<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P9_TA(2024)0174</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Cohesiebeleid 2014-2020 – Toepassing en resultaten in de lidstaten</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A9-0049/2024 - Rapporteur: Andrey Novakov)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2024 over het cohesiebeleid 2014-2020 – Uitvoering en resultaten in de lidstaten (2023/2121(INI))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 174 en 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (“verordening gemeenschappelijke bepalingen”)<FOOTNOTE><FIELD> PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling “Investeren in groei en werkgelegenheid”, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006<FOOTNOTE><FIELD> PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) nr. 1300/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1084/2006 van de Raad<FOOTNOTE><FIELD> PB L 347 van 20.12.2013, blz. 281.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling “Europese territoriale samenwerking”<FOOTNOTE><FIELD> PB L 347 van 20.12.2013, blz. 259.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad<FOOTNOTE><FIELD> PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2020/460 van het Europees Parlement en de Raad van 30 maart 2020 tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013 en (EU) nr. 508/2014 wat betreft specifieke maatregelen om investeringen in de gezondheidszorgstelsels van de lidstaten en in andere sectoren van hun economieën vrij te maken als antwoord op de COVID-19-uitbraak (investeringsinitiatief coronavirusrespons)<FOOTNOTE><FIELD> PB L 99 van 31.3.2020, blz. 5.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2020/558 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2020 tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1301/2013 en (EU) nr. 1303/2013 wat betreft specifieke maatregelen met het oog op uitzonderlijke flexibiliteit bij het gebruik van de Europese structuur- en investeringsfondsen naar aanleiding van de uitbraak van COVID‐19 (investeringsinitiatief coronavirusrespons plus)<FOOTNOTE><FIELD> PB L 130 van 24.4.2020, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2022/562 van het Europees Parlement en de Raad van 6 april 2022 tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1303/2013 en (EU) nr. 223/2014 wat betreft maatregelen uit hoofde van het cohesiebeleid ten behoeve van vluchtelingen in Europa (CARE)<FOOTNOTE><FIELD> PB L 109 van 8.4.2022, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2022/2039 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1303/2013 en (EU) 2021/1060 met het oog op extra flexibiliteit om de gevolgen van de militaire agressie van de Russische Federatie op te vangen FAST (Flexible Assistance for Territories) – CARE<FOOTNOTE><FIELD> PB L 275 van 25.10.2022, blz. 23.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 4 februari 2022 over het 8e cohesieverslag: Naar cohesie in Europa in 2050 (COM(2022)0034),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 17 januari 2023 getiteld “Het benutten van talent in Europa’s regio’s” (COM(2023)0032),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het voorstel van de Commissie van 29 mei 2018 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een mechanisme om juridische en administratieve belemmeringen in een grensoverschrijdende context uit de weg te ruimen (COM(2018)0373),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het gewijzigde voorstel van de Commissie van 12 december 2023 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een mechanisme om juridische en administratieve belemmeringen in een grensoverschrijdende context uit de weg te ruimen (COM(2023)0790),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 30 juni 2021, getiteld “Een langetermijnvisie voor de plattelandsgebieden van de EU — Naar sterkere, verbonden, veerkrachtige en welvarende plattelandsgebieden in 2040” (COM(2021)0345),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de Territoriale Agenda 2030 van de Europese Unie, die op 1 december 2020 is aangenomen tijdens de informele bijeenkomst van de ministers die verantwoordelijk zijn voor territoriale cohesie en/of territoriale ontwikkeling,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van 2022 van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC), getiteld “Climate Change 2022: Mitigation of Climate Change. Contribution of Working Group III to the Sixth Assessment Report of the Intergovernmental Panel on Climate Change”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het speciaal verslag van het IPCC van 2018 getiteld “Global warming of 1.5 °C. An IPCC Special Report on the impacts of global warming of 1.5 °C above pre-industrial levels and related global greenhouse gas emission pathways, in the context of strengthening the global response to the threat of climate change, sustainable development, and efforts to eradicate poverty”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het speciaal verslag van het IPCC van 2019 getiteld “Climate change and land: an IPCC special report on climate change, desertification, land degradation, sustainable land management, food security, and greenhouse gas fluxes in terrestrial ecosystems”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het speciaal verslag van het IPCC van 2019 getiteld “IPCC Special Report on the Ocean and Cryosphere in a Changing Climate”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de overeenkomst die op de 21e Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (COP21) op 12 december 2015 in Parijs is aangenomen (de Overeenkomst van Parijs),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 23 november 2023 over het benutten van talent in Europa’s regio’s<FOOTNOTE><FIELD> Aangenomen teksten, P9_TA(2023)0439.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 9 mei 2023 over de rol van het cohesiebeleid bij de aanpak van multidimensionale milieu-uitdagingen in het Middellandse Zeegebied<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2023/1061, 15.12.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2023/1061/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 15 september 2022 over economische, sociale en territoriale cohesie in de EU: het achtste cohesieverslag<FOOTNOTE><FIELD> PB C 125 van 5.4.2023, blz. 100.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 15 september 2022 over EU-grensregio’s: levende laboratoria van de Europese integratie<FOOTNOTE><FIELD> PB C 125 van 5.4.2023, blz. 114.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 15 februari 2022 over de uitdagingen voor stedelijke gebieden na COVID-19<FOOTNOTE><FIELD> PB C 342 van 6.9.2022, blz. 2.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 14 september 2021 over een sterker partnerschap met de ultraperifere gebieden van de EU<FOOTNOTE><FIELD> PB C 117 van 11.3.2022, blz. 18.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 20 mei 2021 over demografische tendensen in de regio’s van de EU ombuigen met behulp van instrumenten van het cohesiebeleid<FOOTNOTE><FIELD> PB C 15 van 12.1.2022, blz. 125.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 25 maart 2021 over het cohesiebeleid en regionale milieustrategieën in het kader van de strijd tegen de klimaatverandering<FOOTNOTE><FIELD> PB C 494 van 8.12.2021, blz. 26.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 13 juni 2018 over cohesiebeleid en de circulaire economie<FOOTNOTE><FIELD> PB C 28 van 27.1.2020, blz. 40.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 13 maart 2018 over achterstandsregio’s in de EU<FOOTNOTE><FIELD> PB C 162 van 10.5.2019, blz. 24.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van het Europees Comité van de Regio’s van 29 november 2023 getiteld “De toekomst van het cohesiebeleid na 2027”<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2024/1041, 9.2.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/1041/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het EU-jaarverslag over de staat van de regio’s en steden 2022,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de studie getiteld “EU lagging regions: state of play and future challenges”, die zijn directoraat-generaal Intern Beleid van de Unie heeft gepubliceerd op 26 oktober 2020<FOOTNOTE><FIELD> Studie – Onderzoek voor de Commissie regionale ontwikkeling getiteld “EU lagging regions: state of play and future challenges”, Europees Parlement, directoraat-generaal Intern Beleid, beleidsondersteunende afdeling B – Structuur- en Cohesiebeleid, 26 oktober 2020.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 54 van zijn Reglement, alsmede artikel 1, lid 1, punt e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de brief van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling (A9-0049/2024),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat het cohesiebeleid, het belangrijkste investeringsbeleid van de EU, in de programmeringsperiode 2014-2020 zijn op het Verdrag gebaseerde doelstelling van economische, sociale en territoriale cohesie in de hele EU heeft ondersteund; overwegende dat het cohesiebeleid ook een essentiële investeringspijler is geweest van de Europa 2020-strategie, door bij te dragen aan het doel van deze strategie om slimme, duurzame en inclusieve groei te verwezenlijken; overwegende dat het cohesiebeleid het enige ontwikkelingsinstrument is dat gericht is op regionale en lokale behoeften en onder meer gericht is op het aanpakken van de negatieve gevolgen van de klimaatverandering;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat de klimaatverandering gevolgen heeft voor alle regio’s van de EU en drastische veranderingen met zich meebrengt voor het leven van mensen; overwegende dat de klimaatverandering daarom een aanzienlijke bedreiging vormt voor de cohesie van de Unie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat de investeringen in het kader van het cohesiebeleid in de hele EU hebben geleid tot ongekend positieve effecten op regio’s, steden en plattelands-, grens- en afgelegen gebieden; overwegende dat elke EU-lidstaat direct of indirect de positieve effecten van de financiering uit de EU-begroting heeft ervaren; overwegende dat de resultaten van de talrijke lokale projecten de onmisbare rol van regionale en lokale investeringen via het cohesiebeleid bevestigen en de rol en zichtbaarheid ervan in het meerjarig financieel kader (MFK) onderstrepen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat de multiprioriteitsbenadering van het cohesiebeleid, in combinatie met het gedeelde beheer ervan, heeft bijgedragen tot de prioriteiten van de EU, namelijk steun voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s), onderzoek en innovatie, digitalisering, plattelandsontwikkeling, betere stedelijke infrastructuur, duurzaam toerisme, vervoersinfrastructuur, cultuur en onderwijs, gezondheidszorg, sociaal beleid, grensoverschrijdende projecten, de energietransitie, energie-efficiëntie, het klimaat en het milieu;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat het cohesiebeleid door middel van instrumenten zoals het investeringsinitiatief coronavirusrespons en het investeringsinitiatief coronavirusrespons plus (CRII en CRII+), maatregelen uit hoofde van het cohesiebeleid ten behoeve van vluchtelingen in Europa (CARE), flexibele bijstand aan gebieden (FAST-CARE) en ondersteuning van betaalbare energie (SAFE) heeft gefungeerd als een structureel bolwerk tegen de vele opeenvolgende crises die de Unie tijdens de programmeringsperiode 2014-2020 hebben getroffen, zoals de COVID-19-pandemie, tijdens welke het cohesiebeleid banen heeft veiliggesteld en de getroffen bedrijven heeft geholpen, en de vluchtelingen-, energie- en inflatiecrises als gevolg van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat het cohesiebeleid de EU verbindt; overwegende dat een verlaging van de begroting en/of een hernationalisering ervan de EU kan verzwakken en het anti-EU-sentiment in de hele Unie kan aanwakkeren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat de Europese stedelijke agenda, die gebaseerd is op het Handvest van Leipzig, de doelstellingen van de Territoriale Agenda 2030 ondersteunt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat de uitdagingen waarmee de Europese regio’s worden geconfronteerd, op territoriaal niveau worden vastgesteld en aangepakt; overwegende dat het herhaalde gebruik van het cohesiebeleid om te reageren op crises en noodsituaties de levensvatbaarheid van het beleid in gevaar brengt; overwegende dat de Rekenkamer erop heeft gewezen dat de gevolgen van deze constante aantasting van de cohesiemiddelen voor de langetermijndoelstellingen van het beleid zorgvuldig moeten worden geanalyseerd<FOOTNOTE><FIELD> Europese Rekenkamer, Speciaal verslag 02/2023, “De aanpassing van de voorschriften van het cohesiebeleid in antwoord op COVID-19”, 2 februari 2023.