<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF2" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P9_TA(2024)0082</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A9-0053/2024 - Rapporteurs: Jan Olbrycht, Margarida Marques)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Niet-wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 februari 2024 over de ontwerpverordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027 (05818/2024 – C9-0030/2024 – 2023/0201M(APP))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 311, 312 en 323, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het ontwerp van verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021‑2027 (05818/2024),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verzoek tot goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 312, lid 2, VWEU (C9-0030/2024),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 van de Raad van 17 december 2020 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021‑2027<FOOTNOTE><FIELD>PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 11.</FIELD></FOOTNOTE> en de gezamenlijke verklaringen van het Parlement, de Raad en de Commissie in dit verband<FOOTNOTE><FIELD>PB C 444 I van 22.12.2020, blz. 4.</FIELD></FOOTNOTE> en de unilaterale verklaringen daaromtrent<FOOTNOTE><FIELD>Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0357.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 van de Raad van 14 december 2020 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie en tot intrekking van Besluit 2014/335/EU, Euratom<FOOTNOTE><FIELD>PB L 424 van 15.12.2020, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2020 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie betreffende begrotingsdiscipline, samenwerking in begrotingszaken en goed financieel beheer, alsmede betreffende nieuwe eigen middelen, met inbegrip van een routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen<FOOTNOTE><FIELD>PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 28.</FIELD></FOOTNOTE> (“het IIA”),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2020/2092 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de Uniebegroting<FOOTNOTE><FIELD>PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het voorstel van de Commissie van 20 juni 2023 voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021‑2027 (COM(2023)0337),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 20 juni 2023 met de titel “Tussentijdse herziening van het meerjarig financieel kader 2021‑2027” (COM(2023)0336) en het begeleidend werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2023)0336),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de conclusies van de Europese Raad van 1 februari 2024,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 3 oktober 2023 over het voorstel voor een tussentijdse herziening van het meerjarig financieel kader 2021‑2027<FOOTNOTE><FIELD>Aangenomen teksten, P9_TA(2023)0335.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 10 mei 2023 over de gevolgen voor de EU-begroting 2024 van de stijgende financieringskosten van het herstelinstrument voor de Europese Unie<FOOTNOTE><FIELD>Aangenomen teksten, P9_TA(2023)0194.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 15 december 2022 over het opschalen van het meerjarig financieel kader 2021‑2027: een veerkrachtige EU-begroting die geschikt is voor nieuwe uitdagingen<FOOTNOTE><FIELD>Aangenomen teksten, P9_TA(2022)0450.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 19 mei 2022 over de sociale en economische gevolgen voor de EU van de Russische oorlog in Oekraïne – versterking van het vermogen van de EU om op te treden<FOOTNOTE><FIELD>Aangenomen teksten, P9_TA(2022)0219.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 105, lid 2, van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A9-0053/2024),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat de verordening tot bepaling van het meerjarig financieel kader (MFK) voor de jaren 2021-2027 niet voorziet in een verplichte tussentijdse evaluatie of herziening; overwegende dat de Commissie zich er in een unilaterale verklaring in het kader van het akkoord van december 2020 over het MFK toe heeft verbonden uiterlijk op 1 januari 2024 met een evaluatie van de werking van het MFK te komen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat het Parlement in december 2022 heeft benadrukt dat de politieke, economische en sociale context sinds de goedkeuring van het MFK in december 2020 ingrijpend is veranderd, en de Commissie