<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P9_TA(2024)0228</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Kwijting 2022: Algemene begroting van de EU – Commissie</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A9-0139/2024 - Rapporteur: Isabel García Muñoz)</STRING></HIDDEN><TXTLST><DECISION><TI><NR>1.</NR> <STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 11 april 2024 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen (2023/2129(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022<FOOTNOTE><FIELD>PB L 45 van 24.2.2022.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022 (COM(2023)0391 – C9‑0248/2023)<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/2, 12.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2021 (COM(2023)0384) en de gedetailleerde antwoorden op de specifieke verzoeken van het Europees Parlement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarlijks beheers- en prestatieverslag van de Commissie over de EU-begroting 2022 (COM(2023)0401),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2022 uitgevoerde interne controles (COM(2023)0323) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2023)0214),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2022, tezamen met de antwoorden van de instellingen<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/103, 4.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE>, en de speciale verslagen van de Rekenkamer,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de Rekenkamer<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/112, 12.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE> voor het begrotingsjaar 2022 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Raad van 22 februari 2024 over de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2022 (06179/2024 – C9‑0066/2024),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012<FOOTNOTE><FIELD>PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 99 en bijlage V van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de brief van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0139/2024),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>verleent de Commissie kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, alsmede aan de nationale parlementen en de nationale en regionale controle-instanties van de lidstaten, en te zorgen voor publicatie ervan in het <STRING ITALIC="on">Publicatieblad van de Europese Unie</STRING> (L-serie).</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST><TXTLST><DECISION><TI><NR>2.</NR> <STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 11 april 2024 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Uitvoerend Agentschap klimaat, infrastructuur en milieu voor het begrotingsjaar 2022 (2023/2129(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022<FOOTNOTE><FIELD>PB L 45 van 24.2.2022.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022 (COM(2023)0391 – C9‑0248/2023)<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/2, 12.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Uitvoerend Agentschap klimaat, infrastructuur en milieu voor het begrotingsjaar 2022<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/809, 22.11.2023.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2021 (COM(2023)0384) en de gedetailleerde antwoorden op de specifieke verzoeken van het Europees Parlement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2022 uitgevoerde interne controles (COM(2023)0323) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2023)0214),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de EU-agentschappen betreffende het begrotingsjaar 2022, vergezeld van de antwoorden van de agentschappen<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/103, 4.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de Rekenkamer<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/112, 12.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE> voor het begrotingsjaar 2022 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Raad van 22 februari 2024 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2022 (06181/2024 – C9‑0125/2024),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012<FOOTNOTE><FIELD>PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s<FOOTNOTE><FIELD>PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE> worden gedelegeerd, en met name artikel 14, lid 3,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s<FOOTNOTE><FIELD>PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.</FIELD></FOOTNOTE> worden gedelegeerd, en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/173 van de Commissie van 12 februari 2021 tot oprichting van het Europees Uitvoerend Agentschap klimaat, infrastructuur en milieu, het Europees Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en digitaal beleid, het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek, het Europees Uitvoerend Agentschap Innovatieraad en het mkb, het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad en het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur en tot intrekking van Uitvoeringsbesluiten 2013/801/EU, 2013/771/EU, 2013/778/EU, 2013/779/EU, 2013/776/EU en 2013/770/EU<FOOTNOTE><FIELD>PB L 50 van 15.2.2021, blz. 9.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 99 en bijlage V van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de brief van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0139/2024),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>verleent de directeur van het Europees Uitvoerend Agentschap klimaat, infrastructuur en milieu kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2022;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Europees Uitvoerend Agentschap klimaat, infrastructuur en milieu, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het <STRING ITALIC="on">Publicatieblad van de Europese Unie</STRING> (L-serie).</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST><TXTLST><DECISION><TI><NR>3.</NR> <STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 11 april 2024 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur voor het begrotingsjaar 2022 (2023/2129(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022<FOOTNOTE><FIELD>PB L 45 van 24.2.2022.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022 (COM(2023)0391 – C9‑0248/2023)<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/2, 12.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur voor het begrotingsjaar 2022<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/811, 22.11.2023.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2021 (COM(2023)0384) en de gedetailleerde antwoorden op de specifieke verzoeken van het Europees Parlement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2022 uitgevoerde interne controles (COM(2023)0323) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2023)0214),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de EU-agentschappen betreffende het begrotingsjaar 2022, vergezeld van de antwoorden van de agentschappen<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/103, 4.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de Rekenkamer<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/112, 12.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE> voor het begrotingsjaar 2022 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Raad van 22 februari 2024 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2022 (06181/2024 – C9‑0125/2024),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012<FOOTNOTE><FIELD>PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s<FOOTNOTE><FIELD>PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE> worden gedelegeerd, en met name artikel 14, lid 3,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s<FOOTNOTE><FIELD>PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.</FIELD></FOOTNOTE> worden gedelegeerd, en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/173 van de Commissie van 12 februari 2021 tot oprichting van het Europees Uitvoerend Agentschap klimaat, infrastructuur en milieu, het Europees Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en digitaal beleid, het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek, het Europees Uitvoerend Agentschap Innovatieraad en het mkb, het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad en het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur en tot intrekking van Uitvoeringsbesluiten 2013/801/EU, 2013/771/EU, 2013/778/EU, 2013/779/EU, 2013/776/EU en 2013/770/EU<FOOTNOTE><FIELD>PB L 50 van 15.2.2021, blz. 9.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 99 en bijlage V van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de brief van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0139/2024),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>verleent de directeur van het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2022;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het <STRING ITALIC="on">Publicatieblad van de Europese Unie</STRING> (L-serie).</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST><TXTLST><DECISION><TI><NR>4.</NR> <STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 11 april 2024 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Uitvoerend Agentschap Innovatieraad en het mkb voor het begrotingsjaar 2022 (2023/2129(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022<FOOTNOTE><FIELD>PB L 45 van 24.2.2022.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022 (COM(2023)0391 – C9‑0248/2023)<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/2, 12.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Uitvoerend Agentschap Innovatieraad en het mkb voor het begrotingsjaar 2022<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/822, 22.11.2023.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2021 (COM(2023)0384) en de gedetailleerde antwoorden op de specifieke verzoeken van het Europees Parlement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2022 uitgevoerde interne controles (COM(2023)0323) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2023)0214),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de EU-agentschappen betreffende het begrotingsjaar 2022, vergezeld van de antwoorden van de agentschappen<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/103, 4.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de Rekenkamer<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/112, 12.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE> voor het begrotingsjaar 2022 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Raad van 22 februari 2024 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2022 (06181/2024 – C9‑0125/2024),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012<FOOTNOTE><FIELD>PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s<FOOTNOTE><FIELD>PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE> worden gedelegeerd, en met name artikel 14, lid 3,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s<FOOTNOTE><FIELD>PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.</FIELD></FOOTNOTE> worden gedelegeerd, en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/173 van de Commissie van 12 februari 2021 tot oprichting van het Europees Uitvoerend Agentschap klimaat, infrastructuur en milieu, het Europees Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en digitaal beleid, het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek, het Europees Uitvoerend Agentschap Innovatieraad en het mkb, het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad en het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur en tot intrekking van Uitvoeringsbesluiten 2013/801/EU, 2013/771/EU, 2013/778/EU, 2013/779/EU, 2013/776/EU en 2013/770/EU<FOOTNOTE><FIELD>PB L 50 van 15.2.2021, blz. 9.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 99 en bijlage V van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de brief van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0139/2024),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>verleent de directeur van het Europees Uitvoerend Agentschap Innovatieraad en het mkb kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2022;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Europees Uitvoerend Agentschap Innovatieraad en het mkb, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het <STRING ITALIC="on">Publicatieblad van de Europese Unie</STRING> (L-serie).</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST><TXTLST><DECISION><TI><NR>5.</NR> <STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 11 april 2024 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad voor het begrotingsjaar 2022 (2023/2129(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022<FOOTNOTE><FIELD>PB L 45 van 24.2.2022.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022 (COM(2023)0391 – C9‑0248/2023)<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/2, 12.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad voor het begrotingsjaar 2022<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/831, 22.11.2023.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2021 (COM(2023)0384) en de gedetailleerde antwoorden op de specifieke verzoeken van het Europees Parlement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2022 uitgevoerde interne controles (COM(2023)0323) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2023)0214),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de EU-agentschappen betreffende het begrotingsjaar 2022, vergezeld van de antwoorden van de agentschappen<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/103, 4.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de Rekenkamer<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/112, 12.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE> voor het begrotingsjaar 2022 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Raad van 22 februari 2024 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2022 (06181/2024 – C9‑0125/2024),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012<FOOTNOTE><FIELD>PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s<FOOTNOTE><FIELD>PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE> worden gedelegeerd, en met name artikel 14, lid 3,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s<FOOTNOTE><FIELD>PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.</FIELD></FOOTNOTE> worden gedelegeerd, en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/173 van de Commissie van 12 februari 2021 tot oprichting van het Europees Uitvoerend Agentschap klimaat, infrastructuur en milieu, het Europees Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en digitaal beleid, het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek, het Europees Uitvoerend Agentschap Innovatieraad en het mkb, het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad en het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur en tot intrekking van Uitvoeringsbesluiten 2013/801/EU, 2013/771/EU, 2013/778/EU, 2013/779/EU, 2013/776/EU en 2013/770/EU<FOOTNOTE><FIELD>PB L 50 van 15.2.2021, blz. 9.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 99 en bijlage V van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de brief van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0139/2024),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2022;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het <STRING ITALIC="on">Publicatieblad van de Europese Unie</STRING> (L-serie).</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST><TXTLST><DECISION><TI><NR>6.</NR> <STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 11 april 2024 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en digitaal beleid voor het begrotingsjaar 2022 (2023/2129(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022<FOOTNOTE><FIELD>PB L 45 van 24.2.2022.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022 (COM(2023)0391 – C9‑0248/2023)<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/2, 12.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en digitaal beleid voor het begrotingsjaar 2022<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/847, 22.11.2023.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2021 (COM(2023)0384) en de gedetailleerde antwoorden op de specifieke verzoeken van het Europees Parlement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2022 uitgevoerde interne controles (COM(2023)0323) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2023)0214),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de EU-agentschappen betreffende het begrotingsjaar 2022, vergezeld van de antwoorden van de agentschappen<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/103, 4.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de Rekenkamer<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/112, 12.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE> voor het begrotingsjaar 2022 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Raad van 22 februari 2024 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2022 (06181/2024 – C9‑0125/2024),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012<FOOTNOTE><FIELD>PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s<FOOTNOTE><FIELD>PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE> worden gedelegeerd, en met name artikel 14, lid 3,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s<FOOTNOTE><FIELD>PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.</FIELD></FOOTNOTE> worden gedelegeerd, en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/173 van de Commissie van 12 februari 2021 tot oprichting van het Europees Uitvoerend Agentschap klimaat, infrastructuur en milieu, het Europees Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en digitaal beleid, het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek, het Europees Uitvoerend Agentschap Innovatieraad en het mkb, het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad en het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur en tot intrekking van Uitvoeringsbesluiten 2013/801/EU, 2013/771/EU, 2013/778/EU, 2013/779/EU, 2013/776/EU en 2013/770/EU<FOOTNOTE><FIELD>PB L 50 van 15.2.2021, blz. 9.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 99 en bijlage V van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de brief van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0139/2024),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>verleent de directeur van het Europees Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en digitaal beleid kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2022;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Europees Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en digitaal beleid, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het <STRING ITALIC="on">Publicatieblad van de Europese Unie</STRING> (L-serie).</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST><TXTLST><DECISION><TI><NR>7.</NR> <STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 11 april 2024 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek voor het begrotingsjaar 2022 (2023/2129(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022<FOOTNOTE><FIELD>PB L 45 van 24.2.2022.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022 (COM(2023)0391 – C9‑0248/2023)<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/2, 12.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek voor het begrotingsjaar 2022<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/850, 22.11.2023.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2021 (COM(2023)0384) en de gedetailleerde antwoorden op de specifieke verzoeken van het Europees Parlement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2022 uitgevoerde interne controles (COM(2023)0323) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2023)0214),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de EU-agentschappen betreffende het begrotingsjaar 2022, vergezeld van de antwoorden van de agentschappen<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/103, 4.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de Rekenkamer<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/112, 12.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE> voor het begrotingsjaar 2022 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Raad van 22 februari 2024 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2022 (06181/2024 – C9‑0125/2024),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012<FOOTNOTE><FIELD>PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s<FOOTNOTE><FIELD>PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE> worden gedelegeerd, en met name artikel 14, lid 3,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s<FOOTNOTE><FIELD>PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.</FIELD></FOOTNOTE> worden gedelegeerd, en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/173 van de Commissie van 12 februari 2021 tot oprichting van het Europees Uitvoerend Agentschap klimaat, infrastructuur en milieu, het Europees Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en digitaal beleid, het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek, het Europees Uitvoerend Agentschap Innovatieraad en het mkb, het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad en het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur en tot intrekking van Uitvoeringsbesluiten 2013/801/EU, 2013/771/EU, 2013/778/EU, 2013/779/EU, 2013/776/EU en 2013/770/EU<FOOTNOTE><FIELD>PB L 50 van 15.2.2021, blz. 9.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 99 en bijlage V van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de brief van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0139/2024),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>verleent de directeur van het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2022;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het <STRING ITALIC="on">Publicatieblad van de Europese Unie</STRING> (L-serie).</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST><TXTLST><DECISION><TI><NR>8.</NR> <STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 11 april 2024 over de afsluiting van de rekeningen van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022, afdeling III – Commissie (2023/2129(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022<FOOTNOTE><FIELD>PB L 45 van 24.2.2022.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022 (COM(2023)0391 – C9‑0248/2023)<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/2, 12.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2021 (COM(2023)0384) en de gedetailleerde antwoorden op de specifieke verzoeken van het Europees Parlement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarlijks beheers- en prestatieverslag van de Commissie over de EU-begroting 2022 (COM(2023)0401),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2022 uitgevoerde interne controles (COM(2023)0323) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2023)0214),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2022, tezamen met de antwoorden van de instellingen<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/103, 4.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE>, en de speciale verslagen van de Rekenkamer,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de Rekenkamer<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/112, 12.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE> voor het begrotingsjaar 2022 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Raad van 22 februari 2024 over de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2022 (06179/2024 – C9‑0066/2024),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Raad van 22 februari 2024 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2022 (06181/2024 – C9‑0125/2024),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012<FOOTNOTE><FIELD>PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s<FOOTNOTE><FIELD>PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE> worden gedelegeerd, en met name artikel 14, leden 2 en 3,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 99 en bijlage V van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de brief van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0139/2024),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Rekenkamer en de Europese Investeringsbank, alsmede aan de nationale parlementen en de nationale en regionale controle-instanties van de lidstaten, en te zorgen voor publicatie ervan in het <STRING ITALIC="on">Publicatieblad van de Europese Unie</STRING> (L-serie).</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST><TXTLST><RESOL><TI><NR>9.</NR> <STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 11 april 2024 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van de besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen (2023/2129(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022, afdeling III – Commissie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begrotingen van de uitvoerende agentschappen voor het begrotingsjaar 2022,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 99 en bijlage V van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de brief van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0139/2024),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2020 betreffende samenwerking in begrotingszaken en goed financieel beheer, alsmede betreffende nieuwe eigen middelen, met inbegrip van een routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen,</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on">Politieke prioriteiten</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>herinnert eraan dat het sterk hecht aan de in het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) verankerde fundamentele beginselen en waarden, met inbegrip van goed financieel beheer zoals vastgesteld in artikel 317 VWEU en fraudebestrijding en het beschermen van de financiële belangen van de Unie zoals vastgesteld in artikel 325 VWEU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>benadrukt het belang van de begroting van de Unie voor het verwezenlijken van de politieke prioriteiten van de Unie, alsook de rol ervan bij het bijstaan van lidstaten in onvoorziene omstandigheden zoals de COVID-19 pandemie, internationale conflicten of crises en de gevolgen daarvan; wijst in dit opzicht op de voortdurende relevantie van investeringen en steun uit de Uniebegroting voor het terugdringen van de ongelijkheden tussen lidstaten en regio’s, het bevorderen van economische groei en werkgelegenheid, het bestrijden van armoede en sociale uitsluiting en zodoende het verbeteren van het dagelijks leven van de burgers van de Unie en het vergroten van de economische impact in de Unie; verzoekt de Commissie met klem geen water bij de wijn te doen en vast te houden aan de ambitie die nodig is om de klimaatdoelstellingen van de Europese Green Deal te halen en benadrukt dat de hiervoor benodigde investeringen moeten worden opgevoerd; wijst erop dat de Unie in 2022 bij lange na niet het efficiëntieniveau heeft gehaald dat nodig is om de voor 2030, 2040 en 2050 vastgestelde klimaatdoelstellingen te halen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>benadrukt dat de goede en tijdige uitvoering van de begroting bijdraagt tot een efficiëntere en doeltreffendere aanpak van behoeften en uitdagingen op verschillende beleidsterreinen; benadrukt dat de gelijktijdige uitvoering van meerdere instrumenten met verschillende regels onder tijdsdruk, naast de druk van de definitieve afsluiting van het MFK 2014-2020, tot vertraging bij de uitvoering en een toename van fouten, onregelmatigheden en fraude kan leiden; herinnert aan de rol van Commissie als hoedster van de Verdragen om de financiële belangen van de Unie te beschermen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>benadrukt de bijdrage van de herstel- en veerkrachtfaciliteit om de lidstaten te helpen de economische en sociale gevolgen van de COVID-19-pandemie te boven te komen en een veerkrachtige Unie te creëren die de uitdagingen van de toekomst het hoofd kan bieden; wijst op de bijdrage van de herstel- en veerkrachtfaciliteit en RePowerEU aan de aanpak van de energieproblematiek als gevolg van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne; betreurt dat de mijlpalen niet beter zijn gedefinieerd en verzoekt de Commissie toe te zien op de uitvoering door de lidstaten van de bijbehorende acties volgens de overeengekomen mijlpalen en streefdoelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>benadrukt de cruciale rol die de begroting van de Unie in 2022 heeft gespeeld bij de aanpak van de gevolgen van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne, namelijk om voedselvoorzieningsketens veilig te stellen, de energieproblematiek aan te pakken, de lidstaten te ondersteunen bij de opvang van Oekraïense vluchtelingen en Oekraïne te helpen voor zijn burgers te zorgen; merkt op dat dit de begroting onder druk heeft gezet en dat alle beschikbare flexibiliteitsmaatregelen zijn toegepast; wijst in dat verband op de goedkeuring van de tussentijdse evaluatie van het meerjarig financieel kader (MFK), op grond waarvan de middelen worden geheroriënteerd en nieuwe middelen worden aangetrokken; wijst erop dat het van belang is dat de Commissie een duidelijke en realistische routekaart voor het terugbetalen van EU-schuld voorlegt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>herinnert aan het belang van een strikte toepassing van de financiële regels van de Unie in alle programma’s en voor alle begunstigden, teneinde alle vormen van fraude, belangenconflicten, corruptie, dubbele financiering en witwassen van geld te voorkomen; herinnert in dit verband aan de sleutelrol van de hele fraudebestrijdingsarchitectuur van de Unie en plaatst vraagtekens bij de weigering van sommige lidstaten om met een van de onderdelen daarvan, het EOM, samen te werken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>herinnert aan het belang van tussentijdse evaluaties en evaluaties achteraf van financiële programma’s die zijn opgezet om op crises te reageren, ten aanzien van hun relevantie, samenhang en Europese meerwaarde naast naleving en regelmatigheid, efficiëntie, doeltreffendheid, prestaties en economische impact op de lange termijn; merkt op dat beslissingen in verband met de instrumenten voor respons op de COVID-19-pandemie onder enorme tijdsdruk werden genomen, hoewel deze instrumenten tot 2026 zullen worden uitgevoerd; benadrukt dat een snelle respons niet ten koste mag gaan van een goede controle van de uitgaven en verzoekt de Commissie derhalve lering te trekken uit dergelijke instrumenten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>herinnert aan het belang van de herstel- en veerkrachtfaciliteit bij het aanpakken van de economische neergang na afloop van de COVID-19-pandemie, en herinnert eraan dat het uitvoeringsmodel van de herstel- en veerkrachtfaciliteit veel minder strenge eisen aan de Commissie stelt en de controlelast van de Commissie naar de lidstaten verschuift; vindt het zorgelijk dat de Rekenkamer bij het beoordelen van de herstel- en veerkrachtfaciliteit tekortkomingen heeft vastgesteld in de voorlopige beoordeling en controles achteraf door de Commissie en is van oordeel dat de verslagleggings- en controlesystemen van de lidstaten nog steeds zwakke punten hebben; vindt het zorgwekkend dat die zwakke punten hebben geleid tot de vaststelling van “controlemijlpalen” waaruit blijkt dat de relevante systemen van de lidstaten nog niet volledig operationeel waren toen een begin werd gemaakt met de uitvoering van de plannen, hetgeen een risico inhoudt voor de regelmatigheid van de uitgaven in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit en de bescherming van de financiële belangen van de Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>benadrukt het risico van belangenconflicten in gevallen waarbij bij de uitvoering van de Uniebegroting betrokken actoren op eender welk niveau in het gedrang komen om andere dan economische redenen; wijst erop dat het rechtskader met betrekking tot belangenconflicten in de verschillende lidstaten en regio’s zeer versnipperd is en vraagt de Commissie om richtsnoeren om te zorgen voor juridische duidelijkheid en ter bevordering van een uniforme uitlegging en toepassing; is het eens met de opmerking van de Rekenkamer in Speciaal verslag 06/2023 dat “datamining kan helpen bij het opsporen van mogelijke belangenconflicten, door informatie uit verschillende bronnen te vergelijken”;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>benadrukt de rol van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), het Europees Openbaar Ministerie (EOM), het Agentschap van de Europese Unie voor justitiële samenwerking in strafzaken (Eurojust) en het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) in de strijd tegen corruptie; dringt erop aan de capaciteiten van het EOM en OLAF en de onderlinge samenwerking verder te versterken, alsook hun bevoegdheden beter af te bakenen; prijst de inspanningen van het EOM bij het onderzoek naar en de vervolging van fraude en andere strafrechtelijke inbreuken die gevolgen hebben voor de financiële belangen van de Unie en beklemtoont hoe belangrijk het is dat het zijn functie volledig onafhankelijk en onpartijdig uitoefent; herinnert eraan dat het belangrijk is dat het EOM en OLAF voldoende financiële en personele middelen krijgen; dringt aan op gemeenschappelijke anticorruptieregels die van toepassing zijn op al het personeel van organen van de Unie en pleit ervoor het interinstitutionele transparantieregister verplicht te stellen voor alle EU-instellingen en zelfs voor agentschappen, om ervoor te zorgen dat de van bepaalde EU-instellingen verlangde onafhankelijkheid niet in het gedrang komt; wijst er nogmaals op dat zowel op Unie- als op nationaal niveau, in nauwe samenwerking met het EOM en OLAF, meer inspanningen moeten worden geleverd om fraude te bestrijden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>benadrukt de verslechtering van de rechtsstaat in sommige lidstaten en beklemtoont het grote belang van het conditionaliteitsmechanisme van de rechtsstaat ter bescherming van de Uniebegroting; verzoekt de Commissie ten volle gebruik te maken van de beschikbare instrumenten om het duidelijke gevaar voor een ernstige schending van de Uniewaarden het hoofd te bieden en onmiddellijk een beroep te doen op de conditionaliteitsverordening wanneer inbreuken de financiële belangen van de Unie dreigen te schaden; is voorstander van het blokkeren van Uniemiddelen zolang niet volledig aan de voorwaarden is voldaan en het niet toegeven aan chantage; verzoekt de Commissie met klem voor de verschillende fondsen en wetgevingsinstrumenten een eenvormige, allesomvattende en geïntegreerde aanpak te garanderen en een technocratische en tegenstrijdige aanpak met betrekking tot uiteenlopende financieringsinstrumenten te vermijden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>benadrukt, in het kader van het beginsel van de rechtsstaat, dat moet worden gezorgd voor duidelijke normen en een effectieve scheiding der machten; benadrukt dat alle instellingen en organen van de Unie het beginsel van de rechtsstaat en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht volledig moeten eerbiedigen en zich ervan moeten onthouden zich te gedragen als een tuchtkamer buiten het onafhankelijke rechtsstelsel; benadrukt dat in geval van wettelijke inbreuken de relevante instellingen of organen van de