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat het cohesiebeleid een investeringsbeleid voor de lange termijn is en geen eerste bron van noodfinanciering mag worden voor het aanpakken van om het even welke uitdaging of onvoorziene gebeurtenis, aangezien dit de strategische benadering van het beleid ondermijnt; overwegende dat er voor het gebruik van de middelen van het cohesiebeleid duidelijke regels moeten worden vastgesteld, om zowel een structurele aanpak te waarborgen als het hoofd te kunnen bieden aan onvoorziene gebeurtenissen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat er steeds meer fondsen en instrumenten zijn, die ondergebracht zijn in verschillende juridische en strategische kaders, met name de herstel- en veerkrachtfaciliteit, waarmee cohesieprioriteiten worden nagestreefd binnen een ander rechtskader en uitvoeringsmodel, en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo), dat niet langer deel uitmaakt van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen);</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat er een sluipende uitholling plaatsheeft van het beleid, met de opkomst van thematische fondsen en initiatieven die specifieke sectoren of doelstellingen ondersteunen en afhankelijk zijn van bijdragen van het cohesiebeleid, zoals het platform voor strategische technologieën voor Europa, de verordening ter ondersteuning van de productie van munitie, de herstelbijstand voor cohesie en de regio’s van Europa (React-EU) en REPowerEU; overwegende dat dit de territoriale benadering van het beleid verzwakt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat een efficiënt beheer van de middelen van het cohesiebeleid van cruciaal belang is om te voldoen aan de doelstellingen en behoeften op het gebied van regionale en lokale ontwikkeling;</P></CONS><CONS><P><NO.P>M.</NO.P>overwegende dat het monitoringsysteem voor de middelen van het cohesiebeleid hoofdzakelijk is opgezet om fouten op te sporen, maar niet zo gemakkelijk fraude opspoort;</P></CONS><CONS><P><NO.P>N.</NO.P>overwegende dat fraudebestrijding gebaseerd moet zijn op intensievere en rechtstreekse samenwerking tussen de diensten van de Commissie en het Europees Openbaar Ministerie; overwegende dat het ontbreken van een duidelijk onderscheid tussen fouten, anomalieën en fraude het beheer en de uitvoering van het cohesiebeleid in aanzienlijke mate compliceert en omslachtiger maakt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>O.</NO.P>overwegende dat de vertraagde goedkeuring van het MFK 2021-2027, de talrijke crises die zich sinds kort voordoen en de invoering van de instrumenten van NextGenerationEU de vlotte uitvoering van het cohesiebeleid in de hele EU hebben belemmerd, programmerings- en uitvoeringsuitdagingen hebben veroorzaakt en tot onzekerheid hebben geleid voor geplande regionale en lokale EU-investeringen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>P.</NO.P>overwegende dat, aangezien de rechtsgrondslag voor de herstel- en veerkrachtfaciliteit artikel 175 VWEU is, de lidstaten en de Commissie de doelstellingen van economische, sociale en territoriale cohesie hadden moeten nastreven en doeltreffend hadden moeten coördineren met het cohesiebeleid;</P></CONS><CONS><P><NO.P>Q.</NO.P>overwegende dat de lidstaten de herstel- en veerkrachtfaciliteit vaak in concurrentie met het cohesiebeleid hebben uitgevoerd, vaak zonder overleg of samenwerking met de lokale en regionale overheden, zelfs niet om te kijken wat reeds was uitgevoerd; overwegende dat de regio’s van de EU vaak meer bereid en in staat zijn om deze financiering ten uitvoer te leggen dan de regeringen van de lidstaten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>R.</NO.P>overwegende dat de laatste uitvoeringsfase van het MFK 2014-2020 bijzonder veeleisend was, aangezien het einde van de programmeringsperiode, de aanvullende financiering die werd verstrekt als reactie op de recente crises, onder meer via NextGenerationEU, en het begin van de programmeringsperiode 2021-2027 elkaar overlapten in de tijd en nationale, regionale en lokale overheden extra onder druk zetten, hetgeen het tempo van de uitvoering vertraagde en hun monitoring- en controlecapaciteit negatief beïnvloedde; overwegende dat de druk om in een heel kort tijdsbestek grote bedragen uit te geven volgens de Rekenkamer helaas kan hebben bijgedragen tot een toename van de hoeveelheid onregelmatige uitgaven<FOOTNOTE><FIELD> Europese Rekenkamer, “Jaarverslag over de uitvoering van de EU-begroting betreffende het begrotingsjaar 2022”, 5 oktober 2023.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS><CONS><P><NO.P>S.</NO.P>overwegende dat de uitvoeringspercentages voor het cohesiebeleid aanzienlijk verschillen tussen de lidstaten en tussen de financieringsprogramma’s; overwegende dat de uitvoeringspercentages van bepaalde lidstaten en regio’s constant laag zijn, waardoor meer aandacht moet worden besteed aan de doeltreffendheid van het beheer van deze programma’s;</P></CONS><CONS><P><NO.P>T.</NO.P>overwegende dat er ondanks de wettelijke verbeteringen die zijn ingevoerd in de programmeringsperiode 2014-2020 en de verbeteringen in het regelgevingskader 2021-2027 nog steeds diverse uitdagingen zijn; overwegende dat het beleid erg ingewikkeld om uit te voeren is gebleken voor de beheersautoriteiten, de bevoegde lokale en regionale organen en de eindbegunstigden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>U.</NO.P>overwegende dat de regels inzake overheidsopdrachten in veel lidstaten, naast aanvullende nationale audits en monitoring, leiden tot extra lasten voor beheersautoriteiten en begunstigden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>V.</NO.P>overwegende dat het volgen van een strategische aanpak gedurende de hele programmeringsperiode weliswaar van het grootste belang is, maar dat het mogelijk moet zijn deze aanpak halverwege de looptijd opnieuw te beoordelen en aan te passen; overwegende dat er niettemin voldoende flexibiliteit nodig is in de programmering van het cohesiebeleid om onverwachte gebeurtenissen tijdens de programmeringsperiode aan te pakken;</P></CONS><CONS><P><NO.P>W.</NO.P>overwegende dat financiering in het kader van het cohesiebeleid moet stroken met het Handvest van de grondrechten van de EU, de beginselen van de rechtsstaat en de Europese gedragscode inzake partnerschap<FOOTNOTE><FIELD> Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie van 7 januari 2014 betreffende de Europese gedragscode inzake partnerschap in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen (PB L 74 van 14.3.2014, blz. 1).</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS><CONS><P><NO.P>X.</NO.P>overwegende dat de beginselen van bestuur op verschillende niveaus en partnerschap aanzienlijk moeten worden versterkt om het lokale en regionale niveau effectief te betrekken bij het programmerings-, herprogrammerings- en uitvoeringsproces van de EU-fondsen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>Y.</NO.P>overwegende dat het cohesiebeleid in de loop der jaren effectief heeft geholpen om de verschillen te verkleinen, maar dat er, zoals het achtste cohesieverslag duidelijk maakt, nog steeds een aantal ongelijkheden bestaat tussen de lidstaten, tussen en binnen regio’s, tussen verschillende soorten gebieden (als bedoeld in de artikelen 174 en 349 VWEU) en binnen de rijkste stedelijke gebieden; overwegende dat er ook nieuwe ongelijkheden zijn ontstaan, zoals de regionale innovatiekloof;</P></CONS><CONS><P><NO.P>Z.</NO.P>overwegende dat de ultraperifere gebieden en eilandgebieden met de status van landen en gebieden overzee te maken hebben met een aanzienlijk aantal structurele beperkingen en dat zij minder ontwikkeld zijn dan de continentale regio’s van de betrokken lidstaten; overwegende dat een stabiel en voorspelbaar regelgevingsklimaat met name belangrijk is voor een efficiënt beheer van de middelen van het cohesiebeleid in deze regio’s;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AA.</NO.P>overwegende dat de groene en de digitale transitie zich in de hele EU voltrekken tegen zeer uiteenlopende snelheden en dat zij naar behoren moeten worden beheerd om te voorkomen dat bepaalde regio’s negatieve gevolgen ondervinden en dat er nog grotere verschillen ontstaan;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AB.</NO.P>overwegende dat regio’s in het oosten van de EU weliswaar een inhaalslag hebben gemaakt, maar dat er stagnatie is in andere regio’s, met name in het zuiden van de EU; overwegende dat bepaalde regio’s zijn terechtgekomen in een ontwikkelingsval, die gekenmerkt wordt door lange perioden van trage of negatieve groei, met een lage productiviteit en een lage banencreatie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AC.</NO.P>overwegende dat de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne met name de oostelijke grensregio’s van de EU heeft getroffen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AD.</NO.P>overwegende dat de vergrijzing in de EU als geheel heeft geleid tot een afname van de bevolking in de beroepsgeschikte leeftijd; overwegende dat diverse EU-regio’s geconfronteerd worden met het aanhoudende vertrek van hun jonge en geschoolde werknemers; overwegende dat met name landelijke, perifere en ultraperifere gebieden in de EU en regio’s in de EU die een industriële overgang doormaken, door deze zorgwekkende demografische trends worden getroffen; overwegende dat deze trends, indien zij niet worden aangepakt, ongewenste langetermijneffecten voor de EU zullen hebben;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AE.</NO.P>overwegende dat in het kader van de pretoetredings- en uitbreidingsprocessen van de EU een evenwichtige en gerichte rol moet worden gespeeld door het beleid voor regionale ontwikkeling en het cohesiebeleid;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Resultaten</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>merkt op dat uit de door de lidstaten uitgevoerde evaluaties van de resultaten van de investeringen in het kader van het cohesiebeleid in de periode 2014-2020 blijkt dat het cohesiebeleid in het algemeen positieve resultaten heeft opgeleverd op de gebieden die het ondersteunde<FOOTNOTE><FIELD> Werkdocument van de diensten van de Commissie van 30 januari 2023 met een synthese van de bevindingen van de evaluaties van de programma’s van de Europese structuur- en investeringsfondsen 2014-2020, gevoegd bij het samenvattend jaarverslag 2022 (SWD(2023)0022).