<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P9_TA(2024)0175</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Goedkeuring van de bijzondere maatregel ten behoeve van Tunesië voor 2023</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(B9-0173/2024)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2024 over de goedkeuring van de bijzondere maatregel ten behoeve van Tunesië voor 2023 (2024/2573(RSP))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name artikel 14,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/947 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juni 2021 tot vaststelling van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking – Europa in de wereld, tot wijziging en intrekking van Besluit nr. 466/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EU) 2017/1601 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG, Euratom) nr. 480/2009 van de Raad<FOOTNOTE><FIELD>PB L 209 van 14.6.2021, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE> (de “NDICI-Europa in de wereld-verordening”),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de overeenkomst tussen het Europees Parlement en de Commissie van 3 juni 2008 over de voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van Besluit 1999/468/EG van de Raad tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden, zoals gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG<FOOTNOTE><FIELD>PB C 143 van 10.6.2008, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012<FOOTNOTE><FIELD>PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE> (Financieel Reglement),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Tunesië, anderzijds<FOOTNOTE><FIELD>PB L 97 van 30.3.1998, blz. 2.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn eerdere resoluties over Tunesië, met name die van 16 maart 2023 over recente aanvallen in Tunesië op de vrijheid van meningsuiting en vereniging en op de vakbonden, met name de zaak van journalist Noureddine Boutar<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/407, 23.11.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2023/407/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de persverklaring van de voorzitter van de Commissie, Von der Leyen, de Italiaanse premier, Meloni, de premier van Nederland, Rutte, en de Tunesische president, Saied, van 11 juni 2023,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Memorandum of Understanding van 16 juli 2023 over een strategisch en globaal partnerschap tussen de EU en Tunesië,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Uitvoeringsbesluit C(2023)9184) van de Commissie van 20 december 2023 over financiering van de bijzondere maatregel ten behoeve van Tunesië voor 2023, en het begeleidende document met maatregelen met betrekking tot het steunprogramma voor macro-economische hervormingen in Tunesië,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 136, lid 5, en artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de ontwerpresolutie van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie ontwikkelingssamenwerking,</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat in artikel 21 VEU wordt gesteld dat "het internationaal optreden van de Unie berust en gericht is op de wereldwijde verspreiding van de beginselen die aan de oprichting, de ontwikkeling en de uitbreiding van de Unie ten grondslag liggen: de democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht”;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat in artikel 2 van de Euro-mediterrane overeenkomst staat dat “de betrekkingen tussen Partijen, evenals de bepalingen van de Overeenkomst zelf, gebaseerd moeten zijn op eerbiediging van de mensenrechten en democratische beginselen, hetgeen een richtsnoer vormt voor hun binnenlandse en internationale beleid en een essentieel element van deze Overeenkomst inhoudt”;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat artikel 29 van de NDICI-Europa in de wereld-verordening acties of maatregelen uitsluit die tot schending van de mensenrechten in partnerlanden kunnen leiden; overwegende dat in artikel 25, lid 5, van de verordening staat dat “de Commissie verwacht wordt <STRING ITALIC="on">vooraf</STRING> effectbeoordelingen met betrekking tot de mensenrechten uit te voeren die in verhouding staan tot de doelstellingen en de bedragen van de beoogde acties en maatregelen”; overwegende dat in artikel 3, lid 4, van de verordening staat dat “ten minste 93 % van de financiering in het kader van het instrument voldoet aan de criteria voor ODA [officiële ontwikkelingshulp], [...] waardoor wordt bijgedragen aan de collectieve toezeggingen van de officiële ontwikkelingshulp”;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat in overweging 40 van de NDICI-Europa in de wereld-verordening staat