Unie of de nationale autoriteiten verantwoordelijk moeten zijn; benadrukt dat oneerlijke verklikkings- of klokkenluidersprocedures moeten worden vermeden en dat dergelijke procedures gebaseerd moeten zijn op duidelijke rechtsstatelijke normen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>wijst op de maatregelen die de Commissie in 2022 heeft genomen in het kader van de conditionaliteitsverordening, maar is van mening dat deze met aanzienlijke vertragingen en na langdurige politieke overwegingen zijn ingevoerd; verzoekt de Commissie grondige beoordelingen uit te voeren en voor toereikende controlemechanismen te zorgen om het goede financiële beheer en de bescherming van de Uniebegroting te garanderen in huidige en toekomstige gevallen van gebrek aan eerbiediging van de waarden van de Unie en de rechtsstaat, die de financiële belangen van de Unie schaden of dreigen te schaden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>is ingenomen met het akkoord dat is bereikt in de onderhandelingen over de herziene financiële regels van de Unie in december 2023; is in het bijzonder verheugd over de verbeteringen met betrekking tot het traceren van Uniemiddelen door middel van digitale instrumenten en interoperabiliteit die de bescherming van de financiële belangen van de Unie zullen versterken, de gerichte uitbreiding van het systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting (EDES) tot gedeeld beheer voor de periode na MFK 2027, de verwijzing naar het conditionaliteitsmechanisme van de rechtsstaat en de waarden van de Unie als verankerd in artikel 2 VEU, alsook de mogelijkheid om de steun voor kleine en middelgrote ondernemingen en individuele aanvragers te stroomlijnen door de invoering van subsidies van een zeer klein bedrag;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>herinnert de Commissie eraan dat alle wetgevingsvoorstellen die aanzienlijke economische, sociale en milieugevolgen hebben, vergezeld moeten gaan van degelijke en grondige effectbeoordelingen, met inbegrip van hun gevolgen voor de kosten van levensonderhoud voor Unieburgers, het niveau van bureaucratisering voor de begunstigden en voor de overheid alsmede gendergerelateerde kwesties, om een eerlijke verdeling van de Uniebegroting te garanderen; wijst erop dat dit deel uitmaakt van de agenda voor betere regelgeving van de Commissie; benadrukt dat de Commissie effectbeoordelingen op volledig neutrale en onpartijdige wijze moet uitvoeren; verwacht voorts dat de Commissie de kosten- en batenanalyse van de betrokken opties verbetert door de deelname van verschillende belanghebbenden met verschillende standpunten aan openbare raadplegingen te verhogen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>benadrukt dat gendergelijkheid tot de fundamentele waarden van de Unie behoort en is verankerd in het Handvest van de grondrechten van de EU; herinnert aan de reeds lang bestaande inzet van de Unie voor gendermainstreaming in haar beleidsvorming: niet alleen om ongelijkheden in kaart te brengen en te verhelpen, maar ook als een noodzakelijke voorwaarde voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie op het gebied van groei, werkgelegenheid en sociale cohesie; benadrukt dat het belangrijk is met name de inspanningen op het gebied van genderbudgettering voort te zetten, zoals de proefmethode om de uitgaven voor gendergelijkheid in het meerjarig financieel kader te volgen, om het succes van gendermainstreaming in de begroting van de Unie te verzekeren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>herinnert eraan dat uitgavengebieden waarvoor complexere regels en subsidiabiliteitscriteria gelden, een groter risico op fouten lopen en voor ontvangers van ondersteuning, met name nieuwkomers, tot buitensporige administratieve lasten leiden; herhaalt dat de Unie-uitgavenprogramma’s zoveel mogelijk moeten worden vereenvoudigd, waarbij wordt gestreefd naar een goed evenwicht met robuuste verificaties en controles; wijst erop dat de digitalisering van het beheer, de verslaglegging en de controle op het gebied van de Uniemiddelen essentieel is om de toegang voor potentiële ontvangers op billijke wijze te verbeteren en het beheer van de middelen doelmatiger en transparanter te maken voor alle burgers;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>is bezorgd over het feit dat de late vaststelling van verschillende sectorale verordeningen voor verschillende beleidsgebieden van de Unie, zoals het cohesiebeleid, heeft geleid tot een aanzienlijke vertraging in de uitvoering van de programmeringsperiode 2021-2027; dringt er nogmaals bij de Commissie en de lidstaten op aan alle nodige maatregelen te nemen om de uitvoering van beleidsmaatregelen met een beter geografisch evenwicht in de praktijk te blijven versnellen, waarbij de nadruk moet blijven liggen op naleving van de regels, de kwaliteit van projecten, het behalen van resultaten en bescherming van de financiële belangen van de Unie; beklemtoont in dit verband dat niet-afgewikkelde vastleggingen op de Uniebegroting blijven staan en mogelijk zullen leiden tot aanzienlijke annuleringen, waardoor de impact ervan afneemt; verzoekt de Commissie de kwijtingsautoriteit te informeren over welke maatregelen die zij voornemens is te treffen om met een dergelijke situatie om te gaan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>verzoekt de Commissie initiatieven te nemen zoals technische bijstand om het absorptiepercentage in de lidstaten op permanente basis te verhogen; verzoekt de Commissie nauwlettend toe te zien op de voortgang van de uitvoering in de lidstaten, met name in gevallen van onderbesteding en lage absorptiepercentages, en een landenanalyse aan de kwijtingsautoriteit te verstrekken, waarbij de terugkerende problemen in kaart worden gebracht, evenals de maatregelen die zijn getroffen om de situatie te optimaliseren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>wijst op het belang van het cohesiebeleid van de Unie voor de economische en territoriale convergentie en ontwikkeling van de regio’s van de Unie, alsook voor de ondersteuning van de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten; benadrukt de synergieën van de cohesiefondsen in samenhang met andere Unieprogramma’s, met name de herstel- en veerkrachtfaciliteit, om de impact en de efficiëntie van de overheidsuitgaven te vergroten;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on">HOOFDSTUK I – Meerjarig financieel kader (MFK)</STRING></ACTINIT><ACTINIT><STRING BOLD="on">Betrouwbaarheidsverklaring van de Europese Rekenkamer en begrotings- en financieel beheer</STRING></ACTINIT><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Betrouwbaarheid van de rekeningen</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>is verheugd dat de Rekenkamer in haar jaarverslag over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2022<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/103, 4.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE> vaststelt dat de geconsolideerde rekeningen van de Europese Unie voor het jaar 2022 betrouwbaar zijn; stelt met tevredenheid vast dat de Rekenkamer sinds 2007 elk jaar een verklaring zonder beperking (het “groen licht”) heeft afgegeven voor de betrouwbaarheid van de rekeningen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>merkt op dat de totale passiva op 31 december 2022 577,2 miljard EUR bedroegen en de totale activa 445,9 miljard EUR; merkt op dat het verschil van 131,3 miljard EUR de (negatieve) nettoactiva vertegenwoordigde, die bestaan uit reserves en het deel van de uitgaven die de Unie al heeft gedaan tot 31 december 2022 en moeten worden gefinancierd uit toekomstige begrotingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>merkt op dat eind 2022 de geschatte waarde van de gedane maar nog niet gedeclareerde in aanmerking komende uitgaven door begunstigden en die zijn geboekt als toegerekende uitgaven 148,7 miljard EUR bedroeg (2021: 129,9 miljard EUR), waarvan 22,6 miljard EUR betrekking heeft op toegerekende uitgaven in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>merkt op dat de Commissie na afloop van de overgangsperiode na het terugtrekkingsproces van het Verenigd Koninkrijk schatte dat de rekeningen van de Unie op de balansdatum een nettovordering op het VK van 23,9 miljard EUR (2021: 41,8 miljard EUR) bedroeg, waarvan naar schatting 9,1 miljard EUR in de twaalf maanden na de verslagdatum zal worden betaald; is van oordeel dat bedragen boven de geschatte 9,1 miljard EUR die van het VK worden ontvangen, moeten worden aangewend ter vermindering van de schuld die is ontstaan als gevolg van de door de Commissie opgenomen en verstrekte leningen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer de effecten van de niet-uitgelokte en ongerechtvaardigde militaire aanvalsoorlog van Rusland tegen Oekraïne op de rekeningen van de Unie heeft beoordeeld; is ingenomen met de conclusie van de Rekenkamer dat deze effecten op de juiste wijze zijn verwerkt en vermeld in de geconsolideerde jaarrekening;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>is ingenomen met de conclusie van de Rekenkamer dat de activa, passiva, ontvangsten en uitgaven, met inbegrip van die welke verband houden met het herstelinstrument voor de Europese Unie “NextGenerationEU” (“NGEU”), correct zijn weergegeven in de geconsolideerde jaarrekening;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Wettigheid en regelmatigheid van de ontvangsten en uitgaven van de Unie</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>betreurt dat de Rekenkamer voor het vierde achtereenvolgende jaar een afkeurende verklaring heeft afgegeven over de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven uit de Uniebegroting; onderstreept hoe belangrijk het is om de controlemechanismen van Commissie en de lidstaten te versterken, die volgens de Rekenkamer onbetrouwbaar zijn en daardoor de betrouwbaarheid van het jaarlijkse beheers- en prestatieverslag in het gedrang brengen; neemt kennis van de conclusie van de Rekenkamer dat de ontvangsten geen materiële fouten bevatten en dat de door de Rekenkamer onderzochte beheerssystemen over het algemeen doeltreffend waren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>28.</NO.P>is bezorgd over het feit dat de Rekenkamer het foutenpercentage voor de uitgaven in 2022 schat op 4,2 %, wat meer dan dubbel zo hoog is als de materialiteitsdrempel; merkt op dat dit een verdere verslechtering is ten opzichte van de twee voorgaande jaren (3,0 % in 2021 en 2,7 % in 2020); merkt met bezorgdheid op dat de Rekenkamer aanzienlijke problemen heeft ontdekt in de uitgaven in het kader van vergoedingen, goed voor 66 % van de controlepopulatie van de Rekenkamer, waarvoor het geschatte foutenpercentage 6 % bedraagt; merkt op dat de door de Rekenkamer aangetroffen fouten worden geacht van zowel materieel belang als diepgaande invloed op de aanvaarde uitgaven van het jaar te zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>29.</NO.P>merkt op dat de eigen schatting van de Commissie van het risico bij betaling 1,9 % is voor 2022 (vergelijkbaar met 2020 en 2021), wat onder de materialiteitsdrempel ligt; merkt op dat de Commissie het risico bij afsluiting, na toepassing van controles en correcties achteraf, op 0,9 % schat; wijst op het verschil tussen het algemene foutenpercentage van de Rekenkamer en het risico bij betaling van de Commissie, dat wordt waargenomen voor de totale uitgaven uit de Uniebegroting in 2022, zij het niet voor alle uitgaventerreinen, en merkt op dat dit zich, net als in het verleden, met name voordoet in de rubrieken 1 en 2; beklemtoont dat de schattingen van de Commissie van het risico bij betaling zich consequent aan de ondergrens van de statistische schattingen van de Rekenkamer bevinden of lager zijn; is ingenomen met de schatting van het foutenpercentage door de Rekenkamer als belangrijke indicator voor bestaande risico’s; dringt erop aan tot overeenstemming te komen om een dergelijk verschil tussen het algemene foutenpercentage van de Rekenkamer en het risico bij betaling van de Commissie te voorkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>30.</NO.P>herhaalt zijn bezorgdheid over de opmerking van de Rekenkamer dat de Commissie in haar risicobeoordeling het risiconiveau op verschillende terreinen waarschijnlijk onderschat; maakt zich tevens zorgen over de terugkerende tekortkomingen die de Rekenkamer heeft vastgesteld met betrekking tot de controles achteraf door de lidstaten in rubriek 2, waardoor maar beperkt kan worden vertrouwd op hun werk;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>31.</NO.P>benadrukt dat de algemene schatting van het foutenpercentage in de Uniebegroting, zoals uiteengezet in de betrouwbaarheidsverklaring van de Rekenkamer, een schatting is van het geld dat niet had mogen worden uitbetaald omdat het niet is gebruikt overeenkomstig de toepasselijke wet- en regelgeving, en geen indicator van fraude of corruptie; betreurt dat de algemene schatting van het foutenpercentage in de Uniebegroting elk jaar een negatieve indruk bij de burgers kan wekken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>32.</NO.P>herinnert eraan dat de controleaanpak en -methodologie van de Rekenkamer gebaseerd zijn op internationale controlenormen die het testen van een willekeurige, representatieve steekproef van verrichtingen voorschrijven die in een schatting van het foutenpercentage resulteren; herinnert eraan dat de Rekenkamer onderscheid maakt tussen uitgaven met een laag risico, d.w.z. betalingen op basis van rechten volgens vereenvoudigde regels, en uitgaven met een hoog risico, d.w.z. betalingen op basis van vergoedingen waarvoor ingewikkelde regels gelden; merkt op dat de Rekenkamer voor de uitgaven van 2022 66 % van haar controlepopulatie heeft geselecteerd uit de uitgaven met een hoog risico (63,2 % in 2021), ofwel 110,1 miljard EUR, en 34 % uit de uitgaven met een laag risico, ofwel 56,7 miljard EUR; merkt op dat het geschatte foutenpercentage van de Rekenkamer voor 2022 (4,2 %) voornamelijk te wijten is aan “Cohesie, veerkracht en waarden” (2,5 % van het totale foutenpercentage), “Natuurlijke hulpbronnen en milieu” (0,8 %), “Nabuurschap en internationaal beleid” (0,4 %) en “Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid” (0,3 %), die voor het merendeel door de Rekenkamer als uitgaventerreinen met een hoog risico worden beschouwd; merkt op dat de Commissie de uitgaven in haar jaarlijkse beheer- en prestatieverslag indeelt in drie categorieën: hoog, gemiddeld en laag risico; merkt op dat de Rekenkamer risicocategorieën grotendeels gebruikt om de grootte van de steekproeven te bepalen ter ondersteuning van haar advies ten aanzien van de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven, terwijl het gebruik van risicocategorieën door de Commissie dient om gebieden in kaart te brengen waar uit het oogpunt van het beheer extra aandacht geboden is om fouten recht te zetten; beklemtoont dat het gebruik van verschillende risicocategorieën door de Rekenkamer en de Commissie voor de kwijtingsautoriteit de mogelijkheid belemmert om een vergelijkende analyse uit te voeren tussen vormfouten en materiële administratieve fouten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>33.</NO.P>herinnert eraan dat de controle van de Rekenkamer gericht is op het verslagjaar; is niettemin van mening dat de Rekenkamer in haar jaarverslag rekening houdt met bevindingen voor verscheidene jaren en in haar speciale verslagen dieper ingaat op specifieke onderwerpen; merkt op dat de Commissie daarentegen rekening houdt met de hele levenscyclus van programma’s en middelen van de Unie die meerdere jaren beslaan, alsook met correcties en terugvorderingen na afloop van het verslagjaar; is echter van mening dat deze verschillende benaderingen geen volledige verklaring bieden voor het grote verschil bij het schatten van de foutenpercentages;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>34.</NO.P>herinnert eraan dat uitgavenprogramma’s van de Unie per definitie meerjarig zijn en dat de bijbehorende controlesystemen en beheerscycli bijgevolg ook meerdere jaren bestrijken; herinnert eraan dat de schattingen van de Commissie van het risico bij afsluiting een meerjarenperspectief hebben waarbij rekening wordt gehouden met correcties en terugvorderingen over meerdere jaren; merkt op dat de aanpak van de Commissie is gebaseerd op tests, zoals gedefinieerd in controlestrategieën, die zijn gericht op het controleren van de naleving van de regelgeving van de Unie om uiteindelijk vast te stellen of middelen moeten worden teruggevorderd van begunstigden; merkt op dat het bereik van het risico bij betaling, dat in het kader van deze benadering is bepaald, het meest overeenkomt met het geschatte foutenpercentage van de Rekenkamer en door de Commissie wordt beschouwd als de beste schatting om het risico voor de Uniebegroting weer te geven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>35.</NO.P>is van mening dat beide benaderingen verschillende doelen dienen en hun voordelen, nadelen, sterke en zwakke punten hebben, en moeten worden gebruikt om elkaar aan te vullen, met inzicht in de verschillen en bijzonderheden, zoals de verschillende concepten van fouten en de indeling in risicocategorieën die door elke instelling wordt gebruikt; beschouwt het foutenpercentage van de Rekenkamer als een belangrijke indicator voor de naleving van de wettigheid en regelmatigheid van de uitvoering van de Uniebegroting; is bezorgd over het grote verschil in de door de Rekenkamer en de Commissie verstrekte percentages, in samenhang met de bij de Commissie vastgestelde zwakke punten; is in dit verband verheugd over de bevindingen, opmerkingen en aanbevelingen van de Rekenkamer als een zeer nuttige bijdrage aan de verdere verbetering van het beheer en de uitvoering van de begroting volgens verschillende beheersvormen en door alle relevante belanghebbenden; betreurt dat in de analyse van alleen het risico voorbij wordt gegaan aan de daadwerkelijke prestaties, de kwaliteit, de duurzaamheid en de Europese meerwaarde van de uitgevoerde projecten; spreekt nogmaals zijn steun uit voor de controleaanpak en -methode van de Rekenkamer, die de impact van de corrigerende maatregelen op het algemene foutenpercentage moeten kwalificeren en verzoekt de Commissie samen te werken met de Rekenkamer om te zorgen voor een grotere harmonisatie en cijfers die beter vergelijkbaar zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>36.</NO.P>merkt op dat de bevindingen van de Rekenkamer en de Commissie op verschillende punten op één lijn liggen, met name wat betreft de belangrijkste bronnen van onregelmatigheden in “Cohesie”, en de hogere risico’s voor marktmaatregelen en plattelandsontwikkeling in “Natuurlijke hulpbronnen en milieu”; merkt op dat met name in “Cohesie” sommige gevallen van door de Rekenkamer vastgestelde en gekwantificeerde subsidiabiliteitsfouten door de Commissie niet noodzakelijk als niet-subsidiabel worden beschouwd; merkt op dat de Commissie geen rechtsgrond ziet om de fout te kwalificeren als een onregelmatigheid die moet worden gecorrigeerd overeenkomstig de definitie van artikel 2, punt 36, van Verordening (EU) 2021/1060 (“de verordening gemeenschappelijke bepalingen” of GB-verordening)<FOOTNOTE><FIELD>PB L 231 van 30.6.2021, blz. 159.</FIELD></FOOTNOTE> en dat de Commissie derhalve geen procedures voor financiële correctie kan volgen, en dat dergelijke fouten niet worden opgenomen in de schatting van de Commissie van het risico bij betaling;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>37.</NO.P>is verheugd dat de Commissie haar rapportage over preventieve en corrigerende maatregelen ter bescherming van de Uniebegroting tegen illegale en onregelmatige uitgaven heeft verbeterd; merkt op dat de Commissie heeft verduidelijkt dat het totale bedrag dat in het jaarlijkse beheers- en prestatieverslag als financiële correcties en terugvorderingen (4,95 miljard EUR) wordt gerapporteerd, door de Commissie en de lidstaten genomen preventieve en corrigerende maatregelen omvat; merkt op dat de Commissie 734 miljoen EUR aan nettocorrecties en 195 miljoen EUR aan teruggevorderde onverschuldigde betalingen van eindontvangers heeft gemeld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>38.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer bij de uitoefening van haar mandaat geen fraude onderzoekt, maar wel rekening houdt met het risico van fraude; merkt op dat de Rekenkamer vermoedens van strafbare feiten die onder haar bevoegdheid vallen, doorstuurt naar het EOM en vermoedens van fraude, corruptie of andere illegale activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, die zij bij de uitvoering van haar controles heeft vastgesteld, doorstuurt naar OLAF; merkt op dat de Rekenkamer in 2022 14 gevallen van vermoedelijke fraude aan OLAF heeft gemeld, en tegelijkertijd zes van deze gevallen aan het EOM heeft gemeld, wat tot nu toe heeft geleid tot zes onderzoeken van OLAF en drie onderzoeken van het EOM;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Begrotings- en financieel beheer </STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>39.</NO.P>benadrukt dat in 2022 98,5 % van de beschikbare vastleggingskredieten werd gebruikt (179,4 miljard EUR van de 182,2 miljard EUR); merkt op dat de beschikbare kredieten hoger waren dan het MFK-plafond van 179,9 miljard EUR als gevolg van het gebruik van speciale instrumenten, gerechtvaardigd door onvoorziene gebeurtenissen, waarbij gebruik is gemaakt van alle flexibiliteit die het MFK biedt; merkt op dat 98,1 % van de betalingskredieten werd gebruikt (167,3 miljard EUR van de beschikbare 170,6 miljard EUR); prijst de Commissie en de begrotingsautoriteit voor hun doortastende en flexibele budgettaire reactie op de uitdagingen in 2022;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>40.</NO.P>merkt bezorgd op dat de totale niet-afgewikkelde vastleggingen, die tenzij zij worden doorgehaald toekomstige schulden vertegenwoordigen, in 2022 een recordhoogte van 450 miljard EUR bereikten, vanwege zowel de toegenomen vastleggingen in verband met NGEU (met de goedkeuring van alle nationale herstel- en veerkrachtplannen in 2022) als het trage begin van de uitvoering van de programmeringsperiode 2021-2027; merkt op dat de Commissie verwacht dat dit bedrag in 2023 verder zal stijgen tot 460 miljard EUR, en voorziet een daling van 2024 tot 2027, wanneer de vastgelegde bedragen voor zowel NGEU als de programmeringsperiode 2021-2027 moeten worden uitbetaald; stelt vast dat ongeveer 90 miljard EUR aan leningen niet zal worden gebruikt en herinnert eraan dat de Commissie en de lidstaten op dit ogenblik achterliggen op schema wat betreft betalingen die zijn afgesproken in het uitvoeringsbesluit tot goedkeuring van hun nationale herstel- en veerkrachtplannen; merkt op dat de vastleggingen in het kader van het MFK nog steeds toenemen en dat ook de komende zullen blijven doen wegens de langzame start van de programmeringsperiode waarbij de betalingen nog later zullen volgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>41.</NO.P>benadrukt dat voor de uitvoering van de fondsen onder gedeeld beheer in het kader van het MFK 2021-2027 minder tijd beschikbaar is dan in de voorgaande MFK’s als gevolg van de N+2-regel voor het laatste jaar van de periode; is zich bewust van de uitdagingen in verband met het beheer en de controle van de gecombineerde middelen in het MFK en NGEU vanwege de grote omvang ervan en de verschillende beheers-, programmerings-, uitvoerings- en controlemechanismen; neemt met bezorgdheid kennis van de aanzienlijke verschillen in absorptiepercentages tussen de lidstaten; betreurt de ontoereikende initiatieven van de Commissie, in samenwerking met de lidstaten, om de absorptiecapaciteit voor de programma’s te vergroten en daarmee te komen tot een forse en blijvende vermindering van de niet-afgewikkelde vastleggingen; verlangt dat de Commissie alle noodzakelijke maatregelen treft en alle administratieve ondersteuning biedt die de lidstaten nodig hebben om met name hun absorptiecapaciteit te verbeteren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>42.</NO.P>beklemtoont dat de prognoses van de Commissie voor de vermindering van de niet-afgewikkelde vastleggingen gebaseerd zijn op de veronderstellingen dat de lidstaten daadwerkelijk meer doen om de absorptie van de fondsen onder gedeeld beheer voor 2021-2027 te bespoedigen en dat automatische technische aanpassingen van het betalingsmaximum volstaan om de betalingsbehoeften te dekken; is bezorgd dat deze twee veronderstellingen mogelijk niet opgaan en dat de Uniebegroting daardoor in zeer gevaarlijk vaarwater terecht komt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>43.</NO.P>neemt nota van de waarschuwing van de Rekenkamer dat voor de fondsen onder gedeeld beheer 2021-2027 in het kader van de GB-verordening het risico op doorhalingen aanzienlijk is toegenomen als gevolg van een reeks factoren, namelijk de trage start door de late vaststelling van sectorspecifieke verordeningen, de prioritering van de resterende Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) en NGEU-financiering, het feit dat deze fondsen een betalingsperiode hebben die een jaar korter is vergeleken met de vorige MFK-periode en de overlapping met NGEU-betalingen tot 2026; benadrukt derhalve de aanbeveling van de Rekenkamer van 2021 aan de Commissie om ervoor te zorgen dat er aanvullende adviserende ondersteuning aan de nationale autoriteiten wordt verleend, zodat alle instanties die verantwoordelijk zijn voor het beheer en de controle van deze fondsen een goed financieel beheer kunnen waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>44.</NO.P>is verheugd over de essentiële rol die ngo’s vervullen doordat zij het maatschappelijk middenveld vertegenwoordigen, de in de Verdragen en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (“het Handvest”) verankerde waarden bevorderen en verdedigen, en door de begroting van de Unie gefinancierde programma’s en projecten uitvoeren met volledige eerbiediging van de financiële regels van de Unie en met inachtneming van de bescherming van de financiële belangen van de Unie; dringt erop aan ervoor te zorgen dat alle begunstigden van Uniefinanciering, met inbegrip van ngo’s, die middelen van de Unie hebben misbruikt of verduisterd of in strijd hebben gehandeld met de waarden van de Unie, zoals het aanzetten tot terrorisme, haatzaaiende uitlatingen, het ondersteunen of verheerlijken van geweld, politiek en religieus extremisme, in het systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting worden opgenomen en de toegang wordt ontzegd tot de instellingen en financieringsprogramma’s van de Unie; is van oordeel dat fraude, belangenconflicten, dubbele financiering, corruptie, witwaspraktijken en verduistering te allen tijde moeten worden voorkomen en aangepakt en dat dit geldt voor alle begunstigden, ongeacht hun aard en wettelijke status (zoals opgemerkt in de resolutie van het Parlement van 17 januari 2024 over de transparantie en verantwoordingsplicht van niet-gouvernementele organisaties die gefinancierd worden uit de Uniebegroting); verzoekt de Commissie om de aanbevelingen van die resolutie op te volgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>45.</NO.P>merkt bezorgd op dat de schuld van de Unie is gestegen van 236,7 miljard EUR in 2021 tot 344,3 miljard EUR in 2022; merkt op dat van de totale schuld alleen het aandeel van niet-terugvorderbare steun van NGEU (185,6 miljard EUR, 53,9 %) een renterisico voor de Uniebegroting meebrengt; merkt op dat door de stijgende marktrente de kosten van nieuwe NGEU-financiering zijn gestegen van 0,14 % in de tweede helft van 2021 tot 1,24 % in de eerste helft van 2022, en een verdere stijging tot 2,60 % in de tweede helft van 2022, wat resulteert in 0,5 miljard EUR aan rentebetalingen voor NGEU in 2022, en voor 2023 wordt een aanzienlijke stijging verwacht; maakt zich zorgen over de sterke stijging van de rentevoeten sinds 2020 die leidt tot hogere financiële lasten voor de jaarbegroting; herinnert er bovendien aan dat de terugbetalingen van leningen in het kader van NGEU in 2028 moeten aanvangen en in 2058 moeten zijn afgerond, waarvoor voldoende financiële middelen nodig zullen zijn; merkt op dat het maximale gebruik van de Uniebegroting in 2022, met gebruikmaking van alle beschikbare flexibiliteit, terugbetaling van schulden niet toelaat, tenzij op andere terreinen van Unie-uitgaven wordt bezuinigd; verzoekt de lidstaten een terugbetalingsplan uit te werken en overeen te komen waarbij wordt geput uit nieuwe eigen middelen zonder dat dit ten koste gaat van het nieuwe MFK;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>46.</NO.P>merkt op dat de Commissie sinds december 2022 een nieuwe strategie voor schuldbeheer hanteert, namelijk een “gediversifieerde financieringsstrategie” die bestaat uit de technieken en financieringsinstrumenten die door soevereine emittenten worden gebruikt; herinnert aan Speciaal verslag 16/2023 van de Rekenkamer over het schuldenbeheer van NGEU, waarin werd geconcludeerd dat de Commissie haar schuldenbeheersysteem snel had opgezet, zodat leningen tijdig van start konden gaan, en dat voldeed aan alle regelgevingsvereisten met betrekking tot de schuldportefeuille en het risicobeheer;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>47.</NO.P>steunt de aanbeveling van de Rekenkamer dat de Commissie proactiever moet optreden om ervoor te zorgen dat de instrumenten die beschikbaar zijn om de risicoblootstelling te beperken over voldoende capaciteit beschikken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>48.</NO.P>merkt op dat het totale risico voor de Uniebegroting als gevolg van garanties en voorwaardelijke verplichtingen voor leningen is gestegen tot 248,3 miljard EUR, waarvan 57,8 miljard EUR voor een aanvullende waarborg via het gemeenschappelijk voorzieningsfonds is gecreëerd; merkt op dat hogere rentevoeten in de toekomst ook een hoger voorzieningspercentage vereisen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>49.</NO.P>merkt op dat de Commissie in 2022 de informatieverschaffing over voorwaardelijke verplichtingen in haar geconsolideerde rekeningen heeft gewijzigd, waardoor vergelijking van jaar tot jaar uitermate complex en tijdrovend wordt; verzoekt de Commissie duidelijker verslag uit te brengen over haar jaarrekening, teneinde conclusies en analysen mogelijk te maken, mede met het oog op de kwijtingsprocedure;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>50.</NO.P>merkt op dat het risico voor de Uniebegroting vanwege Oekraïne in 2022 is gestegen tot 15,6 miljard EUR, met de bijbehorende voorzieningen; merkt bezorgd op dat voor de MFB+-steun aan Oekraïne ter waarde van 18,0 miljard EUR, die eind 2022 is overeengekomen en gedurende 2023 wordt uitbetaald, geen voorzieningen in het gemeenschappelijk voorzieningsfonds nodig waren om de kredietrisico’s te dekken, hetgeen een ernstig risico voor de Uniebegroting inhoudt, zoals aangegeven in advies 07/2022; wijst erop dat mogelijke verliezen in verband met MFB+ zullen moeten worden gedekt door toekomstige Uniebegrotingen of door de begrotingsruimte tussen het MFK-plafond en het plafond van de eigen middelen; verzoekt de Commissie aanvullende maatregelen te treffen om de Uniebegroting tegen toekomstige verliezen in verband met MFB+ te beschermen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>51.</NO.P>stelt vast dat de consumentenprijsinflatie in 2022 aanzienlijk is gestegen, met diverse gevolgen voor de Uniebegroting, onder andere doordat de relatieve omvang van de Uniebegroting is verkleind en doordat de doelmatigheid van de Uniemiddelen om de doelstellingen in dezelfde mate te verwezenlijken als aanvankelijk gepland, afneemt; is van oordeel dat de hoge inflatie het aandeel van de inkomsten uit verschillende bronnen beïnvloedt, waarbij het nettoaandeel van de op het bni gebaseerde eigen middelen afneemt; schaart zich volledig achter de aanbeveling van de Rekenkamer aan de Commissie dat zij de gevolgen voor de Uniebegroting van de stijgende inflatie moet beoordelen teneinde proactief risicobeperkende maatregelen toe te passen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>52.</NO.P>is ingenomen met de door de Commissie opgezette en onderhouden online transparantieplatforms die gegevens verstrekken over de uitvoering van de Unie-uitgavenprogramma’s en het mogelijk maken de ontvangers van Uniefinanciering en projecten te doorzoeken, zoals het systeem voor financiële transparantie, dat informatie verstrekt over de Uniefinanciering onder direct en indirect beheer, het scorebord van de herstel- en veerkrachtfaciliteit, het Cohesion Open Data Platform en het Kohesio-platform;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>53.</NO.P>neemt kennis van de methode van de Commissie voor het traceren van de genderaspecten van uitgaven vanaf 2023; wijst er nogmaals op dat uit een beoordeling is gebleken dat slechts 2 % van de begroting van de Unie het verbeteren van de gendergelijkheid als primaire doelstelling heeft; verzoekt de Commissie deze score te verbeteren door gendermainstreaming vanaf de eerste opzet van programma’s toe te passen; herhaalt dat nadere gegevens nodig zijn om het merendeel van de uitgaven (73 %) waarvan het “potentieel om een bijdrage te leveren aan de gendergelijkheid” momenteel is beoordeeld als 0*, volledig te kunnen duiden; stelt met bezorgdheid vast dat in Speciaal verslag 10/2021 van de Europese Rekenkamer wordt bevestigd dat in de begrotingscyclus van de Unie nog altijd onvoldoende rekening wordt gehouden met gendergelijkheid aangezien belangrijke elementen, zoals genderanalyse, gendergerelateerde doelstellingen, indicatoren en verantwoording via verslaglegging, grotendeels ontbreken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>54.</NO.P>dringt andermaal aan op een specifieke begrotingslijn voor gendergelijkheid, met name in het kader van het Daphne-programma, gezien de crisis van gendergerelateerd geweld waar de Unie mee te kampen heeft; onderstreept dat het van belang is om het Daphne-initiatief, dat specifiek voor dit doel is opgezet, te versterken door hiervoor meer middelen beschikbaar te stellen, met name voor maatregelen die erop gericht zijn om alle vormen van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen en meisjes en van huiselijk geweld op alle niveaus te bestrijden, overeenkomstig artikel 7, lid 6, van Verordening (EU) 2021/692, en om slachtoffers naar behoren te ondersteunen; benadrukt bovendien dat het belangrijk is gebruik te maken van Europese structuur- en investeringsfondsen zoals het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) voor de bevordering van gendergelijkheid, werkgelegenheid en empowerment van vrouwen, ondernemerschap, leiderschap en leidinggevende functies voor vrouwen, evenals langdurige zorgvoorzieningen; merkt op dat uit een door de commissie FEMM aangevraagd onderzoek<FOOTNOTE><FIELD>https://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2022/736899/IPOL_STU(2022)736899_EN.pdf.</FIELD></FOOTNOTE> is gebleken dat mannen vaak worden bevoordeeld ten opzichte van vrouwen en gemarginaliseerde groepen als het gaat om de opzet van subsidies en steun in het kader van het Fit for 55‑pakket en bij andere beleidsmaatregelen, programma’s en financiering met betrekking tot de groene transitie;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Aanbevelingen</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>55.