</FIELD></FOOTNOTE><FOOTNOTE><FIELD> Werkdocument van de diensten van de Commissie van 15 januari 2024 met een synthese van de bevindingen van de evaluaties van de programma’s van de Europese structuur- en investeringsfondsen 2014-2020, gevoegd bij het samenvattend jaarverslag 2023 (SWD(2024)0002).</FIELD></FOOTNOTE>; merkt op dat dergelijke investeringen hebben bijgedragen tot de verwezenlijking van de doelstelling van de Europa 2020-strategie, namelijk slimme, duurzame en inclusieve groei;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>is tevreden met de bijdrage van het cohesiefonds aan onderzoek en innovatie, aangezien hierdoor onder meer de samenwerking tussen de onderzoeksgemeenschap en bedrijven is versterkt en de bijdrage van het cohesiefonds heeft geholpen om onderzoek om te zetten in verhandelbare producten of diensten; merkt op dat volgens cijfers van de Commissie eind 2022 meer dan 75 000 ondernemingen hadden samengewerkt met onderzoeksinstellingen en ongeveer 37 000 ondernemingen nieuwe producten in de handel hadden gebracht dankzij ondersteuning door middel van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO)<FOOTNOTE><FIELD> Verslag van de Commissie van 15 januari 2024 getiteld “Europese structuur- en investeringsfondsen – Samenvattend verslag van 2023 over de jaarlijkse uitvoeringsverslagen van de programma’s voor de periode 2014‑2020” (COM(2024)0006).</FIELD></FOOTNOTE>; merkt ook op dat op dat moment meer dan 72 000 onderzoekers hun werk verrichten in betere voorzieningen<FOOTNOTE><FIELD> Europese Commissie, “Key achievements of Regional Policy 2014-2020”, geraadpleegd op 20 februari 2024.</FIELD></FOOTNOTE>; onderstreept dat het cohesiebeleid ook heeft geholpen de digitale kloof tussen regio’s te dichten door het ondersteunen van de ontwikkeling van ICT-infrastructuur in minder ontwikkelde regio’s; is ingenomen met het feit dat als gevolg daarvan 7,8 miljoen gezinnen eind 2022 betere breedbandtoegang hadden<FOOTNOTE><FIELD> Idem.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>wijst erop dat de steun in het kader van het cohesiebeleid ook tastbare voordelen heeft opgeleverd voor duizenden kmo’s; benadrukt dat dit een van de best presterende domeinen van de EFRO-steun is geweest; onderstreept dat het EFRO eind 2022 steun had verleend aan meer dan 2,2 miljoen ondernemingen, waardoor 370 000 banen werden gecreëerd<FOOTNOTE><FIELD> Idem.</FIELD></FOOTNOTE>; merkt op dat evaluaties die zijn uitgevoerd in Tsjechië, Polen, Duitsland, Nederland en Oostenrijk voorbeelden bevatten van kmo’s die concurrerender en innovatiever zijn geworden, hun productiviteit hebben vergroot en betere toegang hebben gekregen tot de internationale markten<FOOTNOTE><FIELD> SWD(2023)0022.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>onderstreept dat cohesie ook een essentiële rol heeft gespeeld in de transitie naar een koolstofarme economie; merkt op dat het verminderen van het energieverbruik in gebouwen een belangrijk onderdeel vormt van deze transitie en dat de steun op dit gebied in het kader van het cohesiebeleid al vruchten heeft afgeworpen; is ingenomen met het feit dat uit de beoordelingen van de lidstaten blijkt dat de maatregelen om de energie-efficiëntie te verhogen in de hele EU doeltreffend zijn geweest<FOOTNOTE><FIELD> Idem.</FIELD></FOOTNOTE>; merkt op dat het EFRO eind 2022 de energie-efficiëntie had helpen verbeteren bij 550 000 gezinnen; wijst erop dat er aanwijzingen zijn dat het cohesiebeleid investeringen in diverse steenkoolregio’s heeft ondersteund die hebben bijgedragen tot de decarbonisatie; merkt op dat de inspanningen in Asturië, Spanje, gericht waren op werkgelegenheid voor jongeren en vrouwen in plattelandsgebieden, met als doel het stimuleren van ondernemerschap en sociale inclusie; merkt tevens op dat in de regio Yugoiztochen in Bulgarije de middelen van het cohesiebeleid zijn ingezet voor energie-efficiëntie, de modernisering van kmo’s en de bevordering van de ontwikkeling van vaardigheden<FOOTNOTE><FIELD> Studie – Onderzoek voor de Commissie regionale ontwikkeling getiteld “Cohesion Policy in EU Coal Regions”, Europees Parlement, directoraat-generaal Intern Beleid, beleidsondersteunende afdeling B – Structuur- en Cohesiebeleid, 14 februari 2023.</FIELD></FOOTNOTE>; stelt vast dat de maatregelen voor de productie van hernieuwbare energie ertoe hebben geleid dat de productiecapaciteit voor hernieuwbare energie in de EU eind 2022 was toegenomen met 6 000 MW, met een streefcijfer van 8 700 MW tegen eind 2023<FOOTNOTE><FIELD> Europese Commissie, “Key achievements of Regional Policy 2014-2020”, geraadpleegd op 20 februari 2024.</FIELD></FOOTNOTE>; merkt op dat op dit gebied positieve resultaten worden gemeld, bijvoorbeeld in Estland en in regio’s van Frankrijk<FOOTNOTE><FIELD> SWD(2023)0022.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>onderstreept dat uit de evaluaties van de inspanningen op het gebied van klimaataanpassing en risicopreventie blijkt dat er behoefte is aan grensoverschrijdende samenwerking om ervoor te zorgen dat de door het cohesiebeleid gefinancierde maatregelen echt doeltreffend zijn; onderstreept dat sommige landen reeds gezamenlijke maatregelen op het gebied van risicopreventie en civiele bescherming hebben genomen; merkt op dat een dergelijke samenwerking er is tussen Italië en Frankrijk, Tsjechië en Polen, en Italië en Oostenrijk<FOOTNOTE><FIELD> SWD(2023)0022, blz. 13.</FIELD></FOOTNOTE>; benadrukt met betrekking tot klimaataanpassing dat dankzij investeringen in het kader van het cohesiebeleid 29 miljoen mensen voortaan minder zijn blootgesteld aan overstromingen<FOOTNOTE><FIELD> Europese Commissie, “Cohesion Open Data Platform – Theme: Climate Change Adaptation &amp; Risk Prevention – Funding Period: 2014-2020”, geraadpleegd op 20 februari 2024.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>merkt op dat de cohesiesteun uit het EFRO en het Cohesiefonds er ook toe heeft geleid dat meer mensen een betere watervoorziening genieten (eind 2022 8,3 miljoen<FOOTNOTE><FIELD> Europese Commissie, “Cohesion Open Data Platform – Theme: Environment Protection &amp; Resource Efficiency – Funding Period: 2014-2020”, geraadpleegd op 20 februari 2024.</FIELD></FOOTNOTE>) en een beter beheer van hun stedelijk afval; merkt op dat het merendeel van de begunstigden die met de maatregelen ter verbetering van het drinkwater werden beoogd (70 %) wonen in Italië, Roemenië, Griekenland, Portugal, Bulgarije en Tsjechië; merkt ook op dat in Frankrijk en België de in het kader van het cohesiebeleid gefinancierde projecten hebben geholpen de circulaire economie te bevorderen<FOOTNOTE><FIELD> SWD(2023)0022, blz. 14.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>benadrukt dat energie- en vervoersnetwerken aanzienlijke investeringen hebben ontvangen uit het EFRO en het Cohesiefonds; merkt op dat de gevolgen van dit soort infrastructuurprojecten weliswaar pas op langere termijn terdege kunnen worden beoordeeld, maar dat volgens in Polen en Tsjechië uitgevoerde evaluaties een aantal van de investeringen in het wegen- en spoorwegnet al hebben geleid tot minder ongevallen op de weg, kortere reistijden en minder verontreiniging<FOOTNOTE><FIELD> Idem.</FIELD></FOOTNOTE>; is ingenomen met het feit dat de modernisering van tramlijnen in Slowakije de verbindingen heeft verbeterd, de reistijd heeft verkort, de veiligheid heeft verbeterd en heeft bijgedragen tot minder lawaai en trillingen<FOOTNOTE><FIELD> SWD(2024)0002, blz. 9.</FIELD></FOOTNOTE>; merkt op dat de aardgasprojecten die gefinancierd zijn in lidstaten als Polen en Bulgarije bovendien een bijdrage hebben geleverd aan de strategische doelstelling om hun energievoorziening te diversifiëren<FOOTNOTE><FIELD> SWD(2023)0022, blz. 14.</FIELD></FOOTNOTE>; is ingenomen met het feit dat in Bulgarije de gasinterconnector tussen Griekenland en Bulgarije, ondersteund door het EFRO, in oktober van 2022 in gebruik is genomen en bijdraagt tot de strategische doelstellingen van de EU inzake zelfvoorziening op het gebied van energie en diversificatie van bronnen<FOOTNOTE><FIELD> Europese Commissie, “Annual Activity Report 2022 – Directorate-General Regional and Urban Policy”, 20 juni 2023.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>stelt vast dat cohesie, met name door middel van het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, succesvolle maatregelen heeft ondersteund op het gebied van werk, sociale inclusie en onderwijs en beroepsopleiding; benadrukt dat eind 2022 6,8 miljoen mensen een baan hadden gevonden dankzij maatregelen die werden ondersteund door het ESF en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, en 10,2 miljoen mensen een kwalificatie hadden behaald<FOOTNOTE><FIELD> COM(2024)0006, blz. 14.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>benadrukt dat uit evaluaties uit lidstaten zoals Italië, Duitsland, Polen en Ierland is gebleken dat personen, met name jongeren, die hebben deelgenomen aan opleidingsmaatregelen, leerlingplaatsen of stages die met middelen van het cohesiebeleid zijn ondersteund, duidelijk meer kans maakten op het vinden van een baan<FOOTNOTE><FIELD> SWD(2023)0022, blz. 15.</FIELD></FOOTNOTE>; merkt op dat Polen en Ierland goede resultaten hebben behaald met projecten die gericht waren op langdurig werklozen; merkt ook op dat uit een evaluatie van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief 2014-2020 die werd uitgevoerd in Hongarije<FOOTNOTE><FIELD> Equinox Consulting, “Az ifjúsági foglalkoztatási kezdeményezés - eredményeinek értékelése” (Evaluatie van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief), 2018.</FIELD></FOOTNOTE> bleek dat het programma het in aanzienlijke mate waarschijnlijker had gemaakt voor de deelnemers om op korte termijn een baan te vinden, maar dat die impact na verloop van tijd afnam; benadrukt dat uit een andere evaluatie uit Hongarije<FOOTNOTE><FIELD> Kopint-Tárki, Rapport voor het Hongaarse Ministerie van innovatie en technologie, “Assessment of labour market integration support schemes - Framework contract for the performance of assessments of development programmes co-financed by the Funds under the EU’s Cohesion Policy, in 9 parts – Part III: Assessment of impact on labour market and social outcomes”, 15 januari 2021.</FIELD></FOOTNOTE> bleek dat de ondersteuningsregelingen voor arbeidsmarktintegratie die door middel van het ESF werden gefinancierd een positieve en aanzienlijke impact hadden op het vinden van een baan; merkt op dat in een evaluatie van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief die werd uitgevoerd in Zweden<FOOTNOTE><FIELD> Wolf-Watz, O. en Öhlin, J., “Evaluation of the YEI, 2018”, december 2018.</FIELD></FOOTNOTE> in het algemeen positieve effecten werden vastgesteld wat banen voor de deelnemers betreft, met name deelnemers met een buitenlandse achtergrond; benadrukt dat opleidingsmaatregelen voor zowel leerlingen als docenten een positief effect hebben gehad op de percentages inzake vroegtijdig schoolverlaten, bijvoorbeeld in Duitsland, Portugal en Spanje<FOOTNOTE><FIELD> SWD(2023)0022, blz. 16.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>merkt op dat het ESF ondernemers heeft geholpen nieuwe ondernemingen op te zetten en dat het opleiding heeft aangeboden zodat bedrijven zich beter kunnen aanpassen aan veranderingen op de markt; onderstreept dat het ESF-programma<FOOTNOTE><FIELD> SÖSTRA – Institut für sozialökonomische Strukturanalysen, “Übergreifende Programmevaluierung der Förderung durch den Europäischen Sozialfonds (ESF) im Freistaat Thüringen in der Förderperiode 2014 bis 2020 - Abschlussbericht” (Algemene programma- evaluatie van de financiering door het Europees Sociaal Fonds (ESF) in de Vrijstaat Thüringen tijdens de financieringsperiode 2014-2020 – eindverslag), 2020.