<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P9_TA(2024)0157</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Richtsnoeren voor de begroting 2025 – Afdeling III</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A9-0068/2024 - Rapporteur: Victor Negrescu)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 13 maart 2024 over de algemene richtsnoeren voor de voorbereiding van de begroting 2025, Afdeling III – Commissie (2023/2220(BUI))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de herziene Verordening (EU, Euratom) 2024/765 van de Raad van 29 februari 2024 tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027<FOOTNOTE><FIELD>PB L, 2024/765, 29.02.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/765/oj.</FIELD></FOOTNOTE> (MFK-herziening),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2022/2496 van de Raad van 15 december 2022 tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021‑2027<FOOTNOTE><FIELD>PB L 325 van 20.12.2022, blz. 11.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 16 december 2020 over het ontwerp van verordening van de Raad tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027<FOOTNOTE><FIELD>PB C 445 van 29.10.2021, blz. 240.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 van de Raad van 17 december 2020 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027<FOOTNOTE><FIELD>PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 11.</FIELD></FOOTNOTE>, de gezamenlijke verklaringen van het Parlement, de Raad en de Commissie in dit verband<FOOTNOTE><FIELD>PB C 444 I van 22.12.2020, blz. 4.</FIELD></FOOTNOTE>, en de unilaterale verklaringen daarover<FOOTNOTE><FIELD>PB C 445 van 29.10.2021, blz. 252.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn tussentijds verslag over het voorstel voor een tussentijdse herziening van het meerjarig financieel kader 2021-2027<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/1195, 23.02.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/1195/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 27 februari 2024 over de ontwerpverordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021‑2027<FOOTNOTE><FIELD>Aangenomen teksten, P9_TA(2024)0082.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 10 mei 2023 over de gevolgen voor de EU-begroting 2024 van de stijgende financieringskosten van het herstelinstrument voor de Europese Unie<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/1084, 15.12.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2023/1084/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 15 december 2022 over het opschalen van het meerjarig financieel kader 2021-2027: een veerkrachtige EU-begroting die geschikt is voor nieuwe uitdagingen<FOOTNOTE><FIELD>PB C 177 van 17.5.2023, blz. 115.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het voorstel van de Commissie van 16 mei 2022 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (COM(2022)0223),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2020 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie betreffende begrotingsdiscipline, samenwerking in begrotingszaken en goed financieel beheer, alsmede betreffende nieuwe eigen middelen, met inbegrip van een routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen<FOOTNOTE><FIELD>PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 28.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 van de Raad van 14 december 2020 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie<FOOTNOTE><FIELD>PB L 424 van 15.12.2020, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het voorstel van de Commissie van 22 december 2021 voor een besluit van de Raad tot wijziging van Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (COM(2021)0570) en het standpunt van het Parlement van 23 november 2022 daarover<FOOTNOTE><FIELD>PB C 167 van 11.5.2023, blz. 162.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2020/2094 van de Raad van 14 december 2020 tot vaststelling van een herstelinstrument van de Europese Unie ter ondersteuning van het herstel na de COVID-19-crisis<FOOTNOTE><FIELD>PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 23.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2020/2092 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de Uniebegroting<FOOTNOTE><FIELD>PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 getiteld “De Europese Green Deal” (COM(2019)0640) en zijn resolutie van 15 januari 2020 over hetzelfde onderwerp<FOOTNOTE><FIELD>PB C 270 van 7.7.2021, blz. 2.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de overeenkomst die op de 21e Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC (COP21) op 12 december 2015 in Parijs werd aangenomen (de Overeenkomst van Parijs),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de interinstitutionele proclamatie betreffende de Europese pijler van sociale rechten van 13 december 2017<FOOTNOTE><FIELD>PB C 428 van 13.12.2017, blz. 10.</FIELD></FOOTNOTE> en zijn resolutie van 19 januari 2017<FOOTNOTE><FIELD>PB C 242 van 10.7.2018, blz. 24.</FIELD></FOOTNOTE> daarover, het actieplan van de Commissie van 4 maart 2021 voor de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten en de Verklaring van Porto over sociale zaken, die in mei 2021 door de leden van de Europese Raad is aangenomen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de EU-strategie inzake gendergelijkheid 2020-2025,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het speciaal verslag van de Europese Rekenkamer, “Gendermainstreaming in de EU-begroting: tijd om de daad bij het woord te voegen” (2021),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 1 februari 2023, getiteld “Een industrieel plan voor de Green Deal voor het nettonultijdperk” (COM(2023)0062),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2024/795 van het Europees Parlement en de Raad van 29 februari 2024 tot oprichting van het platform voor strategische technologieën voor Europa (STEP) en tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG en Verordeningen (EU) 2021/1058, (EU) 2021/1056, (EU) 2021/1057, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) 2021/1060, (EU) 2021/523, (EU) 2021/695, (EU) 2021/697 en (EU) 2021/241<FOOTNOTE><FIELD>PB L, 2024/795, 29.02.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/795/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2024/792 van het Europees Parlement en de Raad van 29 februari 2024 tot instelling van de faciliteit voor Oekraïne<FOOTNOTE><FIELD>PB L, 2024/792, 29.02.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/792/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024<FOOTNOTE><FIELD>PB L 207 van 22.2.2024, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE> en de daaraan gehechte gemeenschappelijke verklaringen van het Parlement, de Raad en de Commissie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de conclusies van de Raad van 12 maart 2024 betreffende de begrotingsrichtsnoeren voor 2025 (6195/2024),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 93 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de adviezen in briefvorm van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie begrotingscontrole, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie constitutionele zaken en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A9-0068/2024),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Een EU-begroting 2025 waarin mensen centraal staan: investeringen die zijn toegesneden een beter leven voor de mensen en de versterking van het concurrentievermogen van de Unie</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>benadrukt dat, in tijden van geopolitieke en institutionele verandering, financiële druk, klimaatverandering en maatschappelijke uitdagingen, een betrouwbare, robuuste, flexibele, op investeringen gerichte EU-begroting instrumenteel is om het beleid van de Unie uit te voeren en essentieel is om tegemoet te komen aan de groeiende behoeften van de mensen, zonder dat