</NO.P>steunt ten volle de aanbevelingen van de Rekenkamer in haar jaarverslag over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2022 (“jaarverslag over het begrotingsjaar 2022”)<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/103, 4.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE> en in gerelateerde speciale verslagen; verzoekt de Commissie deze aanbevelingen onverwijld uit te voeren en de kwijtingsautoriteit op de hoogte te houden van de vorderingen die worden gemaakt met de uitvoering ervan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>56.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">verzoekt de Rekenkamer:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(i)</SYMBOL>onderscheid te maken tussen de verschillende soorten fouten en meer transparantie te verschaffen over het percentage fouten als gevolg van ernstig misbruik, fraude of andere criminele activiteiten en de fouten als gevolg van administratieve fouten of onjuiste toepassing van de regels;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(ii)</SYMBOL>de kwaliteit, de Europese meerwaarde, de duurzaamheid, de prestaties en de haalbaarheid van de uitgevoerde projecten grondiger te beoordelen;</ITEM></LIST></P></ACTION><ACTION><P><NO.P>57.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">verzoekt de Commissie met name om:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(i)</SYMBOL>het gesprek aan te gaan met de Rekenkamer om het begrip, de convergentie en de vergelijkbaarheid van de twee manieren om onregelmatigheden aan te pakken, te vergroten;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(ii)</SYMBOL>een evaluatie achteraf te laten uitvoeren van de betrouwbaarheid van haar eigen schatting van het risico bij afsluiting voor het begrotingsjaar waarvoor de programma’s zijn afgesloten en de resultaten van die evaluatie aan de kwijtingsautoriteit voor te leggen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iii)</SYMBOL>regels en procedures te blijven vereenvoudigen zonder afbreuk te doen aan de kwaliteit van de controles, en door te gaan met de digitalisering van de controleprocedures;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iv)</SYMBOL>meer inspanningen te leveren om de transparantie bij het gebruik van de middelen te verbeteren, ook wat betreft informatie over eindbegunstigden;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(v)</SYMBOL>de administratieve capaciteit van de autoriteiten van de lidstaten te blijven ondersteunen; manieren in kaart te brengen om de lidstaten te helpen het gebruik van Uniemiddelen te bespoedigen en het niveau van niet-afgewikkelde vastleggingen te verlagen, met name van fondsen onder gedeeld beheer in het kader van de verordening gemeenschappelijke bepalingen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(vi)</SYMBOL>verslag uit te brengen in het kader van haar informatieverschaffing over voorwaardelijke verplichtingen en wat het jaarlijkse risico voor de Uniebegroting is, dat voortvloeit uit begrotingsgaranties en uit financiële bijstand aan derde landen, en haar schatting van het totale jaarlijkse risico bekend te maken;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(vii)</SYMBOL>afdoende maatregelen te treffen om de Uniebegroting te beschermen tegen de verschillende vastgestelde risico’s, waaronder RAL, de stijgende schuld, het toegenomen risico waaraan de EU-begroting wordt blootgesteld in verband met Oekraïne, de stijgende inflatie enz.;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(viii)</SYMBOL>IT-infrastructuur te verstrekken en te financieren aan het EOM zolang als nodig is om het EOM in staat te stellen een onafhankelijk en adequaat IT-systeem in te voeren, teneinde een soepele overgang te waarborgen en verlies van gegevens te voorkomen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(ix)</SYMBOL>het mogelijke risico van corruptie en fraude in alle fondsen te blijven monitoren, met behulp van feedback uit onderzoeken van het EOM en OLAF; en het stelselmatige gebruik van de databanksystemen Arachne en EDES aan te moedigen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(x)</SYMBOL>de bescherming van de Uniebegroting te waarborgen door algemeen en stelselmatig gebruik te maken van digitale en geautomatiseerde systemen voor rapportage, monitoring en controle en dringend een verplicht geïntegreerd en interoperabel systeem tot stand te brengen dat voortbouwt op, maar niet beperkt is tot bestaande instrumenten en databanken in het kader van de afgeronde herziening van het Financieel Reglement;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xi)</SYMBOL>het scorebord voor herstel en veerkracht en de respectieve website over de herstel- en veerkrachtfaciliteit van de Commissie te wijzigen en te verbeteren om ervoor te zorgen dat de invoering, de prestaties en de toepassing van de indicatoren geregeld worden geactualiseerd en nauwkeurig, helder gestructureerd en transparant zijn;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xii)</SYMBOL>ervoor te zorgen dat het resultaat van de controles transparant is;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xiii)</SYMBOL>ervoor te zorgen dat alle lidstaten de systemen en centrale registers gebruiken om verslag uit te brengen over de uiteindelijk begunstigden en eindbegunstigden;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xiv)</SYMBOL>de gevolgen van een hoge inflatie voor de Uniebegroting over meerdere jaren te beoordelen en instrumenten vast te stellen waarmee de belangrijkste risico’s die daaruit voortvloeien, kunnen worden beperkt;</ITEM></LIST></P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on">Uitvoering van de Uniebegroting</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>58.</NO.P>neemt nota van de herintegratie van de werkzaamheden van de Rekenkamer met betrekking tot de uitvoering van de Uniebegroting in haar jaarverslag; betreurt dat de inhoud van het betreffende hoofdstuk aanzienlijk minder diepgaand is dan het jaarverslag over de prestaties van het voorgaande jaar; betreurt met name dat het verband met de duurzameontwikkelingsdoelstellingen in de huidige opzet veel minder duidelijk is geworden; merkt op dat de werkzaamheden van de Rekenkamer op het gebied van prestaties, zoals opgenomen in haar jaarverslag 2022, voornamelijk bestaan uit het samenvatten van de bevindingen uit speciale verslagen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>59.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer follow-up heeft gegeven aan de uitvoering van 213 van haar in 2019 gedane aanbevelingen, waarvan 179 aan de Commissie waren gericht; merkt op dat vier van de 179 aanbevelingen nog niet hoefden te worden uitgevoerd toen de follow-upevaluatie werd verricht en dat de Commissie van de overige 175 aanbevelingen er 101 (58 %) volledig heeft uitgevoerd, 26 in de meeste opzichten (15 %), 24 in sommige opzichten (13 %) en 17 (10 %) helemaal niet, en dat de Rekenkamer in zeven gevallen (4 %) geen conclusies kon trekken, omdat de gecontroleerde de aanbevelingen niet had aanvaard of omdat het te vroeg was om de uitvoering te beoordelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>60.</NO.P>meent dat het overzicht van speciale verslagen, dat het grootste deel van hoofdstuk drie van het jaarverslag van de Rekenkamer beslaat, een goed beeld geeft van door de Rekenkamer ingediende verslagen die betrekking hebben op strategische gebieden in 2022; is van mening dat een grondige analyse van de prestaties van de Uniebegroting een meerwaarde kan hebben voor de follow-up van de aanbevelingen van de auditors; wijst op de kwestie van de timing met betrekking tot de publicatie van het jaarlijkse beheers- en prestatieverslag;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>61.</NO.P>merkt op dat de Commissie de “Verklaringen over de prestaties van de programma's” publiceert, een overzicht van de prestatie-informatie van de programma’s van de Uniebegroting 2021-2027, alsook de “Horizontale prioriteiten”, een onderdeel over hoe de Commissie bijhoudt en rapporteert over wat er wordt uitgegeven aan groene budgettering, integratie van gendergelijkheid, digitale tracering en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>62.</NO.P>wijst op analyse 06/2023 van de Rekenkamer over het jaarlijkse beheers- en prestatieverslag over de Uniebegroting 2022 van de Commissie en haar conclusie dat deel I van het jaarlijkse beheers- en prestatieverslag 2022 de strategische richtsnoeren van de Corporate Management Board (bestuursraad) van de Commissie volgde toen de feiten en resultaten met betrekking tot het begrotingsbeheer voor 2022 werden gepresenteerd, en merkt op dat er ruimte was om de kwaliteit van de prestatiegegevens te verbeteren; wijst op de antwoorden van de Commissie op schriftelijke vragen over een IAS-controle van het controlesysteem van de Commissie met betrekking tot de betrouwbaarheid van prestatie-informatie en van de verzekering dat het vastgestelde probleem wordt aangepakt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>63.</NO.P>is verheugd dat de Commissie in haar jaarlijkse beheers- en prestatieverslag informatie heeft opgenomen over groene budgettering, digitale tracering en de dimensie gendergelijkheid in de Uniebegroting; merkt op dat het aantal programma’s waarvoor de bijdrage aan gendergelijkheid onbekend is, tot 72 % is gedaald; steunt het standpunt van de Commissie dat dit cijfer verder moet worden verlaagd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>64.</NO.P>herinnert aan de bevindingen uit Speciaal verslag 09/2022 van de Rekenkamer, getiteld “Klimaatuitgaven in de EU-begroting 2014-2020”; wijst daarnaast op Speciaal verslag 26/2023 van de Rekenkamer, getiteld “Het prestatiemonitoringkader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (RRF)”; concludeert dat de Rekenkamer in beide speciale verslagen problemen heeft aangekaart met de manier waarop de Commissie prestatie-informatie aanbiedt, in zowel het MFK als de herstel- en veerkrachtfaciliteit; stelt met name vast dat de informatieverschaffing over tekortkomingen in de methodologieën voor prestatiemonitoring te wensen overlaat, met name doordat schattingen worden vermengd met daadwerkelijke cijfers over de bereikte resultaten en de gerealiseerde projecten of doordat begrote bedragen en daadwerkelijk uitbetaalde bedragen door elkaar lopen; is van oordeel dat de door de Commissie aangeboden prestatiegegevens geen schattingen mogen bevatten maar alleen cijfers voor gerealiseerde acties; blijft zich zorgen maken over de bevinding van de Rekenkamer dat de klimaatrapportage voor 2021-2027 waarschijnlijk niet veel beter zal zijn; betreurt dat de Commissie nog geen aandacht heeft besteed aan de zwakke punten in de op basis van haar nieuwe methodologie verstrekte cijfers;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on">Ontvangsten</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>65.</NO.P>stelt vast dat de ontvangsten van de Uniebegroting eigen middelen, externe bestemmingsontvangsten en overige ontvangsten omvatten; stelt vast dat de eigen middelen op basis van het bruto nationaal inkomen (bni) in 2022 103,9 miljard EUR (42,3 %) bedroegen, de externe bestemmingsontvangsten 62,2 miljard EUR (25,4 %), de traditionele eigen middelen (TEM) 25,9 miljard EUR (10,6 %), de bijdragen en terugbetalingen in verband met overeenkomsten en programma’s van de Unie 20,9 miljard EUR (8,5 %), de eigen middelen op basis van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) 19,7 miljard EUR (8,0 %), de eigen middelen op basis van niet-gerecycled kunststof verpakkingsafval 6,3 miljard EUR (2,6 %) en de overige ontvangsten 6,4 miljard EUR (2,6 %);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>66.</NO.P>wijst op Speciaal verslag 25/2022 van de Rekenkamer over de verificatie van het bruto nationaal inkomen (bni) voor de financiering van de Uniebegroting; herinnert eraan dat de door de lidstaten gerapporteerde bni-gegevens de basis vormen voor de berekening van de bijdragen van de lidstaten en acht het daarom van essentieel belang dat de Commissie de doeltreffendheid in de verificatiecyclus naar aanleiding van de aanbevelingen van de Rekenkamer verbetert; is ingenomen met de conclusies van de Rekenkamer dat de verificatie van de bni-gegevens door het Bureau voor de statistiek van de Europese Unie (Eurostat) doeltreffend was; is verheugd dat Eurostat een actieplan heeft opgesteld om de aanbevelingen uit te voeren na de cyclus 2020-2024;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>67.</NO.P>merkt op dat de Uniebegroting moet reageren op een veelheid aan uitdagingen met aanvullende financiële programma’s, zoals het herstelinstrument NGEU; merkt op dat voor 2022 de ontvangsten uit de traditionele eigen middelen betrekkelijk stabiel bleven, terwijl de begrotingsgaranties voor opgenomen en verstrekte leningen een aanzienlijk deel van de ontvangsten uitmaakten; herinnert in dit verband aan de resolutie van het Parlement van 10 mei 2023, “Eigen middelen: een nieuwe start voor de financiën van de EU, een nieuwe start voor Europa”;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>68.</NO.P>is ingenomen met de conclusie van de Rekenkamer in haar jaarverslag over 2022 dat het foutenpercentage in ontvangstenverrichtingen niet materieel was en dat de systemen voor het beheer van de ontvangsten over het algemeen doeltreffend zijn; is bezorgd over de tekortkomingen die de Rekenkamer heeft vastgesteld in de boekhouding en het beheer van TEM door bepaalde lidstaten, en over de maatregelen die de Unie heeft genomen om de douanekloof te verkleinen en ervoor te zorgen dat de TEM volledig zijn; is ingenomen met de maatregelen die de Commissie en de lidstaten in dit verband hebben genomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>69.</NO.P>merkt in het jaarverslag over de bescherming van de financiële belangen van de Unie (PIF-verslag<FOOTNOTE><FIELD>COM(2023)0464.</FIELD></FOOTNOTE>) op dat in 2022 het aantal frauduleuze onregelmatigheden met betrekking tot TEM (454) met 6,8 % is gedaald en het aantal niet-frauduleuze onregelmatigheden (4 207) met 9,4 % is gestegen ten opzichte van het vijfjarig gemiddelde voor 2018-2022; merkt op dat de meeste fraudegevallen die in 2022 werden gerapporteerd, betrekking hebben op onjuiste waarde en onjuiste classificatie of beschrijving van goederen, terwijl smokkel een van de voornaamste modus operandi blijft; merkt op dat de meeste fraudegevallen worden vastgesteld door inspecties van nationale fraudebestrijdingsdiensten in combinatie met controles bij douaneafhandeling; merkt op dat het terugvorderingspercentage momenteel 48 % is, hoewel verwacht kan worden dat het in de toekomst zal stijgen vanwege de duur van het proces;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>70.</NO.P>wijst op het overzicht van kwijtgescholden terugvorderingen en vastgestelde schuldvorderingen in bijlage 9 van het jaarlijkse beheers- en prestatieverslag 2022; merkt op dat de totale algemene waarde van kwijtgescholden terugvorderingen 40,4 miljoen EUR bedroeg, een stijging van 28 % ten opzichte van 2021 (31,4 miljoen EUR), en beschouwt dit als een verlies aan ontvangsten voor de Uniebegroting;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>71.</NO.P>verzoekt de Commissie een grondige analyse uit te voeren van alle op basis van kennisgevingen van het EOM teruggevorderde bedragen en de kwijtingsautoriteit in kennis te stellen van de resultaten; herinnert eraan dat de lidstaten de belangrijkste rol spelen bij het opvolgen en het terugvorderen van de schade voor de EU-begroting, onder gedeeld beheer, ook voor terugvorderingen naar aanleiding van kennisgevingen van het EOM, en dat de Commissie financiële correcties kan opleggen; betreurt dat het EOM tot nu toe niet op de hoogte is van de hiertoe door de Commissie in het leven geroepen mechanismen; merkt op dat de kwestie van kennisgevingen van het EOM is besproken tijdens de interinstitutionele gedachtewisseling over Verordening (EU, Euratom) 2020/2223<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EU, Euratom) 2020/2223 van het Europees Parlement en de Raad van 23 december 2020 tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 wat betreft samenwerking met het Europees Openbaar Ministerie en de doeltreffendheid van de door het Europees Bureau voor fraudebestrijding uitgevoerde onderzoeken (PB L 437 van 28.12.2020, blz. 49).</FIELD></FOOTNOTE>); is verheugd over de werkregelingen met het EOM en de werkgroep die is opgericht om ervoor te zorgen dat de kennisgevingen van het EOM de Commissie in staat stellen om de terugvordering voor de EU-begroting te maximaliseren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>72.</NO.P>is ingenomen met de ontwikkelingen die hebben geleid tot de opheffing van zowel het gekwantificeerde als het niet-gekwantificeerde voorbehoud op het gebied van textiel en schoeisel dat uit China is ingevoerd; stelt met tevredenheid vast dat het Verenigd Koninkrijk nu het totale verschuldigde bedrag heeft betaald (laatste betaling van 1,57 miljard EUR in januari 2023), inclusief rente (1,4 miljard EUR in februari 2023); merkt op dat eind 2023 27 lidstaten aanzienlijke voorlopige betalingen hadden gedaan voor de bedragen die zij naar verwachting aan de Uniebegroting verschuldigd zijn en dat de Commissie overeenkomstig het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in zaak C-213/19 voor deze lidstaten dezelfde kwantificeringsmethode zal toepassen als voor het Verenigd Koninkrijk, hetgeen zal resulteren in herberekende bedragen, waardoor de Commissie de exercitie volledig kan afronden;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Aanbevelingen</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>73.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">verzoekt de Commissie om:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(i)</SYMBOL>de suggesties van het Europees Parlement in zijn resoluties over eigen middelen over te nemen om te zorgen voor voldoende middelen om de in het kader van NGEU gedane investeringen terug te betalen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(ii)</SYMBOL>alle beschikbare middelen aan te wenden om de samenwerking tussen fraudebestrijdingsdiensten en douaneagentschappen te stimuleren om fraude ten nadele van ontvangsten van de Unie vast te stellen, te voorkomen en te corrigeren;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iii)</SYMBOL>de kwijtingsautoriteit te informeren over de resultaten van de evaluatie van de geïnde eigen middelen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iv)</SYMBOL>de verschillen in terugvorderingspercentages tussen de lidstaten zorgvuldig te onderzoeken om mogelijke specifieke zwakke punten vast te stellen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(v)</SYMBOL>de kwijtingsautoriteit nadere uitleg te verschaffen over de redenen waarom de Commissie sinds 2019 slechts gedeeltelijk gehoor heeft gegeven aan 13 % van de aanbevelingen van de Rekenkamer en 10 % van haar aanbevelingen niet heeft uitgevoerd;</ITEM></LIST></P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on">Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid </STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>74.</NO.P>merkt op dat de begroting voor de programma’s onder rubriek 1 van het MFK “Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid” 25,2 miljard EUR (12,9 % van de Uniebegroting) bedroeg, en als volgt is verdeeld: 15,8 miljard EUR (62,8 %) voor onderzoek, 3,5 miljard EUR (14,0 %) voor vervoer, energie en digitaal beleid, 2,7 miljard EUR (10,6 %) voor het InvestEU-programma, 2 miljard EUR (8,0 %) voor ruimtevaart en 1,2 miljard EUR (4,6 %) voor andere gebieden; merkt op dat op 31 december 2022 de definitieve goedgekeurde vastleggingskredieten in de begroting 21 845,08 miljoen EUR bedroegen en dat 99,99 % daarvan (21 842,58 miljoen EUR) werd uitgevoerd; merkt verder op dat de definitieve goedgekeurde betalingskredieten in de begroting 20 605,64 miljoen EUR bedroegen en dat 99,35 % daarvan werd uitgevoerd (20 471,31 miljoen EUR);</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Innovatie en onderzoek</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>75.</NO.P>benadrukt het belang van financieringsprogramma’s voor O&amp;I van de Unie voor de wetenschappelijke, maatschappelijke en technologische/economische ontwikkeling van de Unie, de vermindering van ongelijkheden, het herstel, de groene en digitale transitie en de noodzaak om de energieafhankelijkheid van de Unie ten opzichte van Rusland te verminderen; herinnert eraan dat Horizon Europa het belangrijkste onderzoeks- en innovatieprogramma in Europa is, met een totale begroting van 95,5 miljard EUR, inclusief 5,4 miljard EUR uit NGEU; merkt op dat de herstel- en veerkrachtfaciliteit ongeveer 48 miljard EUR aan investeringen in O&amp;I heeft toegewezen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>76.</NO.P>wijst op de late goedkeuring van de rechtsgrondslagen van Horizon Europa in 2021 en is verheugd dat de Commissie erin is geslaagd in 2021 en 2022 bijna 100 % van de begroting uit te voeren; merkt op dat het aantal ondertekende subsidieovereenkomsten eind 2022 5 509 bedroeg; merkt op dat, ondanks het feit dat het gemiddelde slagingspercentage van voorstellen is gestegen van 11,9 % in Horizon 2020 tot 15,9 % in Horizon Europa, zeven op de tien voorstellen van hoge kwaliteit nog steeds niet kunnen worden gefinancierd en er 34,3 miljard EUR extra nodig zou zijn geweest om deze voorstellen te financieren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>77.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer 127 verrichtingen heeft onderzocht die het volledige scala van uitgaven onder deze MFK-rubriek bestrijken, met name het programma Horizon 2020, de Connecting Europe Facility (CEF), financiële instrumenten en het ruimtevaartprogramma, met inbegrip van de regelmatigheidsinformatie in de jaarlijkse activiteitenverslagen van het directoraat-generaal Onderzoek en Innovatie (DG RTD) en het directoraat-generaal Defensie-industrie en Ruimtevaart (DG DEFIS);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>78.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer schat dat in 2022 het foutenpercentage in de uitgaven voor “Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid” van 2,7 % materieel was; stelt met tevredenheid vast dat dit een aanzienlijke daling is ten opzichte van 4,4 % in 2021; wijst op de opmerking van de Rekenkamer dat de uitgaven voor onderzoek en innovatie het meest door fouten worden gekenmerkt, met name op het gebied van personeelskosten; vindt het zorgelijk dat de Commissie voor deze rubriek een foutenpercentage van 1,5 % heeft berekend, hetgeen in de onderste helft van het bereik van de schatting van de Rekenkamer ligt; maakt zich zorgen over de opmerking van de Rekenkamer dat de Commissie het percentage nu al een aantal jaren heeft onderschat, waarbij de controles achteraf door de Commissie specifieke zwakke punten vertonen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>79.</NO.P>merkt op dat kwantificeerbare fouten met betrekking tot niet-subsidiabele kosten 98 % uitmaken van het door de Rekenkamer geschatte foutenpercentage van 2,7 % in 2022; merkt met name bezorgd op dat de regels voor het opgeven van personeelskosten in het kader van Horizon 2020 nog steeds complex zijn en dat de berekening ervan nog steeds een significante bron van fouten is (67 % van het geschatte foutenpercentage in 2022); merkt op dat de Commissie de “Personnel Costs Wizard” heeft ontwikkeld en het gebruik ervan stimuleert om begunstigden te helpen hun personeelskosten correct op te geven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>80.</NO.P>merkt op dat Horizon 2020 nog steeds de overgrote meerderheid van projecten in de steekproef van de Rekenkamer vertegenwoordigt, met slechts één Horizon Europa-project in de steekproef van 2022; benadrukt dat volgens de Rekenkamer bepaalde vereenvoudigingen in Horizon 2020, met name de invoering van een vast percentage voor indirecte kosten, de administratieve lasten voor begunstigden hebben verminderd en het foutenpercentage kunnen verkleinen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>81.</NO.P>wijst op de opmerkingen van de directeur-generaal Onderzoek en Innovatie tijdens zijn kwijtingshoorzitting dat de Commissie voornemens is de uitbetaling van middelen in het kader van Horizon Europa via vaste bedragen te verhogen van 2 % in 2022 tot 50 % in 2027; wijst in dat verband op de specifieke analyse door de Rekenkamer van de procedures en richtsnoeren van de Commissie inzake subsidies op basis van vaste bedragen voor onderzoek; wijst op de verklaring van de Commissie dat bij de evaluatie van voorstellen met vaste bedragen meer aandacht wordt besteed aan zuinigheid, efficiëntie en doeltreffendheid; beklemtoont dat de daadwerkelijke uitvoering van projecten met gebruikmaking van vaste bedragen moet worden gecontroleerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>82.</NO.P>benadrukt de cruciale rol van de particuliere sector bij het aanpakken van de innovatiekloof in de Unie en het verbeteren van het concurrentievermogen en de groei van de Unie; is met name van mening dat de deelname van het midden- en kleinbedrijf (mkb) aan financieringsprogramma’s voor O&amp;I van de Unie zoveel mogelijk moet worden bevorderd en vergemakkelijkt; wijst op de conclusie van de Rekenkamer dat mkb-bedrijven en nieuwkomers vatbaarder zijn voor fouten dan andere begunstigden, aangezien zij niet over de ervaring en middelen beschikken om de fondsen te beheren, en is ingenomen met de inspanningen van de Commissie om hen specifiek te ondersteunen, bijvoorbeeld door middel van voorlichtingscampagnes, contacten met het systeem van nationale contactpunten en de speciale helpdesk van de Research Enquiry Service (dienst onderzoeksvragen); is van oordeel dat de vereenvoudiging van de regels en procedures bepalend is voor een sterkere deelname van het mkb;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>83.</NO.P>wijst erop dat het van groot belang is transparante en duidelijke regels toe te passen op de selectieprocedure en de aanbestedingsprocedures bij alle uitvoerende agentschappen; betreurt de toename van het aantal klachten van onderzoekers over het gebrek aan transparantie, met name met betrekking tot het Uitvoerend Agentschap onderzoek; herinnert eraan dat het Uitvoerend Agentschap onderzoek in het kader van de langetermijnbegroting van de Unie voor 2021-2027 diverse programma’s en ondersteunende diensten van de Unie beheert; dringt er bij de Commissie op aan een beoordeling van alle procedures en een evaluatie achteraf van de meerwaarde van al haar uitvoerende agentschappen uit te voeren overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s worden gedelegeerd (PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>84.</NO.P>merkt op dat de frauderisicobeoordeling van de R&amp;I Family in 2022 is bijgewerkt als voorbereiding op de bijwerking van de gemeenschappelijke fraudebestrijdingsstrategie in 2023; wijst op de opstelling en goedkeuring in 2022 van de richtsnoeren voor controles tegen fraude vooraf in het kader van Horizon Europa, die deel uitmaken van de strategie voor controle vooraf van Horizon Europa; merkt op dat het belangrijkste forum van de R&amp;I Family voor fraudebestrijding het comité voor fraude en onregelmatigheden bij onderzoek is, dat in 2022 twee keer bijeenkwam; merkt op dat DG RTD in 2022 ook zijn fraudebestrijdingsstrategie heeft bijgewerkt; is van oordeel dat ook op onderzoeksgebied een nultolerantiebeleid inzake fraude geboden is; merkt op dat gezien de lopende vereenvoudigingsinspanningen moet worden gegarandeerd dat alle Europese premies en subsidies ten voordele komen aan de beoogde doelen en aan de ontwikkeling van doeltreffende instrumenten om fraude en fraudepatronen in verband met vaste bedragen op te sporen; merkt op dat de verwijzing van de desbetreffende zaken naar het panel van het systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting een belangrijke rol kan spelen bij het voorkomen van frauduleus misbruik;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>85.</NO.P>herinnert eraan dat het stimuleren, aantrekken en behouden van talent een van de vijf vlaggenschipinitiatieven is van de nieuwe Europese innovatieagenda, die op 5 juli 2022 is vastgesteld; wijst op de verklaringen van commissaris Ivanova tijdens haar kwijtingshoorzitting over de inspanningen van de Commissie om inclusiviteit in Horizon 2020 en Horizon Europa te vergroten; merkt op dat de commissaris erkent dat verdere inspanningen nodig zijn om de deelname van vrouwen en jongeren aan O&amp;I-programma’s van de Unie te vergroten; wijst in dat verband op de inspanningen van de Commissie om de bepalingen inzake gendergelijkheidsplannen in Horizon Europa uit te voeren, en van de gezamenlijke inspanningen van DG RTD en DG EAC om vrouwelijk talent voor STEM aan te trekken; is verheugd dat de Commissie, naast andere initiatieven van de Unie die gericht zijn op het ondersteunen en versterken van de positie van vrouwen op het gebied van technologie en innovatie, in 2022 de tweede editie van de Women TechEU-oproep heeft gelanceerd met een verhoogd budget van 10 miljoen EUR, waarvoor een recordaantal aanvragen is ingediend, namelijk 467 uit 35 lidstaten en met Horizon Europa geassocieerde landen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>86.</NO.P>is verheugd over de rol van de ERC bij de ondersteuning van toponderzoekers in Europa, die wordt onderstreept door talrijke prijzen, waaronder 14 Nobelprijzen, zes Fields Medals en elf Wolf-prijzen; is ingenomen met de 2 300 octrooiaanvragen en 400 spin-offbedrijven die dankzij ERC-projecten tot stand zijn gekomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>87.</NO.P>wijst erop dat de ERC onafhankelijk en autonoom is bij het vervullen van zijn taak, namelijk het ondersteunen van uitmuntend onderzoek in de Unie; herinnert eraan dat de ERC een unieke configuratie vergt om onderdak te bieden aan het personeel van het Uitvoerend Agentschap van de ERC, de Wetenschappelijke Raad van de ERC en de deskundigen die belast zijn met de evaluaties van het panel en dat deze configuratie onontbeerlijk is voor zijn werkzaamheden; is verbijsterd over de plannen van de Commissie om verscheidene uitvoerende agentschappen en het Uitvoerend Agentschap van de ERC in nieuwe gebouwen onder te brengen zonder enig overleg en zonder hun instemming, en zonder rekening te houden met hun behoeften op het gebied van kantoorruimte, waardoor hun bedrijfscontinuïteit in gevaar wordt gebracht; benadrukt dat zelfs sommige diensten van de Commissie niet naar behoren over deze plannen werden geïnformeerd; wijst erop dat het Uitvoerend Agentschap van de ERC het recht heeft om uit eigen beweging huurovereenkomsten te sluiten, zonder de goedkeuring van de Commissie, teneinde zijn bijzondere bedrijfsmodel in stand te houden; benadrukt dat de Commissie de tijd moet nemen om in samenwerking met het Uitvoerend Agentschap van de ERC plannen uit te werken en op zoek te gaan naar geschikte kantoorruimte die aan zijn eisen voldoet en zijn werkzaamheden niet in gevaar brengt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>88.</NO.P>wijst op de verschillen in O&amp;I-ontwikkeling binnen de Unie en is ingenomen met de verschillende maatregelen die de Commissie heeft genomen om investeringen van de lidstaten in O&amp;I te stimuleren, met name in minder goed presterende O&amp;I-landen, waaronder ongeveer 48 miljard EUR uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit, gekoppeld aan 43 miljard EUR uit het cohesiebeleid en 3 miljard EUR uit het onderdeel “Deelname verbreden en excellentie verspreiden” van Horizon Europa; merkt op dat ondanks de inspanningen van de Commissie om meer middelen aan onderzoekers in verbredingslanden toe te wijzen, verschillende “inhaallanden” nog geen vooruitgang laten zien;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>89.</NO.P>merkt op dat de Commissie na de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne de deelname van Russische overheidsinstanties aan lopende Horizon 2020-projecten en toekomstige Horizon Europa-projecten heeft stopgezet; stelt vast dat in de laatste wijziging van het “voornaamste” werkprogramma Horizon Europa 2021-2022, die op 10 mei 2022 is goedgekeurd, acties zijn opgenomen ter ondersteuning van onderzoekers die voorheen in Oekraïne actief waren; merkt op dat de Commissie financiële steun heeft verleend in de vorm van een subsidie van 1,5 miljoen EUR aan de nationale onderzoeksstichting van Oekraïne voor de oprichting van een Horizon Europa-bureau in Oekraïne (Kiev), dat financieringsmogelijkheden zal bevorderen en ondersteuning zal bieden bij het opstellen van voorstellen en het vinden van partners in Europa;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>90.</NO.P>erkent dat de CEF in 2022 volledig ten uitvoer is gelegd en beschouwt dit als een prestatie; betreurt de verlaging, ten opzichte van 2021, van de middelen voor oproepen tot het indienen van voorstellen in het kader van het financieringsinstrument CEF Vervoer 2022 voor projecten die gericht zijn op nieuwe, gemoderniseerde en verbeterde Europese vervoersinfrastructuur; neemt kennis van het feit dat de oproepen in het kader van de CEF Vervoer 2022 die in het derde kwartaal van 2022 zijn gedaan, hebben geleid tot meer financieringsmogelijkheden met een extra Uniemedefinanciering van 6 miljard EUR; wijst er met klem op dat een voldoende hoog begrotingsonderdeel CEF Vervoer cruciaal is om de uitvoering van het trans-Europees vervoersnetwerk (TEN-T) te kunnen waarborgen, met inbegrip van uitbreiding in de oostelijke regio om verbindingen met oostelijke partners zoals Oekraïne tot stand te brengen, vergroening van het Europese vervoer, toegenomen militaire mobiliteit en compensatie voor de ongekend hoge inflatie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>91.</NO.P>is lovend over het initiatief inzake het vrijwillige solidariteitsfonds voor Oekraïne en Moldavië van het Europese luchtverkeersbeheer, onder leiding van Eurocontrol, bedoeld om kosten voor personeel en opleiding op te vangen, evenals andere kosten met het oog op operationele paraatheid voor wanneer het vliegverkeer zich herstelt; is voorts ingenomen met een ander solidariteitsmechanisme van Eurocontrol tot bijstand van die staten “in de frontlinie” die het moeilijk hebben vanwege een scherpe afname van het vliegverkeer; wijst erop dat de lidstaten van Eurocontrol besloten tot de instelling van twee specifieke fondsen: één in de vorm van een donatie aan Oekraïne en Moldavië van 46,5 miljoen EUR, en één in de vorm van een lening van 46,1 miljoen EUR aan Estland, Letland, Litouwen en Polen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Energie</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>92.</NO.P>wijst op de complexiteit van het energiebeleidskader in de Unie en benadrukt dat het waarborgen van een betere interconnectiviteit de kern vormt van de energiemarkt van de Unie; is ingenomen met de goedkeuring van de nieuwe verordening betreffende de trans-Europese energie-infrastructuur (Verordening (EU) 2022/869 – de “TEN-E-verordening”)<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EU) 2022/869 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2022 betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2009, (EU) 2019/942 en (EU) 2019/943, en Richtlijnen 2009/73/EG en (EU) 2019/944, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 347/2013 (PB L 152 van 3.6.2022, blz. 45).