</FIELD></FOOTNOTE> in Thüringen, Duitsland, ter versterking van het ondernemerschap naast andere projecten ook het centrum voor startende ondernemingen en ondernemerschap van Thüringen (ThEx) heeft ondersteund; erkent dat het centrum eind 2021 ongeveer 2 900 personen had geholpen bij het starten van een nieuw bedrijf in de regio; merkt op dat vluchtelingen en migranten die aankwamen in Luxemburg, toegang hadden tot een specifiek door het ESF ondersteund ondernemerschapsprogramma<FOOTNOTE><FIELD> Touchpoints ASBL, “2020 Annual Report”, 1 juni 2021.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>benadrukt dat via financiële steun in het kader van het cohesiebeleid voor projecten in de gezondheidszorg, voornamelijk investeringen uit het ESF en het EFRO, eind 2022 in de hele EU 58,3 miljoen mensen toegang hadden tot verbeterde gezondheidsdiensten<FOOTNOTE><FIELD> Europese Commissie, “Cohesion Open Data Platform – Theme: Social Inclusion – Funding Period: 2014-2020”, geraadpleegd op 20 februari 2024.</FIELD></FOOTNOTE>; onderstreept dat het bijvoorbeeld in Litouwen met in het kader van het cohesiebeleid gefinancierde projecten is gelukt om het risico op hart- en vaatziekten en het zelfmoordcijfer terug te dringen<FOOTNOTE><FIELD> SWD(2023)0022, blz. 17.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>is ingenomen met de bijdrage van het cohesiebeleid aan territoriale samenwerking; merkt op dat dit specifieke doel van het EFRO heeft bijgedragen tot de financiering van grensoverschrijdende transnationale en interregionale projecten op gebieden zoals onderzoek, ontwikkeling en innovatie en het milieu; onderstreept dat, zoals gerapporteerd door de Commissie, zonder deze specifieke cohesiesteun de meeste van deze samenwerkingsprojecten niet zouden zijn uitgevoerd; benadrukt dat eind 2022 meer dan 40 000 ondernemingen hadden deelgenomen aan grensoverschrijdende transnationale of interregionale onderzoeksprojecten, en ongeveer 178 000 personen baat hadden gehad bij grensoverschrijdende mobiliteitsinitiatieven<FOOTNOTE><FIELD> Europese Commissie, “Cohesion Open Data Platform – Fund: ERDF – Funding Period: 2014-2020”, geraadpleegd op 20 februari 2024.</FIELD></FOOTNOTE>; wijst erop dat er volgens door de Commissie samengebrachte recente evaluaties voorbeelden zijn van succesvolle samenwerking op het gebied van thematische kwesties, zoals projecten op het gebied van informatie- en communicatietechnologie in verband met slimme steden in Griekenland en Cyprus<FOOTNOTE><FIELD> SWD(2024)0002, blz. 15.</FIELD></FOOTNOTE>; merkt bovendien op dat het Botnia-Atlantica-programma in Zweden-Finland-Noorwegen de kennis over de bescherming van zeeën en kustgebieden heeft vergroot<FOOTNOTE><FIELD> SWD(2024)0002, blz. 15.</FIELD></FOOTNOTE>; onderstreept dat uit de effectbeoordeling van het Interregprogramma 2014-2020 voor Centraal-Europa<FOOTNOTE><FIELD> Civitta International en Vienna Institute for International Economic Studies, “Impact Evaluation Report for the Impact Evaluation of the Interreg CENTRAL EUROPE Programme – Phase 1”, februari 2022.</FIELD></FOOTNOTE>, dat Oostenrijk, Kroatië, de Tsjechische Republiek, Duitsland, Hongarije, Italië Polen, Slowakije en Slovenië omvat, is gebleken dat eind 2021 met het programma positieve resultaten waren gerealiseerd op het gebied van innovatie, decarbonisatie, milieu, cultuur en vervoer; is ingenomen met het feit dat het Interreg-programma voor Roemenië-Servië ook heeft bijgedragen tot een versterking van de samenwerking van beide landen op alle relevante gebieden<FOOTNOTE><FIELD> SWD(2023)0022, blz. 20.</FIELD></FOOTNOTE>, en dat het programma voor Kroatië-Servië de productie van hernieuwbare elektriciteit en een grotere energie-efficiëntie heeft ondersteund<FOOTNOTE><FIELD> SWD(2024)0002, blz. 15.</FIELD></FOOTNOTE>; vestigt de aandacht op de positieve resultaten van het Interreg-programma voor Zweden, Denemarken en Noorwegen op het gebied van de groene economie<FOOTNOTE><FIELD> SWD(2023)0022, blz. 20.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>is ingenomen met de reactie van het cohesiebeleid op de meest recente crises; merkt op dat er in het kader van het CRII en het CRII+ meer dan 300 programmawijzigingen zijn goedgekeurd, waardoor bijna 28 miljard EUR aan middelen<FOOTNOTE><FIELD> Europese Commissie, “Coronavirus Dashboard: EU cohesion policy response to the crisis”, 18 oktober 2023.</FIELD></FOOTNOTE> zijn geheroriënteerd om de gevolgen van de COVID-19-crisis aan te pakken; onderstreept dat 13 miljard EUR werd geheroriënteerd om bedrijfsondersteuning te bieden aan de ondernemingen die het zwaarst door de COVID-19-crisis waren getroffen<FOOTNOTE><FIELD> Idem.</FIELD></FOOTNOTE>; merkt op dat er tot dusver slechts enkele evaluaties op dit gebied zijn uitgevoerd; merkt echter op dat de gefinancierde maatregelen in Nederland, Malta en Frankrijk (Grand Est) volgens de beschikbare evaluaties relevant werden geacht voor de behoeften van mensen en bedrijven<FOOTNOTE><FIELD> SWD(2024)0002, blz. 16.</FIELD></FOOTNOTE>; merkt ook op dat er bewijs is dat de door deze flexibiliteit mogelijk gemaakte bedrijfsondersteuning uit het EFRO in Hongarije een positief effect heeft gehad op de ondernemingen waarop zij gericht was<FOOTNOTE><FIELD> SWD(2023)0022, blz. 18.</FIELD></FOOTNOTE>; merkt op dat ook de voorlopige evaluatie van de Commissie<FOOTNOTE><FIELD> Werkdocument van de diensten van de Commissie van 14 juli 2023, getiteld “Preliminary evaluation of the support provided by ESF and FEAD under the Coronavirus Response Investment Initiatives (CRII and CRII+)” (SWD(2023)0249).</FIELD></FOOTNOTE> van de ondersteuning die werd geboden door het ESF en het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen in het kader van het CRII en het CRII+ overwegend positief was; onderstreept dat de met het CRII en het CRII+ beoogde doelstellingen in de meeste lidstaten zijn verwezenlijkt, aangezien de lidstaten deze financieringsflexibiliteit hebben gebruikt om de resterende middelen op doeltreffende wijze opnieuw toe te wijzen aan de financiering van, afhankelijk van hun nationale context, werkregelingen voor de korte termijn, maatregelen inzake sociale inclusie en hun gezondheidszorgstelsel; benadrukt dat de regeringen dankzij het CRII en het CRII+ ook in staat waren in deze moeilijke periode hun aanbestedingen en uitgaven op peil te houden; merkt op dat de met REACT-EU verleende steun gericht was op herstelmaatregelen op basis van toekomstgerichte prioriteiten, zoals de groene en de digitale transitie; wijst voor een voorbeeld van deze steun op het project Green Change Zealand, waarmee twintig kmo’s in Denemarken zijn geholpen om hun energie- en materiaalverbruik door middel van groene omschakelingsplannen te verlagen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Toekomstig cohesiebeleid</STRING></STRING></ACTINIT><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Algemene beginselen</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>benadrukt dat het cohesiebeleid vanwege zijn regionale focus, locatiegerichte aanpak, strategische planning en doeltreffende uitvoeringsmodel het belangrijkste investeringsinstrument van de EU moet blijven om ongelijkheden te verminderen, voor economische, sociale en territoriale cohesie te zorgen en duurzame regionale en lokale groei te stimuleren, en dat het een belangrijke bijdrage moet blijven leveren aan de ondersteuning van een sociaal rechtvaardige transitie en een sociaal rechtvaardig herstel na symmetrische en asymmetrische schokken en van de strijd tegen de klimaatverandering;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>betreurt de vermindering van het aandeel van het MFK 2021-2027 dat bestemd is voor cohesie ten opzichte van de vorige programmeringsperiode; herinnert eraan dat de COVID-19-pandemie en de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne nieuwe verschillen tussen regio’s hebben gecreëerd; is van mening dat er een reële toename moet zijn van het totale cohesiebudget en van het aandeel van het cohesiebeleid in het MFK ten opzichte van de programmeringsperiode 2021-2027;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>is van mening dat cohesie-investeringen bij de programmering en uitvoering onder gedeeld beheer moeten blijven vallen, om te kunnen inspelen op de behoeften van lidstaten, regio’s en stedelijke, plattelands- en afgelegen gebieden; erkent dat gezamenlijke programmering, medefinanciering, medeverantwoordelijkheid en mede-eigenaarschap de meest effectieve methoden zijn voor een succesvolle uitvoering van een investeringsbeleid van de EU voor de lange termijn en door de EU gefinancierde projecten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>onderstreept dat de opkomst van instrumenten voor begrotingsondersteuning op basis van direct beheer en een eenvoudiger uitvoeringsmodel kan leiden tot een hernationalisering van het cohesiebeleid en een gevaar kan vormen voor een van de basisbeginselen ervan: bestuur op verschillende niveaus; verwerpt daarom elke vorm van hernationalisering van het cohesiebeleid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>benadrukt dat alle regio’s van de EU in aanmerking moeten blijven komen voor financiering in het kader van het cohesiebeleid; onderstreept dat dit de enige manier is om regionale uitdagingen aan te pakken, een evenwichtiger ontwikkelingspatroon te verwezenlijken in de hele EU en unieke regionale ontwikkelingsproblemen op te lossen op het terrein;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>benadrukt dat in het kader van het toekomstige cohesiebeleid voort aandacht moet worden besteed aan regio’s die kampen met ernstige en permanente natuurlijke en demografische beperkingen, zoals dunbevolkte gebieden, eilanden, bergachtige gebieden en grensoverschrijdende regio’s, met volledige inachtneming van artikel 174 VWEU; merkt in deze context op dat de EU een stedelijke en een plattelandsagenda heeft opgesteld, en verwacht dat ook een agenda wordt gepubliceerd voor de eilanden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>verzoekt de Raad het dossier inzake het Europees grensoverschrijdend mechanisme te deblokkeren en zijn werk hieraan te starten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>onderstreept het feit dat het belangrijk is artikel 349 VWEU bij alle EU-beleid toe te passen, om de in dit artikel bepaalde doelstellingen te realiseren; wijst op de cruciale rol die het cohesiebeleid speelt in de ultraperifere gebieden; benadrukt het feit dat het belangrijk is voor deze gebieden op maat gesneden programma’s en maatregelen te ontwerpen en te behouden, aangezien de meeste ultraperifere gebieden nog steeds tot de minder ontwikkelde regio’s behoren of als zodanig moeten worden behandeld; verzoekt de Commissie hoge medefinancieringspercentages te garanderen, met name voor de ultraperifere gebieden, door al deze regio’s voor dit doel aan te wijzen als minder ontwikkelde regio’s;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>benadrukt het feit dat onevenredige lasten, zoals de inherente structurele nadelen waarmee alle grensregio’s te kampen hebben, moeten worden gecompenseerd door een afzonderlijk systeem voor regionale steun dat specifiek voor grensregio’s is ontworpen; eist dat aan het begin van elke nieuwe programmeringsperiode, te beginnen met de periode 2028-2034, 0,26 % van de begroting voor het EU-cohesiebeleid exclusief wordt gereserveerd voor ontwikkeling in de grensregio’s (“borderland billion”);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>is van mening dat de criteria inzake “geen ernstige afbreuk doen” maatregelen moeten voorkomen die schadelijk