heeft verzocht haar geplande evaluatie te vervroegen en een herziening van het huidige MFK voor te stellen;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>benadrukt dat een herziening van de MFK-verordening een essentiële voorwaarde is voor het waarborgen van financiële steun op middellange termijn aan Oekraïne via de faciliteit voor Oekraïne, voor het mogelijk maken van meer financiering voor gerichte beleidsprioriteiten en voor het veiligstellen van de programma’s van de Unie en de flexibiliteit van de begroting in het licht van hoger dan voorspelde rentevoeten en bijgevolg hoger dan geprogrammeerde financieringskosten van de Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>benadrukt dat de ontwerpverordening van de Raad tot wijziging van het MFK deel uitmaakt van een wetgevingspakket en dat de vaststelling ervan het mogelijk zal maken snel steun te verlenen aan Oekraïne en ervoor zal zorgen dat reeds in de begroting 2024 zo snel mogelijk verhogingen kunnen worden opgenomen door middel van een gewijzigde begroting alsook voor de resterende jaren van de looptijd van het MFK; benadrukt dat de herziening van het MFK een duidelijke verbetering betekent ten opzichte van de status quo, hoewel sommige aspecten van de ontwerpverordening van de Raad overduidelijk betreurenswaardig zijn, waardoor de EU-begroting onder druk blijft staan, met beperkte marges en flexibiliteit, met bezuinigingen op belangrijke programma’s zoals Horizon Europe, EU4Health, evenals in het cohesiebeleid en het gemeenschappelijk landbouwbeleid, en met verminderde ambitie op belangrijke toekomstgerichte beleidsterreinen, zoals soevereiniteit;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>herinnert eraan dat het Parlement heeft aangevoerd dat de herziening in de eerste plaats gericht moet zijn op het aanpakken van de gevolgen van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne en op het bieden van voldoende flexibiliteit aan de Unie om in te spelen op opkomende behoeften en crises, met een structurele aanpak om Oekraïne te ondersteunen en de financieringskosten van NextGenerationEU te beheren en meer financiering te verstrekken voor extern beleid, migratie en strategische autonomie en concurrentievermogen; merkt op dat deze prioriteiten allemaal tot uiting kwamen in het voorstel van de Commissie van juni 2023 voor een herziening en allemaal, althans tot op zekere hoogte, zijn opgenomen in de ontwerpverordening van de Raad waarvoor het Parlement wordt verzocht zijn goedkeuring te verlenen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>onderstreept dat het Parlement van meet af aan snel en constructief heeft gewerkt om een snelle goedkeuring van het MFK-pakket mogelijk te maken; betreurt het dat het proces werd overschaduwd door politieke moeilijkheden tussen de lidstaten, met ongewenste vertragingen in de Raad tot gevolg; dringt erop aan dat de in deze herziening aangebrachte wijzigingen onverwijld worden uitgevoerd, met name om de tijdige betaling van financiële steun aan Oekraïne te waarborgen gezien de urgente behoeften;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>is teleurgesteld over het feit dat de Raad en de Commissie de bepalingen van de Verdragen en het IIA niet hebben toegepast om de juiste mate van betrokkenheid eerder in het proces mogelijk te maken; dringt erop aan dat er in de toekomst een samenwerking tot stand wordt gebracht aan het begin van elke herzieningsprocedure;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>zet hieronder zijn overwegingen uiteen met betrekking tot de verschillende aspecten van de herziening van het MFK;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Steun voor Oekraïne</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>is zeer ingenomen met het financieringspakket van 50 miljard EUR voor Oekraïne voor de periode 2024-2027, waarbij subsidies (17 miljard EUR) worden gecombineerd met leningen tegen zeer gunstige voorwaarden (33 miljard EUR) en verankerd zijn in de EU-begroting; benadrukt dat de wijziging van de MFK-verordening waarvoor het Parlement wordt verzocht zijn goedkeuring te verlenen een voorwaarde is voor het verstrekken van financiële steun aan Oekraïne;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>benadrukt dat deze structurele oplossing voor de middellange termijn de bevolking van Oekraïne zekerheid biedt, waardoor de overheid essentiële diensten kan handhaven en het land wordt geholpen op weg naar wederopbouw, herstel en lidmaatschap van de EU; is bovendien van mening dat het financieringspakket