dat “aangezien de eerbiediging van de democratie, de mensenrechten en de rechtsstaat essentieel is voor een goed financieel beheer en doeltreffende Uniefinanciering als bedoeld in het Financieel Reglement, steun kan worden geschorst als de democratie, de mensenrechten of de rechtsstaat in derde landen erop achteruitgaan”;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat Tunesië onder president Kais Saied steeds autocratischer is geworden en zich in het land een alarmerende verslechtering op het gebied van de democratie, de mensenrechten en de rechtsstaat heeft voltrokken; overwegende dat president Kais Saied het afgelopen jaar politici van de oppositie, rechters, journalisten en activisten van het maatschappelijk middenveld willekeurig heeft laten arresteren en vastzetten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat de Commissie de bijzondere maatregel heeft goedgekeurd middels een urgente schriftelijke procedure;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat de Commissie zes maanden eerder in haar persverklaring van 11 juni 2023 begrotingssteun voor Tunesië ten belope van 150 miljoen EUR had aangekondigd; overwegende dat de aankondiging van deze begrotingssteun plaatsvond vóór de ondertekening van het Memorandum of Understanding tussen de EU en Tunesië;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat er geen informeel contact tussen de Commissie en het Parlement is geweest voorafgaand aan de goedkeuring van de bijzondere maatregel middels een urgente schriftelijke procedure, zoals bepaald in lid 12 van de overeenkomst tussen het Parlement en de Commissie van 3 juni 2008;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat in artikel 27, lid 4, van de NDICI-Europa in de wereld-verordening staat dat “wanneer begrotingssteun overeenkomstig artikel 236 van het Financieel Reglement wordt verleend, de Commissie duidelijke criteria bepaalt en monitort met betrekking tot de voorwaarden voor de begrotingssteun, zoals vorderingen op het gebied van hervormingen en transparantie, en zij de ontwikkeling ondersteunt van parlementaire controle, nationale auditcapaciteit en verbeterde transparantie van en publieke toegang tot informatie”;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat in artikel 218 VWEU de procedure wordt vastgesteld die moet worden gebruikt voor het voeren van onderhandelingen over en het sluiten van overeenkomsten tussen de EU en derde landen; overwegende dat deze procedure voorziet in passende procedurele waarborgen, alsook in parlementaire controle en rechterlijke toetsing, waardoor de verantwoordingsplicht en democratische legitimiteit worden vergroot;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat een delegatie van de Commissie buitenlandse zaken op 13 september 2023 de toegang tot Tunesië is geweigerd, waardoor het Parlement verminderd in staat is parlementaire controle uit te oefenen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat de Tunesische autoriteiten op 26 september 2023 eenzijdig een bezoek van de Commissie hebben uitgesteld, slechts enkele dagen voordat het zou plaatsvinden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>M.</NO.P>overwegende dat de Tunesische president in oktober 2023 een bedrag van 60 miljoen EUR aan begrotingssteun van de EU heeft geweigerd en teruggegeven;</P></CONS><CONS><P><NO.P>N.</NO.P>overwegende dat het een essentieel belang van de EU is de samenwerking met Tunesië voort te zetten, teneinde in dat land voor macro-economische stabiliteit te zorgen en de rechtsstaat en de mensenrechten te verdedigen;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF><ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>betwijfelt de noodzaak van een urgente schriftelijke procedure voor de goedkeuring van de bijzondere maatregel ten behoeve van Tunesië, aangezien de Commissie de begrotingssteun ten belope van 150 miljoen EUR oorspronkelijk al op 11 juni 2023 had aangekondigd en er dus voldoende tijd was om de normale procedure te gebruiken; is van oordeel dat de timing van de start van deze urgente procedure getuigt van een gebrek aan respect voor parlementaire controle en de comitologieprocedure;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>verzoekt de Commissie in het kader van de volgende geopolitieke dialoog op hoog niveau in detail en goed onderbouwd uit te leggen waarom er geen informeel contact tussen de Commissie en het Parlement is geweest voorafgaand aan de goedkeuring van de bijzondere maatregel middels een urgente schriftelijke procedure, zoals bepaald in lid 12 van de overeenkomst tussen het Parlement en de Commissie van 3 juni 2008; verwacht dan ook dat Tunesië tijdens de volgende geopolitieke dialoog op hoog niveau als prioritair land zal worden aangewezen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>is