zijn voor het milieu, om de doelstelling van een koolstofneutraal Europa uiterlijk in 2050 te verwezenlijken; verzoekt de Commissie in het komende wettelijke kader voor het cohesiebeleid na 2027 strenge criteria in te voeren om de toepassing van het beginsel inzake “geen ernstige afbreuk doen” te verbeteren; vraagt voorts dat in het nieuwe kader minstens in hetzelfde niveau van klimaatgerelateerde uitgaven wordt voorzien, om de klimaatdoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te verwezenlijken en rekening te houden met de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN en de Europese Green Deal;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>onderstreept dat het voornaamste doel van het cohesiebeleid van de EU is om ongelijkheden tussen de lidstaten en met name tussen en binnen regio’s in de lidstaten weg te nemen; onderstreept dat de begroting van het cohesiebeleid voornamelijk moet worden gebruikt voor de doelstellingen van het cohesiebeleid en niet voor nieuwe instrumenten en programma’s die buiten het cohesiebeleid vallen, zowel binnen als buiten het MFK, met inbegrip van facultatieve overdrachten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>erkent de noodzaak van ingebouwde crisisflexibiliteit; stelt voor een speciale pijler in het leven te roepen voor lokale en regionale overheden om nieuwe prioriteiten aan te pakken; benadrukt echter dat de herbestemming van financiering in het kader van het cohesiebeleid niet in gang mag worden gezet door nieuwe wetgevingsinitiatieven van de Commissie, maar in plaats daarvan moet worden geïnitieerd door een beheersautoriteit volgens een bottom-upproces, na verplicht overleg met regionale en lokale autoriteiten en met de nodige betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld, zoals bepaald in de verordening gemeenschappelijke bepalingen en de gedragscode inzake partnerschap; onderstreept dat dit de meerjarenkoers van het beleid niet zal aantasten, maar zal helpen om het beleid zo goed mogelijk aan te passen aan deze snel veranderende tijd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>betreurt het dat vertragingen in de onderhandelingen over het MFK hebben geleid tot aanzienlijke vertragingen in de programmeringsperiode 2021-2027, met gevolgen voor begunstigden en met name beheersautoriteiten, die te maken kregen met een enorme last, doordat zij zowel de financieringsperiode 2014-2020 moesten afhandelen als de huidige financieringsperiode moesten opstarten; verzoekt de Commissie daarom na te gaan of het wettelijk mogelijk is om voor de programmeringsperiode na 2027 binnen de verordening gemeenschappelijke bepalingen twee afzonderlijke delen te creëren, namelijk het inhoudelijke deel (beleid) en het MFK-gerelateerde deel (financiële middelen); is van mening dat over het inhoudelijke deel moet worden onderhandeld en dat dit deel moet worden afgesloten vóór het MFK-gerelateerde deel, om de beheersautoriteiten in staat te stellen tijdig te beginnen met de voorbereiding, teneinde het beginsel van echt partnerschap te waarborgen en ervoor te zorgen dat de instrumenten van het cohesiebeleid worden gebruikt op doeltreffende wijze;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>waarschuwt dat het bestaan van meerdere fondsen met cohesiedoelstellingen, soms met overlappende prioriteiten, een belemmering kan vormen voor de doeltreffende tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid; pleit voor een duidelijke scheidingslijn tussen het cohesiebeleid en andere instrumenten, en vraagt dat deze op elkaar worden afgestemd en dat zij complementair zijn, om overlappingen en concurrentie tussen EU-instrumenten te voorkomen; benadrukt dat deze complementariteit moet worden vergroot door de mogelijkheid te versterken om gezamenlijke projecten te financieren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>28.</NO.P>vestigt de aandacht op de moeilijkheden die lokale, regionale en nationale overheden ondervinden om geschoold personeel aan te werven voor de uitvoering, het beheer en de controle van de middelen van het cohesiebeleid, die een van de redenen zijn voor de vertragingen bij de uitvoering van die middelen; verzoekt de lidstaten en hun regio’s maatregelen te starten om gespecialiseerd personeel op te leiden en aan te werven om de uitvoering, het beheer en de controle van de EU-fondsen in de toekomst te optimaliseren teneinde deze fondsen zo doeltreffend en efficiënt mogelijk te maken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>29.</NO.P>merkt op dat er, zoals gebleken is uit de analyses van de prestaties van de fondsen van het cohesiebeleid, onder meer door de Europese Rekenkamer, ruimte voor verbetering van de doeltreffendheid van de interventies van het cohesiebeleid is om de overkoepelende prioriteiten en territoriale uitdagingen van de EU, zoals het concurrentievermogen of de vergroening van de economie, uit te voeren; is van mening dat een breder opgezette aanpak, met de betrokkenheid van meer EU-beleidsterreinen en een doeltreffende en gerichte inzet van de middelen, daarom essentieel is om de geografisch bepaalde ontevredenheid te bestrijden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>30.</NO.P>is van mening dat het wetgevingsvoorstel voor het toekomstige cohesiebeleid pas mag worden uitgebracht als rekening is gehouden met de resultaten van een ruime raadpleging en een reeks evenementen, in diverse vormen, op het terrein in de hele EU, waarbij alle bestuursniveaus en alle andere belanghebbenden worden samengebracht;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>31.</NO.P>onderstreept dat er behoefte is aan een alomvattende evaluatie van de impact van de ESI-fondsen in de lidstaten en in de begunstigde regio’s en gemeenten, waarbij niet alleen aandacht moet worden besteed aan de mate van uitvoering van de toegewezen middelen, maar veeleer aan de transformatieve aard van de investeringen en de impact ervan op de economie en de werkgelegenheid in het gebied;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>32.</NO.P>merkt op dat in het regelgevingskader 2021-2027 reeds maatregelen zijn ingevoerd om de uitvoering en het beheer van het cohesiebeleid te vereenvoudigen; wijst erop dat er weliswaar reële vooruitgang is geboekt, maar dat er nog een lange weg af te leggen is wat vereenvoudiging van de procedures voor de eindbegunstigden en het bieden van rechtszekerheid voor de beheersautoriteiten betreft; benadrukt dat overlappende controles en audits van middelen moeten worden vermeden; benadrukt dat verdere vereenvoudiging ook een versnelde tenuitvoerleggings- en absorptietempo mogelijk moet maken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>33.</NO.P>onderstreept daarom dat vereenvoudiging een van de belangrijkste aanjagers van het toekomstige cohesiebeleid moet zijn; acht het noodzakelijk de procedures voor overheidsopdrachten te stroomlijnen, het cohesiebeleid beter af te stemmen op de staatssteunregels, het gebruik van vereenvoudigde kostenopties te vergroten, het beginsel van één audit toe te passen en “onestopshops” voor potentiële begunstigden vast te stellen; is van mening dat de toepassing van de regels voor de extrapolatie van het foutenpercentage onevenredige administratieve lasten voor de beheersautoriteiten met zich meebrengt en verzoekt de Commissie te overwegen deze regels te herzien; verzoekt de lidstaten overregulering te voorkomen om rechtszekerheid te waarborgen voor de begunstigden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>34.</NO.P>is van mening dat de architectuur van de financieringsinstrumenten van de EU verder moet worden gestroomlijnd in het kader van het Cohesiefonds, het EFRO, het ESF+ en het Fonds voor een rechtvaardige transitie, en mogelijk moet worden uitgebreid tot het Elfpo, aangezien dit onder de verordening gemeenschappelijke bepalingen moet vallen; merkt op dat een dergelijke stroomlijning de programmering en uitvoering van het beleid verder zou vereenvoudigen, de zichtbaarheid en doeltreffendheid ervan zou vergroten en de toegang van begunstigden tot financiering zou verbeteren; benadrukt dat het belangrijk is de afzonderlijke fondsspecifieke verordeningen te stroomlijnen, om meer vertragingen bij de uitvoering en de complexiteit van de programmering tot een minimum te beperken; merkt op dat bij het stroomlijnen van de fondsen de thematische oriëntatie ervan en de financieringsstromen voor de respectieve beleidsterreinen behouden moeten blijven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>35.</NO.P>erkent dat het prestatiekader dat in de periode 2014-2020 werd ingevoerd, een poging was om de resultaatgerichtheid van het beleid te verbeteren; dringt in dit verband aan op een grondige modernisering van het uitvoeringsmodel – een verschuiving van een activiteit-betalingscyclus naar een resultaatgerichte uitvoering, op basis van tastbare mijlpalen, samen met een koppeling aan lokale en regionale groeibevorderende hervormingen, overeenkomstig de fundamenten van het cohesiebeleid; benadrukt dat de resultaatgerichte aanpak niet zal werken als het regionaal en het lokaal niveau geen zeggenschap hebben over de bepaling van de streefdoelen waaraan het succes van het beleid zal worden getoetst;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>36.</NO.P>onderstreept dat een dergelijke verschuiving naar een resultaatgerichte uitvoering de transparantie, verantwoordingsplicht en de bescherming van de financiële belangen van de Unie niet mag ondermijnen; merkt op dat de audit- en controlesystemen niettemin moeten worden aangepast aan het resultaatgerichte kader;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>37.</NO.P>dringt aan op een ruimer gebruik van digitale technologieën en oplossingen in de lidstaten om de uitvoering, monitoring en rapportering te vereenvoudigen en zo bij te dragen tot een doelmatiger beheer en minder documentatie op papier;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>38.</NO.P>merkt op dat overheidsgeld dat afkomstig is van de belastingbetaler niet mag worden misbruikt; vraagt de Commissie, de lidstaten en de regionale autoriteiten de bestaande mechanismen te gebruiken en te versterken om onregelmatigheden, fraude en corruptie in de financiering van het cohesiebeleid op te sporen en te bestrijden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>39.</NO.P>verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat alle lidstaten over een doeltreffend mechanisme beschikken om onregelmatigheden te rapporteren, in overeenstemming met Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/1970 van de Commissie<FOOTNOTE><FIELD> Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/1970 van de Commissie van 8 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad met specifieke bepalingen inzake de rapportage over onregelmatigheden aangaande het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (PB L 293 van 10.11.2015, blz. 1).</FIELD></FOOTNOTE>; pleit ervoor dat onregelmatigheden in het beheerssysteem voor onregelmatigheden (IMS) pas als afgesloten worden aangemerkt wanneer de ontbrekende bedragen ook op nationaal niveau zijn teruggevorderd in plaats van zodra de onregelmatige bedragen aan de Commissie zijn terugbetaald; beveelt de lidstaten aan er door middel van datamininginstrumenten zoals Arachne voor te zorgen dat de gegevens in het officiële verslag over onregelmatigheden en fraude in het IMS worden getoetst aan de gegevens voor de goedgekeurde projecten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>40.</NO.P>verzoekt de Commissie de bevoegdheden van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en het Europees Openbaar Ministerie (EOM) om onregelmatigheden en fraude in verband met de middelen van het cohesiefonds te onderzoeken, beter op elkaar af te stemmen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>41.