</FIELD></FOOTNOTE>; is van mening dat de Unie via TEN-E, CEF en de herstel- en veerkrachtfaciliteit / het RePowerEU-plan een solide rechtskader heeft gecreëerd voor investeringen in energie-infrastructuur, waarmee de uitdagingen van het koolstofarm maken van de economie en het verminderen van de afhankelijkheid van de invoer van fossiele brandstoffen kunnen worden aangegaan; wijst op de inspanningen die zijn geleverd om de aanleg van elektriciteitsinfrastructuur met hoge prioriteit in alle lidstaten te coördineren, het energiesysteem van de Unie te digitaliseren en investeringen in het netwerk met de juiste regelmaat te stimuleren, met name via CEF Energie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>93.</NO.P>merkt op dat CEF Energie 1 en 2 (2014-2022) in totaal 6,24 miljard EUR steun hebben verleend aan energieprojecten (5,74 miljard EUR aan werkzaamheden, 0,5 miljard EUR aan studies) voor 118 projecten van gemeenschappelijk belang (PGB’s) en dat tegen eind 2022 123 acties die steun ontvingen uit CEF Energie 1 waren voltooid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>94.</NO.P>merkt op dat de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne en de inzet van energie als wapen de energiemarkten in 2022 op hun kop zetten en tot prijsvolatiliteit en energieonzekerheid leidden in het energiesysteem van de Unie; vestigt de aandacht op de reactie van de Commissie op de crisis: de ontwikkeling van het REPowerEU-plan om de afhankelijkheid van Russische fossiele brandstoffen te verminderen en de invoer van energie uit Rusland tegen 2030 af te bouwen; merkt op dat het REPowerEU-plan bijna 300 miljard EUR vrijmaakt, ongeveer 72 miljard EUR aan subsidies en 225 miljard EUR aan leningen; merkt op dat het REPowerEU-plan de lidstaten en de Commissie daarnaast een rechtsgrondslag bood om de nationale herstel- en veerkrachtplannen te wijzigen en na te gaan of de mijlpalen en streefdoelen duidelijk zijn afgebakend en deze zo nodig te verduidelijken;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Aanbevelingen</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>95.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">verzoekt de Commissie om:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(i)</SYMBOL>in de ontwerpbegroting voor 2025 extra middelen op te nemen ten behoeve van Horizon 2020 en Horizon Europa ter verbetering van de huidige situatie waarin zeven van de tien kwalitatief goede voorstellen nog steeds niet gefinancierd kunnen worden;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(ii)</SYMBOL>vereenvoudigde regels en procedures, digitaliseringsmaatregelen en vereenvoudigde kostenopties te blijven toepassen en daarbij met name het risico van onregelmatigheden en fraude en de kosten van controles aan te pakken;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iii)</SYMBOL>de vereenvoudiging van regels en procedures voor te zetten in overeenstemming met het nieuwe financieel reglement, en opleidingssessies en de verstrekking van praktische informatie voor aanvragers in de lidstaten, met name mkb-bedrijven, spin-offs, startende ondernemingen, regionale ngo’s en plaatselijke actiegroepen, te blijven ondersteunen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iv)</SYMBOL>het gebruik van de “Personnel Costs Wizard” te blijven promoten bij begunstigden, met name nieuwkomers en het mkb, om het foutenpercentage met betrekking tot personeelskosten te verlagen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(v)</SYMBOL>haar inspanningen voort te zetten om tot een meer inclusief onderzoeksprogramma van de Unie te komen door ondersteuning te bieden, duidelijke doelen te stellen en speciale onderzoeksprogramma’s te organiseren voor ondervertegenwoordigde doelgroepen, zoals vrouwen en jongeren, waarbij ook gestreefd wordt naar een evenwichtige geografische spreiding over de Unie;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(vi)</SYMBOL>de lidstaten, met name de “inhaallanden”, aan te moedigen en te ondersteunen om de synergieën tussen de beschikbare EU-fondsen, waaronder de herstel- en veerkrachtfaciliteit en de cohesiefondsen, volledig te benutten om het aantal onderzoeks- en innovatieactiviteiten in deze landen te vergroten; en</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(vii)</SYMBOL>de financiering voort te zetten om een geïntegreerde, innovatieve en veerkrachtige energie-unie tot stand te brengen die veilige, duurzame, concurrerende en betaalbare energie voor iedereen bevordert, met name voor het mkb en kwetsbare en energiearme consumenten, en tegelijkertijd de rechtvaardige transitie van Europa naar schone energie versnelt, zodat het tegen 2050 het eerste klimaatneutrale continent wordt;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(viii)</SYMBOL>de bekendheid met, en de samenhang en duurzaamheid van de steun voor internationalisering van het mkb te vergroten;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(ix)</SYMBOL>de daadwerkelijke uitvoering van projecten met gebruikmaking van vaste bedragen te controleren;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(x)</SYMBOL>aan de kwijtingsautoriteit door te geven:</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>a.</SYMBOL>hoeveel gevallen van vermoedelijke fraude door de bevoegde diensten van de Commissie naar het EDES-panel zijn verwezen, op welke uitsluitingsgronden, en hoeveel van deze gevallen hebben geleid tot 1) een beslissing inzake vroegtijdige opsporing, 2) een besluit tot uitsluiting van het panel;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>b.</SYMBOL>hoelang entiteiten van deelname aan Uniefondsen zijn uitgesloten;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>c.</SYMBOL>of de uitgesloten entiteiten Uniemiddelen hebben ontvangen nadat het besluit tot uitsluiting was verstreken;</ITEM></LIST></P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on">Cohesie, veerkracht en waarden </STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>96.</NO.P>merkt op dat de begroting voor de programma’s onder MFK-rubriek 2 “Cohesie, veerkracht en waarden” 79,1 miljard EUR bedroeg (40,4 % van de Uniebegroting), die als volgt is verdeeld: 53,6 % voor het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) en andere regionale acties, 23,6 % voor het Europees Sociaal Fonds (ESF), 12,6 % voor het Cohesiefonds, 4,4 % voor Erasmus+, 2,3 % voor CEF Vervoer, 0,6 % voor ESI en 2,9 % voor andere gebieden; stelt vast dat op 31 december 2022 de definitieve goedgekeurde vastleggingskredieten in de begroting 67 805,19 miljoen EUR bedroegen en dat 98,29 % daarvan (66 644,24 miljoen EUR) werd uitgevoerd; merkt verder op dat de definitieve goedgekeurde betalingskredieten in de begroting 63 104,31 miljoen EUR bedroegen en dat 99,86 % daarvan werd uitgevoerd (63 054,76 miljoen EUR);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>97.</NO.P>merkt op dat de uitvoering van het cohesiebeleid in het kader van de programmeringsperiode 2014-2020 in 2022 is voortgezet en dat de Commissie voor de periode 2021-2027 de onderhandelingen over alle programma’s heeft afgerond en alleen voorschotten heeft betaald, die 6,5 miljard EUR bedroegen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>98.</NO.P>herinnert eraan dat de uitgaven in het kader van de subrubriek “Economische, sociale en territoriale samenhang” (subrubriek 2a) erop gericht zijn het verschil in ontwikkelingsniveau tussen de verschillende lidstaten en regio’s van de Unie terug te dringen; benadrukt dat het cohesiebeleid van de Unie belangrijk is om de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten te ondersteunen en de streefdoelen ervan te verwezenlijken, en lidstaten en regio’s bij te staan bij het aangrijpen van nieuwe kansen en het aanpakken van uitdagingen zoals de globalisering, werkloosheid, armoede, sociale uitsluiting, veranderingen in het bedrijfsleven, de digitalisering en ondersteuning van bij- en omscholing en een leven lang leren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>99.</NO.P>brengt Speciaal verslag 27/2021 van de Rekenkamer in herinnering, getiteld “EU-steun voor toerisme: behoefte aan een nieuwe strategische oriëntatie en een betere financieringsaanpak”; herinnert aan de door de Rekenkamer aan de Commissie gedane aanbeveling om in samenwerking met de lidstaten een nieuwe geconsolideerde strategie voor het toerisme-ecosysteem van de Unie op te stellen, teneinde een doeltreffende agenda voor toerisme voor 2030 te ontwikkelen, en om ter ondersteuning van deze nieuwe strategische oriëntatie selectieprocedures toe te passen voor uit het EFRO gefinancierde investeringen in toerisme; beklemtoont de verantwoordelijkheid van de Commissie om in overeenstemming met de strategische agenda de lidstaten te steunen bij het bevorderen van investeringen in toerisme;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>100.</NO.P>wijst erop dat de absorptiegraad voor fondsen in het kader van het cohesiebeleid in het kader van de programmeringsperiode 2014-2020 eind 2022 79,2 % bedroeg (86 % eind 2023, met inbegrip van de onlangs toegevoegde herstelbijstand voor cohesie en de regio’s van Europa (React-EU) in 2021-2022), met een vergelijkbaar niveau op hetzelfde moment als in de periode 2007-2013; is bezorgd dat dit absorptieniveau alleen werd bereikt door middel van een tijdelijk Uniemedefinancieringspercentage van 100 % met vrijstelling van elke verplichting tot nationale medefinanciering voor projecten, een beginsel dat sinds jaar en dag van toepassing is op de financiën van de Unie; merkt op dat de programma’s 2014-2020 goed zijn voor meer dan 1 miljoen projecten en dat zij tot nu toe 2,4 miljoen bedrijven hebben ondersteund, 370 000 nieuwe banen hebben gecreëerd, de energieprestaties van meer dan 540 000 huishoudens hebben verbeterd, 6 000 megawatt aan nieuwe hernieuwbare energiebronnen hebben opgeleverd en 6,3 miljoen huishoudens van breedband hebben laten profiteren; merkt op dat de verbeterde absorptie in 2022 grotendeels te danken was aan de crisisrespons in het kader van CRII, CRII+, CARE en FAST-CARE, en ten koste ging van projecten ter ondersteuning van de structurele cohesiedoelstellingen om convergentie en cohesie te scheppen in de Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>101.</NO.P>is ingenomen met de financiële flexibiliteit die beschikbaar is bij het gebruik van de cohesiefondsen en onderstreept dat het cohesiebeleid, dankzij deze flexibiliteit een belangrijke rol heeft vervuld bij de aanpak van de COVID-19-crisis, de aan de oorlog gerelateerde noodsituaties, alsook de energiecrisis; herinnert eraan dat het doel van dit beleid evenwel is te zorgen voor langetermijnplanning van maatregelen, ter versterking van de economische, sociale en territoriale cohesie tussen Europese regio’s; is van oordeel dat het cohesiebeleid in de periode na 2027 moet voorzien in de flexibiliteit die nodig is bij het gebruik van fondsen om de lidstaten en regionale en plaatselijke autoriteiten te helpen bij het op passende en betrouwbare wijze inzetten van de middelen, een en ander voortdurend in overeenstemming met de langetermijndoelstellingen van het cohesiebeleid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>102.</NO.P>merkt verder op dat in 2022 in het kader van cohesiebeleid ten behoeve van vluchtelingen in Europa (CARE) en de Flexibele bijstand aan gebieden (FAST-CARE) meer dan 1,3 miljard EUR is vrijgemaakt om lidstaten en regio’s te helpen bij de ondersteuning van miljoenen Oekraïense vluchtelingen die onderdak zochten op het grondgebied van de Unie, met inbegrip van mainstreamprogramma’s voor sociale integratie, gezondheidszorg, voedsel of essentiële bijstand, en oriëntatie op de arbeidsmarkt; is verheugd dat voor de voorgestelde maatregelen dezelfde verplichtingen inzake adequate beheers- en controlesystemen en goed financieel beheer gelden als voor fondsen in het kader van het cohesiebeleid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>103.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer een steekproef van 260 verrichtingen heeft onderzocht die het volledige scala van uitgaven onder MFK-rubriek 2 bestrijkt; merkt met bezorgdheid op dat het door de Rekenkamer geschatte totale foutenpercentage onder de rubriek “Cohesie, veerkracht en waarden” in 2022 tot 6,4 % steeg, hetgeen aanzienlijk boven de materialiteitsdrempel ligt, waarbij al rekening is gehouden met in 2022 door de lidstaten toegepaste correcties met een totale waarde van 618 miljoen EUR; vestigt de aandacht op de duidelijke stijging van het algemene foutenpercentage dat de Rekenkamer voor 2022 schat ten opzichte van voorgaande jaren (3,6 % in 2021, 3,5 % in 2020), terwijl de Commissie het risico bij betaling voor 2022 op 1,9 tot 2,7 % schat, net zoals de voorgaande jaren (1,9 tot 2,5 % in 2021, 2,1 tot 2,6 % in 2020); vestigt de aandacht op het verslag van de Rekenkamer waarin wordt gesteld dat een aanzienlijk deel van de fouten (3 % van de 6,4 %) betrekking had op uitgaven in het kader van CRII en CRII+;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>104.</NO.P>is verontrust over de opmerking van de Rekenkamer dat het naderen van het einde van de subsidiabiliteitsperiode voor de programma’s 2014-2020 (31 december 2023) de absorptiedruk heeft verhoogd en dat tijdens de COVID-19-periode de doeltreffendheid van de controles en verificaties door de beheers- en auditautoriteiten mogelijk is verminderd, waardoor het risico van onopgemerkte fouten en onregelmatigheden mogelijk is toegenomen; merkt op dat de Commissie erkent dat de specifieke situatie en de tijdens COVID-19 toegestane flexibiliteit een rol kunnen hebben gespeeld bij het risico op onregelmatigheden als gevolg van de noodzaak om alternatieve manieren (op afstand) te vinden om de uitgaven te controleren; benadrukt echter dat volgens de Commissie de vastgestelde risico’s en onregelmatigheden eerder verband houden met het soort acties dat is uitgevoerd tijdens de COVID-19-periode of met de uitvoering of het begrip van de flexibiliteit die is ingevoerd in de regels voor overheidsopdrachten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>105.</NO.P>wijst op de uitleg van de Rekenkamer dat haar foutenpercentage betrekking heeft op het aandeel gedeclareerde uitgaven, waarvoor zij van mening is dat de betalingsvoorwaarden van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 (“het Financieel Reglement”)<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).</FIELD></FOOTNOTE>, de GB-verordening en Richtlijn (EU) 2017/1371 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Unie (de “PIF-richtlijn”)<FOOTNOTE><FIELD>Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).</FIELD></FOOTNOTE> niet volledig zijn nageleefd, hetgeen leidt tot een directe en meetbare financiële impact op het destijds toegestane betalingsbedrag uit de Uniebegroting; wijst op de verduidelijking van de Rekenkamer dat het foutenpercentage niet moet worden geïnterpreteerd als zijnde gelijk aan het potentiële bedrag aan financiële correcties dat de Commissie overeenkomstig de toepasselijke regels kan opleggen; is van oordeel dat het hoge foutenpercentage wijst op een verspilling van middelen, met name in het cohesiebeleid, waar vele beheersautoriteiten te maken krijgen met de parallelle uitvoering van de herstel- en veerkrachtfaciliteit;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>106.</NO.P>merkt op dat de Commissie in de jaarlijkse activiteitenverslagen voor elk programma en voor de fondsen als geheel het risico bij betaling vermeldt dat betrekking heeft op onregelmatigheden die tot financiële correcties leiden; stelt vast dat de Commissie, om financiële correcties te kunnen opleggen, moet concluderen dat zich een onregelmatigheid in de zin van artikel 2, punt 36, van de GB-verordening heeft voorgedaan, terwijl niet alle formele inbreuken en fouten die de Rekenkamer in haar geschatte foutenpercentage als kwantificeerbare fouten heeft opgenomen, tot niet-subsidiabele uitgaven leiden omdat zij niet kunnen worden aangemerkt als een onregelmatigheid in de zin van artikel 2, punt 36, van de GB-verordening; merkt op dat het nuttig is als de kwijtingsautoriteit de vastgestelde fouten vanuit beheersoogpunt beziet;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>107.</NO.P>merkt op dat de Commissie alle aanbevelingen van de Rekenkamer in MFK-rubriek 2 “Cohesie, veerkracht en waarden” aanvaardt, hoewel er nog steeds verschillen bestaan in de manier waarop beide instellingen vastgestelde fouten indelen; verzoekt de Commissie nauw samen te werken met de Rekenkamer en alle relevante belanghebbenden om de toepasselijke regels verder te verduidelijken en verschillen te beperken en er tegelijkertijd voor te zorgen dat controles niet leiden tot buitensporige administratieve lasten voor de begunstigden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>108.</NO.P>merkt bezorgd op dat de Rekenkamer een toename heeft vastgesteld van de specifieke soorten fouten, zoals niet-subsidiabele kosten en projecten en inbreuken op internemarktregels, met inbegrip van regels inzake overheidsopdrachten en staatssteun, en benadrukt dat dit soort fouten verband kan houden met slecht bestuur; stelt vast dat 3 % van het door de Rekenkamer geschatte foutenpercentage van 6,4 % onder rubriek 2 verband houdt met voor 100 % medegefinancierde prioriteiten in het kader van het investeringsinitiatief coronavirusrespons plus (CRII+), dat flexibelere uitgaven mogelijk maakte; herhaalt dat grotere flexibiliteit de kwaliteit en de controles nooit in het gedrang mag brengen; verzoekt de Commissie de huidige situatie tegen het licht te houden teneinde soortgelijke situaties in de toekomst te voorkomen; merkt op dat de Commissie geen controle-informatie heeft gevonden waaruit blijkt dat de nieuwe soorten maatregelen en versoepelingen over het geheel genomen een significant effect hebben op de foutenpercentages van de programma’s en stelt vast dat de Commissie maatregelen heeft genomen om een dergelijk risico te voorkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>109.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer heeft vastgesteld dat er gevallen waren waarin niet-subsidiabele uitgaven voor projecten werden aanvaard, en dat deze bijdragen aan het geschatte totale foutenpercentage; wijst erop dat de systemische achterliggende oorzaken moeten worden aangepakt en dat de auditautoriteiten de subsidiabiliteitscriteria doeltreffend moeten beoordelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>110.</NO.P>merkt op dat de Commissie van oordeel is dat eigen verklaringen een handig instrument zijn om zekerheid te verschaffen wanneer het vinden van alternatief bewijsmateriaal moeilijk of administratief te kostbaar is voor de begunstigden; steunt de aanbeveling van de Rekenkamer om de controles door de auditautoriteiten van door begunstigden van de middelen afgegeven eigen verklaringen te verbeteren teneinde de geldigheid en betrouwbaarheid ervan te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>111.</NO.P>merkt op dat de Commissie voor het EFRO en het Cohesiefonds financiële correcties en intrekkingen heeft uitgevoerd voor een bedrag van 11 miljard EUR over de programmeringsperiode, waaronder 2,4 miljard EUR voor het boekjaar 2021-2022; merkt op dat deze financiële correcties tot dusverre niet hebben geleid tot een verlies aan financiering voor de lidstaten aangezien de Commissie voor de periode 2014-2020 nog geen financiële nettocorrectie heeft doorgevoerd; stelt voorts vast dat de Commissie de uitvoering van haar gerichte “actieplan inzake overheidsopdrachten en staatssteun” in samenwerking met de lidstaten voortzet; erkent dat de nationale autoriteiten in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor de financiële correcties waartoe de Commissie heeft besloten, maar is van mening dat aanvullende controles worden uitgevoerd om te bevestigen dat alle correcties naar behoren zijn doorgevoerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>112.</NO.P>wijst op de opmerking van de Rekenkamer dat de overlapping van programmeringsperioden, in combinatie met de beschikbaarheid van aanvullende financieringsinstrumenten in het kader van NGEU (React-EU en de herstel- en veerkrachtfaciliteit), met een beperktere looptijd, de administratieve capaciteit van de lidstaten in de programmeringsperiode en aan het begin van de uitvoering van hun cohesieprogramma’s voor 2021-2027 onder druk kan hebben gezet; merkt op dat de nationale en regionale overheden zich in 2022 moesten richten op de herprogrammering van de cohesiebeleidsprogramma’s 2014-2020, waaronder de invoering van maatregelen die worden gefinancierd in het kader van CRII(+), React-EU, FAST-CARE en Supporting Affordable Energy, en op de uitvoering van de nationale plannen in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit, om verschillende crisis-, herstel- en reddingsmaatregelen aan te vatten; stelt vast dat het directoraat-generaal Regionaal Beleid en Stadsontwikkeling (DG REGIO) de nationale en regionale overheden ondersteunt bij de volledige uitvoering van de programma’s 2014-2020;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>113.</NO.P>spreekt zijn grote bezorgdheid uit over het recente geval waarbij middelen van de Unie zouden zijn misbruikt bij contracten voor de aankoop van mondmaskers, bekend als de zaak Koldo; is bezorgd over het feit dat dit misbruik van middelen van de Unie en geld van de belastingbetalers van de Unie betrekking had op 14,6 miljoen EUR uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) en 3,1 miljoen EUR uit het Solidariteitsfonds van de EU; betreurt dat het EOM de relevante informatie heeft ontvangen van een particulier en niet van de bevoegde nationale autoriteit; dringt er bij de lidstaten op aan het EOM onverwijld in kennis te stellen van elk vermoeden van misbruik van middelen van de Unie, overeenkomstig artikel 24 van de EOM-verordening; moedigt de Commissie aan voor controledoeleinden gebruik te maken van externe deskundigen indien in een lidstaat een ernstig gebrek aan capaciteit wordt vastgesteld; merkt op dat de Commissie het veronderstelde misbruik van middelen in deze zaak niet heeft ontdekt, ondanks het feit dat zij audits had uitgevoerd; pleit voor de toepassing van het vierogenbeginsel en een verificatie in meerdere stappen bij de gunning van opdrachten in crisissituaties indien aanbestedingsprocedures als gevolg van de crisis niet mogelijk zijn, om mogelijk misbruik van Uniefinanciering te voorkomen; benadrukt dat de Commissie in alle betrokken lidstaten grondige controles achteraf moet uitvoeren voor opdrachten die tijdens crises worden gegund zonder aanbestedingsprocedures; merkt voorts op dat soortgelijke situaties zich hebben voorgedaan in andere lidstaten, onder meer in een recent aan het licht gekomen geval van veronderstelde fraude in Portugal met EFRO-middelen en verschillende gevallen in Tsjechië inzake verondersteld misbruik van React-EU-middelen bij de aankoop van medische uitrusting;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>114.</NO.P>merkt op dat de relatie tussen de fondsen in het kader van het cohesiebeleid en de andere financieringsinstrumenten van de Unie gekenmerkt wordt door complementariteit; herinnert eraan dat hoewel de fondsen in het kader van het cohesiebeleid en de herstel- en veerkrachtfaciliteit van elkaar verschillen wat betreft algemene doelstellingen, tijdschema, beheersvorm en financiering, uit de tot dusver opgedane ervaring blijkt dat verscheidene herstel- en veerkrachtplannen investeringen voorzien die in aanmerking zouden zijn gekomen voor financiering in het kader van het cohesiebeleid; benadrukt dat complementariteit tussen de fondsen in het kader van het cohesiebeleid en de herstel- en veerkrachtfaciliteit mogelijk is en wordt verwacht, mits de herstel- en veerkrachtfaciliteit echte meerwaarde oplevert en dezelfde kosten niet tweemaal worden gedekt; beklemtoont dat het risico van overlappingen zal toenemen naarmate het einde van de herstel- en veerkrachtfaciliteit in zicht komt en vraagt de Commissie alles te doen wat in haar macht ligt om deze risico’s te beperken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>115.</NO.P>verzoekt de Commissie met klem de situatie te volgen, met name wanneer nationale coördinerende instanties voor de herstel- en veerkrachtfaciliteit dezelfde zijn als voor de fondsen in het kader van het cohesiebeleid, en erop aandringt dat voldoende extra administratieve capaciteit en personele middelen aan de verschillende onderdelen van Uniefinanciering worden toegewezen; wijst niettemin op het potentiële risico dat dit parallellisme ertoe kan leiden dat gevallen van dubbele financiering over het hoofd worden gezien; verzoekt de Commissie lering te trekken uit de ervaringen met de twee verschillende financieringsmodellen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>116.</NO.P>is verheugd dat noch de Rekenkamer, noch de Commissie tot dusverre gevallen heeft vastgesteld waarin de verplichte nationale medefinanciering van een cohesieproject in de uitbetalingen van de herstel- en veerkrachtfaciliteit voor 2022 uit middelen in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit werd betaald; verzoekt de Commissie met klem de vinger aan de pols te houden en dergelijke financiering te voorkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>117.</NO.P>maakt zich zorgen over de aanhoudende opmerkingen van de Rekenkamer over de tekortkomingen die zijn vastgesteld in de manier waarop de audit- en beheersautoriteiten werken, met name zwakke punten in de door de auditautoriteiten uitgevoerde controles achteraf en in de controles door de beheersautoriteiten die onregelmatigheden in door begunstigden gedeclareerde uitgaven niet altijd doeltreffend voorkomen of vaststellen, en het overmatige vertrouwen dat de Commissie stelt in de kwaliteit van de werkzaamheden van de programma-autoriteiten in verband met de inherente beperkingen van de controles van stukken door de Commissie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>118.</NO.P>wijst op het antwoord van de Commissie dat haar beoordeling, die is gebaseerd op een combinatie van administratieve controles en controles ter plaatse van de verschillende afzonderlijke programma’s en zekerheidspakketten, haar in staat stelt een redelijke en eerlijke schatting te maken van de foutenpercentages voor elk programma, elk jaar, en cumulatief voor fondsen in het kader van het cohesiebeleid; is het eens met het oordeel van de Rekenkamer dat de controles van stukken van de Commissie inherente beperkingen hebben wat betreft het bevestigen van de geldigheid van de door de auditautoriteiten gerapporteerde totale restfoutenpercentages; merkt op dat deze zwakke punten ook van invloed kunnen zijn op het geschatte risico van de Commissie bij afsluiting, aangezien de Commissie mogelijk niet in alle gevallen de noodzakelijke correcties doorvoert om het restfoutenpercentage onder de materialiteitsdrempel te brengen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>119.</NO.P>wijst bezorgd op de bevinding van de Rekenkamer dat het aandeel zekerheidspakketten met restfoutenpercentages van meer dan 2 % in 2022 een piek bereikte van 61 % van de uitgaven in de steekproef van de Rekenkamer, tegenover 39 % in het voorgaande jaar, wat de aanhoudende tekortkomingen in het werk van de auditautoriteiten weerspiegelt; benadrukt met bezorgdheid dat de controleresultaten van de Rekenkamer over de afgelopen zes jaar aantonen dat de bestaande controles het hoge inherente foutenpercentage op het gebied van het cohesiebeleid nog niet voldoende compenseren en dat de beheersautoriteiten onregelmatigheden in door begunstigden gedeclareerde uitgaven niet altijd doeltreffend voorkomen of vaststellen; constateert bezorgd dat de door de Rekenkamer vastgestelde fouten aanzienlijke tekortkomingen vertonen in het werk van de auditautoriteiten om de subsidiabiliteit van uitgaven en projecten en de naleving van de internemarktregels te verifiëren; merkt op dat een deel van de door de Rekenkamer herberekende restfoutenpercentages van meer dan 2 % in de gecontroleerde zekerheidspakketten toe te schrijven is aan de bovengenoemde afwijkingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>120.</NO.P>is bezorgd over de aanhoudende tekortkomingen die de Rekenkamer heeft geconstateerd bij de nationale controles, die te wijten kunnen zijn aan een ontoereikende reikwijdte, onduidelijke documentatie van controles en steekproeffiltering door de nationale auditautoriteiten, alsmede aan problemen met middelen, zoals ontoereikende financiering en een gebrek aan gekwalificeerde deskundigen; wijst op zijn bezorgdheid over het feit dat de Rekenkamer op tal van punten tekortkomingen heeft vastgesteld, bijvoorbeeld met betrekking tot gevallen van onvoldoende controles van door begunstigden verstrekte informatie over de subsidiabiliteit van projecten, de naleving van internemarktregels en het risico van fraude en belangenconflicten; merkt anderzijds op dat de Commissie het werk van de meeste auditautoriteiten betrouwbaar acht en dat slechts tien van de 116 auditautoriteiten ernstige verbeteringen behoeven; herinnert aan zijn aanbevelingen in de resolutie van het Parlement van 21 november 2023 over de mogelijkheden om de betrouwbaarheid van audits en controles door nationale autoriteiten bij gedeeld beheer te vergroten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>121.</NO.P>neemt kennis van de toezegging van de Commissie om nauw te blijven samenwerken met de controleautoriteiten teneinde hun capaciteit om fouten te voorkomen en te corrigeren te versterken en hun controlewerkzaamheden beter te documenteren om zo bij te dragen tot de kwaliteitsborging;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>122.</NO.P>wijst op de bevinding van de Rekenkamer dat begunstigden van financiering in het kader van het cohesiebeleid bij wijze van vereenvoudiging van de uitgaven vereenvoudigde kostenopties gebruikten voor 77 verrichtingen, ofwel 30 % van haar steekproef, waarbij ofwel vaste percentages, ofwel standaardschalen van eenheidskosten, ofwel een combinatie van beide werden toegepast; benadrukt dat vereenvoudigde kostenopties een van de belangrijkste maatregelen zijn om de administratieve kosten en lasten voor de begunstigden te verminderen en zo de toegang van kleine begunstigden tot financiering te vergemakkelijken en zich meer te richten op de verwezenlijking van de doelstellingen, terwijl het foutenpercentage wordt verminderd; benadrukt dat de Rekenkamer van oordeel is dat vereenvoudigde kostenopties niet altijd naar behoren worden uitgevoerd en is het eens met de controleconclusie van de Rekenkamer dat vereenvoudigde kostenopties niet mogen leiden tot buitensporig financieel voordeel voor een lidstaat; is anderzijds van mening dat vereenvoudigde kostenopties in de praktijk moet leiden tot een daadwerkelijke vermindering van de bureaucratische lasten en niet tot uitputtende controles vooraf en achteraf; merkt op dat geringe prijsverschillen in schattingen van de vereenvoudigde kostenopties in vergelijking met de tijdens controles achteraf vastgestelde prijzen aanvaardbaar moeten zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>123.</NO.P>merkt op dat de Commissie voor de programma’s 2021-2027 het gebruik door programma-autoriteiten van de vereenvoudigingsmaatregelen waarin de GB-verordening voorziet, heeft aangemoedigd, met name het gebruik van vereenvoudigde kostenopties en regelingen voor financiering die niet gekoppeld is aan kosten om subsidiabiliteitskwesties aan te pakken, beheersverificaties te vergemakkelijken en de lasten voor begunstigden te beheersen; merkt op dat, als resultaat van deze inspanningen, voor het EFRO en het Cohesiefonds bijvoorbeeld tot nu toe 120 regelingen voor vereenvoudigde kostenopties op programmaniveau in elf lidstaten en voor Interreg-programma’s (5,7 miljard EUR aan totale bijdragen) evenals vier regelingen voor financiering die niet gekoppeld is aan kosten in vier lidstaten (voor 1,2 miljard EUR aan totale bijdragen) zijn goedgekeurd; beklemtoont dat verdere vereenvoudiging en grotere flexibiliteit dringend geboden zijn; verzoekt de Commissie het juiste evenwicht te zoeken tussen de nodige flexibiliteit voor geringe prijsverschillen enerzijds en opzettelijk hoge schattingen van de kosten en prijzen anderzijds;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>124.</NO.P>maakt zich zorgen over de bevindingen van de Rekenkamer betreffende een EFRO-programma in Slowakije dat gericht is op de renovatie van de binnenruimte van een overheidsgebouw, ondanks het feit dat in het kader van dat programma uitsluitend maatregelen op het gebied van energie-efficiëntie in aanmerking kwamen; wijst op de opmerking van de Rekenkamer dat dit project de evaluatiefase niet had mogen doorstaan, aangezien in de aanvraag niet is voldaan aan de voorwaarde dat minstens 25 % van de projectuitgaven betrekking moest hebben op energie-efficiëntie; wijst op vergelijkbare door de Rekenkamer vastgestelde zaken waar de Commissie geen reactie op heeft gegeven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>125.</NO.P>herinnert eraan dat de lidstaten voor de periode 2021-2027 moeten voldoen aan bepaalde horizontale of thematische randvoorwaarden van de GB-verordening, die voorwaarden zijn voor de effectieve en efficiënte uitvoering van de specifieke doelstellingen van de fondsen; herinnert eraan dat, wanneer bij de indiening van een betalingsaanvraag bij de Commissie voor de betrokken specifieke doelstelling niet aan de randvoorwaarden is voldaan, de desbetreffende uitgaven niet uit de Uniebegroting worden vergoed totdat de Commissie ervan overtuigd is dat aan de randvoorwaarde is voldaan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>126.</NO.P>herinnert eraan dat de Raad op 15 december 2022, op basis van een voorstel van de Commissie, Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2506 inzake maatregelen ter bescherming van de Uniebegroting tegen schendingen van de beginselen van de rechtsstaat in Hongarije heeft goedgekeurd; wijst erop dat het besluit gebaseerd was op de bedenkingen van de Commissie ten aanzien van ernstige problemen in verband met het Hongaarse systeem voor overheidsopdrachten; is ingenomen met de tijdelijke schorsing van 55 % van de vastleggingen voor bepaalde programma’s in het kader van het cohesiebeleid voor de periode 2021-2027; merkt op dat Commissie toezicht houdt op de uitvoering van de door Hongarije voorgestelde corrigerende maatregelen in het kader van de “conditionaliteitsverordening”; merkt op dat de Commissie de situatie in Hongarije in december 2023 uit eigen beweging heeft herbeoordeeld en tot de slotsom kwam dat het risico voor de Uniebegroting op hetzelfde niveau blijft aangezien er nog steeds vastleggingen zijn die noch naar behoren noch tijdig zijn afgewikkeld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>127.</NO.P>stelt vast dat de Commissie in december 2022 tot de conclusie is gekomen dat Hongarije niet voldeed aan de horizontale randvoorwaarden uit hoofde van de GB-verordening inzake het Handvest met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de bepalingen van verscheidene wetten die ernstige risico’s opleveren voor de LHBTIQ+-rechten, de academische vrijheid en het recht op asiel; betreurt ten zeerste het besluit van de Commissie van 13 december 2023<FOOTNOTE><FIELD>Besluit van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de herbeoordeling, op initiatief van de Commissie, van de naleving van de voorwaarden van artikel 4 van Verordening (EU, Euratom) 2020/2092 naar aanleiding van Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2506 van de Raad van 15 december 2022 met betrekking tot Hongarije, C(2023)8999.