er iemand tijdens de groene en digitale transitie aan zijn lot wordt overgelaten, om de mensen welvaart en veiligheid te bieden en om het concurrentievermogen van de EU-economie te stimuleren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>wijst op de moeilijke context waarin de begrotingsprocedure 2025 zich afspeelt, met grote internationale spanningen en onzekerheden, en aan het feit dat dit een verkiezingsjaar is, waarin het Parlement en de Commissie de transitie naar de nieuwe zittingsperiode in goede banen moeten leiden; is zich terdege bewust van de grote tijdsdruk, maar stelt vast dat dit een onvermijdbaar gegeven is en verzoekt alle betrokken partijen hier serieus rekening mee te houden en zich constructief op te stellen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>betreurt het ten zeerste dat de Raad er niet in is geslaagd vóór het eind van 2023 een akkoord te bereiken over de herziening van het meerjarig financieel kader (MFK); geeft aan dat het de begrotingsprocedure bijgevolg moest inleiden terwijl er nog geen zekerheid bestond over een aantal cruciale elementen in de financiële programmering voor 2025, en is zich terdege bewust van de helaas zeer kleine – en (in enkele gevallen) negatieve – marges onder de maxima van het MFK;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>is van mening dat het resultaat van de herziening van het MFK niet voldoet aan de oorspronkelijke verwachtingen van het EP; benadrukt dat een herziening van de MFK-verordening een essentiële voorwaarde is om de financiële steun aan Oekraïne op middellange termijn te waarborgen, om gerichte beleidsprioriteiten, waaronder de bevordering van de strategische autonomie van de EU, beter te kunnen financieren en om de programma’s van de Unie en de flexibiliteit van de begroting te waarborgen in het licht van hoger dan voorspelde rentevoeten en bijgevolg hoger dan geprogrammeerde financieringskosten van de Unie; merkt op dat de jaarlijkse begrotingsprocedure van 2025 de eerste zal zijn die volledig gebaseerd is op de herziene MFK-verordening;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>herinnert eraan dat de gezamenlijke verklaring die door de drie instellingen is overeengekomen als onderdeel van het MFK-akkoord van 2020, waarin staat dat uitgaven om de financieringskosten van het NGEU te dekken, niet ten koste mogen gaan van programma’s en fondsen, nog steeds van toepassing is en als referentiepunt voor de begrotingsautoriteit dient, met name om het herstelinstrument voor de Europese Unie in te zetten teneinde ten minste een deel van het tekort van de financieringskosten van het NGEU te dekken; is dan ook van plan ervoor te zorgen dat alle programma’s over voldoende middelen beschikken en dat de flexibiliteit en responscapaciteit van de begroting gedurende de jaarlijkse begrotingsprocedure worden gehandhaafd; dringt erop aan dat de Commissie gedurende de gehele begrotingsprocedure betrouwbare, tijdige en nauwkeurige informatie verstrekt over de financieringskosten van het NGEU en over verwachte uitbetalingen in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>verzoekt de Raad en de Commissie Verordening (EU, Euratom) 2020/2092 betreffende een algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de Uniebegroting volledig toe te passen; wijst er specifiek op dat eerbiediging van de rechtsstaat een basisvoorwaarde is om toegang te krijgen tot EU-middelen; benadrukt dat middelen niet kunnen worden uitbetaald indien lidstaten niet aan alle relevante eisen voldoen; herhaalt dat de systemische aantasting van de rechtsstaat, onder meer door schending van het beginsel van de scheiding der machten of door de recente pogingen in sommige lidstaten om de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht te ondergraven, een duidelijk risico vormen voor de financiële belangen van de EU en de bescherming van de EU-begroting; verzoekt de Commissie iedere achteruitgang op het gebied van de rechtsstaat tegen te houden; verzoekt de Commissie nogmaals er met spoed voor te zorgen dat ingehouden EU-middelen, in overeenstemming met het conditionaliteitsmechanisme voor de rechtsstaat, via lokale overheden en maatschappelijke organisaties ter beschikking worden gesteld aan burgers, bedrijven, regionale en lokale autoriteiten, niet-gouvernementele organisaties en andere relevante belanghebbenden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>onderstreept dat de EU wettelijk verplicht is de financieringskosten van het herstelinstrument voor de Europese Unie (NGEU) terug te betalen en dat die terugbetaling in de EU-begroting onder de niet-discretionaire uitgaven valt; merkt op dat de financieringskosten afhangen van het tempo van de uitbetalingen in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (RRF) alsmede van marktfluctuaties bij de opbrengst van obligaties, en derhalve van nature onvoorspelbaar en veranderlijk zijn; herhaalt dat het van oordeel is dat de financieringskosten van het NGEU volledig in een speciaal NGEU-instrument boven de MFK-maxima hadden moeten worden geplaatst, teneinde weer voor enige marge binnen rubriek 2b te zorgen en begrotingsruimte te creëren binnen het flexibiliteitsinstrument en het enkelvoudig marge-instrument; zal ernaar streven dat de toepassing van het cascademechanisme van het NGEU in het herziene MFK niet resulteert in regelingen met negatieve gevolgen voor de geprogrammeerde uitgaven of de kredieten die onder de niet-thematische speciale instrumenten beschikbaar zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>geeft aan dat de Europese economie volgens ramingen<FOOTNOTE><FIELD>Europese Commissie, “Winter 2024 Economic Forecast: A delayed rebound in growth amid faster easing of inflation”, 2023.</FIELD></FOOTNOTE> zeer bescheiden zal groeien (0,9 % in 2024, 1,7 % in 2025), terwijl de inflatie naar verwachting ruim boven de 2 % (die als automatische deflator voor het MFK wordt gebruikt) zal blijven (3,0 % in 2024, 2,5 % in 2025); stelt vast dat dit een continu koopkrachtverlies betekent voor een begroting die in evenwicht moet blijven en die geplafonneerd is door absolute bedragen; benadrukt dat het afdrachtspercentage voor de op het bruto nationaal inkomen (bni) gebaseerde eigen middelen de afgelopen jaren erg laag was (0,46 % in de ontwerpbegroting voor 2024), hetgeen toe te schrijven is aan het gecombineerde effect van inflatie, lage niveaus van betalingskredieten en hogere inkomsten uit sommige andere eigen middelen; herinnert aan zijn standpunt dat kortingen en andere correctiemechanismen definitief moeten worden afgeschaft en dat tot die tijd op de brutoverminderingen van de op het bni gebaseerde nationale bijdragen een vaste deflator van maximaal 2 % moet worden toegepast;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>betreurt het dat de Raad wat de herziening van het stelsel van eigen middelen betreft geen vorderingen boekt; herinnert nog maar eens aan zijn standpunt ten aanzien van de gewijzigde voorstellen van de Commissie, namelijk dat het instemt met de invoering van nieuwe eigen middelen; is van oordeel dat nieuwe, daadwerkelijke inkomstenbronnen, overeenkomstig de routekaart in het Interinstitutioneel Akkoord, gebruikt zouden kunnen worden om de extra begrotingslast als gevolg van de financieringskosten van het NGEU te dekken en op die manier de marges en flexibiliteitsmechanismen zouden beschermen, hetgeen de besluitvorming in het kader van de begrotingsprocedure over onvoorziene behoeften en nieuwe strategische foresight-initiatieven zou vergemakkelijken; dringt er voorts bij de Commissie op aan zich te blijven inspannen om verse, nieuwe en bij voorkeur echte eigen middelen en andere inkomstenbronnen voor de EU-begroting vast te stellen die verder gaan dan het IIA;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>betreurt het dat de mogelijkheid om op onvoorziene gebeurtenissen te reageren of nieuwe initiatieven te starten, negatief wordt beïnvloed door begrotingskrapte en stelt zichzelf