een essentieel symbool is van de langetermijninzet van de Unie ten aanzien van Oekraïne en zijn bevolking en dat het een belangrijk signaal van die inzet is, zowel aan andere belangrijke donoren als aan de Russische Federatie; verbindt zich ertoe de toekomstige financieringsbehoeften van Oekraïne te monitoren, rekening houdend met internationale ontwikkelingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>benadrukt dat, met de faciliteit voor Oekraïne die is opgenomen in de EU-begroting, de nodige controlemechanismen voor uitgaven en de vereiste financiële controles zullen worden gewaarborgd, en dat de reserve voor Oekraïne die betrekking heeft op de subsidiecomponent van de faciliteit door de begrotingsautoriteit zal worden aangesproken in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Rubrieken 4 en 6 – Migratie en de externe dimensie</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>is ingenomen met het feit dat nog eens 3,1 miljard EUR aan nieuwe middelen beschikbaar zal worden gesteld voor rubriek 6 (nabuurschap en de wereld), in combinatie met nog eens 4,5 miljard EUR aan vrijgemaakte en herschikte middelen die binnen de rubriek moeten worden herbestemd, voor een totaalbedrag van 7,6 miljard EUR dat volgens planning zal worden besteed aan steun voor migratiemaatregelen en vluchtelingen in derde landen en aan meer financiering voor toetreding voor landen van de Westelijke Balkan tussen 2024 en 2027; benadrukt verder dat de oprichting van de faciliteit voor Oekraïne en de grotere steun voor de Westelijke Balkan ook ruimte zullen creëren voor meer financiële steun aan Moldavië op zijn weg naar toetreding;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>is ingenomen met het feit dat bij de herziening de aan Oekraïne gerelateerde garanties van de Europese Investeringsbank en de rentesubsidies voor macrofinanciële bijstandsleningen aan Oekraïne voor een totaalbedrag van 1,9 miljard EUR in 2022 uit rubriek 6 worden gehaald, waardoor de rubriek minder onder druk komt te staan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>is zeer teleurgesteld dat noch de buffer in het kader van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI) – Europa in de wereld, noch de humanitaire hulp in het kader van de herziening van het MFK zijn versterkt en dat, ondanks de verbeteringen, de rubriek als geheel voor de rest van het MFK onder aanzienlijke druk zal blijven staan gezien de moeilijke geopolitieke situatie en de combinatie van wereldwijde crises; verwacht dat de behoeften inzake humanitaire hulp de begrote bedragen zullen blijven overschrijden en is daarom van plan deze behoeften zorgvuldig te monitoren en indien nodig in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure aan te pakken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>herinnert eraan dat vrijgemaakte middelen in het kader van de NDICI-verordening opnieuw moeten worden vastgelegd in het oorspronkelijke begrotingsonderdeel; benadrukt dat besluiten over de herschikking van vrijgemaakte middelen in overeenstemming moeten zijn met het interne evenwicht en de verdeling tussen de begrotingsonderdelen waarin de NDICI-verordening voorziet; benadrukt dat de precieze verdeling van de middelen over begrotingsonderdelen uitsluitend door de begrotingsautoriteit wordt vastgesteld in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure, en is vastbesloten ervoor te zorgen dat de EU essentiële financiële steun en ontwikkelingshulp aan het Mondiale Zuiden blijft verlenen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>benadrukt dat financiële steun aan derde landen moet worden verleend via programma’s binnen rubriek 6, wat zorgt voor robuust toezicht en de prerogatieven van het Parlement waarborgt; benadrukt dat het gebruik van faciliteiten een laatste toevlucht is voor het verlenen van financiële steun; benadrukt dat het governancemodel dat in de faciliteit voor Oekraïne wordt gehanteerd, met name wat betreft het uitgebreide gebruik van uitvoeringsbesluiten van de Raad, specifiek is voor de context waarin de faciliteit zal functioneren en bijgevolg uitzonderlijk is en niet mag worden overgenomen in gelijkaardige toekomstige instrumenten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>is ingenomen met de extra 2 miljard EUR in rubriek 4 (migratie en grensbeheer), die van cruciaal belang zal zijn voor de uitvoering van het nieuwe migratie- en asielpact en de druk op programma’s en gedecentraliseerde agentschappen in de rubriek zal helpen