</FIELD></FOOTNOTE> dat Hongarije de horizontale randvoorwaarde met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht heeft vervuld waardoor de Hongaarse autoriteiten verzoeken om terugbetaling tot 10,2 miljard EUR kunnen indienen zonder dat sprake is van adequate controlemechanismen of openbare aanbestedingsprocedures om goed financieel beheer en de bescherming van de Uniebegroting te waarborgen; is van mening dat dit besluit politiek gezien in tegenspraak is met de verlenging van de in het kader van de conditionaliteitsverordening vastgestelde maatregelen en is teleurgesteld dat het Parlement tijdens het proces niet naar behoren is geïnformeerd; herhaalt zijn bezorgdheid over de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, zelfs na de recente hervormingen, zoals verwoord in zijn resolutie van 18 januari 2024 over de situatie in Hongarije en bevroren EU-gelden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>128.</NO.P>stelt nogmaals dat alle maatregelen die nodig zijn voor de vrijgave van EU-financiering uit hoofde van de conditionaliteitsverordening, de GB-verordening en de verordening tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit als één integraal pakket moeten worden behandeld; benadrukt het belang van de bescherming van de financiële belangen van de Unie, ook voor de uitbetaling van voorfinanciering;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>129.</NO.P>merkt uit het PIF-verslag voor het jaar 2022 op dat van 2021 tot 2022 het aantal frauduleuze onregelmatigheden met betrekking tot het cohesiebeleid met 11,6 % is afgenomen (233 gemelde gevallen in 2021 ten opzichte van 206 gemelde gevallen in 2022), terwijl het aantal niet-frauduleuze onregelmatigheden met 9,3 % is gestegen; merkt op dat de Commissie de auditautoriteiten heeft verzocht bijzondere aandacht te besteden aan nieuwe risico’s in verband met de vermenigvuldiging van fondsen en aanvullende financiering in het kader van NGEU, met name “dubbele financiering”, belangenconflicten, fraude of corruptie; wijst op de inspanningen van de Commissie om het gebruik van het risicoscore-instrument Arachne bij terughoudende lidstaten te bevorderen en om verbeteringen in het instrument aan te brengen; merkt op dat de auditautoriteiten het risico van fraude voor 65 % van de gecontroleerde verrichtingen in de periode 2014-2020 expliciet hebben aangepakt, wat een verbetering is ten opzichte van de 38 % die de Rekenkamer in 2021 had aangetroffen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>130.</NO.P>benadrukt dat de Rekenkamer, OLAF en het EOM op evenredige wijze toegang moeten hebben tot een door de Commissie verstrekt centraal, geïntegreerd IT-systeem voor datamining en risicoscore, in overeenstemming met hun respectieve bevoegdheden en zoals voorzien in het herziene Financieel Reglement;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>131.</NO.P>beklemtoont het belang van de wettigheid en regelmatigheid van de besteding van de cohesiemiddelen, alsook op de cruciale rol die beheers- en auditautoriteiten hierbij spelen; geeft aan dat de controles vereenvoudigd en gerationaliseerd moeten worden, waarbij de nadruk moet liggen op wat nodig is om fraude te bestrijden; herinnert er daarnaast aan dat de autoriteiten van de lidstaten overeenkomstig de Verordening gemeenschappelijke bepalingen voor 2021-2027 alle door hen geïdentificeerde gevallen van vermoedelijke of vastgestelde fraude in verband met door de Unie gefinancierde projecten moeten melden, en dat zij deze gevallen ook moeten melden als zij ze opsporen voordat zij uitgaven declareren bij de Commissie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>132.</NO.P>benadrukt de belangrijke rol van het Europees Bureau voor fraudebestrijding en het Europees Openbaar Ministerie (EOM) bij de bescherming van de Uniebegroting; verzoekt alle lidstaten zich bij het EOM aan te sluiten; herinnert eraan dat de Europese openbare aanklager, toen zij op 25 mei 2023 voor de Commissie regionale ontwikkeling verscheen, heeft opgemerkt dat het ontwerp van het huidige beheers- en controlesysteem voor Unie-uitgaven niet geschikt is om fraude op te sporen en dat bij audits of administratieve onderzoeken zelden financiële criminaliteit wordt ontdekt, die vaak een grensoverschrijdende dimensie heeft; benadrukt dat het EOM de nodige middelen moet krijgen om zijn taken uit te voeren; is van mening dat een versterkt EOM het voor de wetgever mogelijk zou maken het regelgevingskader voor cohesie verder te vereenvoudigen, met het oog op een betere inzet van de middelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>133.</NO.P>verzoekt OLAF een grondig onderzoek te voeren naar het mogelijke misbruik van Uniemiddelen via Erasmus+ en het Europees Solidariteitskorps door netwerken van verenigingen die valse projecten presenteren, teneinde de recente meldingen daarvan door sommige nationale agentschappen te verifiëren, de schaal en omvang van dergelijke gevallen van fraude na te trekken en de aanpak ervan door de bevoegde autoriteiten in de lidstaten te analyseren;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Aanbevelingen</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>134.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">verzoekt de Commissie om:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(i)</SYMBOL>op proactieve wijze een constructieve dialoog te voeren met de Rekenkamer teneinde het toenemende aantal situaties terug te dringen waarin de Commissie als officiële reactie op de bevindingen van de Rekenkamer aangeeft zich erbij neer te leggen dat niet tot een akkoord kan worden gekomen, en haar samenwerking met de Rekenkamer voort te zetten om de resultaten van hun geschatte foutenpercentages en de interpretatie van wetteksten op elkaar af te stemmen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(ii)</SYMBOL>de bevindingen van de Rekenkamer betreffende de verklaringen van de lidstaten te vergelijken met de informatie van de Commissie over het risico bij betaling en het risico bij afsluiting voor de beheersautoriteiten, teneinde gebieden in kaart te brengen waar veel fouten worden gemaakt en waar met spoed aandacht aan moet worden besteed;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iii)</SYMBOL>haar nauwe samenwerking met de auditautoriteiten voort te zetten teneinde hun capaciteit voor het voorkomen en corrigeren van terugkerende fouten te versterken en hun controlewerkzaamheden beter te documenteren om zo bij te dragen tot de kwaliteitsborging;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iv)</SYMBOL>de beheers- en controlesystemen van de lidstaten te versterken teneinde te waarborgen dat de lidstaten uitsluitend subsidiabele uitgaven bij de Commissie aangeven;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(v)</SYMBOL>te waarborgen dat de auditautoriteiten passende methoden hanteren voor het controleren van eigen verklaringen door het vaststellen van goede praktijken en door richtsnoeren voor de lidstaten uit te brengen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(vi)</SYMBOL>als onderdeel van de afsluitende audits specifieke, gerichte controles uit te voeren teneinde te waarborgen dat de lidstaten de nodige financiële correcties met betrekking tot vastgestelde fouten hebben uitgevoerd;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(vii)</SYMBOL>in haar controles bijzondere aandacht te besteden aan de risico’s in verband met de flexibiliteiten die met de CRII/CRII+-wijzigingen zijn ingevoerd; onmiddellijk een evaluatie uit te voeren van de uitgaven in het kader van deze programma’s teneinde systeemtekortkomingen die tot een abrupte toename van het foutenpercentage hebben geleid, op te sporen en te corrigeren;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(viii)</SYMBOL>haar steun aan de lidstaten voort te zetten en tegelijkertijd een actieplan op te stellen inzake de beste manier voor het voorkomen van overmatige administratieve lasten tegen het eind van het MFK, welke periode overlapt met de geplande subsidiabiliteitsperiode voor de herstel- en veerkrachtfaciliteit, gelet op de voltooiing van de programmeringsperiode 2014-2020 en de uitvoering van de huidige programmeringsperiode, met name door de opbouw van bestuurlijke capaciteit te ondersteunen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(ix)</SYMBOL>door te gaan met de uitvoering van haar vierde herziening van het “actieplan inzake overheidsopdrachten” in samenwerking met de lidstaten om programma-autoriteiten en aanbestedende diensten te helpen hun praktijken op het gebied van overheidsopdrachten te verbeteren, onder meer hoe de meest voorkomende fouten bij overheidsopdrachten in verband met het beheer van de ESI-fondsen kunnen worden vermeden, alsook gerichte opleidingssessies voor ambtenaren van de lidstaten te organiseren;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(x)</SYMBOL>haar belofte na te komen en zowel de kwijtingsautoriteit als het grote publiek te voorzien van de lijst met begunstigden die de hoogste bedragen aan Uniemiddelen ontvangen, waarbij de eindbegunstigde in deze lijst wordt aangemerkt als de natuurlijke persoon of entiteit die, als laatste in de keten begunstigden, de Uniemiddelen ontvangt;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xi)</SYMBOL>de vereenvoudiging bij de uitvoering van cohesieprogramma’s verder te verbeteren; instrumenten toe te passen voor de digitalisering van overheidsopdrachten op basis van het model van e-aanbestedingen, en lidstaten bij deze transitie bij te staan;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xii)</SYMBOL>teneinde een succesvolle toepassing van vereenvoudigde kostenopties te bewerkstelligen, samen met alle belanghebbenden te werken aan harmonisatie van methodologie en zekerheid, zodat het voor de begunstigden voldoende voorspelbaar is hoe deze opties naar verwachting zullen worden uitgevoerd; en ervoor te zorgen dat controles niet leiden tot verdere bureaucratisering van de uitvoering en een onnodige controlelast voor de begunstigden; erop toe te zien dat vereenvoudigde kostenopties niet worden toegepast op een wijze die ertoe leidt dat lidstaten buitensporige financiële voordelen genieten, met waarborging van passende flexibiliteit betreffende de ramingen van kosten en prijzen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xiii)</SYMBOL>samen te werken met de auditautoriteiten van de lidstaten om te garanderen dat het specifieke risico van dubbele financiering, met name met betrekking tot financiering in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit, wordt teruggedrongen door middel van passende nationale controles; dringt erop aan dat de Commissie thematische of nalevingsgerichte controles uitvoert op terreinen en voor lidstaten met een hoog risico; en</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xiv)</SYMBOL>een alomvattend mechanisme in te stellen voor het gebruik van cohesiefondsen in uitzonderlijke of onvoorziene omstandigheden, met leidende bepalingen over de reikwijdte, de beschikbaarheid van financiering, governance, audit en controle, en de toepassing ervan; onderstreept dat een dergelijke toepassing van uitzonderlijke omstandigheden moet worden beperkt tot specifieke en duidelijk omlijnde situaties, in tijd en omvang beperkt moet zijn, en samen moet gaan met toenemende controles voor het beperken van risico’s;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xv)</SYMBOL>verzoekt de Commissie over te gaan tot herziening van haar besluit om bevroren tegoeden voor Hongarije ter waarde van 10,2 miljard EUR vrij te geven, en geen middelen uit te betalen totdat de relevante wetgeving volledig is uitgevoerd en de vastgestelde maatregelen in de praktijk doeltreffend zijn gebleken;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xvi)</SYMBOL>gebruik te maken van IT-instrumenten, zoals het systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting en Arachne, die voor alle middelen van de Unie verplicht en stelselmatig worden ingezet, onder meer voor fondsen onder gedeeld beheer, en een beter gebruik van nieuwe technologieën te waarborgen teneinde meer controles te kunnen uitvoeren en de Uniebegroting te beschermen tegen fraude en misbruik van middelen in het kader van het herziene Financieel Reglement;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xvii)</SYMBOL>de Rekenkamer, OLAF en het EOM toegang te verlenen tot een door de Commissie verstrekt centraal, geïntegreerd IT-systeem voor datamining en risicoscore, in overeenstemming met de in het herziene Financieel Reglement overeengekomen voorwaarden;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xviii)</SYMBOL>verslag uit te brengen van de vroegtijdige preventieve systeemcontroles die worden uitgevoerd aan het begin van de programmeringsperiode, teneinde de doeltreffendheid te bevestigen van de controlesystemen in de lidstaten, onder meer van het systeem om onregelmatigheden te voorkomen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xix)</SYMBOL>verslag uit te brengen aan de kwijtingsautoriteit over de manier waarop het gebruik van de flexibiliteitsmaatregelen in het kader van het cohesiebeleid, die de absorptiegraad ten goede zijn gekomen, van invloed is geweest op de structurele doelstellingen betreffende convergentie en cohesie;</ITEM></LIST></P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Cultuur en onderwijs</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>135.</NO.P>is ingenomen met de inspanningen van de Commissie en het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur (EACEA) om Erasmus+, het Europees Solidariteitskorps en Creatief Europa aan te passen aan een veranderende realiteit, bijvoorbeeld door de individuele steunpercentages voor subsidies naar boven te herzien om het inclusieve karakter ervan te waarborgen, de aanvraagtermijnen en projectduur te verlengen en de activiteiten vrijwillig te heroriënteren op Oekraïne, en verwacht meer inspanningen ter versterking van de integratiemaatregelen en de steun om de deelname van kwetsbare groepen te vergemakkelijken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>136.</NO.P>waardeert dat de Commissie en het EACEA er in 2022 in zijn geslaagd de begroting voor Erasmus+ nagenoeg volledig te besteden en de begroting voor het Europees Solidariteitskorps volledig te besteden, waardoor er zelfs kredieten van andere programma’s moesten worden herbestemd om de betalingsbehoeften te dekken; neemt kennis van de uitdagingen voor de begrotingsuitvoering van Creatief Europa in 2022, waarbij zo’n 50 miljoen EUR werd overgedragen naar 2023 ten gevolge van operationele problemen en vertragingen bij de gunningsprocessen; erkent de inspanningen van DG Onderwijs, Jongerenzaken, Sport en Cultuur (DG EAC) en het EACEA om de effecten van deze vertragingen te beperken en in 2023 terug te keren naar een genormaliseerd tempo;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>137.</NO.P>herhaalt dat de begrotingsmiddelen voor de EU‑programma’s voor jongeren, cultuur en onderwijs verder moeten worden verhoogd, met name om jongeren, kunstenaars en beroepsbeoefenaren met minder mogelijkheden beter te bereiken en om hun betrokkenheid te vergroten, en ter ondersteuning van burgerschapsvorming; verzoekt de Commissie in dit verband nauw met de lidstaten te blijven samenwerken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>138.</NO.P>is ingenomen met het feit dat, dankzij een versterking van 3 miljoen EUR van het Europees Jaar van de Jeugd 2022 op aandringen van het Parlement, een aantal acties in het kader van het Jaar konden worden versterkt, zoals solidariteitsprojecten, vrijwilligersactiviteiten en netwerkactiviteiten; benadrukt dat de geslaagde resultaten van het Jaar nu op duurzame wijze moeten worden toegepast om een blijvende nalatenschap te verzekeren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>139.</NO.P>neemt kennis van de voortdurende frontloading van de begroting van Creatief Europa in 2022 om de aanhoudende gevolgen van de COVID‑19-pandemie voor de culturele en creatieve sectoren te verzachten; merkt op dat dankzij die frontloading in 2022 meer Europese projecten voor culturele samenwerking konden worden geselecteerd dan ooit tevoren; is echter bezorgd over het feit dat de frontloading van 2021 en 2022 kan leiden tot een tekort aan financiering vanaf 2023 en betreurt dat het programma als geheel ondergefinancierd blijft ten opzichte van de te verwezenlijken doelstellingen, met name gezien het hoge inschrijvingspercentage ervoor;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>140.</NO.P>neemt met bezorgdheid kennis van de aanhoudende uitdagingen in 2022 met betrekking tot de e‑subsidie-instrumenten voor begunstigden van oproepen die door het EACEA worden beheerd; dringt er bij de Commissie en het EACEA met klem op aan deze IT‑kwesties definitief aan te pakken, om gevolgen voor de verwezenlijking van de doelstellingen te voorkomen, het foutenrisico te verminderen en de procedures te vereenvoudigen; is van mening dat een efficiëntere en toegankelijkere IT‑infrastructuur ook de toegang van kleine begunstigden tot middelen in het kader van de programma’s zou vergemakkelijken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>141.</NO.P>neemt kennis van de positieve ontwikkeling van de personeelssituatie van het EACEA, aangezien het aantal personeelsleden tegen eind 2022 aanzienlijk was toegenomen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on">Natuurlijke hulpbronnen</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>142.</NO.P>merkt op dat de begroting voor de programma’s onder MFK-rubriek 3 “Natuurlijke hulpbronnen” 58,3 miljard EUR bedroeg (29,7 % van de Uniebegroting), die als volgt is verdeeld: 65,9 % voor rechtstreekse betalingen in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF), 26,2 % voor het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo), 4,7 % voor marktgerelateerde uitgaven in het kader van het ELGF, 1,8 % voor maritieme zaken en visserij, 0,9 % voor het milieu en klimaatactie (LIFE) en 0,5 % voor andere gebieden; merkt op dat op 31 december 2022 de definitieve goedgekeurde vastleggingskredieten in de begroting onder MFK-rubriek 3 “Natuurlijke hulpbronnen en milieu” 56 681,11 miljoen EUR bedroegen en dat 98,92 % daarvan (56 069,86 miljoen EUR) werd uitgevoerd; stelt verder vast dat de definitieve goedgekeurde betalingskredieten in de begroting 55 826,77 miljoen EUR bedroegen en dat 98,89 % daarvan werd uitgevoerd (55 205,48 miljoen EUR);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>143.</NO.P>merkt op dat 2022 het tweede en laatste jaar was van de overgangsperiode waarin middelen uit de begrotingstoewijzing voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) 2021-2027 en een extra bedrag van 8 miljard EUR aan extern toegewezen inkomsten uit de fondsen van NextGenerationEU voor het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) door de lidstaten konden worden vastgelegd in afwachting van de inwerkingtreding van het nieuwe GLB op 1 januari 2023, en dat de daarmee samenhangende betalingen door de lidstaten aan landbouwers en andere begunstigden van het GLB tot 31 december 2025 kunnen worden gedaan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>144.</NO.P>merkt op dat er in het begrotingsjaar 2022 meer dan 5,9 miljoen begunstigden van regelingen voor rechtstreekse steun waren, ongeveer 3,5 miljoen begunstigden van plattelandsontwikkelingsmaatregelen en ongeveer 0,11 miljoen begunstigden van marktmaatregelen; benadrukt dat de veerkracht van de landbouwers en het voedselsysteem van de Unie de voedselzekerheid in de Unie en daarbuiten is blijven waarborgen, ondanks de uitdagingen waarmee zij in 2022 werden geconfronteerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>145.</NO.P>merkt op dat de niet-uitgelokte aanvalsoorlog van Rusland tegen Oekraïne onder andere heeft geleid tot de activering van de crisisreserve in de vorm van een steunpakket van 500 miljoen EUR, waarvan 350 miljoen EUR uit de reserve aan getroffen producenten beschikbaar werd gesteld en nog eens 150 miljoen EUR uit het ELGF; is verheugd over het hoge uitvoeringspercentage (meer dan 492 miljoen EUR) en de snelle uitvoering; merkt op dat de lidstaten de flexibiliteit kregen om te beslissen welke sectoren volgens hen het zwaarst door de marktverstoring waren getroffen evenals welke soorten steunregelingen, hetgeen bepalend was voor het toegepaste controlesysteem;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>146.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer een steekproef van 218 verrichtingen heeft onderzocht die het volledige scala van uitgaven onder deze MFK-rubriek bestrijkt; merkt op dat de Rekenkamer ook de regelmatigheidsinformatie in de jaarlijkse activiteitenverslagen van het directoraat-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling (DG AGRI) en het directoraat-generaal Klimaat (DG CLIMA) heeft onderzocht, evenals geselecteerde systemen in 17 lidstaten en het Verenigd Koninkrijk; merkt op dat de Rekenkamer het foutenpercentage voor “Natuurlijke hulpbronnen” op 2,2 % schat (1,8 % in 2021) en dat het merendeel van de aangetroffen fouten verrichtingen op het gebied van plattelandsontwikkeling betrof; merkt op dat DG AGRI het risico bij betaling op 1,76 % schat;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>147.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer 21 kwantificeerbare fouten aantrof op het gebied van plattelandsontwikkeling, zeven bij rechtstreekse betalingen, twee bij uitgaven in verband met marktmaatregelen en twee bij niet aan het GLB gerelateerde uitgaven; is gerustgesteld door het feit dat de Commissie heeft verklaard dat acht van de kwantificeerbare fouten een financiële impact van minder dan 100 EUR hebben (te hoge declaratie van oppervlakten) en dat voor de meeste fouten het verkeerd bestede bedrag minder dan 1 000 EUR bedraagt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>148.</NO.P>merkt op dat het merendeel van de door de Rekenkamer vastgestelde fouten betrekking had op de verstrekking van onjuiste informatie over arealen of dieren (42 %) en niet-subsidiabele uitgaven van begunstigden, activiteiten en projecten; constateert met bezorgdheid, net als in 2021, dat de Rekenkamer in verschillende gevallen vaststelde dat de autoriteiten van de lidstaten en de Commissie over voldoende informatie beschikten om de fout te voorkomen of vast te stellen en te corrigeren voordat zij de uitgaven aanvaarden, en dat indien de autoriteiten van de lidstaten en de Commissie alle informatie waarover zij beschikten naar behoren hadden gebruikt, het geraamde foutenpercentage voor dit hoofdstuk 1,3 procentpunten lager zou hebben gelegen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>149.</NO.P>merkt op dat zowel de Commissie als de lidstaten verantwoordelijk zijn voor het aanpakken van fraude met GLB-uitgaven; wijst erop dat fraudebestrijdingsmaatregelen een hoge prioriteit voor de Unie en de lidstaten moeten blijven, aangezien fraude met Unie middelen verhindert dat beleidsdoelstellingen worden bereikt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>150.</NO.P>wijst op de verklaring van de Commissie dat het GLB-uitvoeringsmodel voor 2023-2027 gericht is op vereenvoudiging van de regels en op het gebruik van nieuwe technologieën, zoals het areaalmonitoringsysteem, dat fouten zal helpen verminderen; merkt op dat het landbouwpercelenidentificatiesysteem (LPIS), samen met door de landbouwers gemaakte fouten, de basis vormt voor de geospatiale steunaanvraag en herinnert aan de aanzienlijke potentiële voordelen van technologieën voor monitoring van areaalsteun voor landbouwers, overheden en het milieu;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>151.</NO.P>wijst op het voorbeeld van een onjuiste aangifte van landbouwactiviteit dat de Rekenkamer in haar jaarverslag geeft, en dat in verschillende mediakanalen wordt aangehaald als de “citroenbomenzaak”, waarbij een landbouwer verklaarde blijvende gewassen te telen, terwijl het perceel in werkelijkheid verscheidene jaren niet was bebouwd; merkt op dat de financiële impact van deze fout 8 349,06 EUR bedroeg, zoals gemeld door de Commissie, samen met de corrigerende maatregelen die door de verantwoordelijke nationale autoriteiten zijn genomen, waaronder de terugvordering van het gevorderde bedrag; prijst het grondige controlewerk van de Rekenkamer en de Commissie en de snelle follow-up door het betrokken betaalorgaan; benadrukt echter dat dit geval niet als zeldzaam of als toeval mag worden beschouwd, maar eerder als een systematische manier om op frauduleuze wijze Uniemiddelen te ontvangen, en dan ook niet mag worden onderschat;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>152.</NO.P>merkt op dat vereenvoudigde kostenopties in het gehele GLB worden toegepast, ook op het gebied van plattelandsontwikkeling, waar de subsidiabiliteitsvoorwaarden complexer zijn en het foutenpercentage groter is, en dat er nog potentieel is om maatregelen te vereenvoudigen die niet gebaseerd zijn op areaal- of dieraangiften, waarbij de lidstaten kunnen beslissen of zij de werkelijke kosten vergoeden of betalen op basis van vooraf bepaalde outputs; merkt op dat de Commissie meldt dat bijna 92 % van de plattelandsontwikkelingsprogramma’s gebruikmaakt van vereenvoudigde kostenopties; verzoekt de Commissie de via vereenvoudigde kostenopties uitbetaalde bedragen bekend te maken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>153.</NO.P>herinnert eraan dat het GLB-zekerheidsmodel de eerstelijnscontroles door de betaalorganen omvat, de controlewerkzaamheden van de onafhankelijke verklarende instanties die jaarlijkse adviezen uitbrengen over de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven van betaalorganen, en de werkzaamheden van de Commissie in het kader van de goedkeuring van de rekeningen; is verheugd dat de Rekenkamer, ondanks enkele inconsistenties als gevolg van de verschillende bijwerkingsschema’s van de controle- en betalingsdatasets, vaststelde dat de systemen van de geselecteerde betaalorganen de steunbetalingen op betrouwbare wijze berekenden, hetgeen getuigt van de algehele kwaliteit en samenhang van de controlestatistieken van de lidstaten en de aan de Commissie gerapporteerde betalingsgegevens;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>154.</NO.P>is verheugd over de toegenomen belangstelling voor en het toegenomen gebruik van het geïntegreerde IT-instrument voor datamining, Arachne, door de lidstaten, waarbij 13 lidstaten het instrument voor ten minste enkele maatregelen gebruikten en vijf lidstaten aan een algemene introductieworkshop over Arachne deelnamen; betreurt het feit dat het gebruik door de lidstaten van het geïntegreerde IT-instrument voor datamining, Arachne, niet verplicht is; wijst op de door de lidstaten gemelde belemmeringen en de voortdurende inspanningen van de Commissie om Arachne te verbeteren; betreurt de selectieve invoering van Arachne door de lidstaten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>155.</NO.P>merkt op dat de Commissie in 2022 een uitvoeringspercentage van 99,69 % meldde voor vastleggingen in het kader van het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur (EFMZVA), een duidelijke verbetering ten opzichte van het uitvoeringspercentage van 15,98 % van EFMZVA in 2021; merkt echter op dat 94,76 % van de vastgelegde kredieten van 1 135,74 miljoen EUR in 2022 en 97,06 % van de vastgelegde kredieten van 148,12 miljoen EUR in 2021 aan het eind van het desbetreffende jaar nog niet waren betaald; merkt voorts op dat het uitvoeringspercentage van de goedgekeurde betalingskredieten voor het EFMZVA in 2022 99,99 % en voor het EFMZV in 2021 86,55 % bedroeg;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>156.</NO.P>wijst op Speciaal verslag 09/2023 van de Rekenkamer over de veiligstelling van de toeleveringsketens van landbouwproducten tijdens COVID-19 en de conclusie daarin dat de reactie van de Commissie op de bedreiging die de COVID-19-pandemie voor de toeleveringsketens van landbouwproducten vormde in de meeste opzichten adequaat was, maar onvoldoende doelgericht; herinnert eraan dat rechtstreekse steun, met een budget van 712 miljoen EUR, snel werd uitgevoerd door middel van een herverdeling van onbenutte middelen van het Elfpo, waardoor deze maatregel grotendeels door de lidstaten werd gebruikt en een aanzienlijk deel van het Elfpo-budget eind 2019 onbenut was; herinnert er voorts aan dat vijf van de 14 lidstaten de Uniefinanciering ter beschikking stelden van alle landbouwers die verliezen hadden geleden, terwijl de andere negen zich richtten op geselecteerde sectoren en begunstigden steunden ongeacht of zij verliezen hadden geleden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>157.</NO.P>stelt vast dat uit voorlopige ramingen (op basis van vastleggingskredieten) van de klimaatbijdrage van de belangrijkste programma’s blijkt dat 34,8 % van de Uniebegroting in 2022 is besteed aan klimaatactie, wat in overeenstemming is met de plannen van het Interinstitutioneel Akkoord om ten minste 30 % van de begroting in het kader van het MFK 2021-2027 hiervoor in te zetten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>158.</NO.P>neemt kennis van de wijzigingen die in 2022 in de methode van de Commissie voor het traceren van klimaatactie zijn aangebracht naar aanleiding van de bezorgdheden die waren gerezen over de bevindingen van de Europese Rekenkamer in haar Speciaal verslag 09/2022<FOOTNOTE><FIELD>“Klimaatuitgaven in de EU-begroting 2014-2020: Niet zo hoog als gerapporteerd”, 30 mei 2022.</FIELD></FOOTNOTE>, waarin wordt gesteld dat de gerapporteerde uitgaven niet altijd relevant waren voor klimaatactie en dat het gerapporteerde bedrag dat zou zijn uitgegeven voor dat doel ten minste 72 miljard EUR te hoog was opgegeven, wat betekent dat slechts ongeveer 13 % van de begroting 2014-2020 is besteed aan klimaatgerelateerde doeleinden; beschouwt dit feit als een waarschuwing; dringt er bij de Commissie op aan om in de traceringsmethode een onderscheid te maken tussen klimaatmitigatie en klimaatadaptatie door de categorie voor monitoring en rapportage op te splitsen in klimaatadaptatie en klimaatmitigatie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>159.</NO.P>onderstreept het belang van behoorlijk toezicht op de uitgaven voor klimaat en biodiversiteit in de Uniebegroting en houdt de Commissie verantwoordelijk voor de toepassing van een robuuste en betrouwbare methodologie, overeenkomstig de toezeggingen die zijn gedaan in de MFK-overeenkomst en in punt 16, d), van het Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2020; verzoekt de Commissie om misleidende ramingen van de uitgavenbijdrage aan de klimaat- en biodiversiteitsdoelstellingen te voorkomen, net als een gebrek aan expliciete streefdoelen en een slechts gedeeltelijke dekking van potentiële negatieve of onduidelijke gevolgen op het gebied van klimaat en biodiversiteit; erkent dat er sprake is van interventies met gemeenschappelijke voordelen, maar onderstreept dat dubbeltellingen moeten worden voorkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>160.</NO.P>verzoekt de Commissie het Parlement jaarlijks een verslag voor te leggen met een gedetailleerd overzicht van de bijdrage die elke begrotingspost levert aan de klimaatmainstreamings- en biodiversiteitsstreefcijfers, teneinde het toezicht daarop te vergemakkelijken; dringt er voorts bij de Commissie op aan te melden of er begrotingsposten zijn die niet voldoen aan het beginsel “geen ernstige afbreuk doen” als bedoeld in de taxonomieverordening;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>161.</NO.P>stelt vast dat de Autoriteit voor paraatheid en respons inzake noodsituaties op gezondheidsgebied (HERA), na haar oprichting als interne dienst van de Commissie op 1 oktober 2021, haar activiteiten in de loop van 2022 heeft uitgebreid en dat het als mandaat heeft de prioriteiten van de Commissie op het gebied van volksgezondheid, paraatheid en crisismanagement in de sectoren gezondheid, onderzoek en innovatie, en industrie te ondersteunen; stelt bezorgd vast dat er sprake is van overlapping tussen de verantwoordelijkheden en werkzaamheden van de HERA, DG SANTE en het ECDC; verzoekt de Commissie om de toegevoegde waarde van de HERA als feitelijk onderdeel van de Commissie te garanderen en overlapping van werkzaamheden en middelen te voorkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>162.</NO.P>betreurt dat het besluit van de Commissie over de financiering van de HERA een zware impact had op het EU4Health-programma, waarbij de begroting van dit programma met meer dan de helft werd verlaagd, met een EU4Health-bijdrage van 2,795 miljard EUR aan de HERA tussen 2021 en 2027; stelt met bezorgdheid vast dat EU4Health als gevolg van deze begrotingshalvering niet meer in staat is om ambitieuze financiering te verstrekken voor andere activiteiten, zoals voorzien in Verordening (EU) 2021/522, en dat onder meer acties in het kader van het Europees kankerbestrijdingsplan en de noodzakelijke steun voor de oprichting van de Europese dataruimte voor gezondheid hierdoor in gevaar worden gebracht; betreurt dat de Commissie, als gevolg van de toewijzing van zulke aanzienlijke bedragen aan de HERA, de overeengekomen financieringsplafonds voor minimale en maximale uitgaven, zoals vastgelegd in de EU4Health-verordening, heeft geschonden;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Aanbevelingen</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>163.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">verzoekt de Commissie om:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(i)</SYMBOL>in de evaluatie achteraf van het GLB 2014-2020 expliciet aandacht te besteden aan de overgangsperiode 2021-2022 en de aanvullende vereisten die zijn opgenomen in de overgangsbepalingen van Verordening (EU) 2020/2220<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EU) 2020/2220 van het Europees Parlement en de Raad van 23 december 2020 tot vaststelling van een aantal overgangsbepalingen voor steun uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) in de jaren 2021 en 2022 en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1305/2013, (EU) nr. 1306/2013 en (EU) nr. 1307/2013 wat betreft de middelen en toepassing in de jaren 2021 en 2022 en van Verordening (EU) nr. 1308/2013 wat betreft de middelen en verdeling van die steun voor de jaren 2021 en 2022 (PB L 437 van 28.12.2020, blz. 1).</FIELD></FOOTNOTE>;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(ii)</SYMBOL>de kwijtingsautoriteit op de hoogte te houden van het gebruik van vereenvoudigde kostenopties in het huidige en het nieuwe GLB en het gebruik ervan te evalueren met de autoriteiten van de lidstaten en (potentiële) begunstigden om inzicht te krijgen in de relatief trage toepassing van deze opties;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iii)</SYMBOL>het gebruik van Arachne te blijven stimuleren teneinde zowel het aantal lidstaten dat gebruikmaakt van het systeem te vergroten, als de mate van gebruik te verhogen zodat dit gebruik alle programma’s in het kader van het herziene Financieel Reglement bestrijkt;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iv)</SYMBOL>de risico-indicatoren in Arachne zorgvuldig te bestuderen om het aantal foutieve indicatoren te verminderen en de resterende indicatoren efficiënter te maken bij het vaststellen van situaties met een hoog risico voor de bescherming van de financiële belangen van de Unie; en</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(v)</SYMBOL>het gebruik van IT-instrumenten onder de betaalorganen van de lidstaten te bevorderen, te stimuleren en te ondersteunen, zoals beelden via Copernicus-satellieten en andere beeldvormingstechnologieën op het gebied van agromonitoring;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(vi)</SYMBOL>beter gebruik te maken van en het gebruik te stimuleren van AI en gegevens van nieuwe technologieën zoals de eigen Sentinel-satellieten van de Unie van het Copernicus-programma om het correct gebruik van GLB-middelen te monitoren en te controleren;</ITEM></LIST></P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on">Migratie en grensbeheer, veiligheid en defensie</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>164.