ten doel dit probleem zoveel mogelijk te verhelpen en ook rekening te houden met de toegenomen verwachtingen van de EU-burgers; herinnert eraan dat er bovenop de MFK-maxima een aanvullend bijzonder instrument moet worden vastgesteld, zodat de EU-begroting beter kan worden aangepast aan en sneller kan worden gereageerd op crises en de sociale en economische effecten daarvan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>is ondanks dit grote aantal uitdagingen vastberaden een coherent en eensgezind standpunt te blijven innemen dat aansluit bij zijn vastgelegde beleidsprioriteiten en institutionele belangen, waaronder het stimuleren van het concurrentievermogen van de Unie, het verminderen van strategische afhankelijkheden, het versneld invoeren van schone energie, het waarborgen dat de Unie haar doelstellingen van klimaat- en biodiversiteitsmainstreaming haalt, het versterken van de veiligheids- en defensiecapaciteit, alsook het bevorderen van de groene en digitale transitie, waarbij de negatieve gevolgen voor toonaangevende programma’s tot een minimum worden teruggebracht en de voordelen voor alle mensen in de EU die voortvloeien uit economische groei worden gemaximaliseerd;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Een rechtvaardige, billijke en inclusieve begroting die alle EU-burgers betere mogelijkheden biedt en economische groei waarborgt</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>stelt vast dat betaalbare woonruimte en maatschappelijke cohesie in alle lidstaten van de EU en hun regio’s nog altijd een uitdaging vormen, en wijst in dit verband op het belang van hoogwaardige en toegankelijke openbare voorzieningen; hecht eraan de nadruk te leggen op, indien van toepassing, inclusiviteit van en toegankelijkheid tot financiering, in overeenstemming met geëigende subsidiabiliteitscriteria, en de financieringsmogelijkheden te maximaliseren door gebruik te maken van bestaande middelen; is van oordeel dat de sociale dimensie van de uitgaven van de EU, als een noodzakelijk element voor de legitimiteit daarvan, op alle beleidsterreinen een belangrijk leidend beginsel moet blijven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>onderstreept dat de EU-begroting bovenal een investeringsinstrument met een hefboomeffect is dat de doelstellingen en de beleidsvorming van de Unie kan bevorderen, het nationale beleid ondersteunt en derhalve tegemoetkomt aan de behoeften van alle mensen in de EU; wijst erop dat de herstel- en veerkrachtfaciliteit van belang is om de veerkracht van de Unie te versterken en de sociaal-economische gevolgen van de eerdere en huidige crises te verzachten; is van oordeel dat alles in het werk moet worden gesteld om ervoor te zorgen dat deze twee belangrijke bronnen van EU-financiering op doeltreffende wijze en zonder verdere vertraging worden gebruikt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>is vastberaden de EU-begroting te gebruiken om voor burgers en de economie van de interne markt een tastbaar en zichtbaar verschil te maken, alsook om de doelstellingen van de Green Deal te halen, door te helpen hoogwaardige banen in geavanceerde sectoren te scheppen, de arbeidsmarkt toekomstbestendig te maken door de ontwikkeling van vaardigheden en door regelingen voor het stimuleren van talent, werkloosheid te bestrijden, het Europees concurrentievermogen te vergroten en de paraatheid van de defensie van de Unie te versterken; is van mening dat technologische autonomie en duurzame groei essentieel zijn voor de verwezenlijking van de langetermijndoelstellingen van de Unie op het gebied van energie en klimaat; pleit er nogmaals voor om kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s), die de ruggengraat van de Europese economie vormen, alsook start-ups, jongeren, landbouwers, leerkrachten en werknemers in het vervoer op passende wijze financieel te blijven ondersteunen; onderstreept dat de energie- en vervoersinfrastructuur verder moet worden verbeterd en dat er geïnvesteerd moet worden in de opwaardering van de openbare zorg- en welzijnsvoorzieningen, in sociale en territoriale cohesie en inclusie, en in het ondersteunen van kwetsbare, perifere en plattelandsgemeenschappen, met inbegrip van slimme dorpen; wijst erop dat de begroting de groene transitie moet waarborgen en tegelijk kwalitatieve landbouw moet ondersteunen en de toegang tot hoogwaardige gezondheidszorg en kwalitatief goed onderwijs moet garanderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>wijst op de belangrijke effecten van onderzoek en innovatie op het concurrentievermogen, de groei op lange termijn en de werkgelegenheid in de Europese Unie; herinnert aan het geconsolideerde initiatief om de intensiteit van de investeringen in onderzoek en ontwikkeling in de EU te verhogen naar 3 % van het bbp; erkent dat er een kloof bestaat tussen de doelstelling en de feitelijk beschikbare financiering; onderstreept dat Europees technologisch leiderschap cruciaal is voor de uitvoering van de Green Deal en de gezondheidsunie, aangezien dergelijk leiderschap zorgt voor hooggeschoolde banen in de volledige waardeketen in de Unie en bijdraagt aan onderzoek en innovatie van uitmuntend niveau in de Unie; is uiterst bezorgd over het feit dat de beschikbare middelen slechts toereikend zijn voor een fractie van alle ingediende aanvragen, wat leidt tot een hoge mate van overinschrijving voor programma’s en ervoor zorgt dat onderzoekers naar andere concurrerende regio’s trekken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>beklemtoont dat er duurzame langetermijnoplossingen moeten worden geboden om de structurele demografische uitdagingen met succes te kunnen aanpakken, alsook om de kennisvlucht in minder ontwikkelde regio’s en steden van de EU te beperken; benadrukt dat er financiële middelen nodig zijn om regio’s die met een bevolkingsdaling kampen, nieuw leven in te blazen door middel van investeringen in sociaal en demografisch beleid ter ondersteuning van gezinnen en om de vergrijzende bevolking in Europa voldoende ondersteuning te bieden wat toegang tot gezondheidszorg, mobiliteit en openbare diensten betreft;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>onderstreept dat via Erasmus+ en het Europees Solidariteitskorps zoveel mogelijk financiële middelen moeten worden vrijgemaakt om leren en ondernemerschap te bevorderen, de vaardigheden, het formeel, niet-formeel en informeel onderwijs en de inzetbaarheid van jongeren op de arbeidsmarkt op te waarderen en de sociale inclusie te vergroten; herhaalt dat ervoor moet worden gezorgd dat beide programma’s gelijke kansen garanderen, met name voor mensen uit kansarme groepen in de hele EU en geassocieerde landen; is van oordeel dat de mobiliteitssubsidies die in het kader van Erasmus+ worden toegekend verder moeten worden ondersteund om de stijgende kosten van levensonderhoud te dekken en dat met name de minimumsubsidie per deelnemer op passende wijze moet worden verhoogd om de toegankelijkheid, gelijke kansen en inclusieve participatie te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>benadrukt dat het belangrijk is de Europese pijler van sociale rechten uit te voeren en verzoekt de Commissie om in het kader van de volgende programmeringsperiode na te denken over een methode om de sociale uitgaven in de EU-begroting te monitoren; wijst in het bijzonder op de cruciale rol die de EU-begroting speelt bij initiatieven die de sociale dialoog versterken, plaatselijke en regionale sociale acties versterken, en voor toegang voor eenieder tot essentiële diensten zorgen; wijst opnieuw op de noodzaak van het ontwikkelen van een Europese strategie voor ouderen, met specifieke acties ter bestrijding van marginalisering, eenzaamheid en isolement; wijst verder op de noodzaak van de volledige uitvoering van de strategie voor de rechten van personen met een handicap 2021-2030 om hun levensomstandigheden in de Unie te verbeteren; vestigt de aandacht op de situatie van de Europese vervoersbedrijven, die