</NO.P>verzoekt de resterende lidstaten deel te nemen aan het Europees Openbaar Ministerie, om de strijd tegen corruptie en misbruik van EU-middelen te versterken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>42.</NO.P>steunt krachtig de tenuitvoerlegging van de conditionaliteit met betrekking tot de rechtsstaat in alle lidstaten; verwacht daarom van de Commissie dat zij bij de goedkeuring van partnerschapsovereenkomsten en programma’s in het kader van het cohesiebeleid ten volle rekening houdt met rechtsstatelijke aspecten, zodat er volledige overeenstemming is met de randvoorwaarden voor de doeltreffende toepassing en tenuitvoerlegging van het Handvest van de grondrechten, zoals uiteengezet in bijlage III bij de verordening gemeenschappelijke bepalingen; verwacht voorts dat de Commissie geen partnerschapsovereenkomsten of programma’s goedkeurt totdat deze grondige analyse van deze specifieke aspecten tot een hoge mate van zekerheid leidt dat er geen risico’s zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>43.</NO.P>herhaalt dat het belangrijk is over waarborgen te beschikken om een onterechte benadeling te voorkomen van begunstigden in landen waartegen het rechtsstaatmechanisme kan worden opgestart; verzoekt de Commissie na te gaan hoe zij de middelen kan bezorgen aan de eindbegunstigden ervan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>44.</NO.P>benadrukt dat het cohesiebeleid zich beter moet aanpassen aan de uitdagingen die worden veroorzaakt door de groene, de digitale en de industriële transitie en de sociale gevolgen hiervan, om relevant te blijven en de in de Verdragen vastgelegde doelstellingen te verwezenlijken; is van mening dat het om dit te bereiken belangrijk is om niet alleen lering te trekken uit de financieringsperiode 2014-2020, maar ook uit instrumenten als de herstel- en veerkrachtfaciliteit, om sociaal-economische uitdagingen in verband met recente crises aan te pakken en om passende steun te verlenen aan achtergestelde gebieden en gemeenschappen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>45.</NO.P>verzoekt de Commissie er in de verordeningen inzake het cohesiebeleid voor de periode na 2027 op te blijven wijzen dat het belangrijk is om thema’s aan te pakken als de beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering, het verlies aan biodiversiteit en de bescherming van het milieu, met inbegrip van beter water- en afvalbeheer, hulpbronnen- en energie-efficiëntie, rampenbestendigheid en risicopreventie en -beheer; is in deze context van mening dat mechanismen voor de integratie van het klimaat in alle beleidsterreinen en de opbouw van klimaatbestendigheid een integrerend deel moeten uitmaken van de programmering en de uitvoering, met name bij de selectie van projecten; herinnert de Commissie er voorts aan dat passende steun, met name aan lokale en regionale overheden, om sociaal-economische uitdagingen in verband met recente crises aan te pakken en achtergestelde gebieden en gemeenschappen te helpen, een belangrijk element moet zijn bij de tenuitvoerlegging van de fondsen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>46.</NO.P>onderstreept het feit dat het belangrijk is om op het hele grondgebied van de EU te komen tot duurzamere mobiliteitsoplossingen, bijvoorbeeld via het beleid inzake het trans-Europees vervoersnetwerk (TEN-T); is van mening dat slimme en duurzame mobiliteitsoplossingen prioriteit moeten krijgen bij de toekenning van EU-financiering;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>47.</NO.P>verzoekt de Commissie en de lidstaten ernaar te streven dat alle regio’s in de EU toegang hebben tot snelle breedbandverbindingen, zodat zij de digitale transitie op gelijke voet kunnen verwezenlijken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>48.</NO.P>benadrukt dat het voor investeringen in duurzame ontwikkeling nodig is de betrokkenheid aan te moedigen van de particuliere sector naast de publieke sector; onderstreept in dit opzicht de rol die kmo’s kunnen spelen op het gebied van innovatie; verzoekt de lidstaten en de Commissie maatregelen voor te stellen om het gebruik van marktrijpe innovaties door kmo’s te verbeteren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>49.</NO.P>dringt aan op betere toegang tot financiering voor lokale en regionale autoriteiten, en ook voor grensoverschrijdende en minder ontwikkelde regio’s, om investeringen mogelijk te maken in de lokale en regionale energietransitie, met inbegrip van energie-efficiëntie, gedecentraliseerde energiedistributie en een sterke focus op hernieuwbare energie en een duurzame circulaire economie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>50.</NO.P>is ervan overtuigd dat, gezien de structurele wijzigingen in verband met de dubbele transitie, de groene en de digitale, en de ongelijke economische en sociale gevolgen hiervan voor de regio’s van de EU, het beginsel van een rechtvaardige transitie, waarbij geen gebied of persoon in de steek wordt gelaten, een leidraad moet vormen voor de volgende programmeringsperiode van het cohesiebeleid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>51.</NO.P>erkent dat het belangrijk is bijzondere aandacht te schenken aan de regio’s die worden getroffen door de industriële transitie; is in dit verband ingenomen met de inspanningen van de Commissie om deze kwestie aan te pakken met het Fonds voor een rechtvaardige transitie, de eerste pijler van het mechanisme voor een rechtvaardige transitie; verzoekt de Commissie lering te trekken uit de uitvoering van dit fonds en de doelstellingen ervan verder te verduidelijken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>52.</NO.P>dringt aan op voortzetting van de financiering voor de rechtvaardige transitie, die volledig moet worden geïntegreerd in de verordening gemeenschappelijke bepalingen en voldoende financiële middelen moet omvatten voor de programmeringsperiode na 2027, en op de toepassing van de beginselen van gedeeld beheer en partnerschap; is van mening dat deze uitbreiding van het Fonds voor een rechtvaardige transitie gericht moet zijn op het passende NUTS-niveau (nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek), rekening moet houden met regionale specifieke kenmerken, een breder toepassingsgebied moet hebben dan het huidige Fonds voor een rechtvaardige transitie en zo ontworpen moet zijn dat er snel kan worden gereageerd op nieuwe opkomende uitdagingen in diverse sectoren en industrieën; dringt erop aan dat er in deze nieuwe generatie van financiering een onderscheid wordt gemaakt tussen klimaatmitigatie en klimaatadaptatie; benadrukt dat een deel van de financiering moet worden besteed aan de sociaal rechtvaardige transitie en aan het verkleinen van de koolstofvoetafdruk van de Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>53.</NO.P>dringt aan op de handhaving van een specifieke beleidsdoelstelling inzake het aanpakken van sociale ongelijkheden, aangezien de regionale convergentie is vertraagd en nieuwe oorzaken van ongelijkheid zijn ontstaan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>54.</NO.P>wijst op de cruciale rol die investeringen in het kader van het cohesiebeleid in hoogwaardige openbare diensten spelen voor het opbouwen van sociale veerkracht en het omgaan met economische, gezondheids- en sociale crises;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>55.</NO.P>onderstreept dat het toepassingsgebied van de steun in het kader van het cohesiebeleid de integratie en inclusie omvat van meer dan 3 miljoen mensen die het risico lopen op sociale uitsluiting, met inbegrip van steun aan 600 000 mensen uit gemarginaliseerde groepen zoals met name Roma die in minder ontwikkelde EU-regio’s wonen; betreurt de onwil van lokale overheden in bepaalde lidstaten om middelen van het cohesiebeleid effectief te benutten om ervoor te zorgen dat deze mensen toegang hebben tot hoogwaardige diensten, bijvoorbeeld toegang tot water en behoorlijke leefomstandigheden; verzoekt de lidstaten met klem deze uiterst dringende kwesties, die een belangrijke bijdrage zullen leveren aan het verkleinen van de regionale ongelijkheden, aan te pakken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>56.</NO.P>vestigt de aandacht op de moeilijke situatie van regio’s die grenzen aan Rusland en Belarus na de opschorting van de samenwerking naar aanleiding van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne; verzoekt de Commissie nauw samen te werken met de getroffen lidstaten om duurzame oplossingen te vinden om de sociale en economische uitdagingen in die regio’s aan te pakken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>57.</NO.P>onderstreept het multidimensionale karakter van plattelandsontwikkeling, dat louter landbouw overstijgt; merkt op dat slechts 11,5 % van de inwoners van plattelandsgebieden werkzaam is in de landbouw, bosbouw en visserij;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>58.</NO.P>herinnert eraan dat het Elfpo momenteel gekoppeld is aan het kader voor cohesiebeleid, en dat het voort verbonden moet blijven met de verordening gemeenschappelijke bepalingen, hetgeen nodig is om plattelandsgebieden ten volle te ontwikkelen; benadrukt dat de fondsen op het gebied van regionale ontwikkeling, met inbegrip van het Elfpo, verder moeten worden gestroomlijnd, aangezien dit zou kunnen zorgen voor synergieën en sterkere partnerschappen tussen stad en platteland voor investeringen in plattelandsgebieden die verder gaan dan de landbouw; benadrukt dat het Elfpo moet worden beheerd op regionaal niveau of met een beduidende regionale en lokale participatie, waarbij meer dan voorheen de nadruk moet worden gelegd op structurele beleidsmaatregelen in dunbevolkte gebieden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>59.</NO.P>dringt erop aan een mechanisme voor plattelandstoetsing in te voeren, om de gevolgen van EU-wetgevingsinitiatieven voor plattelandsgebieden te beoordelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>60.</NO.P>wijst erop dat elke toekomstige uitbreiding van de Unie gevolgen zal hebben voor het niveau van cohesie binnen de Unie; wijst erop dat er waarschijnlijk gevolgen zullen zijn voor de huidige classificatie van de verschillende regio’s, aangezien het gemiddelde bbp per hoofd van de bevolking aanzienlijk zal dalen als gevolg van het statistische effect;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>61.</NO.P>verzoekt de Commissie daarom een gedetailleerde beoordeling uit te voeren alvorens een nieuwe verordening voor te stellen voor het beleidskader inzake cohesie na 2027, om ervoor te zorgen dat het cohesiebeleid toegerust is om alle regio’s te blijven ondersteunen en dat eventuele ongunstige gevolgen voor de regio’s als gevolg van een statistisch effect op de subsidiabiliteit in het kader van het cohesiebeleid terdege kunnen worden aangepakt; verzoekt de Commissie bovendien in haar beoordeling een raming op te nemen van de extra behoeften inzake grensoverschrijdende samenwerking die een uitbreiding met zich mee kan brengen; roept op tot overleg en tot gestructureerde werkzaamheden tussen de Commissie en het Parlement over deze kwesties alvorens een nieuw wetgevingsvoorstel wordt ingediend; dringt erop aan dat er uiterlijk in 2030 een cohesiebeleid is dat klaar is voor uitbreiding;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>62.