland een lange traditie van samenwerking op onderzoeksgebied hebben; benadrukt dat Nieuw‑Zeeland een uitstekende staat van dienst heeft op het gebied van deelname aan Horizon 2020, met 77 gefinancierde projecten, en dat Nieuw‑Zeelandse onderzoekers hebben deelgenomen aan de twee vorige kaderprogramma’s voor onderzoek en innovatie, KP7 en Horizon 2020, hetgeen de potentiële voordelen van de associatie van Nieuw‑Zeeland met Horizon Europa aantoont;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>is ingenomen met het voorstel om het partnerschap van de EU met Nieuw‑Zeeland te versterken door Nieuw‑Zeeland te associëren met het Horizon Europe-programma, waardoor de samenwerking op het gebied van onderzoek en innovatie verder zal worden versterkt en Nieuw‑Zeeland de belangrijkste regionale partner van de EU zal worden op het gebied van wetenschap en innovatie; merkt echter op dat er geen bepalingen zijn die een behoorlijke parlementaire controle mogelijk maken op de toekomstige associatie van Nieuw‑Zeeland met EU-programma’s;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>wijst erop dat de Commissie en de Raad in de overeenkomst over de deelname van Nieuw‑Zeeland aan programma’s van de Unie het bij die overeenkomst opgerichte gemengd comité de bevoegdheid geven om protocollen vast te stellen om Nieuw‑Zeeland bij om het even welk programma van de Unie te betrekken, ondanks het feit dat het Parlement bezwaar maakt tegen dit prerogatief, waardoor het gemengd comité de facto uitvoeringsbevoegdheid krijgt over essentiële aspecten; merkt op dat de essentiële besluiten die aan het gemengd comité kunnen worden gedelegeerd onder meer betrekking hebben op de reikwijdte van de associatie bij afzonderlijke programma’s en op essentiële bepalingen inzake het automatische correctiemechanisme;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>betreurt dat het gemengd comité bevoegd is om alle geldende associatieprotocollen, die ook bepalingen kunnen bevatten met betrekking tot herzieningen, audits en financiële onregelmatigheden, door middel van protocollen te wijzigen; wijst erop dat dergelijke wijzigingen dan zouden worden doorgevoerd zonder het Parlement daarbij te betrekken; benadrukt dat het Parlement, door hier het groene licht aan te geven, het gemengd comité in feite een onbeperkt mandaat zou verlenen; wijst erop dat de Raad tot taak heeft toezicht te houden op het optreden van de Commissie in het gemengd comité, maar deze taak in feite vaak verwaarloost en niet adequaat verslag uitbrengt aan het Parlement, wat leidt tot een volledig gebrek aan toezicht en controle op dergelijke internationale overeenkomsten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>benadrukt zijn standpunt ten aanzien van associatieovereenkomsten in verband met Horizon Europa, zoals vastgesteld in een verklaring bij de goedkeuring van de Horizon Europa-verordening, waarin wordt benadrukt dat bij de oprichting van een orgaan op basis van dergelijke overeenkomsten niet voorbij mag worden gegaan aan de noodzaak om op zinvolle wijze de goedkeuring van het Parlement te verkrijgen; is van mening dat essentiële aspecten van de betrokkenheid van een derde land bij Horizon Europa niet aan een dergelijk orgaan mogen worden gedelegeerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>is het niet eens met deze nieuwe structuur voor internationale overeenkomsten, die het Parlement niet in staat stelt zijn bevoegdheden overeenkomstig artikel 218, lid 6, punt a), VWEU uit te oefenen; is van mening dat dit het Parlement belemmert in de uitoefening van zijn prerogatieven en geen rekening houdt met het vereiste institutionele evenwicht, en dat daarom op dit punt wijzigingen moeten worden doorgevoerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>herinnert er in dit verband aan dat artikel 218, lid 10, VWEU bepaalt dat het Parlement in ieder fase van de procedure voor de onderhandelingen over en de sluiting van de in dat artikel bedoelde internationale overeenkomsten onverwijld en ten volle geïnformeerd moet worden en dat deze bepaling, zoals het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) heeft geoordeeld, een uitdrukking is van de democratische beginselen waarop de EU is gegrondvest; benadrukt in het bijzonder het feit dat het HvJ-EU eerder heeft verklaard dat de betrokkenheid van het Parlement bij het besluitvormingsproces op EU-niveau de weerspiegeling is van het fundamentele democratische beginsel dat het volk via een vertegenwoordigende vergadering moet deelnemen aan de uitoefening van de macht<FOOTNOTE><FIELD>Arresten van het Hof van Justitie van 29 oktober 1980, Roquette Frères/Raad, zaak C-138/79, ECLI:EU:C:1980:249, punt 33, en van 24 juni 2014, Parlement/Raad, zaak C-658/11, ECLI:EU:C:2014:2025, punt 81.