in elke lidstaat met verschillende uitdagingen worden geconfronteerd, uiteenlopend van stijgende kosten tot capaciteitsproblemen, en op het belang van flexibiliteit en betere arbeidsomstandigheden; wijst erop dat de bestaande regels voor de bescherming van transporteurs moeten worden aangescherpt en extra middelen moeten worden uitgetrokken om de arbeidsomstandigheden in de lidstaten te monitoren; onderstreept in dit verband de voordelen van het ontwikkelen van IT-hulpmiddelen op EU-niveau om de uitvoering van bureaucratische voorschriften en de standaardisering van certificaten te verbeteren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>verzoekt de Commissie en de lidstaten voldoende middelen ter beschikking te stellen om de EU-regels voor de coördinatie van de sociale zekerheid doeltreffend uit te voeren, met als doel arbeidsmobiliteit en de overdracht van sociale uitkeringen te vergemakkelijken; dringt erop aan EU-middelen te gebruiken voor de ontwikkeling van het systeem voor de elektronische uitwisseling van socialezekerheidsinformatie en voor de verdere digitalisering van de socialezekerheidsstelsels, met het oog op billijke arbeidsmobiliteit;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>onderkent dat technologie en artificiële intelligentie (AI) het arbeidslandschap snel veranderen; wijst erop dat mensgerichte, betrouwbare AI economisch potentieel voor de economische groei van Europa met zich mee kan brengen en tegelijk het leven van burgers op diverse gebieden kan verbeteren, zoals gezondheidszorg, landbouw, energie, vervoer en veiligheid; meent dat dit tot uitdrukking moet komen in de programma’s en het beleid van de EU door hiervoor voldoende financiële middelen te bestemmen; benadrukt dat de digitale basisvaardigheden van burgers moeten worden verbeterd om aan de behoeften van bedrijven te voldoen en burgers te wapenen tegen desinformatie; staat achter de EU-maatregelen die de nationale werkgelegenheidsstrategieën voor de omschakeling naar ander werk en mobiliteit op EU-niveau op gecoördineerde wijze aanvullen, waarbij het potentieel van deze veranderingen voor een dynamische, flexibel inzetbare beroepsbevolking optimaal wordt benut, onder meer door omscholing en mobiliteit te bevorderen en tegelijk een soepele overgang naar nieuwe en opkomende sectoren van de arbeidsmarkt te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>is gealarmeerd door het groeiende aantal extreme weersomstandigheden in heel Europa, zoals zware branden, overstromingen en andere natuurrampen die verband houden met de steeds erger wordende klimaatverandering; benadrukt daarom dat voldoende financiering nodig is voor het EU-mechanisme voor civiele bescherming en dringt erop aan de gezamenlijke medische en noodhulpteams te versterken en zo de Europese responscapaciteit in noodsituaties beter te consolideren; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat via het EUSF en de EAR snel middelen ter beschikking kunnen worden gesteld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>onderstreept dat het belangrijk is passende financiering toe te wijzen aan de activiteiten die zijn vastgelegd in de EU4Health-verordening; stelt vast dat de prijs van geneesmiddelen en gezondheidstechnologieën zeer bepalend is voor de mate waarin patiënten zich deze kunnen veroorloven; benadrukt dat de onbetaalbare prijs van geneesmiddelen een echte belemmering vormt voor behandeling en dringt aan op specifieke maatregelen om deze uitdagingen aan te pakken; pleit in dit verband voor een betere coördinatie op EU-niveau en de gezamenlijke inkoop van geneesmiddelen om de kosten te drukken; onderstreept het belang van de bestrijding van kinderziekten, en met name zeldzame kinderziekten; benadrukt in dat verband met name het belang van het kankerbestrijdingsplan; dringt aan op een ambitieuze begroting voor het cluster “Gezondheid” van Horizon Europa om ervoor te zorgen dat de EU doeltreffend kan reageren op toekomstige gezondheidscrises, de gezondheidsstelsels te helpen versterken en de lichamelijke en geestelijke gezondheid van mensen te verbeteren door de gezondheidszorg betaalbaarder en toegankelijker te maken; stelt vast dat cardiovasculaire ziekte (CVD) nog altijd de voornaamste doodsoorzaak in de EU is; is van mening dat het aanpakken van CVD’s door middel van investeringen in acties die gericht zijn op gepersonaliseerde medische zorg en e-health cruciaal is omdat dit tot strengere normen inzake preventie en behandeling zal leiden, en alle burgers gelijke toegang tot gezondheidszorg zal bieden; onderstreept de noodzaak om de geneesmiddelentekorten te voorkomen waar sommige lidstaten de afgelopen jaren mee kampen; erkent dat de ongelijkheid op gezondheidsgebied moet worden verkleind om rechtvaardige zorg voor alle vrouwen te waarborgen, waaronder de toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg, en wijst erop dat het van essentieel belang is dat de gezondheid van vrouwen een beleids- en onderzoeksprioriteit blijft;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>geeft aan dat het vaardighedentekort, de kennisvlucht en de mismatch tussen de behoeften van de markt enerzijds en het vaardighedenaanbod anderzijds moeten worden aangepakt, waarbij niet in het minst rekening moet worden gehouden met de situatie in verschillende EU-regio’s; is van oordeel dat de beroepsbevolking van de EU in de toekomst alleen concurrerend kan blijven indien de gebieden in kaart worden gebracht waarop er grote behoefte aan opleiding en herscholing is, met name ter bevordering van groene en digitale vaardigheden; benadrukt dat nadere investeringen nodig zijn om de onderwijsstelsels in de Unie te moderniseren, regelingen voor het stimuleren van talent op te zetten, en jonge ondernemers op weg te helpen; vindt dat versneld uitvoering moet worden gegeven aan het Europees Jaar van de Vaardigheden en de Europese onderwijsruimte; verzoekt de Commissie op korte termijn uitvoering te geven aan de oplossingen die in het kader van het Europees Jaar van de Vaardigheden als essentieel zijn aangemerkt, met inbegrip van de EU-jongerentoets en een verbod op onbetaalde stages, en benadrukt daarbij dat beter met bedrijven moet worden samengewerkt; herinnert eraan dat het belangrijk is om naar aanleiding van de aanbevelingen die tijdens de Conferentie over de toekomst van Europa zijn goedgekeurd, een Europees onderwijsplan uit te werken en van voldoende middelen te voorzien om hoogwaardig onderwijs en de opleiding van onderwijzers te ondersteunen en om het percentage vroegtijdige schoolverlaters omlaag te brengen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>beklemtoont de meerwaarde van financieringsprogramma’s op de gebieden democratie, rechten en waarden; wijst op het belang van de EU-begroting voor de bevordering van de Europese waarden als vastgelegd in artikel 2 VEU, cultuur en burgerrechten, het opbouwen van een veerkrachtige samenleving en het ondersteunen van kernbeginselen als democratie, de rechtsstaat, solidariteit, inclusiviteit, rechtvaardigheid, non-discriminatie en gelijkheid, waaronder gendergelijkheid; vindt dat de desbetreffende begrotingsonderdelen en -organen moeten worden versterkt om iets te doen aan de polarisatie, de opkomst van politiek extremisme en het geringe vertrouwen in instituties, alsook om de participerende democratie en de grondrechten te bevorderen en te voorkomen dat de democratie wordt uitgehold, de rechtsstaat afbrokkelt, de ruimte voor maatschappelijke organisaties die op dit gebied op lokaal, nationaal en EU-niveau werkzaam zijn, krimpt, en euroscepsis wordt geïnstrumentaliseerd; dringt erop aan voldoende EU-middelen beschikbaar te stellen voor het programma “Burgers, gelijkheid, rechten en waarden” (CERV-programma); wijst op het waardevolle werk dat is uitgevoerd in het kader van het onderdeel “Waarden van de Unie”, waarmee rechtstreekse financiering wordt geboden aan maatschappelijke organisaties, alsook in het kader van de onderdelen Daphne