</NO.P>onderstreept dat de bestaande begroting voor het cohesiebeleid gericht is op doelstellingen inzake convergentie; onderstreept dat, wat Oekraïne betreft, de begroting voor het cohesiebeleid niet kan en niet mag voorzien in de verwachte financieringsbehoeften voor wederopbouw; benadrukt dat eventuele doelstellingen inzake wederopbouw moeten worden verwezenlijkt door middel van aparte financieringsmechanismen, buiten het toepassingsgebied van het MFK, via rechtstreekse begrotingsbijdragen van de lidstaten, de particuliere sector en externe middelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>63.</NO.P>verzoekt de Commissie de mogelijkheid te overwegen om overheidsuitgaven van de lidstaten en regionale en lokale overheden voor cohesie in het kader van de ESI-fondsen niet aan te merken als openbare of daarmee gelijkgestelde structurele uitgaven zoals bedoeld in de nieuwe regels voor economische governance, met name als zij de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs niet ondermijnen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>64.</NO.P>benadrukt dat het cohesiebeleid en het economisch bestuur van de EU beter op elkaar moeten worden afgestemd, zonder daarbij bestraffend te werk te gaan; benadrukt dat het Europees Semester in overeenstemming moet zijn met de doelstellingen van het cohesiebeleid zoals vastgelegd in de artikelen 174 en 175 VWEU en de Europese pijler van sociale rechten; dringt aan op de deelname van de regio’s aan de uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen en op een sterkere territoriale aanpak; dringt erop aan het concept van macro-economische conditionaliteit opnieuw te bekijken en de mogelijkheid te onderzoeken om het te vervangen door nieuwe vormen van conditionaliteit, zodat beter rekening wordt gehouden met de nieuwe uitdagingen die ons te wachten staan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>65.</NO.P>herinnert aan het beginsel “doe geen afbreuk aan de cohesie”, dat is ingevoerd in het achtste cohesieverslag en inhoudt dat er geen maatregelen mogen worden getroffen die het convergentieproces belemmeren of regionale verschillen vergroten; benadrukt dat dit beginsel sterker moet worden geïntegreerd als horizontaal beginsel in alle beleidsmaatregelen van de EU, zodat deze de doelstellingen ondersteunen van sociale, economische en territoriale cohesie, als bepaald in de artikel 3 en 174 VWEU; benadrukt dat het bevorderen van cohesie ook moet worden gezien als een manier om solidariteit en wederzijdse steun tussen de lidstaten en hun regio’s te bevorderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>66.</NO.P>verzoekt de Commissie dit beginsel te versterken en te ontwikkelen in het kader van het Europees Semester en de lokale en regionale overheden te betrekken bij alle fasen van de procedures in verband met het Europees Semester en de bijbehorende landspecifieke aanbevelingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>67.</NO.P>acht de horizontale beginselen van bestuur op verschillende niveaus en partnerschap erg belangrijk en is van mening dat zij na 2027 leidende beginselen van het cohesiebeleid moeten blijven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>68.</NO.P>verzoekt de Commissie, de lidstaten, de regio’s en de lokale overheden het beginsel van bestuur op verschillende niveaus rigoureus en effectief toe te passen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>69.</NO.P>benadrukt hoe belangrijk het is het beginsel van partnerschap in de hele programmering, uitvoering en monitoring van het EU-cohesiebeleid aan te houden en een sterke samenwerking tussen regionale en lokale overheden, ngo’s en andere belanghebbenden tot stand te brengen; dringt erop aan dat het partnerschapsbeginsel bindend blijft en verzoekt om de opname ervan in het Europees semester; verzoekt de Commissie en de Rekenkamer nauwgezet follow-ups uit te voeren, projecten te controleren, alsook corrigerende aanbevelingen te doen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>70.</NO.P>is ingenomen met de beslissing van de Commissie om de geldigheid van de gedragscode inzake partnerschappen in het kader van de ESI-fondsen te verlengen (Gedelegeerde Verordening nr. 240/2014); is van mening dat deze richtsnoeren een belangrijke bijdrage leveren aan een betere betrokkenheid van lokale en regionale overheden en andere belanghebbenden, maar dat zij moeten worden herzien om de doeltreffendheid ervan te vergroten en te zorgen voor een nauwere betrokkenheid van de partners, om plaatsgebonden maatregelen te bevorderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>71.</NO.P>herinnert eraan dat in het beleidskader van het cohesiebeleid voor 2021-2027 gendergelijkheid en een genderperspectief zijn opgenomen en worden bevorderd in alle stadia van het proces inzake de voorbereiding, uitvoering, monitoring en evaluatie cohesieprogramma’s; wijst voorts op de specifieke rol van vrouwen, met name in afgelegen en plattelandsgebieden, aangezien zij belangrijke spelers zijn in het maatschappelijk middenveld en voor een duurzame economische groei; merkt echter op dat zij tegelijk vaak moeilijkheden ondervinden bij de toegang tot de arbeidsmarkt, openbare diensten, gezondheidszorg, kinderopvang en gelijke beloning;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>72.</NO.P>onderstreept voorts dat het bijzonder belangrijk is het thema jeugd te mainstreamen in het cohesiebeleid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>73.</NO.P>verzoekt de Commissie en de lidstaten meer inspanningen te leveren om de realisatie van kinderrechten te bevorderen, door het ESF+ te gebruiken ter ondersteuning van effectieve maatregelen die bijdragen aan de verwezenlijking van deze doelstelling;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>74.</NO.P>pleit voor een verdere versterking van de communicatie en zichtbaarheid van de programma’s en door de EU gefinancierde projecten in de lidstaten, door de doelstellingen, het doelpubliek, de communicatiekanalen, het bereik op sociale media, de geplande begroting en relevante indicatoren voor monitoring en evaluatie ervan te definiëren;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Regionale en lokale focus</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>75.</NO.P>dringt erop aan investeringen in klimaatadaptatie en in rampenpreventie en -paraatheid te garanderen door middel van een specifieke beleidsdoelstelling, thematische concentratie of een specifieke randvoorwaarde om duurzame investeringen in lokale en regionale infrastructuur en risicobeheer in minder ontwikkelde stedelijke en plattelandsgebieden te waarborgen, met inbegrip van grensregio’s en ultraperifere gebieden; is van mening dat financiering gericht moet worden gebruikt voor risicoverlaging en -paraatheid ten aanzien van een brede waaier aan rampen (zowel klimaatgerelateerde als geologische, gezondheidsgerelateerde en door de mens veroorzaakte rampen); is van mening dat dit een sterke nadruk op klimaataanpassing, -mitigatie en -adaptatie moet omvatten, om lokale en regionale autoriteiten te helpen de risico’s beter te beheren en hun reactie voor te bereiden op de lokale gevolgen van de klimaatverandering, van geleidelijk optredende verschijnselen tot extreme weersomstandigheden, met inbegrip van kusterosie, woestijnvorming, een stijgend zeepeil, natuurbranden, overstromingen, aardverschuivingen, hittegolven en andere natuurrampen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>76.</NO.P>is van mening dat financiering in het kader van het cohesiebeleid op evenwichtige wijze zowel ten goede moet komen aan stedelijke als aan landelijke gebieden; pleit ervoor het cohesiebeleid te voorzien van een sterkere stedelijke en plattelandsdimensie, door gerichte investeringen zowel in stedelijke als in plattelandsgebieden, alsmede een sterkere koppeling tussen projecten en duurzame investeringen in steden en op het platteland, teneinde de demografische uitdaging, de ontwikkelingsval en de kloof tussen stad en platteland aan te pakken waarmee de EU-regio’s te maken krijgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>77.</NO.P>dringt erop aan het aandeel van de nationale EFRO-toewijzingen dat bestemd is voor stedelijke ontwikkeling te verhogen; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat kleine gemeenten ook toegang kunnen krijgen tot de EFRO-middelen die bestemd zijn voor de financiering van duurzame en geïntegreerde stadsontwikkelingsprojecten; dringt er tevens op aan middelen te reserveren voor plattelandsgebieden en regio’s die kampen met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen; vraagt dat deze financiering samen wordt geprogrammeerd met de lokale en regionale overheden en dat zij ten goede komt aan de lokale gemeenschappen en de betrokken regio’s;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>78.</NO.P>dringt aan op de vaststelling van een echt structuurbeleid voor plattelandsgebieden, met passende thematische doelstellingen op basis van de specifieke uitdagingen van deze gebieden, zoals woestijnvorming op het platteland, vergrijzing van de bevolking, ontvolking, leegloop van het platteland, achteruitgang van gemeenschappen in het algemeen en ontoereikende mogelijkheden op het gebied van gezondheidszorg en onderwijs;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>79.</NO.P>moedigt synergieën aan tussen gezamenlijke projecten en samenwerkingsovereenkomsten tussen de verschillende bestuursniveaus, om te kunnen profiteren van gebundelde capaciteiten en schaalvoordelen bij EU-investeringen in infrastructuur, innovatie, beperking van/aanpassing aan de klimaatverandering en de groene en de digitale transitie; is van mening dat dit proces moet leiden tot een groter gevoel van verantwoordelijkheid voor projecten en de consolidering van duurzame investeringen, in plaats van versnippering en een gebrek aan synergie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>80.</NO.P>onderstreept de meerwaarde van territoriale samenwerking in het algemeen en van grensoverschrijdende samenwerking in het bijzonder; dringt aan op een verhoging van de begroting voor de programma’s voor Europese territoriale samenwerking, aangezien deze een uniek kader bieden voor interregionale, grensoverschrijdende en transnationale samenwerking en helpen gemeenschappelijke uitdagingen aan te pakken, waarbij partnerschappen worden gestimuleerd en economische ontwikkeling, sociale cohesie en milieuduurzaamheid worden bevorderd; stelt voor dat het “borderland billion” rechtstreeks wordt toevertrouwd aan de Europese groepering voor territoriale samenwerking, die moet worden belast met het onafhankelijke beheer ervan en de verdeling ervan over projecten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>81.</NO.P>is van mening dat de Territoriale Agenda 2030 een reëel en adequaat instrument is dat de cohesie van de EU waarborgt door middel van het beheer van elk van haar regio’s en hun specifieke eigenschappen; verzoekt de Commissie te overwegen om de rol van de Territoriale Agenda 2030 uit te breiden tot meer dan een richtsnoer voor territoriaal beheer; roept de lidstaten op hun territoriale agenda’s te ontwikkelen in overeenstemming met de Territoriale Agenda 2030, als basis voor de programmering van hun territoriale strategieën, rekening houdend met de specifieke kenmerken van elk van hun regio’s, en ze te gebruiken als stimulans, alsmede om het besluitvormingsproces en de opzet van territoriaal en stedelijk beleid te stimuleren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>82.