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>herinnert er in dit verband aan dat de overeenkomsten in kwestie zonder precedent zijn, aangezien zij de deelname van een nieuw type derde land mogelijk maken en dit voor het eerst doen via een algemene overeenkomst die alle programma’s van de Unie omvat; benadrukt dat een dergelijke deelname in het verleden zou worden geregeld via een afzonderlijke overeenkomst voor elk programma van de Unie en beperkt zou blijven tot een specifiek meerjarig financieel kader; benadrukt dat het Parlement, gezien de nieuwe aard van deze overeenkomsten, niet beschikt over relevante gegevens of informatie die gebruikt zou kunnen worden om de mogelijke gevolgen ervan voor de huidige generatie programma’s van de Unie of voor toekomstige generaties programma’s van de Unie op zinvolle wijze te beoordelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>is tegen deze achtergrond van mening dat het Parlement in staat zou moeten zijn de deelname van de burgers aan het besluitvormingsproces op zinvolle wijze te waarborgen, gezien de structuur van deze internationale overeenkomsten, waarbij het besluit over de associatie, met inbegrip van de reikwijdte van die associatie, met een bepaald programma door een derde land pas in de toekomst wordt genomen, vaak lang nadat het Parlement heeft ingestemd met de sluiting van de oorspronkelijke overeenkomst met dat derde land;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>herinnert eraan dat zijn standpunt over de aanpak van de Commissie niet mag worden uitgelegd als een bezwaar tegen Nieuw‑Zeeland of tegen de jarenlange hechte samenwerking tussen dit land en de EU;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Deelname van andere gelijkgestemde landen aan programma’s van de Unie</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>betreurt dat de ontwerpovereenkomst inzake de deelname van de Faeröer en de voorgestelde associaties van Canada, de Republiek Korea en Japan dezelfde structuur hebben als de ontwerpovereenkomst met Nieuw‑Zeeland; verzoekt de Commissie niet te verhinderen dat het Parlement zijn instemmingsrecht uitoefent met betrekking tot een associatie met een programma van de Unie en associatieovereenkomsten met nieuwe partners alleen aan te gaan wanneer het Parlement zijn recht op zinvolle instemming heeft kunnen uitoefenen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>uit zijn bezorgdheid over het feit dat de onlangs overeengekomen automatische korting op de bijdrage van het VK aan Horizon Europa in geval van een “lager dan verwachte” deelname van het VK aan het programma heeft geleid tot inconsistenties met de bepalingen van de handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en het VK waarmee het Parlement heeft ingestemd;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">De weg vooruit</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>herinnert eraan dat het in alle stadia van onderhandelingen over en sluiting van internationale overeenkomsten onmiddellijk en volledig op de hoogte moet worden gehouden, overeenkomstig de kaderovereenkomst over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>verzoekt de Commissie het Parlement regelmatig gedetailleerde verslagen te doen toekomen over de uitvoering van de overeenkomsten, zoals updates over aspecten als bereikte mijlpalen, uitdagingen, succespercentages van voorstellen van entiteiten uit derde landen, jaarlijkse bijdragen van derde landen, uitvoering van de begroting en controleresultaten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>dringt er bij de Commissie op aan onderhandelingen te starten over een interinstitutioneel akkoord waarin de algemene beginselen worden vastgelegd voor democratische controle door het Parlement op de uitvoering van overeenkomsten over de deelname van derde landen aan programma’s van de Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>spreekt de hoop uit dat de Commissie de situatie zal ophelderen door een duidelijk en bevredigend antwoord te geven op de mondelinge vraag van het Parlement, alvorens toestemming kan worden verleend; is bereid ten volle met de Commissie en de Raad samen te werken om dit eindresultaat te bereiken;</P></ACTION><SEPARATION><P>°</P><P>°	°</P></SEPARATION><ACTION><P><NO.P>28.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>