en Gelijkheid en Rechten; herhaalt dat voldoende middelen ter beschikking moeten worden gesteld om gendergebaseerd geweld te bestrijden en ondersteuning te bieden voor het recht op en de toegang tot veilige seksuele en reproductieve gezondheidsdiensten, organisaties die zich inzetten voor vrouwenrechten, alsook voor EU-initiatieven en -organen die gericht zijn op het aanpakken van discriminatie van vrouwen; verzoekt de Commissie de toegang tot het CERV-programma te vergemakkelijken, alsook om flexibiliteit te garanderen bij de procedure voor herverdeling van subsidies aan lokale en burgerinitiatieven door beheersautoriteiten in de lidstaten, teneinde ervoor te zorgen dat de financiering terechtkomt bij organisaties die het nauwst met burgers samenwerken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>verzoekt de Commissie de steun van de Unie op te schroeven voor de bescherming van burgers, minderheden, religieuze gemeenschappen en openbare ruimten tegen terroristische dreigingen, radicalisering en terroristische online-inhoud te bestrijden en het toenemende aantal haatzaaiende uitlatingen en opkomend antisemitisme, moslimhaat en racisme in Europa en wereldwijd tegen te gaan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>wijst op de steeds grotere dreigingen en gevaren waaraan de Europese Unie wordt blootgesteld in de vorm van georganiseerde en gerichte desinformatiecampagnes door buitenlandse belanghebbenden; verzoekt om financiering voor Horizon Europa en de activiteiten van de Commissie en de EDEO om de grootschalige verspreiding van desinformatie tegen te gaan en doeltreffender tegenmaatregelen te ontwikkelen; verzoekt de Unie en de lidstaten om EU-middelen te gebruiken teneinde de mediawijsheid van burgers te verbeteren; dringt aan op meer financiering om haatzaaiende uitlatingen en terroristische online-inhoud te bestrijden; benadrukt dat de persvrijheid en de mediapluriformiteit met toereikende middelen en in overeenstemming met de desbetreffende regelgeving moeten worden versterkt, en dat journalisten, waaronder onderzoeksjournalisten, alsook mensenrechtenverdedigers en leden van maatschappelijke organisaties die te maken krijgen met represailles, bijvoorbeeld in de vorm van strategische rechtszaken tegen publieke participatie (SLAPP’s), ondersteuning moeten krijgen; dringt aan op voldoende steun voor de sector cultuur, waaronder die voor bevordering van de grensoverschrijdende terbeschikbaarstelling van Europese films, muziek en videospelletjes; dringt daarom aan op meer financiering voor het programma Creatief Europa;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Een begroting die strategische prioriteiten helpt verwezenlijken</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>benadrukt dat het belangrijk is om de strategische afhankelijkheid van de Unie in belangrijke sectoren te verminderen; is ingenomen met de nieuwe STEP-verordening, maar wijst erop dat de investeringsbehoeften van strategische industrieën om een structurele aanpak vragen, waarmee het makkelijker zou worden baanbrekende technologieën te identificeren, te ontwikkelen en op te schalen; betreurt het dat het huidige financieringsniveau van Horizon Europa in dat verband onvoldoende is en pleit voor meer financiering voor Horizon Europa en andere belangrijke EU-programma’s op dit gebied, zoals InvestEU, om de doelstelling van open strategische autonomie te verwezenlijken; beschouwt de afhankelijkheid van de EU op het gebied van de grondstoffenbevoorrading een steeds grotere bron van zorg; verzoekt de EU meer te investeren haar open strategische autonomie door de opwekking van hernieuwbare energie te bespoedigen, de vergunningverleningsprocedures te versnellen, gebouwen koolstofvrij te maken en de toegang tot kritieke grondstoffen en de ontwikkeling van veerkrachtige waardeketens voor de industriële ecosystemen van de EU te waarborgen, met name op belangrijke gebieden zoals gezondheid en defensie; pleit voor voldoende financiering teneinde de voortdurende ontwikkeling van de huidige toonaangevende Europese programma’s op ruimtegebied te waarborgen, met inbegrip van Copernicus, Galileo/Egnos, het Europese initiatief met betrekking tot satellietcommunicatie (Govsatcom) en omgevingsbewustzijn in de ruimte (SSA);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>28.</NO.P>geeft aan dat de digitale transitie legio mogelijkheden biedt voor het verbeteren van de digitale infrastructuur en connectiviteit, en voor het ontwikkelen van digitale vaardigheden; wijst in dit verband op het belang van het programma Digitaal Europa en de Connecting Europe Facility (CEF-Digital), alsook het actieplan voor digitaal onderwijs; herhaalt dat er behoefte is aan een op leerkrachten en lerenden gericht educatief programma voor AI, coderen en robotica, te financieren met middelen van de relevante programma’s; onderstreept dat de EU-begroting in passende steun moet voorzien voor het ethische en niet-discriminerende gebruik van AI, met name in de sectoren onderwijs en cultuur; herinnert eraan dat er door de EU gefinancierde programma’s nodig zijn om te investeren in verbetering van de digitale geletterdheid in de samenleving en om de digitale kloof, waaronder de digitale kloof tussen mannen en vrouwen, op de gebieden onderwijs en een leven lang leren te dichten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>29.</NO.P>onderstreept dat de EU-begroting een centrale rol speelt bij het verwezenlijken van de Europese Green Deal en het aanpakken van de klimaatverandering door middel van een verlaging van de uitstoot, het gebruik van meer hernieuwbare energie, het tot stand brengen van een circulaire economie, het beschermen van ecosystemen en het omkeren van de verontrustende tendens van biodiversiteitsverlies, en er tegelijk voor zorgt dat het concurrentievermogen wordt gewaarborgd en groene werkgelegenheid en groei in de EU worden gecreëerd; wijst erop dat het LIFE-programma een centrale rol speelt bij het verwezenlijken van de Europese Green Deal en het bereiken van de klimaatneutraliteitsdoelstelling van de Unie, in overeenstemming met de Europese klimaatwet en de Overeenkomst van Parijs; is uiterst bezorgd over de ernstige gevolgen van klimaatverandering, onder meer in de vorm van watertekorten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>30.</NO.P>onderstreept dat problemen met de energiezekerheid en hoge energieprijzen ervoor zorgen dat energiearmoede een cruciale kwestie zal zijn en een flinke uitdaging zal zijn voor de Europese bedrijven, met name kmo’s; wijst er in dat verband op dat EU-investeringen met het oog op de lopende transitie naar klimaatneutraliteit, onder meer in energie-efficiëntie, onderzoek en innovatie op het gebied van duurzame, koolstofarme en koolstofvrije technologieën, moeten worden gestimuleerd, met name op gebieden waarmee de kosten van levensonderhoud voor huishoudens kunnen worden verlaagd, zoals verbetering van de energie-efficiëntie van gebouwen en de bredere toepassing van hernieuwbare energiebronnen; neemt nota van de enorme investeringen die nodig zijn om de vervoerssector koolstofvrij te maken en de aanhoudende stijging van de prijzen van bouwmaterialen en grondstoffen een halt toe te roepen; erkent de strategische waarde van de uitbreiding van het TEN-T naar het oostelijk nabuurschap en van betere connectiviteit met de strategische partners van de EU; wijst op het belang van het CEF-vervoersprogramma en de positieve rol die het speelt bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de Green Deal en de transitie naar schone energie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>31.