van oordeel dat de politieke toezegging in het Memorandum of Understanding om de begrotingssteun voor 2023 “volledig” uit te betalen ook geen rechtsgrond vormt voor de goedkeuring van deze maatregel, hetzij als bijzondere maatregel overeenkomstig artikel 23, lid 4, van de NDICI-Europa in de wereld-verordening hetzij middels een urgente schriftelijke procedure;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>betreurt dat de Commissie de relevante financieringsovereenkomst, met de daarin vastgelegde bijzondere voorwaarden en vereisten, niet proactief aan het Parlement heeft doen toekomen, in overeenstemming met artikel 112, lid 4, en artikel 236 van het Financieel Reglement;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>verlangt dat gedetailleerd wordt uitgelegd waarom de term “bevredigende vooruitgang”, die in punt 4.3.2 van het document met maatregelen met betrekking tot de bijzondere maatregel van de Commissie (met de criteria voor de uitbetaling van begrotingssteun) wordt gebruikt “een duidelijk gedefinieerd criterium met betrekking tot de voorwaarden voor begrotingssteun” vormt, zoals bedoeld in artikel 27, lid 4, van de NDICI-Europa in de wereld-verordening;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>betwijfelt of in het geval van deze bijzondere maatregel sprake is van respect voor fundamentele beginselen bij externe acties of maatregelen met betrekking tot de democratie, de mensenrechten en de rechtsstaat, zoals bedoeld in artikel 21 VEU, verschillende bepalingen van de NDICI-Europa in de wereld-verordening, en artikel 2 van de Euro-mediterrane overeenkomst EU-Tunesië, gezien de aanzienlijke verslechtering van de fundamentele rechten in Tunesië sinds juli 2021 en gezien het feit dat een aanzienlijke verslechtering op het vlak van fundamentele waarden ertoe kan leiden dat de EU begrotingssteun voor partnerlanden opschort, reduceert of stopt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>verzoekt de Commissie derhalve op zo kort mogelijke termijn en in ieder geval vóór het eind van de parlementaire vergaderperiode schriftelijk aanvullende details te verstrekken over hoe en wanneer zij gaat beoordelen of aan de voorwaarden in punt 4.3.2 over de uitbetaling van begrotingssteun is of zal worden voldaan, en welke objectieve criteria zullen worden gebruikt om te bepalen of “bevredigende vooruitgang” is geboekt bij de naleving van de algemene voorwaarden zoals bedoeld in punt 4.3.2;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>verzoekt de Commissie schriftelijk te verduidelijken wat haar beoordeling is van de naleving door Tunesië van de vereisten als bedoeld in punt 4.3.2, onder b), van het document met maatregelen met betrekking tot de bijzondere maatregel op het vlak van fundamentele waarden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>verzoekt de Commissie te verduidelijken waarom zij ervoor heeft gekozen de begrotingssteun ten belope van 150 miljoen EUR in één tranche uit te keren in plaats van in meerdere tranches op basis van het bereiken van concrete mijlpalen of stappen als bedoeld in artikel 236, lid 2, van het Financieel Reglement, waardoor het niet langer mogelijk was verdere uitbetalingen op te schorten in het geval van een overduidelijke uitholling van de fundamentele waarden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>verzoekt de Commissie uit te leggen hoe de bijzondere maatregel zal bijdragen tot verbetering van het bedrijfs- en investeringsklimaat in het licht van de verslechtering van de rechtsstaat in Tunesië sinds juli 2021, die een obstakel vormt voor economische ontwikkeling;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>verzoekt de Commissie uit te leggen wat de redenen waren voor de Tunesische autoriteiten om 60 miljoen EUR aan begrotingssteun, die in oktober 2023 was uitbetaald in het kader van de COVID-faciliteit, te weigeren, en wat de Commissie ertoe brengt te denken dat de Tunesische autoriteiten de begrotingssteun waar deze bijzondere maatregel in voorziet, te accepteren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>verzoekt de Commissie uit te leggen welke garanties zij sinds september 2023 van de Tunesische autoriteiten heeft ontvangen dat het Parlement door de EU gefinancierde projecten in Tunesië mag bezoeken en aldus zijn recht op toezicht en controle kan uitoefenen, in overeenstemming met artikel 14 VEU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>verzoekt de Commissie helderheid met betrekking tot de ontstane situatie te verschaffen middels een duidelijke en alomvattende reactie op de vraag van het Parlement met verzoek om mondelinge beantwoording en deze begeleidende resolutie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid, en de Raad.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>