</NO.P>erkent dat geïntegreerde territoriale ontwikkelingsinstrumenten van fundamenteel belang zijn voor de kwaliteit van de uitvoering en de absorptie van middelen; vraagt dat een deel van de middelen van het cohesiebeleid wordt bestemd voor de ontwikkeling van territoriale benaderingen in plattelandsgebieden of voor territoriale benaderingen voor de stad en het platteland, door middel van geïntegreerde territoriale investeringen, door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling of andere mechanismen voor plattelandsontwikkeling buiten de landbouw, ter aanvulling van de maatregelen die worden ondersteund in het kader van de LEADER-benadering binnen het GLB, omdat dit ook een essentiële manier zal zijn om de geografisch bepaalde ontevredenheid aan te pakken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>83.</NO.P>is van mening dat het benutten van vrijgemaakte cohesiemiddelen voor reservemarges binnen het cohesiebeleid onder meer zou helpen om toekomstige inflatiestijgingen of schokken in de toeleveringsketen op te vangen; is van mening dat deze benutting een doorlopend karakter moet hebben, waarbij telkens wordt gekeken naar de noodzaak, en dat zij de meerjarige en de jaarlijkse vrijmakingscyclus moet volgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>84.</NO.P>is van mening dat de afweging tussen de noodzakelijke plaatsgebonden oriëntatie en de ondersteuning van de thematische prioriteiten van de Unie kan worden aangepakt door middel van meer flexibiliteit en een keuzemenu van thematische doelstellingen en uitdagingen, waartoe regio’s en gemeenten toegang krijgen volgens hun ontwikkelingsniveau en behoeften, met inachtneming van de thematische concentratie op nationaal niveau; onderstreept dat een dergelijk model de complexiteit van het programmeringsproces vermindert en rekening houdt met regionale kenmerken; benadrukt dat het cohesiebeleid de lokale behoeften in de gaten moet houden, om die behoeften doeltreffend te kunnen aanpakken in het kader van het wegwerken van de regionale ongelijkheden in de EU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>85.</NO.P>onderstreept dat thematische concentratie een hoeksteen blijft van de verwezenlijking van de transitie naar een meer concurrerende, slimmere, socialere en meer veerkrachtige Unie, alsook een nettonulkoolstofeconomie; benadrukt evenwel dat zij aangepast moet zijn aan de reële behoeften van regio’s en steden en de manier waarop deze in de praktijk werken, van programmering en herprogrammering tot uitvoering en afsluiting; is er zeker van dat het belangrijkste principe een investeringsaanpak op maat moet zijn, afgestemd op de specifieke behoeften op het terrein;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>86.</NO.P>verzoekt de Commissie bij de bepaling van het niveau van steun voor elke regio rekening te houden met bijkomende kenmerken, zoals gebieden binnen de regio die groeipotentieel hebben, de intensiteit van hun specifieke kenmerken, de mate waarin zij worden blootgesteld aan de gevolgen van transities die aan de gang zijn, zoals de groene, de digitale en de industriële transitie, en hun niveau van sociale vooruitgang, om het traject naar convergentie van elke regio beter te definiëren; benadrukt dat het bbp als enige indicator van ontwikkeling geen rekening houdt met al deze aspecten en dringt erop aan dat het wordt aangevuld met andere indicatoren, zoals de EU-index voor sociale vooruitgang en de index voor kwetsbaarheid voor de klimaatverandering; onderstreept dat het belangrijk is bijzondere aandacht te besteden aan de ondersteuning van regio’s die met een ontwikkelingsval te kampen hebben, zoals benadrukt in het 8e cohesieverslag;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>87.</NO.P>dringt erop aan de intraregionale verschillen aan te pakken door meer aandacht te besteden aan de diversiteit van gebieden; verzoekt de Commissie de mogelijkheid te overwegen om de initiële toewijzingen en medefinancieringspercentages te beoordelen op basis van NUTS 3, zodat de financiering kan worden gericht op de gebieden waar deze het hardst nodig is en om het ontstaan van armoede- en onderontwikkelingsgebieden te voorkomen; onderstreept dat bij een dergelijke verschuiving rekening moet worden gehouden met mogelijke negatieve gevolgen voor de EU-financiering voor grotere stedelijke gebieden, zoals grootstedelijke gebieden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>88.</NO.P>is van mening dat bij de toewijzing van middelen voor lokale projecten in stedelijke en plattelandsgebieden de nadruk moet liggen op gezamenlijke projecten van gemeenschappelijk belang, waarbij ook de deelname van kmo’s moet worden bevorderd; dringt aan op de combinatie van kleinere regionale financiële instrumenten met grotere regionale initiatieven, om de efficiëntie en beleidsmatige impact ervan te vergroten; verzoekt de Commissie richtsnoeren en planningsondersteuning te bieden, met name voor geïntegreerde territoriale en kleine projecten, om vrijmakingen en herbestemming te voorkomen; benadrukt dat het belangrijk is de bottom-upbenadering van territoriale ontwikkeling, een instrument voor sociale innovatie en capaciteitsopbouw, te versterken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>89.</NO.P>onderstreept het feit dat goed bestuur op alle niveaus belangrijk is bij het beheer van het cohesiebeleid; benadrukt dat de kwaliteit van de bestuursstructuren bepalend kan zijn voor de optimale mix van investeringsprioriteiten voor de verwezenlijking van de noodzakelijke verticale en horizontale coördinatie op meerdere niveaus om strategieën voor geïntegreerde ontwikkeling te ontwerpen en uit te voeren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>90.</NO.P>dringt aan op een sterkere vertegenwoordiging van stedelijke en plattelandsautoriteiten in de toezichtcomités, die mee de doeltreffendheid van het beheer van de middelen kunnen beoordelen; herhaalt dat deze vertegenwoordigers onder meer de verantwoordelijkheid voor programmering en herprogrammering moeten delen, om bestuur op verschillende niveaus te eerbiedigen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>91.</NO.P>verzoekt de Commissie de nodige maatregelen te nemen om de tekortkomingen aan te pakken die zijn vastgesteld bij het beheer van de middelen van het cohesiebeleid door de beheersautoriteiten, en tegelijkertijd de toegang tot technische bijstand te vereenvoudigen, teneinde de administratieve en beheerscapaciteiten van de bevoegde entiteiten te versterken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>92.</NO.P>pleit voor een nauwere betrokkenheid van initiatieven van de Commissie zoals het Burgemeestersconvenant in het ontwerp- en uitvoeringsproces voor de nieuwe generatie van regels voor het cohesiebeleid; is van mening dat netwerken van steden een onmisbare rol spelen bij het dichten van de kloof tussen beleidsvorming en uitvoering op het terrein; merkt op dat beleids- en uitvoeringssteun, gericht op burgemeesters en lokale overheden, aanzienlijk betere resultaten oplevert in de context van de tenuitvoerlegging van het beleid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>93.</NO.P>benadrukt dat er verschillen bestaan tussen lidstaten wat de bevoegdheden van de lokale en regionale autoriteiten betreft; dringt aan op een meer plaatsgebonden aanpak om het beheer van het cohesiebeleid dichter bij het regionale en lokale niveau te brengen; benadrukt dat voorbereidende werkzaamheden toereikende administratieve capaciteit en institutionele steun onontbeerlijk zijn om de doeltreffendheid van het beleid te waarborgen, het aantal onregelmatigheden en fraudegevallen te verminderen en bijkomende administratieve lasten voor beheersautoriteiten, contractanten en eindbegunstigden te voorkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>94.</NO.P>is ervan overtuigd dat de bevordering van een groter gevoel van lokale en regionale verantwoordelijkheid, duurzame EU-projecten en een groter hefboomeffect van de EU-medefinanciering kunnen worden gerealiseerd door een grotere belastingcapaciteit voor regio’s en gemeenten; merkt op dat op deze manier de leencapaciteit van regio’s en gemeenten gekoppeld aan financiële instrumenten uit de EU-begroting kan worden verbeterd; onderstreept dat regionale en lokale begrotingen de gevolgen van inflatieschokken en mogelijke crises voor door de EU gecofinancierde projecten moeten kunnen compenseren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>95.</NO.P>pleit ervoor de EIB-groep nauwer te betrekken bij investeringen in het kader van het cohesiebeleid, met name in minder ontwikkelde regio’s, door steun te verlenen aan duurzame steden, duurzame energie, de circulaire economie, groene banen en lokale en regionale innovatieprojecten, onder meer door een intensiever gebruik van financiële instrumenten en steun voor investeringen door de particuliere sector; roept op tot uitbreiding van de lokale en regionale projectondersteuning en van de financiële instrumenten die de EU-subsidies aanvullen en waardoor de hefboomwerking van deze subsidies gerealiseerd wordt; erkent dat financiering door de EIB, zoals structuurprogrammaleningen, in veel lidstaten een belangrijke bijdrage levert aan de nationale medefinancieringsverplichtingen in het kader van het cohesiebeleid, hetgeen vervolgens de uitvoering van de programma’s vergemakkelijkt en versnelt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>96.</NO.P>benadrukt dat technische, financiële en administratieve capaciteit essentieel is om ervoor te zorgen dat beheersorganen en lokale en regionale overheden over technische kennis beschikken, met name wat de klimaatverandering betreft, die ze kunnen gebruiken voor stedelijke en plattelandsplanning en -beheer; is ervan overtuigd dat dit zal leiden tot een beter ontwerp en een betere beoordeling van projectvoorstellen, een effectievere toewijzing van middelen en een bevredigende uitvoering van de begroting zonder grote risico’s op vrijmakingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>97.</NO.P>vraagt dat met de bestaande programma’s voor technische bijstand en advies specifiek gefocust wordt op kleinere gemeenten en grensoverschrijdende, afgelegen en plattelandsgebieden, alsook op ultraperifere gebieden en eilandregio’s, om hen te helpen het hoofd te bieden aan nieuwe uitdagingen, zoals de groene transitie en de klimaatverandering; onderstreept in dit verband dat het belangrijk is dat er door de EIB en de Commissie gezamenlijk instrumenten voor technische bijstand worden ontwikkeld, onder meer inzake energie-efficiëntie; verzoekt om gerichte steun in de vorm van 100 % EU-financiering voor technische, financiële en bestuurlijke capaciteitsopbouw, projectontwerp en -voorbereiding en identificatie en bouw van een projectpijplijn, alsook strategische planningscapaciteiten, inclusief planningsinstrumenten; is van mening dat het URBIS-platform, het ene aanspreekpunt voor gemeenten, verder moet worden ontwikkeld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>98.</NO.P>dringt aan op een kritische toetsing van de ad-hocinitiatieven van de Commissie en een grondige screening van nieuwe initiatieven wat de kwaliteit en kwantiteit ervan betreft; eist dat dit proces gezamenlijk en op basis van partnerschappen wordt beheerd, met een gegarandeerde vertegenwoordiging van het lokale niveau, met inbegrip van steden en plattelandsgebieden, alsmede van regio’s en maatschappelijke organisaties; waarschuwt dat de wildgroei aan ad-hocinitiatieven van de Commissie die met cohesiemiddelen worden gefinancierd, zonder meerwaarde voor het lokale en het regionale niveau, de doeltreffendheid dreigt te ondermijnen van de vooraf geplande algemene cohesiekredieten; dringt erop aan dat elk nieuw initiatief van de Commissie vergezeld gaat van een overeenkomstige verhoging van de begroting;</P></ACTION><SEPARATION><P>°</P><P>°	°</P></SEPARATION><ACTION><P><NO.P>99.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Europees Comité van de Regio’s en de nationale en regionale parlementen van de lidstaten.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>