</NO.P>benadrukt dat de begroting voor 2025 moet worden afgestemd op de beleidsdoelstellingen en internationale verbintenissen van de Unie; wijst erop dat er niet-aflatende inspanningen moeten worden geleverd om de in het IIA vastgelegde doelstellingen voor de mainstreaming van klimaat en biodiversiteit in de begroting van de Unie te verwezenlijken als onderdeel van de bredere doelstelling om de Unie uiterlijk in 2050 klimaatneutraal te maken; verwijst naar de bepaling in het IIA dat moet worden gekeken naar relevante maatregelen die moeten worden genomen wanneer uit de periodieke inventarisatie blijkt dat er onvoldoende vooruitgang is geboekt bij het verwezenlijken van toepasselijke doelstellingen; maakt zich zorgen over de inschatting van de Commissie dat het streefcijfer van 10 % voor biodiversiteitsgerelateerde uitgaven in 2026 en 2027 hoogstwaarschijnlijk niet zal worden gehaald, alsook over het gebrek aan een duidelijk traject om de overeengekomen streefcijfers wel te halen; verzoekt de Commissie toezicht te houden op de toepassing van het beginsel “geen ernstige afbreuk doen” en waar nodig noodzakelijke corrigerende maatregelen te treffen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>32.</NO.P>wijst op het belang van het Stedelijk Europa-initiatief en de financiering ervan, die passend is om alle doelstellingen te halen; pleit voor meer rechtstreekse financiering voor lokale autoriteiten om hun capaciteit en technische ondersteuning te versterken en de uitwisseling van goede gewoonten te bevorderen; dringt erop aan de middelen voor de desbetreffende agentschappen op te schroeven, zodat ze in verhouding staan tot de werklast die voortvloeit uit de agenda voor de Europese Green Deal, en met name het pakket “Fit for 55”;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>33.</NO.P>wijst op de essentiële bijdrage van landbouwers en vissers aan de samenleving; onderstreept daarom het enorme belang van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) en het gemeenschappelijk visserijbeleid voor de voedselzekerheid en grotere autonomie van de EU op het vlak van de productie van hoogwaardig voedsel; wijst erop dat het GLB helpt een houdbaar en fatsoenlijk inkomen te waarborgen voor de landbouwers in de EU, en met name voor kleinschalige en jonge landbouwers; dringt aan op concrete maatregelen om tegemoet te komen aan de onderliggende oorzaken van het ongenoegen van landbouwers in heel de Unie, en verzoekt met name om op korte termijn middelen en maatregelen beschikbaar te stellen om de landbouwers te helpen de gevolgen van de inflatie, brandstofkosten, nieuwe productienormen en veranderingen op de wereldwijde voedselmarkt op te vangen; geeft aan dat met name nieuwe en jonge boeren moeten worden geholpen om de generationele vernieuwing te waarborgen, terwijl ook iets moet worden gedaan aan het tekort aan personeel en de vaardighedenkloof in de agrolevensmiddelenindustrie; wijst erop dat Europese landbouwers met veel problemen te kampen hebben, met name buitensporige bureaucratie en administratieve lasten, regels die elkaar steeds meer overlappen, tekorten en moeilijke arbeidsomstandigheden; benadrukt dat de gevolgen van de steeds frequentere en zwaardere overstromingen, droogtes en natuurbranden voor de sector beter moeten worden aangepakt door middel van specifieke ondersteunende maatregelen; pleit voor een passend inkomen voor iedereen die in de landbouw werkt; onderstreept dat er behoefte is aan passende ondersteuning voor onderzoek en innovatie, dat de arbeidsnormen moeten worden geëerbiedigd en dat er passende investeringen nodig zijn om alternatieve inkomstenbronnen aan te bieden en de transitie naar een duurzamer en betaalbaar voedselsysteem te vergemakkelijken, met name door middel van innovatie, waarbij het inkomen van landbouwers gevrijwaard blijft en wordt voorkomen dat Europese boeren worden blootgesteld aan oneerlijke concurrentie van ingevoerde producten die niet aan onze normen voldoen; verwacht dat tijdens de strategische dialoog over de toekomst van de landbouw aandacht zal worden besteed aan alle pertinente kwesties, waaronder preventie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>34.</NO.P>herhaalt dat alle programma’s, beleidsmaatregelen en activiteiten van de EU zodanig moeten worden uitgevoerd dat gendergelijkheid bij de verwezenlijking van hun doelstellingen wordt bevorderd; is dat verband verheugd dat de Commissie werkt aan genderbudgettering en benadrukt dat ze haar methode voor gendertracking verder moet ontwikkelen om het gendereffect van de uitgaven van de Unie vast te stellen, zoals vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord; verzoekt de Commissie om de resultaten van deze methodologie te tonen met het oog op de begroting van 2025, samen met de systematische verzameling, rapportages en evaluatie van naar sekse uitgesplitste gegevens;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Een toekomstbestendige begroting voor een veranderende wereld</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>35.</NO.P>herhaalt dat er een migratie- en asielbeleid moet worden gevoerd dat gebaseerd is op solidariteit, gedeelde verantwoordelijkheid en eerbiediging van de mensenrechten, in overeenstemming met de waarden van de Unie en internationale verbintenissen; benadrukt dat het op doeltreffende, menselijke en eerlijke wijze beheren en beschermen van de buitengrenzen van de Unie essentieel is om de veiligheid van de EU te waarborgen en de vlotte en efficiënte uitvoering van het migratie- en asielbeleid van de Unie te garanderen, met name om de inwerkingtreding van het nieuwe migratie- en asielpact voor te bereiden, zodat doeltreffende, veilige en menswaardige terugkeer- en overnameprocedures kunnen worden opgezet; benadrukt dat het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF) en het instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (BMVI) in dat verband een cruciale rol spelen; wijst op de noodzaak om het vrij verkeer van personen binnen de Unie te waarborgen; herinnert eraan dat Roemenië en Bulgarije in maart 2024 tot de Schengenzone zijn toegetreden en herhaalt dat het belangrijk is deze toetreding op zo kort mogelijke termijn te voltooien en operationeel in te vullen, onder meer met weg- en spoorverbindingen; zal zich ervoor beijveren dat hiervoor op de begroting 2025 zo veel mogelijk middelen worden opgenomen; is van oordeel dat de EU nauw met haar buurlanden en derde landen van herkomst en doorreis moet samenwerken om stabiele, duurzame en inclusieve ontwikkeling te stimuleren en de onderliggende oorzaken van migratie aan te pakken, zodat irreguliere migratie wordt voorkomen, kwetsbare mensen worden beschermd tegen netwerken van mensensmokkel en -handel en wordt voorkomen dat ze omkomen op zee; wijst in het bijzonder op de toenemende verantwoordelijkheden van de agentschappen die belast zijn met grensbewaking en -beheer en die de lidstaten helpen hun taken in het kader van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel uit te voeren en zich aan de grondrechten te houden; benadrukt dat adequate financiering, personeelswerving en opleidingen nodig zijn voor alle agentschappen die actief zijn op het gebied van veiligheid, justitie, rechtshandhaving, asiel en migratie, alsook grensbeheer, zodat zij hun mandaat kunnen uitvoeren; dringt erop aan bijzondere aandacht te besteden aan de zorgvuldige implementatie en het beheer van grootschalige IT-systemen van de EU vanwege de bijdrage die deze leveren aan de veiligheid in de Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>36.</NO.P>benadrukt dat het veiligheidsklimaat in de omgeving van de EU erg instabiel blijft;  blijft grote nadruk leggen op de Europese veiligheids- en defensievermogens om beter te kunnen reageren op de huidige ongekende geopolitieke uitdagingen; meent dat de EU-begroting van groot belang is met het oog op een gemeenschappelijke defensiestrategie van de EU en de nauwere veiligheids- en defensiesamenwerking tussen de lidstaten; spreekt zich in deze context uit voor de versterking van de meest succesvolle en relevante EU-programma’s, zoals het Europees Defensiefonds, en de EU-agentschappen, om de Europese soevereiniteit te bevorderen; wenst de synergieën en efficiëntie van EU-investeringen op het gebied van defensie te beklemtonen, met name op het gebeid van militaire mobiliteit, bescherming en de interoperabiliteit van infrastructuur; onderstreept dat kwesties als desinformatie, wat een toenemende politieke en veiligheidsuitdaging vormt, met name na de Russische oorlog tegen Oekraïne, aan de orde moeten worden gesteld, alsook cybercriminaliteit en georganiseerde misdaad met een grensoverschrijdend karakter;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>37.