</NO.P>merkt op dat de begroting voor de programma’s onder MFK-rubriek 4 “Migratie en grensbeheer” 3,4 miljard EUR bedroeg (1,7 % van de Uniebegroting), die als volgt is verdeeld: 43,9 % voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF), 23,1 % voor het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer (IBMF) en 33 % voor drie gedecentraliseerde agentschappen: Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex), Asielagentschap van de Europese Unie (EUAA) en Agentschap van de Europese Unie voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (eu-LISA); stelt vast dat op 31 december 2022 de definitieve goedgekeurde vastleggingskredieten in de begroting 3 410,39 miljoen EUR bedroegen en 99,54 % daarvan werd uitgevoerd (3 394,69 miljoen EUR); stelt verder vast dat de definitieve goedgekeurde betalingskredieten in de begroting 3 372,54 miljoen EUR bedroegen en dat 97,61 % daarvan werd uitgevoerd (3 292,03 miljoen EUR);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>165.</NO.P>merkt op dat de begroting voor de programma’s onder MFK-rubriek 5 “Veiligheid en defensie” 1,2 miljard EUR bedroeg, die als volgt is verdeeld: 45,6 % voor het Europees Defensiefonds, 17 % voor het Fonds voor interne veiligheid (ISF), 19,2 % voor de gedecentraliseerde agentschappen Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (EMCDDA), Europol en Agentschap van de Europese Unie voor opleiding op het gebied van rechtshandhaving (Cepol), 6,8 % voor nucleaire veiligheid en ontmanteling, en 11,4 % voor andere gebieden; merkt op dat op 31 december 2022 de definitieve goedgekeurde vastleggingskredieten in de begroting 1 813,03 miljoen EUR bedroegen en dat 99,8 % daarvan werd uitgevoerd (1 809,43 miljoen EUR); stelt verder vast dat de definitieve goedgekeurde betalingskredieten in de begroting 1 158,67 miljoen EUR bedroegen en dat 97,54 % daarvan werd uitgevoerd (1 130,20 miljoen EUR);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>166.</NO.P>merkt op dat een aanzienlijk deel van de uitgaven onder de MFK-rubrieken 4 en 5 in 2022 betrekking had op de voltooiing van projecten die overbleven uit het MFK 2014-2020; merkt op dat aanzienlijke bedragen van nationale programma’s in het kader van het AMIF en het ISF voor 2014-2020 nog niet zijn uitbetaald (26 % voor het AMIF en 33 % voor het ISF eind 2022), terwijl de financiering voor 2014-2020 vóór juni 2024 moet zijn besteed;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>167.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer een steekproef van 23 verrichtingen onderzocht die niet representatief genoeg is voor de uitgaven onder de MFK-rubrieken 4 en 5, en daarom geen schatting van het foutenpercentage kan geven; vraagt de Rekenkamer een duidelijke schatting te geven van het foutenpercentage voor dit hoofdstuk, nu uit de controleresultaten van de Rekenkamer zorgwekkend genoeg blijkt dat de uitgaven fouten vertonen op het gebied van subsidiabiliteit en aanbesteding en dat dit een gebied met een hoog risico is (elf van de 23 gecontroleerde verrichtingen, ofwel 48 %, bevatten fouten); merkt op dat de Rekenkamer negen fouten kwantificeerde die van invloed waren op de bedragen ten laste van de Uniebegroting, en dat zij ook vier gevallen van niet-naleving van wettelijke en financiële bepalingen vaststelde, die geen gevolgen hadden voor de Uniebegroting; stelt vast dat de Commissie concludeert dat het risico bij betaling minder dan 2 % bedraagt voor de uitgaven voor migratie en grensbeheer, alsook voor veiligheid en defensie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>168.</NO.P>is verheugd over de vooruitgang die de Rekenkamer vaststelde bij haar analyse van het werk dat zes auditautoriteiten van de lidstaten verrichtten ter voorbereiding van de jaarrekeningen 2021-2027 van het AMIF, het instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid en het ISF; wijst op de opmerking van de Rekenkamer dat ten tijde van haar bezoeken (tussen september 2022 en februari 2023) de controlestrategieën van de zes lidstaten nog niet waren vastgesteld, hetgeen een voorwaarde is voor het indienen van een “zekerheidspakket”; merkt op dat de IT-systemen voor de opslag van informatie en documentatie die de beheersautoriteiten van de zes lidstaten nodig hebben voor het uitvoeren van de controles, ten tijde van het bezoek van de Rekenkamer nog in ontwikkeling waren of nog niet waren opgezet;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>169.</NO.P>merkt op dat de fraudebestrijdingsstrategie van DG DEFIS in februari 2022 is bijgewerkt en dat de uitvoering ervan wordt gemonitord en jaarlijks aan het management wordt gerapporteerd; is verheugd dat 100 % van de aanbevelingen van OLAF met betrekking tot DG DEFIS zijn uitgevoerd en dat er geen fraudegevallen zijn gemeld op het niveau van de Commissie of door haar partners; merkt op dat de laatste bijwerking van de fraudebestrijdingsstrategie van het directoraat-generaal Migratie en Binnenlandse zaken (DG HOME) plaatsvond in oktober 2021 en momenteel ten uitvoer wordt gelegd; is verheugd dat eind 2022 72 % van de financiële aanbevelingen van OLAF van het voorgaande jaar volledig waren uitgevoerd en 28 % in uitvoering waren;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Migratie en grensbeheer </STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>170.</NO.P>merkt op dat de middelen onder MFK-rubriek 4 in 2022 van cruciaal belang waren om de gevolgen van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne aan te pakken; stelt vast dat in het kader van de fondsen 2014-2020 meer flexibiliteit is ingevoerd om de lidstaten meer mogelijkheden te bieden om middelen naar nieuwe behoeften te kanaliseren, en dat in het kader van de thematische faciliteiten 400 miljoen EUR aan noodhulp werd vrijgemaakt; merkt op dat de goedkeuring van de programma’s van de lidstaten voor 2021-2027 hen toegang heeft gegeven tot meer dan 10 miljard EUR uit de nieuwe fondsen voor de programmeringsperiode;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>171.</NO.P>stelt vast dat sinds het begin van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne meer dan 16 miljoen mensen uit Oekraïne en Moldavië de Unie zijn binnengekomen, en dat meer dan 4 miljoen mensen die de oorlog zijn ontvlucht bescherming hebben gekregen in de Unie; merkt op dat de Commissie financiële steun heeft verleend aan de Internationale Organisatie voor Migratie om het proces te ondersteunen, als onderdeel van een project van 15 miljoen EUR ter vergemakkelijking van de hervestiging uit Moldavië van kwetsbare personen die Oekraïne ontvluchten; stelt voorts vast dat de Commissie op 30 november 2022 het besluit heeft aangekondigd om 5,5 miljoen EUR financiële steun toe te kennen aan een door de Internationale Federatie van Rode Kruis- en Rode Halve Maan-verenigingen (IFRC) uit te voeren project ter ondersteuning van gastlanden en al degenen die betrokken zijn bij het verstrekken van particuliere huisvesting aan ontheemden, waarbij goede praktijken voor toekomstige behoeften worden ontwikkeld; merkt op dat de Commissie in 2022, in het kader van financiering aan Oekraïne, besluiten heeft goedgekeurd waarbij toestemming wordt verleend voor het gebruik van de financiering die niet gekoppeld is aan de kosten ten belope van 248 miljoen EUR (mei 2022) en 137 miljoen EUR (augustus 2022), alsook voor kleinere subsidies, een veilig thuis en psychosociale steun ten belope van 15 miljoen EUR;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>172.</NO.P>merkt op dat DG HOME in 2022 27 miljoen EUR ter beschikking heeft gesteld voor de uitwisseling van veiligheidsgerelateerde informatie en 25,5 miljoen EUR voor de bestrijding en voorkoming van criminaliteit, waaronder terrorisme; stelt voorts vast dat de Commissie in juli 2022 via het Fonds voor interne veiligheid (ISF) 15,7 miljoen EUR aan de lidstaten heeft toegewezen voor de verdere ondersteuning van langetermijnprojecten en -activiteiten binnen het Europees multidisciplinair platform tegen criminaliteitsdreiging (Empact) – een beveiligingsinstrument dat door de lidstaten wordt “aangestuurd” om dreigingen die uitgaan van georganiseerde en zware internationale criminaliteit in kaart te brengen, te prioriteren en aan te pakken;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Veiligheid en defensie</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>173.</NO.P>merkt op dat bij de oproepen in het kader van het Europees Defensiefonds van 2022 38,2 % van de deelnemende entiteiten tot het mkb behoorde en dat 20 % van de via deze oproepen beschikbare totale financiering voor het mkb is bestemd (166 miljoen EUR); merkt op dat bij de oproepen in het kader van het Europees Defensiefonds van 2022 38,2 % van de deelnemende entiteiten tot het mkb behoorde en dat 20 % van de via deze oproepen beschikbare totale financiering voor het mkb is bestemd (166 miljoen EUR);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>174.</NO.P>herinnert eraan dat de voorbereidende actie van de Unie inzake defensieonderzoek een voorloperprogramma van het Europees Defensiefonds was met een begroting van 90 miljoen EUR waarmee 18 onderzoeksprojecten werden gefinancierd die waren geselecteerd na oproepen tot het indienen van voorstellen in de jaren 2017 tot 2019; stelt met bezorgdheid vast dat de Rekenkamer in haar Speciaal verslag 10/2023 getiteld “De voorbereidende actie inzake defensieonderzoek” opmerkt dat het de Unie nog steeds ontbreekt aan een langetermijnstrategie voor de projecten in het kader van het Europees Defensiefonds, met name wat betreft impact, aanvullend onderzoek, ontwikkeling, vervaardiging, aanbesteding en andere aspecten; is verheugd dat de Commissie alle aanbevelingen van de Rekenkamer heeft aanvaard;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>175.</NO.P>wijst op de opmerkingen van de Rekenkamer in haar Speciaal verslag 10/2023 over de beperkte beschikbaarheid van personele middelen bij de Commissie en het daaruit voortvloeiende risico voor het Europees Defensiefonds; merkt op dat als gevolg van beveiligingskwesties meer personeel nodig is voor het beheer van defensieprojecten dan voor andere projecten; merkt op dat het almaar groeiende aantal te evalueren voorstellen en te beheren projecten een aanzienlijke druk legt op personele middelen en uitdagingen creëert op het vlak van het aanwerven van gekwalificeerd en voldoende ervaren personeel;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Aanbevelingen</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>176.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">verzoekt de Commissie om:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(i)</SYMBOL>een strategie voor het Europees Defensiefonds voor de langere termijn te ontwikkelen, voortbouwend op de ervaringen met de voorbereidende actie van de Unie inzake defensieonderzoek en de aanbevelingen van de Rekenkamer;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(ii)</SYMBOL>te zorgen voor voldoende financiële en personele middelen om de samenwerking en investeringen op defensiegebied te verbeteren en het Europees Defensiefonds uit te voeren; en</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iii)</SYMBOL>haar controles te richten op uitgaven waarvan de Rekenkamer heeft vastgesteld dat zij in 2022 in hoge mate problemen vertoonden op het gebied van subsidiabiliteit en aanbesteding, en verzoekt de Rekenkamer een grotere steekproef van gecontroleerde verrichtingen toe te passen teneinde tot een schatting van het foutenpercentage te kunnen komen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iv)</SYMBOL>toe te zien op de uitvoering van de uitstaande financiële aanbevelingen van OLAF;</ITEM></LIST></P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on">Nabuurschap en internationaal beleid</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>177.</NO.P>merkt op dat de begroting voor de programma’s onder MFK-rubriek 6 “Nabuurschap en internationaal beleid” 14,5 miljard EUR bedroeg (7,4 % van de Uniebegroting), die als volgt is verdeeld: 64,8 % voor het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking – Europa in de wereld (NDICI – Europa in de wereld), 16,8 % voor humanitaire hulp, 14,4 % voor pretoetredingssteun (IPA III) en 4 % voor andere acties en programma’s; stelt vast dat op 31 december 2022 de definitieve goedgekeurde vastleggingskredieten in de begroting 17 670,49 miljoen EUR bedroegen en dat 99,79 % daarvan (17 632,52 miljoen EUR) werd uitgevoerd; stelt verder vast dat de definitieve goedgekeurde betalingskredieten in de begroting 13 156,10 miljoen EUR bedroegen en dat 99,19 % daarvan werd uitgevoerd (13 049,50 miljoen EUR);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>178.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer een steekproef van 72 verrichtingen onderzocht, die niet representatief genoeg is voor de uitgaven onder deze MFK-rubriek, en daarom geen schatting van het foutenpercentage kan geven; vraagt de Rekenkamer een duidelijke schatting te geven van het foutenpercentage voor dit hoofdstuk, nu uit de controleresultaten van de Rekenkamer blijkt dat dit een gebied met een hoog risico is (34 van de 72 gecontroleerde verrichtingen, ofwel 47 %, bevatten fouten); merkt op dat de Rekenkamer 25 fouten vaststelde die een financiële impact hadden op de Uniebegroting, met betrekking tot niet-subsidiabele kosten, het ontbreken van bewijsstukken, overheidsopdrachten en niet gedane uitgaven, en dat dit aspecten betreft die kunnen duiden op risico’s van onbetrouwbare werking van de controlemechanismen van de nationale autoriteiten, of zelfs op risico’s van gebrek aan bestuurlijke of politieke bereidheid om de financiële regels van de Unie naar behoren toe te passen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>179.</NO.P>herinnert eraan dat het directoraat-generaal Nabuurschapsbeleid en Uitbreidingsonderhandelingen (DG NEAR) in zijn jaarlijkse activiteitenverslagen verslag uitbrengt over het risico bij afsluiting op basis van een door een externe contractant uitgevoerde studie, het zogeheten restfoutenpercentage, dat tot doel heeft het foutenpercentage te schatten dat niet door het interne controlesysteem is vastgesteld en te concluderen of het al dan niet doeltreffend is; wijst erop dat uit de restfoutenpercentagestudie van 2022 blijkt dat het restfoutenpercentage in 2022 1 % bedraagt en dus onder de materialiteitsdrempel van 2 % ligt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>180.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer beperkingen vaststelde met betrekking tot de methodologie die wordt gebruikt om het restfoutenpercentage te bepalen en die kunnen bijdragen tot de onderschatting ervan, met name het feit dat de contractant in sommige gevallen volledig kan vertrouwen op de resultaten van eerdere controlewerkzaamheden en het feit dat de schatting van het restfoutenpercentage voor subsidies onder direct beheer niet is opgenomen in de berekening van het algemene restfoutenpercentage van DG NEAR; merkt op dat de Commissie bevestigt dat zij niet onderhevig is aan dergelijke beperkingen omdat i) het vertrouwen op eerdere controlewerkzaamheden aan strikte voorwaarden is gebonden en ii) het totale foutenpercentage ook subsidies onder direct beheer omvat;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>181.</NO.P>is verheugd dat de Commissie uitvoering heeft gegeven aan de aanbevelingen van de Rekenkamer om de beperkingen van de restfoutenpercentagestudie sinds 2021 in de jaarlijkse activiteitenverslagen van DG NEAR bekend te maken, om controles te versterken door terugkerende fouten vast te stellen en te voorkomen en voor DG NEAR om voor de contractant van de restfoutenpercentagestudie de verplichting in te voeren om vermoedelijke fraude ten nadele van de Uniebegroting die tijdens zijn werkzaamheden voor de restfoutenpercentagestudie aan het licht is gekomen, aan de Commissie te melden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>182.</NO.P>stelt met bezorgdheid vast dat de jaarlijkse activiteitenverslagen van DG NEAR en het directoraat-generaal Internationale partnerschappen (DG INTPA) melding hebben gemaakt van problemen bij de uitvoering van het nieuwe operationele informatiesysteem OPSYS, dat soms instabiel was, niet aan de verwachtingen voldeed en frequent ingrijpen van ondersteuningsteams van DG DIGIT vereiste, waardoor het in de risicobeoordelingsoefening van DG NEAR als een kritiek risico werd aangemerkt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>183.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer de bewustmaking van het personeel van de delegaties van de Unie omtrent fraudepreventie, ethiek en integriteit onder de loep nam; merkt met bezorgdheid op dat sommige personeelsleden die door de Rekenkamer werden ondervraagd, de afgelopen vijf jaar geen opleiding in fraudepreventie hadden gevolgd; stelt vast dat DG NEAR zijn personeel een reeks instrumenten en middelen ter beschikking stelt voor fraudegerelateerde kwesties, zoals opleiding, een antifraudenetwerk met steunpunten en richtsnoeren; wijst op de positieve resultaten van de door DG NEAR gehouden enquêtes om de mate van fraudebewustzijn van zijn personeel na te gaan, en op het feit dat enkele verbeterpunten zijn vastgesteld en dat momenteel een actieplan wordt uitgevoerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>184.</NO.P>erkent de belangrijke rol van ngo’s omdat zij ervoor zorgen dat de Unie, als grootste verstrekker van ontwikkelingshulp ter wereld, blijft bijdragen tot de bevordering van stabiliteit en vrede, de bestrijding van armoede en de bevordering van duurzame ontwikkeling; uit in het bijzonder zijn waardering voor de activiteiten van ngo’s in conflictgebieden die ervoor zorgen dat de humanitaire hulp de burgers snel en doeltreffend bereikt; wijst op de voorschriften betreffende controles en audits, transparantie en verantwoordingsplicht, die van toepassing zijn op alle Uniemiddelen en verschillende belanghebbenden, maar is van mening dat er altijd ruimte voor verbetering is, met name door optimaal gebruik te maken van digitalisering;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>185.</NO.P>benadrukt de rol van lokale ngo’s en partners bij de dienstverlening en ondersteuning die zij bieden aan lokale gemeenschappen; onderstreept het belang van capaciteitsuitbreiding om door de Unie gefinancierde acties te beheren en uit te voeren, en verzoekt de Commissie hiertoe passende opleiding te faciliteren; is bezorgd over het feit dat het voor kleine lokale organisaties moeilijk blijft om toegang te krijgen tot financiering van de Unie; moedigt de Commissie aan deze financieringsprocedures te verbeteren en systematisch prioriteit te geven aan lokale organisaties zodat een betere capaciteitsopbouw ter plaatse kan ontstaan; benadrukt dat het doeltreffend kan zijn projecten te laten uitvoeren door lokale actoren, die goed in staat zijn om prioriteiten te bepalen, middelen toe te wijzen en de ter plaatse aanwezige kennis te vergroten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>186.</NO.P>wijst erop dat de ontwikkelingssamenwerking van de Unie slechts legitiem en doeltreffend kan zijn als de activiteiten correct worden uitgevoerd en adequaat worden gefinancierd; is de Commissie erkentelijk voor de controles die ze uitvoert om te bevestigen dat transacties legitiem verlopen en dat activiteiten worden uitgevoerd in lijn met de prioriteiten van de wetgever; verzoekt de Commissie haar controles verder te verbeteren om het aantal fouten bij transacties te verminderen, gevolg te geven aan de aanbevelingen van de Europese Rekenkamer die nog niet zijn uitgevoerd, de inspanningen te verdubbelen om subsidiabele projecten te vinden en te zorgen voor een toereikend bedrag aan betalingen onder het huidige uitgavenplafond; is ingenomen met de bevinding in het verslag van de Europese Rekenkamer over de Uniebegroting voor 2022 dat DG ECHO de aanbeveling van de Europese Rekenkamer heeft uitgevoerd en een procedure heeft ingevoerd om ervoor te zorgen dat partnerorganisaties hun toewijzing van gedeelde kosten baseren op werkelijk gedane uitgaven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>187.</NO.P>verzoekt de Commissie duidelijke signalen af te geven aan kandidaat-lidstaten waar een verslechtering van de normen met betrekking tot de rechtsstaat – waaronder het beperken van de vrijheid van meningsuiting, de persvrijheid en de rechten van vrouwen en minderheden, en intimidatie van ngo’s en mensenrechtenverdedigers – hun toetreding tot de Unie in gevaar brengt of vertraagt; verzoekt de Commissie na te gaan in hoeverre de middelen voor de verbetering van de rechtsstaat in toetredingslanden efficiënt gebruikt worden, en daarover in de commissies AFET en CONT verslag uit te brengen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>188.</NO.P>is verheugd over de uitvoering door de Commissie van verschillende mechanismen om risico’s te beperken en het juiste gebruik van Uniemiddelen die in onstabiele of conflictgebieden worden besteed, te waarborgen; merkt op dat de Commissie systematisch corruptierisico’s in partnerlanden beoordeelt en een reeks instrumenten gebruikt om deze risico’s te beperken, en tegelijkertijd voorwaarden en prestatie-indicatoren toepast om budgettaire transparantie en verantwoordingsplicht te bevorderen via haar begrotingssteun; is verheugd over het feit dat, volgens gegevens van de Wereldbank, landen die begrotingssteun van de Unie ontvangen, de corruptie in de loop der tijd beter onder controle hebben gekregen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>189.</NO.P>merkt bezorgd op dat de Rekenkamer in haar Speciaal verslag 14/2023 getiteld “Programmering van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking – Europa in de wereld” vaststelde dat hoewel de Commissie en de EDEO de financiering hadden samengevoegd tot één instrument, het instrument NDICI – Europa in de wereld, dat meer dan 70 % van de Uniefinanciering voor extern optreden in de financieringsperiode 2021-2027 bestrijkt, zij twee verschillende methoden voor de toewijzing van middelen hanteerden voor nabuurschaps- en niet-nabuurschapslanden, en dat de indicatieve meerjarenprogramma’s niet waarborgden dat de geselecteerde interventiegebieden die waren waarin Uniefinanciering een groot effect kon sorteren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>190.</NO.P>benadrukt het belang van het behalen van alle uitgaven- en programmagerelateerde streefdoelen die in het instrument NDICI-GE zijn uiteengezet, en dringt erop aan dat uitgebreide informatie wordt verstrekt over de geboekte vooruitgang; betreurt de aanzienlijke tekorten bij de verwezenlijking van de 30 %-klimaatdoelstelling van het instrument, bij de bijdrage aan de 10 %-biodiversiteitsdoelstelling uit hoofde van het MFK voor 2026 en 2027, en bij het waarborgen van de nakoming van de mondiale financiële verplichtingen van de Unie in het kader van de VN, met name wat de bijdrage aan het verlies- en schadefonds betreft; benadrukt dat de voedselproductie en de toegang tot voedsel steeds sterker onder druk komen te staan als gevolg van de klimaatverandering, in het bijzonder in kwetsbare regio’s, waardoor de voedsel- en voedingszekerheid gevolgen zal ondervinden; herinnert eraan dat biodiversiteit van cruciaal belang is in de strijd tegen klimaatverandering en dat het verlies ervan de vooruitgang van ongeveer 80 % van de beoordeelde streefdoelen voor de SDG’s ondermijnt; dringt aan op een gedetailleerd plan van de Commissie waarin wordt uiteengezet hoe zij de uitgaven- en genderstreefdoelen tegen het einde van het MFK beoogt te halen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>191.</NO.P>dringt er bij de Commissie op aan de transparantie en verantwoordingsplicht te vergroten van de programmering en uitvoering van de middelen voor binnenlandse zaken in derde landen en voor NDICI-financiering, zoals in landen als Tunesië en Libië; verzoekt de Commissie een openbaar overzicht op te stellen van alle migratiegerelateerde uitgaven in derde landen, en dringt aan op voorafgaande mensenrechteneffectbeoordelingen voor migratiegerelateerde uitgaven in derde landen, en pleit ervoor dat deze beoordelingen met het Parlement worden gedeeld indien de regels dit vereisen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>192.</NO.P>benadrukt dat de Commissie, na de verachtelijke terroristische aanvallen van Hamas op Israël op 7 oktober 2023, op 9 oktober 2023 haar besluit heeft aangekondigd om de bijstand van de Unie aan Palestina te herzien; wijst erop dat de herziening, die op 21 november 2023 is afgerond, heeft aangetoond dat de Commissie passende controles vooraf en achteraf hanteert, dat de gehanteerde waarborgen doeltreffend zijn en dat tot op heden geen aanwijzingen zijn gevonden dat geld voor onbedoelde doeleinden is gebruikt; benadrukt dat Europese middelen uitsluitend bestemd zijn voor begunstigden die de waarden van de Unie met betrekking tot de rechtsstaat, democratie en mensenrechten delen; wijst in dit kader op het op 17 januari 2024 uitgebrachte verslag van het Parlement 2023/2122(INI) over de transparantie en verantwoordingsplicht van niet-gouvernementele organisaties die gefinancierd worden uit de Uniebegroting, waarin wordt gepleit voor krachtigere controlemechanismen van de Commissie en de ontwikkeling van een monitoringsysteem waarmee Uniefinanciering op geharmoniseerde wijze tot de eindbegunstigde kan worden getraceerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>193.</NO.P>benadrukt dat de begroting van de Unie steun moet blijven verlenen aan de opbouw van vrede en stabiliteit in het Midden-Oosten, de bestrijding van haat en fundamentalisme, en de bevordering van de mensenrechten; kijkt uit naar de evaluatie van de Commissie van het gebruik van Uniemiddelen; onderstreept de onderlinge verbanden tussen stabiliteit en duurzame ontwikkeling, met name in kwetsbare landen en regio’s;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>194.</NO.P>benadrukt dat steun van de Unie onder geen beding, direct dan wel indirect, mag worden gebruikt voor het financieren van terrorisme, en derhalve geen enkele organisatie of entiteit met banden met Hamas of andere terroristische organisaties mag steunen; benadrukt dat de Unie de Palestijnse bevolking moet helpen en vrede in de regio moet bevorderen; vraagt de Commissie het Parlement op de hoogte te houden van nieuwe ontwikkelingen en inspanningen die worden geleverd om directe steun te verlenen aan Palestijnse burgers en vluchtelingen en om te voorkomen dat terroristen middelen wegsluizen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>195.</NO.P>maakt zich zorgen over geloofwaardige berichten dat geld van de belastingbetaler van de Unie of middelen van andere donoren gedeeltelijk zouden zijn misbruikt door de terroristische organisatie Hamas; benadrukt dat de middelen van de Unie in kwestie ten goede moeten komen aan de Palestijnse burgerbevolking en moeten dienen voor het verstrekken van voedsel, medische benodigdheden, huisvesting en basisinfrastructuur aan de getroffen bevolking en met name aan kinderen, vrouwen, ouderen en gehandicapten; dringt er bij de Commissie op aan om, in het kader van het verlenen van steun en humanitaire hulp aan de Palestijnse bevolking, haar steun te spreiden over diverse, betrouwbare partners, zoals de WHO, UNICEF of verschillende organisaties van de Rode Halve Maan; is voorts bezorgd over andere geloofwaardige berichten dat bepaalde medewerkers van UNWRA betrokken zouden zijn geweest bij of een band kunnen hebben met door de terroristische organisatie Hamas gepleegde terreurdaden; dringt er bij de Commissie op aan onafhankelijke controles van UNRWA te waarborgen door externe deskundigen, de Europese Rekenkamer en ervaren internationale partners, zoals, maar niet beperkt tot, Global Affairs Canada of AusAid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>196.</NO.P>uit zijn diepe bezorgdheid ten aanzien van de recente aankondiging door sommige landen dat zij de financiering aan de Organisatie van de Verenigde Naties voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen (UNRWA) opschorten in afwachting van de resultaten van het onderzoek; pleit voor meer, duurzame financiering met het oog op de cruciale rol die het agentschap vervult bij de humanitaire respons in Gaza, en voor het waarborgen van de ononderbroken verstrekking van vitale diensten aan een kwetsbare bevolking in het Midden-Oosten; herinnert aan de essentiële rol van humanitaire hulp aan Palestijnse vluchtelingen in het hele Midden-Oosten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>197.</NO.P>benadrukt het belang van onderwijs en de cruciale noodzaak om alle haatzaaiende uitlatingen en gewelddadige acties aan beide zijden aan de kaak te stellen en uit te bannen; onderstreept dat de opschorting van financiering niet willekeurig of zonder transparant en onafhankelijk bewijs van misbruik mag plaatsvinden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>198.</NO.P>herinnert eraan dat uit de resultaten van het onderzoek naar Palestijnse schoolboeken dat in opdracht van de Commissie is verricht door het Georg Eckert Institute, een complex beeld naar voren komt waarin wordt bevestigd dat deze schoolboeken i) voldoen aan de Unesco-normen en gebaseerd zijn op criteria die algemeen aanvaard zijn in de internationale onderwijspraktijk, met inbegrip van een sterke nadruk op de mensenrechten, ii) een toon van verzet uitademen in de context van het Israëlisch-Palestijnse conflict, en iii) blijk geven van een vijandige houding tegenover Israël; merkt op dat de Unie geen financiering voor Palestijnse schoolboeken verstrekt en dat deze ook niet onder de verantwoordelijkheid van UNRWA vallen, die zich inzet voor het verstrekken van hoogwaardig onderwijs, met bijzondere nadruk op de bevordering van een mensenrechtencultuur, zelfs in moeilijke tijden; onderstreept dat onderwijs en toegang van leerlingen tot op vrede gerichte en onbevooroordeelde schoolboeken essentieel zijn; benadrukt het standpunt van het Parlement dat de financiering met Uniemiddelen van schoolboeken afhankelijk moet worden gesteld van volledige inachtneming van de Unesco-normen op het gebied van vrede en tolerantie, zoals reeds door het Parlement vastgelegd in zijn aanbeveling van 2023 betreffende betrekkingen met de Palestijnse Autoriteit, en zoals meermaals verzocht in de meest recente vastgestelde resoluties over de vooruitzichten voor de tweestatenoplossing;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>199.</NO.P>herinnert aan de Uniestrategie voor het bevorderen en waarborgen van hoogwaardig onderwijs voor kinderen overal ter wereld, met name in het kader van de verstrekking van specifieke financiële Uniesteun; veroordeelt het problematisch en haatdragend materiaal in Palestijnse schoolboeken waarin wordt aangezet tot geweld en antisemitisme, terwijl deze boeken zijn opgesteld door ambtenaren die met Uniemiddelen worden gefinancierd, alsook in door UNRWA-medewerkers opgesteld aanvullend onderwijsmateriaal dat in scholen wordt gebruikt; herhaalt in het kader van de verachtelijke terroristische aanvallen van Hamas op 7 oktober 2023 dat haatzaaiend onderwijs directe en dramatische gevolgen heeft voor de veiligheid van de Israëliërs, alsook voor het perspectief op een betere toekomst voor jonge Palestijnen; verzoekt de Commissie er derhalve nauwgezet op toe te zien dat er geen middelen, direct of indirect, worden toegewezen voor het gebruik van dergelijk onderwijsmateriaal en dat de Palestijnse Autoriteit het volledige lesprogramma spoedig wijzigt, zoals herhaaldelijk gevraagd in de kwijtingsbesluiten met betrekking tot de uitvoering van de algemene begroting van de Unie voor de begrotingsjaren 2016, 2018, 2019, 2020 en 2021; benadrukt dat financiële steun van de Unie aan de Palestijnse Autoriteit op het gebied van onderwijs moet worden verleend op voorwaarde dat een nationaal Palestijns lesprogramma tot stand wordt gebracht dat geen antisemitische uitingen en voorbeelden die aanzetten tot geweld bevat, en aan de vereisten voor hoogwaardig onderwijs voldoet; roept de Commissie en de lidstaten in dat kader op deskundigheid te leveren, en kennis, richtsnoeren en technische bijstand te delen om Palestijnse docenten, opleiders en deskundigen bij te staan bij het voorzien in onderwijs dat volledig aan de Unesco-normen voldoet;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>200.</NO.P>wijst op het feit dat volgens de antwoorden van de commissaris voor Nabuurschap en Uitbreiding met betrekking tot het kwijtingsverslag 2021, de lopende ontwikkelingsportefeuille voor de Palestijnen in het kader van de verordening tot vaststelling van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI) tussen 2021 en 2023 681 miljoen EUR bedroeg ten behoeve van de Palestijnse Autoriteit, UNRWA en de ontwikkelingsprojecten op de Westelijke Jordaanoever en in Gaza; merkt op dat ongeveer een derde van de financiering is toegewezen aan projecten in Gaza en twee derde aan projecten op de Westelijke Jordaanoever; benadrukt dat de Unie 271 miljoen EUR aan UNRWA heeft verstrekt voor het verlenen van sociale voorzieningen aan de Palestijnse vluchtelingen, en daar bovenop steun heeft verleend ten behoeve van de terugkerende uitgaven van de Palestijnse Autoriteit, met name voor de uitbetaling van salarissen en pensioenen aan ambtenaren, voor sociale voorzieningen die zijn verstrekt door middel van het programma voor overdracht van contanten, en voor een deel van de kosten voor ziekenhuizen in Oost-Jeruzalem via het Pegase-mechanisme;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>201.</NO.P>is geschokt over de terroristische aanslagen van 7 oktober 2023 waarbij Hamas geweld, verkrachting en andere vormen van seksuele foltering heeft gepleegd tegen vrouwen, vrouwelijke tieners en meisjes van Israëlische en andere nationaliteiten; benadrukt dat deze gerichte vorm van seksueel geweld en foltering tegen vrouwen, die een oorlogsmisdaad en daad van terrorisme is, een systematisch karakter heeft; betreurt het gebrek aan aandacht van de EDEO en de Commissie voor conflictgerelateerd seksueel geweld tegen vrouwen; dringt aan op de instelling van een mechanisme om slachtoffers te identificeren en te ondersteunen, getuigenissen te verzamelen, daders te identificeren en tijdig maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat soortgelijke situaties zich in de toekomst niet voordoen; dringt aan op de oprichting van een platform om slachtoffers en hun lijden zichtbaar te maken; dringt aan op meer steun aan entiteiten zoals de Vereniging van crisiscentra voor verkrachtingen in Israël of soortgelijke entiteiten in conflictgebieden; benadrukt dat er aanvullende financiering van de Unie moet worden verstrekt aan slachtoffers van conflictgerelateerd seksueel geweld en voor relevante onderwijsactiviteiten; wijst op het gebrek aan gegevens in de jaarlijkse activiteitenverslagen over het bedrag aan middelen van de Unie dat is begroot om dergelijke slachtoffers en relevante entiteiten te ondersteunen; beveelt de Commissie aan duidelijker verslag uit te brengen over de hulp van de Unie aan dergelijke slachtoffers en relevante entiteiten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>202.