verlichten;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Platform voor strategische technologieën voor Europa (STEP)</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>benadrukt dat het platform voor strategische technologieën voor Europa is opgezet als een hefboom om synergieën tussen bestaande programmastructuren tot stand te brengen en zo bij te dragen tot het veiligstellen van de open strategische autonomie van de Unie, het verminderen van de afhankelijkheid van landen buiten de EU, het stimuleren van investeringen in strategische sectoren en het bevorderen van de groene en de digitale transitie; herhaalt dat het STEP moet dienen als proeftuin voor een volwaardig soevereiniteitsfonds in de volgende MFK-periode;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>herinnert er in dit verband aan dat het STEP bedoeld was om nieuwe financiering voor InvestEU en Horizon Europa, voor het Innovatiefonds en voor het Europees Defensiefonds te combineren met een herprioritering van middelen in het kader van bestaande programma’s, met name via meer voorfinanciering en medefinanciering in het kader van cohesiebeleidsprogramma’s;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>is ingenomen met de verhoging van de investeringscapaciteit van de Unie op het gebied van defensie door de versterking van het Europees Defensiefonds met 1,5 miljard EUR; betreurt evenwel de over het geheel genomen beperkte aanvullende middelen ter ondersteuning van de STEP-doelstellingen en het gebrek aan nieuwe financiering voor de andere programma’s, wat negatieve gevolgen heeft voor groene en digitale investeringen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Rentebetalingen NextGenerationEU</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>is ingenomen met het feit dat in de ontwerpverordening van de Raad een speciaal instrument zonder bovengrens wordt ingesteld dat de maxima overschrijdt (het EURI-instrument) om ten minste een deel van het tekort van de financieringskosten van NGEU te dekken, wat zekerheid zal bieden aan de financiële markten; herinnert eraan dat het tekort momenteel wordt geraamd op 15 miljard EUR tussen 2025 en 2027; benadrukt dat, zonder een herziening van het MFK, een tekort alleen kan worden verholpen door te bezuinigen op de programma’s en de begrotingsflexibiliteit uit te hollen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>benadrukt dat de terugbetalingskosten van NextGenerationEU (NGEU) onderhevig zijn aan marktvoorwaarden, worden beïnvloed door externe factoren en dus inherent volatiel zijn, en dat de terugbetaling van financieringskosten een niet-discretionaire juridische verbintenis voor de Unie is; herhaalt daarom dat het in de onderhandelingen over het MFK van 2020 sterk gekant was tegen het opleggen van een plafond voor de terugbetaling van de financieringskosten van NGEU binnen een MFK-rubriek; herinnert eraan dat het er herhaaldelijk op heeft aangedrongen dat alle financieringskosten voor NGEU boven de MFK-maxima worden geplaatst als een alomvattende structurele oplossing om de terugbetalingskosten van NGEU te dekken, die zijn toegenomen als gevolg van stijgende rentevoeten en een aanzienlijk gebruik van de begrotingsflexibiliteit in 2023 en 2024 hebben gevergd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>benadrukt dat het EURI-instrument uit twee onderdelen bestaat, waarbij het eerste een bedrag omvat dat gelijk is aan vrijgemaakte middelen en het tweede een achtervangmechanisme bestaande uit aanvullende bijdragen van de lidstaten; herhaalt het aloude standpunt van het Parlement dat vrijgemaakte kredieten deel moeten blijven uitmaken van de begroting en door de begrotingsautoriteit in de jaarlijkse begrotingsprocedure moeten worden vastgelegd; is dan ook ingenomen met deze belangrijke stap door de erkenning dat binnen de begroting vastgelegde kredieten deel moeten blijven uitmaken van de begroting en de broodnodige begrotingsflexibiliteit moeten helpen bieden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>merkt op dat van de begrotingsautoriteit wordt verwacht dat zij, alvorens een beroep te doen op het speciale instrument, de mogelijkheid onderzoekt om een deel van eventuele terugbetalingstekorten binnen de rubrieken en via het flexibiliteitsinstrument en het enkelvoudige marge-instrument op te lossen; benadrukt dat dit proces objectief moet zijn en gebaseerd moet zijn op reële behoeften en niet mag worden gestuurd door willekeurige benchmarks; herinnert er in dit verband aan dat de gezamenlijke verklaring die door de drie instellingen is