</NO.P>veroordeelt nogmaals de Russische oorlog tegen Oekraïne en benadrukt dat daardoor opnieuw een oorlog woedt in het nabuurschap van de Europese Unie, hetgeen toeleveringsketens, de handel en economische betrekkingen heeft verstoord; herhaalt dat Oekraïne op zijn volledige steun kan rekenen bij zijn strijd voor vrijheid en democratie; betreurt het vreselijke verlies van levens, het lijden van het Oekraïense volk, en de aanzienlijke economische en sociale gevolgen voor het Europese volk die worden veroorzaakt door de niet-uitgelokte en niet te rechtvaardigen aanvalsoorlog van Rusland; is van oordeel dat de begroting 2025 bij moet dragen aan het dempen van de gevolgen van de crisis op het gebied van de kosten van levensonderhoud en inflatie; herhaalt dat sommige lidstaten, in het bijzonder frontlijnstaten, en kwetsbare economische sectoren onverminderd zwaar worden blootgesteld aan de gevolgen van de Russische aanval op Oekraïne en ondersteuning nodig hebben op gebieden zoals landbouw en infrastructuur, maar ook militaire mobiliteit in de geest van EU-solidariteit;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>38.</NO.P>zegt toe Oekraïne te zullen blijven helpen en steunen, in concreto middels de voorgestelde Oekraïnefaciliteit, in het kader waarvan steun zal worden gegeven in de vorm van subsidies en leningen voor het herstel en de wederopbouw van Oekraïne, macrofinanciële bijstand, institutionele, sociale, economische en ecologische opwaartse convergentie en overheidsinvesteringen, en voor begeleiding van het land op weg naar EU-toetreding; benadrukt dat het nodig en mogelijk is de steun voor Oekraïne en de wederopbouwinspanningen te combineren met een constructief pretoetredingsproces dat inzet op hervormingen en een progressieve beweging in de richting van het EU-acquis; wijst erop dat de humanitaire hulp aan Oekraïne geen onderdeel van de faciliteit vormt en benadrukt daarom dat in de begroting voor 2025 in voldoende middelen voor humanitaire hulp moet worden voorzien;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>39.</NO.P>vindt steun voor de landen van de Westelijke Balkan met het oog op de uitbreiding van de EU onverminderd belangrijk en is ingenomen met het nieuwe groeiplan voor de Westelijke Balkan van de Commissie, dat een goede stap is om de landen van de Westelijke Balkan verder te ondersteunen in hun economische convergentie met de interne markt van de EU; beklemtoont dat het belangrijk is kandidaat-lidstaten blijvend steun te bieden bij het uitvoeren van de noodzakelijke hervormingen in het kader van hun toetreding, met name wat betreft de rechtsstaat, corruptiebestrijding en democratie, en bij het vergroten van hun veerkracht en het voorkomen en bestrijden van hybride bedreigingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>40.</NO.P>is ingenomen met het besluit om Oekraïne en de Republiek Moldavië de status van kandidaat-lidstaat toe te kennen en benadrukt dat de nodige middelen moeten worden ingezet om hun toetredingsproces te ondersteunen; benadrukt dat de toewijzing voor het instrument voor pretoetredingssteun (IPA III) en de relevante begrotingsonderdelen voor het NDICI – Europa in de wereld in 2025 als katalysator moeten fungeren wat de samenwerking met Moldavië en Georgië betreft, in overeenstemming met de overeenkomst over de herziening van het MFK;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>41.</NO.P>onderstreept dat het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI) – Europa in de wereld van vitaal belang is voor de positie van de Unie als toonaangevende wereldmacht en haar in staat stelt overal ter wereld de rol van vreedzame, stabiliserende mogendheid te vervullen en daarbij haar geopolitieke belangen in de wereld beter te behartigen; wijst er met klem op dat de financiële middelen van dit instrument opgebruikt zijn en dat er dringend aanvullende financiering moet worden vrijgemaakt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>42.</NO.P>wijst er daarnaast op dat het NDICI van belang is om steun te bieden bij wereldwijde problemen, om mensenrechten, vrijheden en democratie te bevorderen en om de capaciteit van maatschappelijke organisaties te vergroten en de internationale toezeggingen van de EU op het gebied van klimaat en biodiversiteit in te lossen, binnen een omvattend monitoring- en controlesysteem;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>43.</NO.P>betreurt het dat de Commissie geen effectievere voorwaarden heeft gesteld aan betalingen aan derde landen als een manier om de geopolitieke belangen van de Unie zeker te stellen, met name in verband met het migratiebeleid, haar defensiebelangen en de mensenrechten; verzoekt de Commissie specifieke voorwaarden en ijkpunten te stellen aan haar betalingen aan derde landen overeenkomstig de concrete politieke belangen van de Unie, en om een relevant deel van de betalingen in te houden indien een derde land niet aan deze voorwaarden voldoet; verwacht dat alle kandidaat-commissarissen bij de hoorzittingen zich zullen verbinden tot deze toepassing van striktere, op belangen gebaseerde voorwaarden op de betaling van EU-middelen aan derde landen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>44.</NO.P>benadrukt dat het belangrijk is meer middelen toe te kennen aan de begrotingsonderdelen voor het zuidelijke en oostelijke nabuurschap teneinde politieke, economische en sociale hervormingen in de regio’s te ondersteunen, hulp te bieden aan vluchtelingen, in het bijzonder middels continue, aangevulde en voorspelbare financiering voor de relevante actoren en agentschappen, die in verhouding staat tot wat nodig is om de mensen ter plaatse te bereiken door middel van een omzichtig verdelingsmechanisme dat volledig strookt met de EU-regels ter voorkoming van het illegale gebruik van Europese middelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>45.</NO.P>herinnert eraan dat de humanitaire hulp van de EU voor burgers in grote nood onontbeerlijk is en bijdraagt aan het tot stand brengen van stabiliteit en vrede in de regio’s in kwestie, en dat de verlening van dringend benodigde basisdiensten en humanitaire bijstand, vergezeld van de gebruikelijke screening- en monitoringprocedures, gewaarborgd moet worden en niet mag worden verhinderd, in overeenstemming met internationale rechterlijke uitspraken; verwacht dat de behoefte aan financiële middelen voor humanitaire hulp als gevolg van oorlogen, toenemende geopolitieke instabiliteit, aanhoudende extreme armoede en steeds vaker voorkomende natuurrampen verder zal toenemen; is op basis van deze veronderstellingen van oordeel dat de EU haar humanitaire hulp aanzienlijk zal moeten opschroeven om in te kunnen spelen op de grotere behoeften ter plaatse, met name van de mensen in nood in het Midden-Oosten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>46.</NO.P>herhaalt dat het de wrede terreuraanslagen van Hamas tegen Israël en de Israëlische bevolking van 7 oktober 2023 ondubbelzinnig veroordeelt en drukt zijn grote verdriet uit over de onschuldige slachtoffers die aan beide kanten zijn gevallen; benadrukt dat er met de begroting van de Unie nog steeds steun moet worden verleend aan de opbouw van vrede en stabiliteit in de regio, de bestrijding van haat, politiek extremisme en fundamentalisme en de bevordering van de mensenrechten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>47.