</NO.P>wijst op het feit dat het jaarverslag van de Europese Rekenkamer 2022 een voorbeeld bevat van in de kostendeclaratie opgenomen niet-subsidiabele kosten met betrekking tot een project in Palestina inzake het duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen om de transitie van Palestina naar een groene economie te ondersteunen, waarbij de stimulerende component was bedoeld voor het mkb in de vorm van subsidies voor “groene” projecten op het gebied van energie-efficiëntie, hernieuwbare energie en bestrijding van vervuiling; onderstreept dat een subsidie van 190 500 EUR was goedgekeurd en is betaald aan een agentschap voor ontwikkeling dat tot taak had de uitvoering van het project door de eindbegunstigde te monitoren, maar dat het project niet is uitgevoerd<FOOTNOTE><FIELD>https://www.eca.europa.eu/ECAPublications/AR-2022/AR-2022_NL.pdf</FIELD></FOOTNOTE>;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>203.</NO.P>is bezorgd over de vernietiging en inbeslagname van door de Unie gefinancierde projecten op de Westelijke Jordaanoever en merkt op dat er in 2022 in totaal 101 door de Unie of door lidstaten gefinancierde structuren (ter waarde van 337 019 EUR) in beslag zijn genomen of zijn gesloopt, waarmee dit de op twee na hoogste financiële schade is sinds 2016; herinnert eraan dat vertegenwoordigers van instellingen van de Unie, de betrokken lidstaten en andere donoren meermaals hebben gevraagd om de teruggave van of vergoeding voor vernielde, ontmantelde of in beslag genomen middelen die door de Unie zijn gefinancierd; herinnert aan het standpunt van de Raad, die zich ertoe heeft verbonden dat in alle overeenkomsten tussen Israël en de EU ondubbelzinnig en uitdrukkelijk moet worden vermeld dat zij niet gelden voor de sinds 1967 door Israël bezette gebieden, en waarin wordt gepleit voor de verdere effectieve toepassing van de bestaande Uniewetgeving en bilaterale regelingen die gelden voor producten uit de nederzettingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>204.</NO.P>merkt op dat DG NEAR in 2022 910,8 miljoen EUR aan bilaterale bijstand aan Oekraïne heeft uitbetaald, waarvan 698 miljoen EUR via begrotingssteun; merkt op dat bijna 200 miljoen EUR aan lopende projecten met succes werd herbestemd om de begunstigden te bereiken voordat humanitaire partners hun hulpprogramma’s konden mobiliseren; merkt op dat de beperkingen bij het adequaat monitoren van projecten in Oekraïne hebben geleid tot een voorbehoud in het jaarlijkse activiteitenverslag 2022 van DG NEAR en dat corrigerende maatregelen worden genomen, zoals het monitoren van de voortgang bij de uitvoering van projecten door middel van controles van stukken, oplossingen op afstand en het gebruik van een dienstverlener;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>205.</NO.P>wijst op het door de Commissie voorgestelde herziene groeiplan voor de Westelijke Balkan ter ondersteuning van de op convergentie gerichte inspanningen in de regio; benadrukt dat er meer duidelijkheid moet komen over het gebruik van verschillende voor de regio toegepaste financieringsinstrumenten, met name waar het IPA III, het economisch en investeringsplan en het herziene groeiplan voor de Westelijke Balkan betreft; dringt er bij de Commissie op aan te zorgen voor betere rechtstreekse toegang tot Uniemiddelen op subnationaal niveau;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>206.</NO.P>is verheugd over het feit dat de faciliteit voor Oekraïne voorziet in bepalingen voor het waarborgen van doeltreffende controles; herinnert eraan dat het Parlement er op 7 april 2022 voor heeft gepleit Russische tegoeden die door de Unie waren bevroren als gevolg van beperkende maatregelen van de Unie, in beslag te nemen en te gebruiken voor de wederopbouw van Oekraïne;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>207.</NO.P>is ingenomen met de Global Gateway-strategie als een gezamenlijke reactie van de Unie op mondiale uitdagingen, waarbij publieke en particuliere investeringen worden gebundeld; merkt op dat 2022 het eerste volledige jaar was voor de uitvoering van de Global Gateway-strategie; benadrukt de noodzaak aan meer transparantie, verantwoordingsplicht en regelmatige beoordelingen wat betreft de uitvoering van de Global Gateway, alsook aan een grotere rol voor het Parlement bij het uitvoeren van democratische controle;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>208.</NO.P>is verheugd dat OLAF op 11 februari 2021 administratieve samenwerkingsovereenkomsten heeft ondertekend met het Oekraïense openbaar ministerie en in maart 2023 met de Oekraïense nationale auditdienst; merkt op dat Oekraïne naar verwachting binnenkort zal worden geassocieerd met het fraudebestrijdingsprogramma van de Unie en juicht toe dat OLAF de Oekraïense autoriteiten ondersteunt bij hun nationale fraudebestrijdingsinspanningen en -strategieën; is verheugd dat het EOM in juli 2023 werkregelingen heeft getekend met het nationale corruptiebestrijdingsbureau van Oekraïne, om de samenwerking bij het onderzoeken van corruptiezaken te vergemakkelijken, en in maart 2022 met het openbaar ministerie van Oekraïne, om de financiële belangen van de Unie en Oekraïne te beschermen door middel van doeltreffend onderzoek en effectieve vervolging;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Aanbevelingen</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>209.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">verzoekt de Commissie om:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(i)</SYMBOL>wat het OPSYS-systeem betreft, de kwaliteit van de nieuwe software te verbeteren, de toepassing te stabiliseren en koppelingen tussen de verschillende OPSYS-modules te verbeteren, en de nodige middelen toe te wijzen om de maturiteit/robuustheid ervan te verbeteren;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(ii)</SYMBOL>ervoor te blijven zorgen dat alle contracten waarbij middelen van de Unie betrokken zijn, volledig in overeenstemming zijn met de toepasselijke Uniewaarden, wetgeving van de Unie, waaronder verantwoordingsplicht, transparantie en bescherming van middelen van de Unie; ervoor te zorgen dat strikte toezicht- en controlemechanismen vooraf en achteraf ervoor zorgen dat alle personen die betrokken zijn bij door de Unie gefinancierde acties uitsluitend de doelstellingen en activiteiten nastreven die voor financiering van de Unie zijn goedgekeurd, en waar nodig te vragen om de teruggave van of vergoeding voor vernielde, ontmantelde of in beslag genomen middelen die door de Unie zijn gefinancierd;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iii)</SYMBOL>de communicatie met internationale organisaties op te voeren teneinde de ERK volledige, onbeperkte en tijdige toegang – en niet alleen in read-onlyformaat – te bieden tot documenten die nodig zijn om haar taak overeenkomstig het VWEU uit te voeren;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iv)</SYMBOL>adequate maatregelen voor controles vooraf en achteraf in te voeren in onstabiele of conflictgebieden om te zorgen voor een goede controle van de besteding van middelen van de Unie en voor manieren om de Uniemiddelen terug te vorderen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(v)</SYMBOL>te zorgen voor de juiste, tijdige en grondige controle van alle middelen in het kader van de faciliteit voor Oekraïne en de komende faciliteit voor de Westelijke Balkan, met de betrokkenheid van het EOM en de Europese Rekenkamer;</ITEM></LIST></P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on">Europees openbaar bestuur</STRING></ACTINIT><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Personele middelen</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>210.</NO.P>merkt op dat de begroting voor de programma’s onder MFK-rubriek 7 “Europees openbaar bestuur” 11,6 miljard EUR bedroeg (5,9 % van de Uniebegroting), die de uitgaven van de instellingen en organen van de Unie voor personele middelen en pensioenen (ongeveer 70 % van het totaal), gebouwen, uitrusting, energie, communicatie en informatietechnologie omvat; stelt vast dat van het totale bedrag 58,6 % door de Commissie werd uitgegeven (6,7 miljard EUR); stelt vast dat op 31 december 2022 de definitieve goedgekeurde vastleggingskredieten in de begroting voor de Europese Commissie 6 298,13 miljoen EUR bedroegen (99,84 % daarvan werd uitgevoerd, d.w.z. 6 288,14 miljoen EUR) en dat de definitieve goedgekeurde betalingskredieten in de begroting 6 298,22 miljoen EUR bedroegen (94,66 % daarvan werd uitgevoerd, d.w.z. 5 961,72 miljoen EUR);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>211.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer een steekproef van 60 verrichtingen onderzocht die het volledige scala van uitgaven onder MFK-rubriek 7 bestrijkt waarbij alle instellingen en organen van de Unie betrokken zijn; merkt op dat de Rekenkamer ook de regelmatigheidsinformatie onderzocht die werd verstrekt in de jaarlijkse activiteitenverslagen van alle instellingen en organen, met inbegrip van die van de directoraten-generaal en de bureaus van de Commissie die in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor de administratieve uitgaven, en die vervolgens is opgenomen in het jaarlijkse beheers- en prestatieverslag van de Commissie; stelt met tevredenheid vast dat de Rekenkamer het foutenpercentage onder MFK-rubriek 7 niet materieel acht en merkt op dat er geen nieuwe aanbevelingen aan de Commissie zijn gericht;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>212.</NO.P>merkt op dat de Commissie in april 2022 haar nieuwe personeelsstrategie (“HR-strategie”) heeft vastgesteld, die beoogt in te spelen op nieuwe behoeften na de COVID-19-crisis en is gericht op het creëren van een aantrekkelijke werkplek, snellere en flexibelere selectie en aanwerving, en een flexibele en lonende loopbaan voor alle personeelsleden; merkt op dat het document een reeks voornemens voor verandering en verbetering vormt die geleidelijk ten uitvoer moeten worden gelegd, en dat over een deel van de inhoud ervan eerst moet worden onderhandeld in het kader van de sociale dialoog met personeelsvertegenwoordigers;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>213.</NO.P>merkt op dat de Commissie steeds vaker arbeidscontractanten of tijdelijke functionarissen op vaste posten heeft aangeworven om nieuwe taken uit te voeren die voortvloeien uit snel evoluerende prioriteiten, als reactie op bijzondere of urgente situaties en zelfs om geografisch onevenwichtige aanwervingen te compenseren; wijst nogmaals op zijn bezorgdheid over het verlies van kennis voor de instellingen en de negatieve gevolgen voor het perspectief en de baanzekerheid van de betrokken personeelsleden; benadrukt dat het aanwerven van arbeidscontractanten of tijdelijke functionarissen geen duurzame oplossing is voor de afnemende en geografisch onevenwichtige sollicitaties van kandidaten voor vergelijkende onderzoeken van de Unie en, wat nog belangrijker is, voor het aloude en complexe probleem van de afnemende aantrekkelijkheid van de Unie als werkgever;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>214.</NO.P>stelt met tevredenheid vast dat het percentage vrouwen in managementfuncties aanzienlijk is gestegen sinds het begin van het mandaat: in juli 2023 bedroeg het aandeel vrouwen in managementfuncties 45,2 % op het niveau van het hoger management (een stijging van bijna 9 procentpunten sinds het begin van het mandaat) en 47,5 % op het niveau van het middenkader (een stijging van 6 procentpunten);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>215.</NO.P>erkent dat, om voor aanwerving op een zo breed mogelijke geografische basis te zorgen, de oorzaken van ondervertegenwoordiging vanaf het punt van oorspronkelijke aanwerving moeten worden aangepakt; is ingenomen met het feit dat het directoraat-generaal Personele Middelen en Veiligheid (DG HR), om het geografisch evenwicht tussen de verschillende categorieën personeel van de Commissie te versterken, alle lidstaten heeft ontmoet om hun vertegenwoordiging te bespreken en de laatste hand heeft gelegd aan alle gezamenlijke actieplannen waarin rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van elke lidstaat om de mogelijke oorzaken van ondervertegenwoordiging gezamenlijk aan te pakken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>216.</NO.P>wijst op de vaststelling en uitvoering van een actieplan om de aantrekkelijkheid van een loopbaan in Luxemburg te vergroten; wijst op de overwegingen van de Commissie betreffende het op dit moment niet invoeren van een aanpassingscoëfficiënt voor Luxemburg zoals verwoord in haar verslag ter beoordeling van de veranderingen in koopkracht van salarissen en pensioenen van ambtenaren van de Unie (COM(2022)0180); herinnert aan zijn herhaalde verzoeken aan de Commissie om manieren te vinden om het groeiende probleem terug te dringen van de verschillen in koopkracht van personeelsleden in Luxemburg, die met name het gevolg zijn van de kosten van levensonderhoud;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>217.</NO.P>herinnert aan de controle van de Rekenkamer van de activiteiten van het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO) en de opmerkingen over de doeltreffendheid en doelmatigheid ervan<FOOTNOTE><FIELD>Speciaal verslag 23/2020 van de Europese Rekenkamer “Het Europees Bureau voor personeelsselectie: het is tijd om het selectieproces aan te passen aan de veranderende aanwervingsbehoeften”.</FIELD></FOOTNOTE>; merkt op dat EPSO in 2022-2023 op afstand gesurveilleerde toetsen heeft ingevoerd en betreurt dat dit systeem nu opnieuw wordt geëvalueerd vanwege de talrijke technische problemen die veel kandidaten hebben ondervonden; betreurt het ongemak voor de kandidaten, de directe begrotingskosten van de opschorting van de externe vergelijkende onderzoeken en de extra inspanningen van de aanwervingsdiensten van de Commissie om een geschikte vervanger te vinden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>218.</NO.P>herinnert aan de conclusies van de Rekenkamer in Speciaal verslag nr. 13/2019 dat iedere vorm van onethisch gedrag door personeelsleden en leden van de EU-instellingen onacceptabel is en dat dit, zelfs wanneer het louter aantijgingen betreft, tot veel publieke belangstelling leidt en het vertrouwen in de EU doet afnemen; betreurt de twee in 2022 in de pers gemelde gevallen van mogelijke belangenverstrengeling waarbij hooggeplaatste ambtenaren bij DG MOVE (met betrekking tot missies) en DG NEAR (met betrekking tot verantwoordelijkheid) betrokken waren; merkt op dat de Commissie volgens het verslag van de Rekenkamer van 2019 en het besluit van de Europese Ombudsman betreffende draaideuraffaires, een doeltreffend systeem voor interne controle toepast; merkt op dat onethisch gedrag ook financiële gevolgen heeft voor de betrokken instelling en herhaalt zijn standpunten en de verwachtingen van het Ethisch Orgaan van de Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>219.</NO.P>neemt kennis van de instelling van de functie van kmo-gezant van de EU en de daaropvolgende aanwerving van een kandidaat, als buitengewoon tijdelijk functionaris in rang AD15; betreurt dat meerdere mediakanalen hebben gemeld dat de uiteindelijk benoemde kandidaat bij de aanwervingsbeoordelingen minder gekwalificeerd bleek dan de twee overige vrouwelijke kandidaten uit ondervertegenwoordigde lidstaten, hetgeen de vraag oproept of de beginselen van verdienste, gender en geografisch evenwicht in aanmerking zijn genomen; stelt met bezorgdheid vast dat de benoemde kandidaat een aftredend lid is van de eigen Duitse politieke partij van voorzitter Von der Leyen; verzoekt de Commissie de situatie recht te zetten door de benoeming te herroepen en een echt transparant en open proces te starten voor de selectie van de kmo-gezant van de EU;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Gebouwen en administratie</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>220.</NO.P>merkt op dat het nieuwe centrale financiële systeem van de Commissie, SUMMA, volgens de planning eind 2023 in productie zou gaan en dat vooruitgang is geboekt volgens de doelstelling om begin 2024 operationeel te worden; betreurt het feit dat de termijn voor de implementatie van het nieuwe boekhoudsysteem met een jaar is verlengd, omdat de gelijktijdige implementatie van de aansluiting van operationele programma’s (gedeeld beheer, e-subsidies, e-aanbestedingen, personeelsbetalingen) op SUMMA complexer is gebleken dan verwacht; benadrukt bezorgd dat de kosten van SUMMA sinds de start begin 2018 tot eind 2022 ongeveer 95 miljoen EUR bedroegen en dat voor de verlenging van het tijdschema in 2024 extra middelen nodig zullen zijn, die worden geraamd op ongeveer 7 miljoen EUR;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>221.</NO.P>wijst op de vaststelling van de mededeling inzake de vergroening van de Commissie van 5 april 2022, die tot doel heeft uiterlijk in 2030 klimaatneutraliteit te bereiken en een actieplan omvat voor het terugdringen van de broeikasgasemissies; merkt op dat de Commissie voornemens is deze doelstellingen te bereiken door het verwerven van energie-efficiëntere en groenere gebouwen, de overstap naar dynamische werkruimten voor samenwerking en het terugdringen van het aantal kantoren, en herhaalt zijn waarschuwing dat bij alle toekomstige beslissingen op dit gebied rekening moet worden gehouden met het welzijn en de arbeidsvreugde van het personeel;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>222.</NO.P>wijst op berichten in de media over onderhandelingen tussen de Belgische regering en de Commissie over een vastgoedtransactie ter waarde van bijna 1 miljard EUR en over de plannen van de Commissie om kantoorruimte te huren in Brussel-Noord, waarbij de betrokken personeelsleden zich terughoudend tonen; benadrukt dat ontwikkelingen in het vastgoedbeleid van de Commissie niet ten koste mogen gaan van de arbeidsomstandigheden van haar personeel;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>223.</NO.P>uit zijn bezorgdheid over het feit dat de Commissie geweigerd heeft om verslagen van de besprekingen met een farmaceutisch bedrijf te verstrekken en betreurt het gebrek aan transparantie met betrekking tot de tekstberichten tussen de voorzitter van de Commissie en de farmaceutische bedrijven over de aankoop van COVID-19-vaccins; wijst op het besluit van de Europese Ombudsman in de verwante zaak 1316/2021/MIG waarin wordt gesteld dat het niet registreren van tekstberichten in het documentenregister neerkomt op “wanbeheer” en is bezorgd over het feit dat de Commissie geen gevolg heeft gegeven aan de aanbeveling om nogmaals te trachten relevante tekstberichten te achterhalen; stelt vast dat de Commissie vooralsnog heeft nagelaten de niet-geredigeerde versies van de aangegane contracten aan de leden van het Europees Parlement beschikbaar te stellen; herinnert aan de resolutie van het Parlement van 13 juli 2023 over de toegang van het publiek tot documenten – jaarverslag voor de jaren 2019-2021;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Europese Scholen</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>224.</NO.P>stelt met tevredenheid vast dat de Rekenkamer in haar jaarverslag over de rekeningen van de Europese Scholen voor het begrotingsjaar 2022 geen materiële fouten aantrof in de definitieve geconsolideerde jaarrekening van de Europese Scholen voor 2022; is ingenomen met de verdere door de Rekenkamer aangestipte verbeteringen in de kwaliteit van de definitieve individuele en geconsolideerde rekeningen in vergelijking met voorgaande jaren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>225.</NO.P>merkt bezorgd op dat zowel de Rekenkamer als de externe auditor immateriële fouten aantroffen, die voornamelijk betrekking hadden op de berekening van voorzieningen voor vergoedingen na uitdiensttreding en dat de auditadviezen van de externe auditor niet in overeenstemming waren met de contractanten die met het bureau van de secretaris-generaal (het “centraal bureau”) is gesloten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>226.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer weliswaar de verbeteringen in de aanwervings- en aanbestedingsprocedures bij het centraal bureau prees, maar bij twee van de zeven scholen die zij analyseerde (Frankfurt en Luxemburg I) tekortkomingen in deze procedures vaststelde; merkt bezorgd op dat de Rekenkamer opnieuw tekortkomingen vaststelde in de betalingsprocedures van zowel het centraal bureau als de twee geanalyseerde scholen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>227.</NO.P>herinnert eraan dat het Parlement in zijn resolutie van 12 september 2023 over het systeem van Europese Scholen: stand van zaken, uitdagingen en perspectieven<FOOTNOTE><FIELD>Aangenomen teksten, P9_TA(2023)0306.</FIELD></FOOTNOTE> benadrukte dat het huidige systeem voor de aanwerving van leerkrachten in het systeem van Europese Scholen (ESS) ernstige tekortkomingen vertoont, met als gevolg een slechte afstemming tussen de behoeften ter plaatse en het daadwerkelijk door de lidstaten gedetacheerde personeel, problemen met de jaarlijkse aanwervingsplannen, moeilijkheden om gekwalificeerde leraren en personeel te vinden, onzekere arbeidsomstandigheden voor lokaal aangeworven leerkrachten en ander educatief personeel, en problemen met bij- en nascholing;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Aanbevelingen</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>228.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">verzoekt de Commissie om:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(i)</SYMBOL>op gelijke voet rekening te houden met het efficiënte gebruik van kantoorruimten en de gezondheid en het welzijn van het personeel bij de uitvoering van de nieuwe HR-strategie, in het bijzonder met betrekking tot mensen met een handicap, alsook om personeelsvertegenwoordigers naar behoren te betrekken bij het wijzigen van arbeidsomstandigheden;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(ii)</SYMBOL>waakzaam te blijven met betrekking tot de preventie, identificatie en adequate aanpak van gevallen van burn-out in de bredere context van personeelsbezetting, werkdruk en welzijn van het personeel;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iii)</SYMBOL>de maatregelen ter ondersteuning van vrouwen die een managementcarrière ambiëren, te versterken om het aantal sollicitaties van hoog opgeleide vrouwen voor midden- en hogermanagementfuncties bij zowel de Commissie als de agentschappen van de Unie te vergroten;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iv)</SYMBOL>verder te werken aan het versterken van het geografisch evenwicht onder haar personeelsleden op alle niveaus, en tegelijkertijd te voldoen aan de vereisten van het Statuut van de ambtenaren in verband met de vaardigheden en verdiensten van kandidaten;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(v)</SYMBOL>onverwijld en op doeltreffende wijze de problemen aan te pakken waar in Luxemburg werkzame en woonachtige personeelsleden mee te maken hebben;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(vi)</SYMBOL>passende investeringen te doen in de opbouw van IT-capaciteit en -middelen voor EPSO om efficiënter en effectiever te kunnen werken en met name om te zorgen voor optimale testomstandigheden in toekomstige selectieprocessen; en</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(vii)</SYMBOL>te zorgen voor een beter en strikter risicobeheer met betrekking tot de gereedheid van de uitrol van SUMMA en materiële risico’s van tijdelijke verstoring te vermijden totdat het nieuwe boekhoudsysteem volledig operationeel is;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(viii)</SYMBOL>gevolg te geven aan de aanbeveling van de Ombudsman in zaak 1316/2021/MIG, en ervoor te zorgen dat haar interne richtsnoeren betreffende de registratie van documenten in overeenstemming zijn met Verordening (EG) nr. 1049/2001<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43).</FIELD></FOOTNOTE>;</ITEM></LIST></P></ACTION><ACTION><P><NO.P>229.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">roept de Commissie voorts op de Europese Scholen te blijven steunen om:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(i)</SYMBOL>de aanbevelingen van de Rekenkamer in haar verslag over de rekeningen van de Europese Scholen voor het begrotingsjaar 2022 onverwijld ten uitvoer te leggen en de kwijtingsautoriteit op de hoogte te houden van de voortgang;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(ii)</SYMBOL>de aanhoudende lerarentekorten met spoed op te lossen en te zorgen voor een stabiele en eerlijke werkgelegenheidssituatie voor iedereen door personeel te behouden en het personeelsverloop te beperken, zodat ook een braindrain wordt voorkomen; en</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iii)</SYMBOL>een grondige beoordeling uit te voeren onder leiding van een onafhankelijke voorzitter van de governance- en beheersstructuren van het systeem van Europese Scholen, met de betrokkenheid van het directoraat-generaal Onderwijs, Jongerenzaken, Sport en Cultuur van de Commissie;</ITEM></LIST></P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on">HOOFDSTUK II – Herstel- en veerkrachtfaciliteit</STRING></ACTINIT><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Algemene opmerkingen</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>230.</NO.P>herinnert eraan dat de uitbraak van de COVID-19-pandemie in 2020 de economische en sociale vooruitzichten van de Unie abrupt veranderde en leidde tot een gezamenlijke inspanning om het herstelpakket voor Europa te introduceren, bestaande uit het MFK 2021-2027 en NGEU, waarvan de herstel- en veerkrachtfaciliteit de hoeksteen is; herinnert eraan dat het doel van de herstel- en veerkrachtfaciliteit is de lidstaten financiële steun te verstrekken om de ernstige economische en sociale gevolgen van de COVID-19-pandemie te verminderen en de Europese economieën en samenlevingen duurzamer, veerkrachtiger en inclusiever te maken en beter voor te bereiden op de uitdagingen en kansen van de groene en digitale transitie; herinnert eraan dat de herstel- en veerkrachtfaciliteit een innovatief, tijdelijk instrument is dat gebaseerd is op prestaties, wat betekent dat betalingen gekoppeld zijn aan de bevredigende verwezenlijking van mijlpalen en streefdoelen die de vooruitgang weerspiegelen op het gebied van hervormingen en investeringen die zijn opgenomen in de nationale herstel- en veerkrachtplannen, die zijn vastgesteld in een uitvoeringsbesluit van de Raad;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>231.</NO.P>merkt op dat alle 27 herstel- en veerkrachtplannen tegen eind 2022 waren goedgekeurd, waarbij 335,1 miljard EUR aan subsidies en 165,3 miljard EUR aan leningen is toegewezen, die zullen worden uitbetaald als tegen 2026 2 557 maatregelen (waarvan ongeveer een derde voor hervormingen en twee derde voor investeringen) en de bijbehorende 6 237 mijlpalen en streefdoelen zijn verwezenlijkt; stelt vast dat de Commissie in 2022 in totaal 74,4 miljard EUR, inclusief voorfinanciering, heeft uitbetaald (47,2 miljard EUR aan subsidies en 27,2 miljard EUR aan leningen);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>232.</NO.P>merkt op dat het REPowerEU-plan in mei 2022 is geïntroduceerd om de Unie te helpen haar afhankelijkheid van Russische fossiele brandstoffen te verminderen door energie te besparen, schone energie te produceren en haar energievoorziening te diversifiëren, hetgeen aansluit bij de groene transitie; merkt op dat de wijzigingen die zijn aangebracht in Verordening (EU) 2021/241 (“de verordening tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit”)<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (PB L 57 van 18.2.2021, blz. 17).</FIELD></FOOTNOTE> bij Verordening (EU) 2023/435 betreffende REPowerEU<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EU) 2023/435 van het Europees Parlement en de Raad van 27 februari 2023 tot wijziging van Verordening (EU) 2021/241 wat betreft REPowerEU-hoofdstukken in herstel- en veerkrachtplannen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1303/2013, (EU) 2021/1060 en (EU) 2021/1755 en Richtlijn 2003/87/EG (PB L 63 van 28.2.2023, blz. 1).</FIELD></FOOTNOTE> extra financiering en prioriteiten aan de herstel- en veerkrachtfaciliteit hebben toegevoegd; merkt op dat alle 27 lidstaten gewijzigde herstel- en veerkrachtplannen hebben ingediend om er REPowerEU-hoofdstukken in op te nemen, maar ook om extra steun in de vorm van leningen aan te vragen, aanpassingen aan te brengen naar aanleiding van de actualisering van de maximale financiële bijdrage of wijzigingen aan te brengen als gevolg van objectieve omstandigheden, zoals mogelijk wordt gemaakt door de verordening tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit; merkt op dat voor de herziening van de herstel- en veerkrachtplannen dezelfde beoordelingscriteria gelden als voor de oorspronkelijke plannen, samen met specifieke eisen die van toepassing zijn op de REPowerEU-hoofdstukken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>233.</NO.P>herinnert eraan dat de Commissie in het kader van NGEU tussen medio 2021 en 2026 tot 806,9 miljard EUR kan ophalen door de uitgifte van Unieobligaties; merkt op dat de Commissie in juni 2022 een financieringsplan voor de periode juni tot eind december 2022 heeft aangekondigd en 50 miljard EUR extra aan langetermijnfinanciering voor NGEU heeft aangetrokken, aangevuld met de uitgifte van kortlopend EU-schatkistpapier, waarmee het totale uitstaande bedrag aan NGEU-obligaties op 171 miljard EUR komt, waarvan 36,5 miljard EUR is verkregen door de uitgifte van groene obligaties; merkt op dat deze schuld bestaat uit geleende bedragen met verschillende looptijden, uiteenlopend van een jaar tot meer dan 25 jaar; merkt op dat de terugbetaling van de NGEU-schuld pas na 2028 zal plaatsvinden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>234.</NO.P>neemt nota van de inspanningen van de Commissie om op de financiële markten fondsen te werven om de herstel- en veerkrachtfaciliteit te bekostigen; merkt op dat in 2020 een bedrag van 14,9 miljard EUR in het MFK 2021-2027 was gepland om de rentebetalingen voor niet-terugvorderbare steun van NGEU te dekken; maakt zich zorgen over de gevolgen van de hogere rentetarieven voor de koopkracht van de Uniebegroting, waarbij de rente op EU-obligaties met een looptijd van tien jaar is gestegen van 0,09 % in 2021 tot 3,2 % in 2023; merkt op dat de financieringskosten op basis van de AAA-rating van de Commissie hoger zijn dan die van lidstaten met een lagere rating; stelt vast dat de geleende bedragen moeten worden terugbetaald en dat de leningactiviteiten niet alleen gericht moeten zijn op het aantrekken van nieuwe financiering, maar ook op het vervangen van bestaande schulden; maakt zich zorgen over de stijging van de rentevoeten, vooral in 2022, en de resulterende schulden en de onzekerheid over het vermogen om de leningen af te lossen, rekening houdend met de hoge geldbedragen die de Commissie leent om de herstel- en veerkrachtfaciliteit te financieren; merkt echter op dat de schuld momenteel 90 miljard EUR lager is dan oorspronkelijk verwacht; neemt kennis van het langetermijnplan van de Commissie voor de terugbetaling van de schuld en verzoekt de Commissie dit plan regelmatig te actualiseren en de kwijtingsautoriteit in kennis te stellen van nieuwe risico’s die van invloed kunnen zijn op de uitvoering ervan; wijst op de verklaring van de Commissie dat de Unie haar verplichtingen jegens obligatiehouders onder alle omstandigheden zal nakomen en op haar voorstel voor een technische wijziging van het MFK om de budgettaire behandeling van de financieringskosten van NGEU te optimaliseren; merkt op dat informatie over de EU-schuld en de geplande terugbetalingen deel uitmaken van de regelmatige verslaglegging in het kader van de NGEU-dialoog; verzoekt de Commissie meer informatie aan het Europees Parlement te blijven verstrekken over de manier waarop de terugbetaling zal plaatsvinden en van welke instellingen geld wordt geleend; benadrukt dat deze schuld druk legt op de EU-begroting;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>235.</NO.P>is ingenomen met de schatting van de Commissie dat de volledige uitvoering van kwantificeerbare mijlpalen en streefdoelen tot eind 2026, gefinancierd door groene NGEU-obligaties ter hoogte van 57 % van de in aanmerking komende uitgaven in het kader van deze obligaties, de broeikasgasemissies met 44 miljoen ton CO2 per jaar kan verminderen – oftewel 1,2 % van de totale broeikasgasemissies van de Unie in 2022 – en dringt aan op een correcte uitvoering; benadrukt voorts dat hervormingen en investeringen in het kader van de herstel- en veerkrachtplannen de klimaatdoelstellingen van de verordening moeten verwezenlijken en het beginsel “geen ernstige afbreuk doen” ten volle moeten eerbiedigen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Opmerkingen van de Rekenkamer</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>236.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer een oordeel met beperking heeft uitgebracht betreffende de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit in 2022; is bezorgd over het feit dat de Rekenkamer heeft geconcludeerd dat op elf van de dertien betalingen in 2022 kwantitatieve bevindingen van toepassing waren, en er bij zes van deze betalingen sprake was van een materieel foutenpercentage; merkt op dat de Rekenkamer in haar oordeel, op die kwesties na, de aanvaarde uitgaven in de rekeningen voor het jaar 2022 op alle materiële punten heeft aangemerkt als wettig en regelmatig; merkt op dat de aard van het uitgavenmodel van de herstel- en veerkrachtfaciliteit afhankelijk is van de beoordelingen van de Commissie en dat de Rekenkamer dus geen foutenpercentage verstrekt, maar schat dat de minimale financiële impact van haar bevindingen onder, doch dicht bij de materialiteitsdrempel ligt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>237.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer 244 van de 274 mijlpalen en alle 37 streefdoelen in betalingsverzoeken voor subsidies voor 2022 controleerde; betreurt dat de Rekenkamer van oordeel is dat bij 15 daarvan sprake was van problemen met de regelmatigheid (minder dan 5 % van het totaal); merkt op dat de Rekenkamer van oordeel is dat voor acht mijlpalen en streefdoelen in acht betalingen niet op bevredigende wijze aan de vereisten is voldaan en dat de Commissie de desbetreffende betalingen had gedaan; stelt vast dat de conclusies van de Rekenkamer gebaseerd zijn op uitgebreide controlewerkzaamheden en dat de Commissie de interpretatie van de Rekenkamer van de wettelijke voorschriften van de Raad betwist, of gebaseerd zijn op kwalitatieve oordelen die verschillen van die van de Commissie; merkt op dat alle betalingen in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit moeten worden getoetst aan het door de Commissie meegedeelde en toegepaste kader, waarbij voor elke betaling ook rekening moet worden gehouden met het advies van het Economisch en Financieel Comité en de controle door deskundigen van de lidstaten in het kader van de comitéprocedure;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>238.