overeengekomen als onderdeel van het MFK-akkoord van 2020, waarin staat dat uitgaven ter dekking van de financieringskosten van NGEU erop gericht zijn programma’s en fondsen niet te verminderen, nog steeds van toepassing is en als referentiepunt voor de begrotingsautoriteit dient; is dan ook van plan ervoor te zorgen dat alle programma’s over voldoende middelen beschikken en dat de flexibiliteit en responscapaciteit van de begroting worden gehandhaafd via de jaarlijkse begrotingsprocedure;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>dringt erop aan dat de Commissie gedurende de gehele begrotingsprocedure betrouwbare, tijdige en nauwkeurige informatie verstrekt over de financieringskosten van NGEU en over verwachte uitbetalingen in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>benadrukt dat de Europese Raad op grond van de Verdragen noch in de begrotingsprocedure, noch in de wetgevingsprocedure een rol speelt; benadrukt dat besprekingen over het EURI-instrument in de Europese Raad het pragmatische tijdschema voor de begrotingsprocedure dat elk jaar overeenkomstig het IIA wordt overeengekomen, niet mogen verstoren en dat daarin op geen enkele wijze voorwaarden mogen worden gesteld aan het verloop van de begrotingsprocedure; benadrukt dat het in dit verband bijzonder waakzaam zal zijn en erop zal toezien dat de in de Verdragen vastgelegde prerogatieven van de begrotingsautoriteit volledig worden geëerbiedigd en dat het IIA volledig wordt nageleefd;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Flexibiliteitsinstrument en speciale instrumenten</STRING></STRING></ACTINIT><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Reserve voor solidariteit en noodhulp</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>wijst op de toegenomen behoeften sinds het begin van het MFK voor humanitaire hulp en noodhulp binnen en buiten de Unie en voor steun in verband met natuurrampen, die steeds vaker voorkomen en intenser worden, met name als gevolg van de klimaatverandering; is ervan overtuigd dat dergelijke behoeften waarschijnlijk zullen toenemen; is daarom ingenomen met het feit dat de reserve voor solidariteit en noodhulp (SEAR) voor de rest van de MFK-periode met 1,5 miljard EUR zal worden verhoogd, maar blijft bezorgd over het feit dat zelfs met deze verhoging waarschijnlijk niet in de behoeften zal kunnen worden voorzien;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>is bovendien ingenomen met het feit dat, in overeenstemming met het reeds lang bestaande standpunt van het Parlement, het instrument in de ontwerpverordening van de Raad wordt opgesplitst in twee delen: de Europese solidariteitsreserve voor natuurrampen en noodsituaties op het gebied van de volksgezondheid in het kader van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie en de reserve voor noodhulp voor snelle respons op noodsituaties binnen en buiten de Unie; is van mening dat deze herziene architectuur de uitvoering zal vergemakkelijken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>is evenwel bezorgd over het feit dat de verdeling van het percentage tussen de twee reserves, waarbij twee derde moet worden toegewezen aan de solidariteitsreserve en een derde aan de reserve voor noodhulp, niet volledig is afgestemd op het evenwicht van de behoeften in de eerste drie jaar van het MFK, waarbij de verhouding eerder 65-35 was;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>28.</NO.P>is ingenomen met het feit dat potentiële ongebruikte bedragen in het kader van de solidariteitsreserve en de reserve voor noodhulp die anders zouden vervallen, het volgende jaar opnieuw ter beschikking zullen worden gesteld van het flexibiliteitsinstrument, waarbij een belangrijk beginsel wordt vastgesteld om de flexibiliteit te vergroten;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Flexibiliteitsinstrument</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>29.</NO.P>onderkent dat de ontwerpverordening van de Raad enige druk op de begroting wegneemt door het flexibiliteitsinstrument tussen 2024 en 2027 met 2 miljard EUR te verhogen en door het speciale EURI-instrument voor overschrijdingen van de financieringskosten van NGEU in het leven te roepen; is niettemin van mening dat, gezien de logica van de stappen die leiden tot de activering van het nieuwe speciale instrument en het tekort bij de administratieve uitgaven als gevolg van de inflatie, de verhoging de facto reeds grotendeels vooraf is toegewezen; blijft bezorgd over het feit dat de verhoging, in overeenstemming met de bestedingspatronen in de eerste jaren van het MFK, mogelijk onvoldoende begrotingsruimte creëert om de Unie in staat te stellen te reageren op onvoorziene omstandigheden en nieuwe behoeften;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>30.