</NO.P>herinnert aan zijn resolutie van 18 januari 2024, waarin de nadruk wordt gelegd op de rol van de Organisatie van de Verenigde Naties voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen in het Nabije Oosten (UNRWA), die momenteel meer dan een miljoen intern ontheemden onderdak biedt en het belangrijkste platform is geworden voor humanitaire bijstand aan de bevolking van de Gazastrook, die te kampen heeft met steeds slechtere humanitaire omstandigheden, waaronder een tekort aan onderdak, schoon water, voedsel en medische bijstand; wijst daarom nogmaals op het belang van aanhoudende en voorspelbare EU-financiering; is ingenomen met het feit dat de VN onverwijld een onderzoek hebben ingesteld naar aanleiding van de ernstige beschuldigingen met betrekking tot personen die deel uitmaakten van het personeel van de UNRWA en die naar verluidt betrokken waren bij de terroristische aanslagen tegen Israël van 7 oktober 2023, en is tevreden over de verstrekte informatie en de snelle maatregelen die de organisatie heeft genomen, met name om de bestaande contracten onmiddellijk te beëindigen; neemt akte van de oproep van de Commissie om een externe controle uit te voeren waarbij de pijlerbeoordeling van de VN-controlesystemen waarover de UNRWA overeenstemming heeft bereikt, wordt herzien; is voorstander van de controle- en monitoringsystemen die de Commissie toepast en herinnert eraan dat begunstigden van EU-middelen de regels en waarborgen van de EU alsook het internationale recht moeten respecteren; is in dat verband verheugd dat de Commissie in haar evaluatie van de EU-hulp aan Palestina, besluit dat de controles en de bestaande en doeltreffende waarborgen goed werken en dat er geen bewijs is gevonden dat geld voor onbedoelde doeleinden is misbruikt, en is ingenomen met de risicobeoordeling en de bijbehorende aanvullende maatregelen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Versterking van de uitvoering van programma’s</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>48.</NO.P>herinnert eraan dat het Parlement het cohesiebeleid ten volle steunt, aangezien dat beleid bijdraagt tot eerlijke, inclusieve en duurzame groei en ontwikkeling, de economische en sociale convergentie tussen de lidstaten en hun regio’s bevordert, de groene en digitale transitie ondersteunt en innovatie en werkgelegenheid stimuleert, waardoor het cohesiebeleid helpt de beleidsprioriteiten van de EU te verwezenlijken en de EU-economie te stimuleren; geeft eens te meer aan dat het ervan overtuigd is dat de doelstellingen van het cohesiebeleid alleen kunnen worden verwezenlijkt indien de vertragingen bij de uitvoering van de programma’s met spoed krachtig worden aangepakt; is van oordeel dat die aanpak voor snellere absorptie en uitvoering ook de meest doeltreffende manier zou zijn om de meerwaarde van de besteding van EU-middelen voor de mensen in de Unie zichtbaar en tastbaar te maken; wijst erop dat er aanvullende technische bijstand nodig is om het absorptievermogen van de lidstaten verder te bevorderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>49.</NO.P>benadrukt dat de begrotingsmiddelen van de EU ten goede moeten komen aan de EU-burgers en kmo’s; wijst erop dat de vereenvoudiging van administratieve procedures, gebruiksvriendelijke en omvattende websites en portalen, de vermindering van de bureaucratie en de oprichting van centrale loketten essentieel zijn om EU-programma’s toegankelijker te maken voor lokale en regionale autoriteiten, maatschappelijke organisaties, jonge ondernemers en kmo’s;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>50.</NO.P>verzoekt de lidstaten en de Commissie met klem de uitvoering van operationele programma’s onder gedeeld beheer te versnellen en zorg te dragen voor een snelle uitvoering van de begroting, met name van de cohesiefondsmiddelen; stelt vast dat de middelen die in de periode 2014-2020 voor programma’s beschikbaar waren maar ongebruikt zijn gebleven, terug moeten worden gegeven aan lidstaten teneinde de regionale verschillen te blijven verkleinen; dringt aan op een snelle implementatie van de herstel- en veerkrachtplannen, aangevuld met een beoordeling door de Commissie van het uitvoeringsproces, de problemen en de resultaten; maakt zich er zorgen over dat een achterblijvende uitvoering, tenzij snel verholpen, in een betalingscrisis zou kunnen uitmonden, d.w.z. een mismatch tussen betalingsbehoeften en beschikbare ruimte onder de betalingsplafonds van het MFK in 2026 en 2027;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>51.</NO.P>is van mening dat passende zorgvuldigheid, verantwoordingsplicht en eerbiediging van de waarden van de Unie van toepassing moeten zijn op alle begunstigden van EU-middelen en uitvoerende partners, met als doel de financiële belangen van de EU te beschermen en ongepaste inmenging te voorkomen; wijst eens te meer op het belang van doeltreffende en degelijke monitoring- en controleorganen die misdrijven tegen de financiële belangen van de EU opsporen, onderzoeken, vervolgen en voor het gerecht brengen, aangezien het geld dat besteed wordt aan corruptiebestrijding de EU netto enorme bedragen oplevert; is dan ook van mening dat deze organen naar behoren moeten worden gefinancierd en van voldoende personeel moeten worden voorzien om hun taken zo doeltreffend mogelijk te kunnen verrichten; onderstreept in dezelfde geest dat adequaat EU-toezicht noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat de financiële sector ten dienste staat van burgers en consumenten; dringt erop aan dat, gezien het belang van een gezonde, inclusieve en veerkrachtige financiële sector, de middelen voor de Europese financiële toezichthoudende autoriteiten en agentschappen die belast zijn met toezichttaken of het opstellen van technische reguleringsnormen in dat verband, in verhouding staan tot alle nieuwe regelgevingstaken die de verwezenlijking van deze beleidsdoelstellingen met zich meebrengt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>52.</NO.P>dringt er bij alle betrokken actoren op aan de uitvoering van projecten en de absorptie van beschikbare financiële middelen te versnellen en daarmee de abnormale hoeveelheid nog betaalbaar te stellen vastleggingen (RAL) te verkleinen; is van oordeel dat 2024 en 2025 moeten worden gebruikt om in kaart te brengen welke de eventuele knelpunten zijn die een doeltreffender uitvoering in de weg staan, deze te elimineren; dringt aan op voldoende begrotingsmiddelen om de uitvoering van programma’s te versnellen door middel van de opbouw van bijkomende capaciteit en technische bijstand voor de lidstaten, met name die welke te maken hebben met toegenomen absorptieproblemen, onder meer voor middelen uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit, alsook maatregelen ter versnelling van billijke, concurrerende en doeltreffende aanbestedingen en inschrijvingsprocedures;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>53.</NO.P>onderstreept het belang van effectieve communicatie over en de zichtbaarheid van het EU-beleid en de programma’s van de EU om meer bewustzijn te creëren over de toegevoegde waarde van de EU voor burgers, bedrijven en partners; pleit in dit verband voor de toewijzing van passende middelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>54.</NO.P>wijst erop dat een goede uitvoering van degelijk ontworpen programma’s alleen mogelijk is met de ondersteuning van vakbekwame bestuursdiensten; beklemtoont dat de organen en gedecentraliseerde agentschappen essentieel werk verrichten, en vindt dat hen voldoende personele middelen en toereikende hulpbronnen ter beschikking moeten worden gesteld om hun taken uit te kunnen voeren; benadrukt dat hun taken aan evolutie onderhevig zijn in lijn met de beleidsprioriteiten, zoals de groene en digitale transitie, en benadrukt dat nieuwe verantwoordelijkheden, alsook de uitbreiding van hun mandaat, op evenredige wijze gepaard moeten gaan met nieuwe middelen;</P></ACTION><SEPARATION><P>°</P><P>°	°</P></SEPARATION><ACTION><P><NO.P>55.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Europese Rekenkamer.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>