</NO.P>betreurt het dat, wat flexibiliteit en crisisrespons betreft, de herziening van het MFK louter als een gemiste kans kan worden beschouwd;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Nieuwe eigen middelen</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>31.</NO.P>bevestigt zijn gehechtheid aan de juridisch bindende routekaart in het IIA, waarin het Parlement, de Raad en de Commissie toegezegd hebben voldoende nieuwe eigen middelen in te voeren om ten minste de terugbetaling van de financieringskosten van NGEU en, buiten het huidige MFK, de hoofdsom te dekken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>32.</NO.P>betreurt het ten zeerste dat er in de Raad geen vooruitgang is geboekt met de voorstellen inzake eigen middelen die op tafel liggen, en herinnert eraan dat het alle nodige stappen heeft ondernomen om een snelle goedkeuring mogelijk te maken; verzoekt de Raad de voorstellen onverwijld goed te keuren; benadrukt dat vooruitgang op het gebied van echte nieuwe eigen middelen naast de bestaande voorstellen van vitaal belang blijft;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Betalingen</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>33.</NO.P>benadrukt dat de geloofwaardigheid van de Unie afhangt van het waarborgen van toereikende betalingskredieten zodat de begunstigden tijdig het geld ontvangen dat zij moeten krijgen; herinnert eraan dat de betalingsbehoeften in de laatste jaren van de MFK-periode naar verwachting sterk zullen toenemen, onder meer door het aangepaste toepassingsgebied en de aangepaste regels voor het gebruik van cohesiefondsen uit hoofde van de STEP-verordening;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>34.</NO.P>betreurt het daarom dat er in de ontwerpverordening van de Raad geen rekening is gehouden met het voorstel van het Parlement om het jaarlijkse plafond voor betalingskredieten met het oog op het gebruik van het enkelvoudig marge-instrument af te schaffen, waardoor elk risico op een betalingscrisis zou zijn weggenomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>35.</NO.P>merkt op dat de ontwerpverordening van de Raad voorziet in enige flexibiliteit in de betalingsmaxima door toe te staan dat een bedrag dat gelijk is aan het ongebruikte deel van de maximale jaarlijkse aanpassing van het betalingsplafond voor 2025 wordt overgedragen naar 2026, hoewel dit het risico op een betalingsachterstand niet volledig wegneemt; verzoekt de Commissie nauwlettend toe te zien op de ontwikkeling van de betalingsbehoeften en de begrotingsautoriteit tijdig de nodige corrigerende maatregelen voor te stellen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Gevolgen voor de EU-begroting </STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>36.</NO.P>benadrukt dat, in tegenstelling tot de nationale begrotingen, waar de inflatie van invloed is op de nominale waarde van zowel de ontvangsten als de uitgaven, de uitgavenmaxima van het MFK jaarlijks met 2 % worden verhoogd, terwijl het maximum van de eigen middelen mee evolueert met de inflatie; herinnert eraan dat de reële waarde van het MFK als gevolg van de inflatie volgens de Commissie met 74 miljard EUR is gedaald, terwijl de ontvangsten die van de lidstaten worden gevraagd voor MFK-uitgaven zijn gedaald als percentage van het bruto nationaal inkomen (bni) en de kortingen voor de vijf begunstigde lidstaten, die geïndexeerd zijn, sneller zijn gestegen dan de MFK-maxima;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>37.</NO.P>blijft bezorgd over het feit dat, zelfs na de herziening, de totale vastleggingskredieten slechts 1,02 % van het bni bedragen en de totale betalingskredieten slechts 1,01 % van het bni; herinnert eraan dat de betalingskredieten in het huidige MFK oorspronkelijk 1,10 % van het bni moesten bedragen; onderkent tegelijkertijd de begrotingsuitdagingen waarmee veel lidstaten worden geconfronteerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>38.</NO.P>betreurt de bezuinigingen op vlaggenschipprogramma’s in de herziening van het MFK, met name de programma’s die specifiek zijn versterkt in het kader van de MFK-overeenkomst van 2020, en is met name bezorgd over het politieke signaal dat met dergelijke bezuinigingen wordt afgegeven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>39.</NO.P>is zeer verontrust over de verlaging van de financiële middelen voor Horizon Europa met 2,1 miljard EUR, wat indruist tegen de door de Raad zelf geformuleerde doelstelling om 3 % van het bruto binnenlands product te investeren in onderzoek en ontwikkeling; benadrukt dat meer investeringen in onderzoek en innovatie (O&amp;I) in Europa vandaag de dag een absolute voorwaarde zijn om het Europese economische concurrentievermogen in de toekomst veilig te stellen; merkt op dat er meer investeringen in O&amp;I nodig zijn om Europa in staat te stellen zijn technologische leiderschap te behouden of te ontwikkelen in sectoren die de meeste gevolgen zullen ondervinden van de groene en de digitale transitie; wijst erop dat bezuinigingen op de Europese O&amp;I-activiteiten indruisen tegen de beloften van de EU-leiders om het concurrentievermogen van de EU te versterken en haar open strategische autonomie te versterken; wijst er evenwel op dat het Parlement de gevolgen van de verlaging van Horizon Europa heeft helpen verzachten door 100 miljoen EUR aan vrijgemaakte middelen voor onderzoek uit hoofde van artikel 15, lid 3, van het Financieel Reglement beschikbaar te stellen ten behoeve van het programma, boven op de 500 miljoen EUR die reeds in 2020 was overeengekomen; herinnert eraan dat het hergebruik van vrijgemaakte middelen voor onderzoek een lang bestaande eis van het Parlement is;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>40.</NO.P>herinnert aan het belang van het gezondheidsbeleid en aan de duidelijke politieke toezegging in de MFK-overeenkomst van 2020 om prioriteit te geven aan gezondheidsfinanciering; is daarom zeer teleurgesteld over de verlaging met 1 miljard EUR voor EU4Health; is van mening dat een dergelijk besluit de paraatheid voor verdere pandemieën wellicht zal ondermijnen en het vermogen van de Unie om volksgezondheidsstelsels te ondersteunen, zal beperken; wijst er evenwel op dat het uitgavenprofiel van het programma op verzoek van het Parlement is aangepast om de impact van de bezuinigingen op de praktische uitvoering te beperken door het effect van de verlaging gelijkmatiger over de resterende jaren te spreiden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>41.</NO.P>herinnert aan zijn standpunt dat vooraf toegewezen nationale middelen niet mogen worden aangepast bij de herziening van het MFK; is daarom ingenomen met het besluit om de vooraf toegewezen nationale middelen onaangetast te laten en daar geen rekening mee te houden in het mechanisme ter dekking van het tekort bij de financieringskosten van NGEU; betreurt evenwel de bezuinigingen op acties onder direct beheer in het kader van het cohesiebeleid (-0,4 miljard EUR) en het gemeenschappelijk landbouwbeleid (-0,7 miljard EUR), waardoor het volledige potentieel en de impact van deze acties worden beperkt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>42.</NO.P>onderkent dat zowel het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) als de reserve voor aanpassing aan de Brexit (BAR) niet in de voorziene mate zijn aangesproken en dat er dus ruimte is om de bijbehorende middelen aan te passen; is van mening dat middelen uit deze speciale instrumenten voor andere doeleinden in de begroting hadden moeten worden hergebruikt, bijvoorbeeld om het flexibiliteitsinstrument te versterken;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Uitvoering van het MFK-pakket</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>43.</NO.P>verzoekt de Commissie de begrotingsautoriteit gedetailleerd uit de doeken te doen hoe zij alle wijzigingen in programma’s en speciale instrumenten denkt te beheren, zodat de doelstellingen daarvan maximaal kunnen worden verwezenlijkt, en gedetailleerde informatie te verstrekken over de gevolgen van de herziening voor de EU-begroting in haar geheel;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>44.</NO.P>is bereid om, gezien de urgentie van deze kwestie, onverwijld de nodige wetgevings- en begrotingswijzigingen goed te keuren; herinnert in dit verband aan de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de integratie van de resultaten van de herziening van het MFK in de begroting 2024;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>45.</NO.P>benadrukt dat het Parlement erop zal toezien dat zijn prerogatieven in de jaarlijkse begrotingsprocedure bij de uitvoering van dit pakket volledig worden geëerbiedigd;</P></ACTION><SEPARATION><P>°</P><P>°	°</P></SEPARATION><ACTION><P><NO.P>46.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>