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer twee gevallen in kaart heeft gebracht wat zij als voortzetting van een reeds bestaand project beschouwt dat vóór de subsidiabiliteitsperiode is gestart, alsook streefdoelen waarbij de steun in de plaats van terugkerende nationale begrotingsuitgaven is gekomen; is bezorgd over dergelijke situaties, hoewel deze constatering niet strookt met de mening van de Rekenkamer dat terugkerende uitgaven betrekking moeten hebben op uitgaven zoals de personeels- en operationele kosten van overheidsinstanties; herinnert eraan dat de herstel- en veerkrachtfaciliteit niet mag worden gebruikt voor de financiering van terugkerende begrotingsuitgaven en pleit voor passende maatregelen, waaronder gedeeltelijke betalingen, wanneer dergelijke gevallen door de Commissie worden vastgesteld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>239.</NO.P>herinnert aan de opmerking van de Rekenkamer in speciaal verslag 21/2022 en in haar jaarverslag voor 2021 dat mijlpalen en streefdoelen vaak niet duidelijk of goed omschreven zijn en dat de Rekenkamer dezelfde opmerking heeft gemaakt in haar jaarverslag voor 2022; roept de Commissie op bij de ontwikkeling van toekomstige prestatiegerelateerde instrumenten lering te trekken uit eerdere ervaringen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>240.</NO.P>is bezorgd over de conclusies van de Rekenkamer in Speciaal verslag 26/2023 dat de mijlpalen en streefdoelen in de lidstaten qua ambitieniveau van elkaar verschillen en beschouwt dit als het zoveelste voorbeeld dat de Commissie de lidstaten niet op gelijke wijze behandelt; merkt op dat de Commissie de verschillen heeft bevestigd en tijdens de uitvoeringsfase gelijke behandeling zal nastreven; is van mening dat de lidstaten per definitie gelijk moeten worden behandeld en betreurt dat dit niet het geval is geweest bij de onderhandelingen over de herstel- en veerkrachtplannen; stelt met klem dat gelijke behandeling moet worden gewaarborgd bij de voltooiing van mijlpalen en streefdoelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>241.</NO.P>merkt met bezorgdheid op dat de Rekenkamer van oordeel is dat in 2022 een geval van dubbele financiering heeft plaatsgevonden, ook al zijn er aan de maatregel in kwestie geen kosten verbonden uit hoofde van de herstel- en veerkrachtfaciliteit; wijst op de opmerking van de Commissie dat “dubbele financiering” volgens de verordening tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit expliciet gekoppeld is aan kosten en dat dus geen sprake kan zijn van “dubbele financiering” als de lidstaat geen kostenraming heeft ingediend als onderdeel van zijn nationale plan; merkt op dat de Commissie benadrukt dat hervormingen zonder kosten de financiële middelen niet verhogen maar niettemin essentiële criteria zijn voor een positieve beoordeling van de herstel- en veerkrachtplannen door de Commissie, alsook van de volledige uitvoering ervan met betrekking tot de relevante betalingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>242.</NO.P>merkt bezorgd op dat de Rekenkamer ook verschillende gevallen vaststelde van een zwak ontwerp in de mijlpalen en streefdoelen en problemen met de betrouwbaarheid van de informatie die de lidstaten in hun beheersverklaringen hebben opgenomen, en stelt vast dat de Commissie ermee instemt mijlpalen en streefdoelen te herzien op voorwaarde dat er een juridische rechtvaardiging is om de elementen van een uitvoeringsbesluit van de Raad te wijzigen, namelijk dat een lidstaat een gewijzigd plan indient en een rechtsgrondslag de wijzigingen rechtvaardigt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>243.</NO.P>benadrukt dat de Commissie eind 2022 zes gevallen van mogelijke onregelmatigheden aan OLAF heeft gemeld, die werden vastgesteld tijdens controles achteraf of uit open bronnen met betrekking tot door de herstel- en veerkrachtfaciliteit gesteunde acties; is ingenomen met het feit dat OLAF in 2022 een risicokader voor de herstel- en veerkrachtfaciliteit heeft verspreid en meer dan vijftig fraudebewustmakingsopleidingen heeft gegeven aan diensten, agentschappen en andere externe partners van de Commissie, waaronder autoriteiten van de lidstaten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>244.</NO.P>benadrukt dat de bescherming van de financiële belangen van de Unie een topprioriteit van de hoogste prioriteit is en dat het nauwkeuriger uitvoeren en monitoren van prestaties fraude in een vroeg stadium zullen helpen terugdringen of voorkomen; benadrukt dat met name mijlpalen en streefdoelen op het gebied van de rechtsstaat en corruptiebestrijding van essentieel belang zijn voor het tegengaan van corrupte personen, organisaties, overheden of criminele systemen; verzoekt de Commissie de verwezenlijking van de mijlpalen en streefdoelen op het gebied van de rechtsstaat en corruptiebestrijding nauwlettend te volgen en verslag uit te brengen over mogelijke terugdraaiing;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>245.</NO.P>maakt zich zorgen over de constatering van de Rekenkamer dat het melden van fraude in verband met de uitgaven in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit niet op gestandaardiseerde wijze wordt aangepakt, en dat hierbij geen sprake is van een krachtige afstemming en samenwerking tussen de lidstaten; is ingenomen met het feit dat de Commissie het beheerssysteem voor onregelmatigheden reeds heeft goedgekeurd zodat het in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit door de bevoegde nationale autoriteiten kan worden gebruikt; spoort de Commissie, het EOM en andere relevante entiteiten op Unie- en nationaal niveau aan tot gestructureerde samenwerking om, overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden, gevallen en mogelijke patronen van fraude en strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden, vast te stellen en te melden, teneinde belastinggeld beter te beschermen; verzoekt de lidstaten hun capaciteit uit te breiden teneinde strafbare feiten in dit kader op te kunnen sporen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>246.</NO.P>is ingenomen met de ondernomen systematische en veelomvattende controlewerkzaamheden van de Rekenkamer met betrekking tot de herstel- en veerkrachtfaciliteit, met de nadruk op de bescherming van de financiële belangen van de Unie, die een grondige analyse van de relevante aspecten van de faciliteit en een waardevol inzicht in de uitvoering ervan opleveren; stelt met voldoening vast dat de Commissie de aanbevelingen van de Rekenkamer in grote lijnen overneemt en toepast en erkent dat veel van de door de Rekenkamer genoemde kwesties verband houden met de rechtsgrondslag van de herstel- en veerkrachtfaciliteit; is van oordeel dat de aanbevelingen van de Rekenkamer naar aanleiding van haar controlewerkzaamheden met betrekking tot de herstel- en veerkrachtfaciliteit bijzonder relevant zijn voor de medewetgevers voor toekomstige prestatiegerelateerde financieringsinstrumenten van de Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>247.</NO.P>benadrukt het feit dat de herstel- en veerkrachtfaciliteit is opgezet als gemeenschappelijk Unie-instrument om de ernstige economische en sociale gevolgen van de COVID-19-pandemie te verminderen en de Europese economieën en samenlevingen duurzamer, veerkrachtiger en inclusiever te maken en beter voor te bereiden op de uitdagingen en kansen van de groene en digitale transitie, en dat de middelen van de faciliteit dan ook niet als eigen begrotingsmiddelen van de lidstaten kunnen worden beschouwd; benadrukt de cruciale rol die de Rekenkamer en de Commissie vervullen in de vorm van hun proactieve controles vooraf en achteraf voor het waarborgen dat de middelen doeltreffend worden besteed met bevredigende verwezenlijking van mijlpalen en streefdoelen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Audit en controle</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>248.</NO.P>benadrukt dat het controlekader is toegesneden op de unieke aard van de herstel- en veerkrachtfaciliteit en gebaseerd is op twee soorten controles, namelijk i) controles door de Commissie om redelijke zekerheid te verschaffen over de wettigheid en regelmatigheid van vastleggingen en betalingen, op basis van de bevredigende verwezenlijking van mijlpalen en streefdoelen zoals vastgesteld in de uitvoeringsbesluiten van de Raad tot goedkeuring van de herstel- en veerkrachtplannen, en ii) controles door de lidstaten om een adequate bescherming van de financiële belangen van de Unie te waarborgen, zoals bepaald in artikel 22 van de verordening tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>249.</NO.P>merkt op dat de Commissie, op basis van de aanbevelingen van de Rekenkamer en de opgedane ervaring, haar methodologieën heeft gepresenteerd voor i) het beoordelen van de bevredigende verwezenlijking van mijlpalen en streefdoelen, ii) het berekenen van de geschorste bedragen in geval van het niet verwezenlijken van een mijlpaal of streefdoel, en iii) het omgaan met potentiële situaties waarin mijlpalen en streefdoelen die aanvankelijk door de Commissie als bevredigend verwezenlijkt waren beoordeeld, vervolgens door de lidstaat werden teruggedraaid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>250.</NO.P>merkt op dat het kader voor de beoordeling van mijlpalen en streefdoelen geen uitleg bevat, zoals waarom het verificatiemechanisme zoals beschreven in de operationele regeling, niet in aanmerking moet worden genomen voor de beoordeling; benadrukt dat de definities van “bevredigende verwezenlijking” van de relevante mijlpalen en streefdoelen worden gedefinieerd aan de hand van termen die geen duidelijke definitie bevatten en discretionaire elementen bevatten zoals “minimale afwijking van een formeel vereiste” of “evenredige termijnen”, en dat de methode voor de vaststelling van gedeeltelijke betalingen geen uitleg biedt over de als coëfficiënten gekozen waarden; verzoekt om nadere toelichting;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>251.</NO.P>maakt zich zorgen over het feit dat de Commissie afhankelijk is van de door de lidstaten verstrekte informatie en beveelt een actievere communicatie aan teneinde het terugdraaien van mijlpalen en streefdoelen op proactieve wijze te kunnen vaststellen; is ingenomen dat de Commissie de aanbeveling aanvaardt om haar procedures voor controles achteraf te herzien om na te gaan of streefdoelen mogelijk worden teruggedraaid na de betaling, maar betreurt het feit dat zij geen monitoring voor de periode na 2026 heeft gepland met betrekking tot mogelijke terugdraaiing; is met name bezorgd over het feit dat de verordening tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit geen wettelijke bepaling bevat over het terugdraaien van mijlpalen en streefdoelen na de laatste datum voor betaling uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit en dat de methode van de Commissie bijgevolg geen juridische duidelijkheid verschaft ingeval een mijlpaal of streefdoel wordt teruggedraaid na de uitvoeringsperiode van de herstel- en veerkrachtfaciliteit zodra alle betalingen zijn gedaan, met name aangezien een aantal belangrijke mijlpalen en streefdoelen in nationale herstel- en veerkrachtplannen in het laatste deel van de looptijd van de plannen moeten worden verwezenlijkt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>252.</NO.P>merkt op dat twaalf nationale herstel- en veerkrachtplannen mijlpalen en streefdoelen bevatten die hervormingen op het gebied van de rechtsstaat en corruptiebestrijding met zich brengen; wijst op de recente mogelijke terugdraaiing van twee mijlpalen betreffende de rechtsstaat in een lidstaat; benadrukt dat de Commissie meer aandacht moet besteden aan het mogelijk terugdraaien van mijlpalen en streefdoelen op het gebied van de rechtsstaat, aangezien deze bijzonder kwetsbaar zijn voor arbitraire overheidsbesluiten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>253.</NO.P>merkt op dat de Commissie de toereikendheid van de controlesystemen van de lidstaten heeft geverifieerd als voorwaarde voor de positieve beoordeling van de herstel- en veerkrachtplannen; merkt op dat aanvullende specifieke “controlemijlpalen” op hun beurt zijn toegevoegd als voorwaarde voor de eerste betalingen in de nationale herstel- en veerkrachtplannen van 16 lidstaten waar leemten of tekortkomingen aanvullende maatregelen vereisten om de volledige toereikendheid van de systemen ter bescherming van de financiële belangen van de Unie te waarborgen; maakt zich zorgen over de opmerking van de Rekenkamer waarin wordt gewezen op de aanhoudende zwakke punten in de controlesystemen van de lidstaten, die het goed financieel beheer van de financiering uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit in gevaar brengen, en spoort de Commissie en de nationale autoriteiten aan deze punten snel aan te pakken; is verheugd dat de Rekenkamer geen kwesties in verband met de in 2022 beoordeelde bevredigende verwezenlijking daarvan aan de orde stelde; wijst op de problemen met betrekking tot de betrouwbaarheid van de informatie in de door de lidstaten afgegeven beheersverklaringen, die tot twijfel leiden met betrekking tot de mogelijke beoordeling van mijlpalen en streefdoelen; merkt op dat de Commissie in 2022 16 systeemaudits en in 2023 14 systeemaudits heeft uitgevoerd, onder meer om de naleving van de Unie- en nationale regels te controleren, zodat alle controlesystemen van de lidstaten eind 2023 ten minste eenmaal aan een audit zullen zijn onderworpen; heeft er begrip voor dat uit hoofde van de verordening tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit de primaire verantwoordelijkheid voor het waarborgen van de eerbiediging van het nationaal en Unierecht bij de lidstaten berust, maar maakt zich zorgen over de opmerking van de Rekenkamer over een zekerheids- en verantwoordingskloof met betrekking tot de naleving, omdat de Commissie geen nalevingscontroles uitvoert voor met middelen in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit gefinancierde investeringsprojecten; pleit voor een passende en gelijkvormige toepassing van artikel 22 van de verordening tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit voor alle lidstaten en herinnert eraan dat het niet verwezenlijken van een mijlpaal of streefdoel met betrekking tot een controlesysteem van een lidstaat de opschorting van de volledige termijn en alle toekomstige termijnen tot gevolg kan hebben;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>254.</NO.P>herinnert eraan dat in Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad (de “EOM-verordening”)<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”) (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).</FIELD></FOOTNOTE> is bepaald dat het EOM bevoegd is voor strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden, als bedoeld in Richtlijn (EU) 2017/1371<FOOTNOTE><FIELD>Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).</FIELD></FOOTNOTE>, volgens de voorwaarden van de EOM-verordening en met name in hoofdstuk IV daarvan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>255.</NO.P>uit zijn bezorgdheid over de bij het EOM gemelde zaken met betrekking tot de herstel- en veerkrachtfaciliteit na het eerste jaar van uitvoering, te weten 15 actieve onderzoeken, zoals vermeld in het jaarverslag 2022 van het EOM; verzoekt de Commissie samen te werken met OLAF en het EOM om patronen van fraude, corruptie en witwaspraktijken in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit vast te stellen, en verzoekt de Commissie op te treden in dergelijke situaties; verzoekt de Commissie gevolgen te verbinden voor lidstaten waar zich te veel gevallen van fraude voordoen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>256.</NO.P>stelt met bezorgdheid vast dat de verantwoordelijkheid van het EOM voor het onderzoeken van strafbare feiten waarbij middelen in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit zijn betrokken, in negen lidstaten in twijfel wordt getrokken; merkt op dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in een van deze gevallen via een prejudiciële vraag is gevraagd advies te verstrekken;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Uitvoering en impact</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>257.</NO.P>merkt op dat de Commissie in 2022 13 betalingen aan elf lidstaten heeft verricht voor een totaalbedrag van 72,2 miljard EUR, nadat 366 mijlpalen en streefdoelen (328 mijlpalen en 38 streefdoelen) naar tevredenheid waren verwezenlijkt; stelt vast dat de Commissie op de datum van publicatie van het tweede uitvoeringsverslag in september 2023 32 betalingsverzoeken van twintig lidstaten heeft ontvangen en een totaalbedrag van 153,4 miljard EUR heeft uitbetaald (106,3 miljard EUR aan subsidies en 47,1 miljard EUR aan leningen);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>258.</NO.P>merkt op dat de Commissie meldt dat de verwezenlijking van mijlpalen en streefdoelen in grote lijnen op schema ligt, nadat het eerste jaar van de werking van de herstel- en veerkrachtfaciliteit meer gericht was op de noodzakelijke hervormingen om het kader voor latere investeringsprojecten met een grotere impact op te bouwen; stelt vast dat de Commissie melding maakt van vertragingen ten opzichte van het indicatieve tijdschema voor betalingen, die te wijten zijn aan het proces van herziening van de herstel- en veerkrachtplannen in het kader van het REPowerEU-plan en de uitdagingen waarmee de lidstaten bij de uitvoering worden geconfronteerd, zoals problemen met de administratieve capaciteit, knelpunten bij investeringen en gevolgen van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne, waaronder de energiecrisis, onverwachte prijsschokken, tekorten aan bepaalde materialen en hoge inflatie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>259.</NO.P>merkt op dat landen te kampen kunnen hebben met buitensporige administratieve lasten bij gelijktijdige grote overdrachten van middelen in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit en de cohesiefondsen, als gevolg waarvan de uitvoering kan worden vertraagd en de transparantie mogelijk in het geding komt; wijst op het risico van dubbele financiering tussen middelen in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit en de Europese structuur- en investeringsfondsen, en moedigt de Commissie aan op actieve wijze te controleren, met inbegrip van de relevante databanken, en met de lidstaten te communiceren over hun administratieve capaciteit om dubbele financiering te voorkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>260.</NO.P>merkt op dat verschillende lidstaten hebben voorgesteld om middelen in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit te gebruiken door middel van financiële instrumenten die door de EIB en andere nationale investeringsbanken worden uitgevoerd om particuliere investeringen onder bepaalde voorwaarden te stimuleren; maakt zich zorgen over het mogelijke gebruik van deze instrumenten met als doel het gebruik van middelen in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit uit te breiden tot na 2026; herinnert eraan dat de herstel- en veerkrachtfaciliteit een crisisinstrument is en dat de financiering binnen de looptijd ervan moet worden uitgevoerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>261.</NO.P>merkt op dat de Commissie alle lidstaten steunt bij het versnellen van de uitvoering en herziening van hun plannen, onder meer via het instrument voor technische ondersteuning; benadrukt het belang van de proactieve rol van de Commissie bij het ondersteunen van de lidstaten om problemen in de vorm van vertragingen en een achterblijvende uitvoering zo goed mogelijk te voorkomen en om ervoor te zorgen dat de lidstaten de financiële belangen van de Unie beschermen en dat het geld van de EU-belastingbetalers naar behoren wordt besteed; wijst erop dat met name de bestrijding van ernstige onregelmatigheden en dubbele financiering passende middelen en aandacht moet krijgen; wijst op de bezorgdheid, die onder de aandacht van de kwijtingsautoriteit is gebracht, over de administratieve capaciteit van de lidstaten om de middelen te absorberen en over de uitvoering van hoogwaardige projecten, met name tegen het einde van de looptijd van de herstel- en veerkrachtfaciliteit;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>262.</NO.P>is bezorgd over het feit dat drie lidstaten volgens het scorebord van de Commissie over de uitvoering van de herstel- en veerkrachtfaciliteit, eind december 2023 geen betalingsverzoek bij de Commissie hadden ingediend; dringt aan op een snelle uitvoering van de herstel- en veerkrachtplannen, aangevuld met een beoordeling door de Commissie van de problemen en de resultaten; maakt zich er zorgen over dat een achterblijvende uitvoering, tenzij snel verholpen, in een betalingscrisis zou kunnen uitmonden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>263.</NO.P>uit kritiek op het feit dat de definitie van “veerkracht” in strijd met de hoofddoelstellingen van de faciliteit, niet voldoet om de paraatheid bij toekomstige crisissituaties te verbeteren, en wijst op het feit dat bij het benoemen van mijlpalen en streefdoelen zeer weinig aandacht wordt besteed aan veerkracht of toegevoegde waarde in het kader van de bevordering van de veerkracht; spoort de Commissie aan voor het scorebord van de herstel- en veerkrachtfaciliteit een indicator voor “bevordering van de veerkracht” tot stand te brengen en de effecten op het gebied van veerkracht in een tabel weer te geven; spoort de Commissie voorts aan bij het overwegen van nieuwe mijlpalen en streefdoelen voor herziene nationale herstel- en veerkrachtplannen, ook rekening te houden met bevordering van de veerkracht; moedigt de Rekenkamer aan om in een nieuwe studie de effecten van de herstel- en veerkrachtfaciliteit met betrekking tot veerkracht binnen alle pijlers nader te onderzoeken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>264.</NO.P>benadrukt dat de Commissie bij de beoordeling van herziene nationale herstelplannen de “Beoordelingsrichtsnoeren voor de faciliteit” uit hoofde van bijlage V bij de verordening tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit, nauwgezet moet toepassen, waarvoor de Commissie de nationale herstel- en veerkrachtplannen moet beoordelen en classificeren aan de hand van de criteria betreffende relevantie, doeltreffendheid, efficiëntie en samenhang (artikel 19, lid 3), alsook aan de hand van de zes pijlers, te weten a) groene transitie, b) digitale transformatie, c) slimme, duurzame en inclusieve groei, d) sociale en territoriale cohesie, e) gezondheid en economische, sociale en institutionele veerkracht, en f) beleid voor de volgende generatie (artikel 3); stelt dat dit een belangrijk proces is dat tot doel heeft te voorkomen dat herziene nationale herstelplannen veel zwakker zijn dan de oorspronkelijke plannen of dat zij niet langer aan de criteria voldoen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>265.</NO.P>merkt op dat de herstel- en veerkrachtfaciliteit tot synergieën moet leiden en dat de getroffen maatregelen structurele hervormingen met toegevoegde waarde tot gevolg moeten hebben; stelt met bezorgdheid vast dat sommige landen oude nationale hervormingen in hun nationale herstel- en veerkrachtplannen in een nieuw jasje hebben gestoken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>266.</NO.P>benadrukt dat er een betere aanpak voor co-governance moet zijn in alle lidstaten, zodat lokale en regionale autoriteiten, maatschappelijke organisaties, sociale partners, de academische wereld of andere betrokken belanghebbenden op passende wijze worden betrokken bij de opstelling en de uitvoering van de nationale herstel- en veerkrachtplannen; pleit ervoor dat hun betrokkenheid bij de uitvoering van de nationale herstel- en veerkrachtplannen zoveel mogelijk gebaseerd wordt op duidelijke, eerlijke, transparante en niet-gepolitiseerde beginselen, in overeenstemming met het nationale rechtskader;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>267.</NO.P>roept de Commissie ertoe op te waarborgen dat de lidstaten een nultolerantiebeleid voeren ten aanzien van corruptie en fraude, alsook van verduistering, en geen uitzonderingen maken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>268.</NO.P>is verheugd over de cruciale bijdrage van de herstel- en veerkrachtfaciliteit aan het voorkomen van een ernstige economische neergang en sociale crisis na de COVID-19-pandemie, en over het feit dat zij een ongekende golf van hervormingen en investeringen in de hele Unie mogelijk heeft gemaakt, die een belangrijk langdurig effect op het bruto binnenlands product (bbp) zal hebben; wijst erop dat de Europese meerwaarde van de herstel- en veerkrachtfaciliteit al lang bewezen is door het feit dat het innovatieve en flexibele karakter ervan de lidstaten in staat stelt gemeenschappelijke beleidsdoelstellingen van de Unie te verwezenlijken; merkt op dat de herstel- en veerkrachtfaciliteit de lidstaten tegelijkertijd in staat stelt om via het ontwerp van de herstel- en veerkrachtplannen landspecifieke uitdagingen aan te pakken, terwijl één enkel beoordelingskader gelijkelijk voor alle lidstaten en betalingsverzoeken wordt toegepast;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>269.</NO.P>is verheugd dat de door de lidstaten voorgestelde hervormingen en investeringen ter ondersteuning van de groene en digitale transitie de in de verordening tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit vastgestelde doelstellingen hebben overschreden, aangezien de geraamde klimaatuitgaven ongeveer 40 % en de digitale uitgaven 26 % bedragen, terwijl de doelstellingen op lagere percentages van respectievelijk 37 % en 20 % waren vastgesteld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>270.</NO.P>neemt kennis van de vooruitgang die is gemeld met betrekking tot de zes pijlers van de herstel- en veerkrachtfaciliteit en in het bijzonder met betrekking tot de uitvoering van landspecifieke aanbevelingen, waarbij ten minste enige vooruitgang voor 68 % en aanzienlijke vooruitgang voor 12 % van de landspecifieke aanbevelingen voor 2019-2020 is geboekt, waarvan de stimulansen van de herstel- en veerkrachtfaciliteit blijk geven; merkt op dat ook bij de uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen voor 2022 aanzienlijke vooruitgang is geboekt, met ten minste enige vooruitgang bij bijna 52 % van de in juli 2022 aan de lidstaten gerichte aanbevelingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>271.</NO.P>herinnert eraan dat de COVID-19-pandemie structurele zwakke punten in gezondheidsstelsels in de hele EU aan het licht heeft gebracht, zoals een gebrek aan veerkracht en crisisresponscapaciteit; benadrukt dat gezondheid een beleidsterrein is binnen een van de zes pijlers van de herstel- en veerkrachtfaciliteit die de uitvoering van hervormingen en investeringen mogelijk maken ter bevordering van de capaciteit, het kwaliteitsniveau en de veerkracht van de stelsels; herinnert eraan dat 531 mijlpalen en streefdoelen en 223 maatregelen, alsook 48 % van de geraamde bijdrage aan deze pijler, betrekking hebben op de gezondheidszorg, maar betreurt dat sommige nationale herstel- en veerkrachtplannen gezondheidsgerelateerde mijlpalen of streefdoelen bevatten die niet bijdragen tot het versterken van het nationale gezondheidsstelsel; merkt op dat circa 45 miljoen mensen dankzij de herstel- en veerkrachtfaciliteit gebruik kunnen maken of kunnen profiteren van nieuwe of gemoderniseerde gezondheidszorgvoorzieningen; spoort de Commissie aan de mijlpalen en streefdoelen betreffende paraatheid en veerkracht in de gezondheidszorg waar mogelijk te versterken bij de herziening van nationale herstel- en veerkrachtplannen en verslag uit te brengen aan de kwijtingsautoriteit;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>272.</NO.P>maakt uit Speciaal verslag 26/2023 op dat de Commissie en de lidstaten, ondanks de weinige tijd die beschikbaar was om het prestatiemodel van de herstel- en veerkrachtfaciliteit te ontwerpen, erin zijn geslaagd een monitoringsysteem op te zetten, met inbegrip van een IT-systeem, waarmee de voortgang van de uitvoering kan worden gemeten; is ingenomen met de toezegging van de Commissie om werk te maken van de vastgestelde kwesties en de bijbehorende aanbevelingen uit te voeren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>273.</NO.P>benadrukt dat het louter voltooien van projecten die zijn gefinancierd met middelen in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit, niet garant staat voor positieve economische en maatschappelijke effecten, noch voor kwaliteit en duurzaamheid; wijst op de opmerkingen van de Rekenkamer waarin wordt gewezen op enkele nadelen van het gebruik van een prestatiegericht kader, met name bij het kwantificeren van resultaten als mijlpalen en streefdoelen in plaats van het meten van outputs; dringt er bij de Commissie op aan om de geleerde lessen en de opmerkingen van de Rekenkamer toe te passen en ervoor te zorgen dat toekomstige prestatiegerelateerde instrumenten zo worden ontwikkeld dat zij resultaten meten en niet alleen outputs;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>274.</NO.P>is verheugd over de aanzienlijke vooruitgang die blijkt uit de gemeenschappelijke indicatoren en in alle beleidspijlers tegen december 2022, zoals 22 miljoen megawatt (“MWh”) besparingen op het jaarlijkse energieverbruik, 1,43 miljoen ondernemingen die zijn geholpen met steun in geld of in natura, 4 miljoen mensen die een opleiding hebben gekregen en steun voor 4 115 196 jongeren tussen 15 en 29 jaar;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>275.</NO.P>herinnert eraan dat de Raad op 15 december 2022 een uitvoeringsbesluit betreffende de goedkeuring van de beoordeling van het herstel- en veerkrachtplan voor Hongarije heeft vastgesteld op basis van de positieve beoordeling van de Commissie; herinnert eraan dat 27 “supermijlpalen” zijn toegevoegd aan het nationale herstel- en veerkrachtplan, met inbegrip van corrigerende audit- en controlemaatregelen; merkt op dat de Raad op 7 december 2023 het uitvoeringsbesluit betreffende de goedkeuring van de beoordeling van het gewijzigde herstel- en veerkrachtplan voor Hongarije heeft vastgesteld, met inbegrip van een REPowerEU-hoofdstuk, als gevolg waarvan Hongarije recht heeft op 0,9 miljard EUR aan voorfinanciering uit de REPowerEU-middelen; betreurt het feit dat de genoemde voorfinanciering niet is onderworpen aan een permanente procedure in het kader van het conditionaliteitsmechanisme van de rechtsstaat;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>276.</NO.P>merkt op dat het scorebord van de herstel- en veerkrachtfaciliteit in real time in informatie voorziet over de door de lidstaten gedane uitbetalingen en geboekte vorderingen, alsook in aanvullende gegevens, indicatoren en een thematische analyse, en is ingenomen met de lancering van de Uniebrede interactieve kaart van projecten en programma’s in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit, ingedeeld naar geografische locatie en met vermelding van informatie over de stand van zaken; is echter bezorgd over het feit dat de Rekenkamer heeft geconcludeerd dat de verstrekte prestaties niet voldoende transparant zijn waar het de opneming van ramingen betreft en dat de geaggregeerde gegevens niet vergelijkbaar zijn, en dat de informatie over de vorderingen in het kader van de zes pijlers misleidend is, bijvoorbeeld wanneer een maatregel wordt toegewezen aan een primair en een secundair beleidsterrein onder dezelfde pijler, wordt de bijdrage van elke maatregel tweemaal geteld; benadrukt dat transparantie met betrekking tot beperkingen van het allergrootste belang is, aangezien de (waargenomen) betrouwbaarheid van alle verstrekte gegevens in het gedrang kan komen; verzoekt de Commissie de vastgestelde tekortkomingen onmiddellijk te verhelpen en de in het scorebord van de herstel- en veerkrachtfaciliteit aangeboden gegevens op proactieve wijze bekend te maken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>277.</NO.P>merkt op dat veel louter nationale projecten als grensoverschrijdende projecten worden aangemerkt zodra ze elementen met betrekking tot energiebesparing of verlaging van het energieverbruik omvatten; uit kritiek op de overschatting van het aantal gepubliceerde grensoverschrijdende projecten en noemt dit aantal misleidend;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>278.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer heeft geconstateerd dat de nationale auditautoriteiten in geen enkele bezochte lidstaat controle uitvoeren op de verslaglegging, kwaliteit en onderliggende methoden betreffende gemeenschappelijke indicatoren; is uiterst verbaasd over het feit dat de, voor uitgaven onder MFK-rubriek 3, door een lidstaat opgegeven aanplant van bomen bij een controle ter plaatse door de Rekenkamer niet bleek te bestaan; merkt op dat de Commissie geen bewijsstukken of toelichtingen vereist over gemelde gegevens, tenzij er ramingen zijn opgegeven; merkt op dat de Rekenkamer dit als een risico voor de betrouwbaarheid en vergelijkbaarheid van gegevens in de lidstaten beschouwt; stelt vast dat de betrouwbaarheid van gegevens bij het ontbreken van controles mogelijk meer effect heeft op de prestatie-informatie betreffende gemeenschappelijke indicatoren, dan op informatie op basis van mijlpalen en streefdoelen; is van oordeel dat dit, gezien de door de Rekenkamer vastgestelde problemen met betrekking tot mijlpalen en streefdoelen, een zorgwekkende situatie oplevert, en verzoekt de Commissie de betrouwbaarheid van de verslaglegging betreffende gemeenschappelijke indicatoren te verbeteren; wijst op het feit dat de auditautoriteiten verschillende praktijken hanteren met betrekking tot de timing van de controles van de verwezenlijking van streefdoelen en hervormingen; is van mening dat dergelijke controles beter moeten worden geharmoniseerd en een verplichte controle op de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van de gegevens betreffende mijlpalen en streefdoelen moeten omvatten, voordat die mijlpalen en streefdoelen worden opgenomen in een betalingsverzoek; wijst op de risico’s van een voornamelijk op controles achteraf gestoelde aanpak en roept de lidstaten op dergelijke praktijken te vermijden;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Transparantie</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>279.</NO.P>merkt op dat de Ombudsman erkent dat vooruitgang is geboekt op het gebied van proactieve transparantie, met name via het scorebord van de herstel- en veerkrachtfaciliteit en de bekendmaking van de honderd grootste ontvangers; wijst echter op de door de Ombudsman aangegeven verbeterpunten en steunt de aanbevelingen van de Ombudsman om te zorgen voor meer transparantie en verantwoordingsplicht met betrekking tot de herstel- en veerkrachtfaciliteit;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>280.</NO.P>merkt op dat de gewijzigde verordening tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit de lidstaten op uitdrukkelijk verzoek van het Parlement verplicht informatie te publiceren over de honderd eindontvangers die het hoogste bedrag aan financiering in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit ontvangen; betreurt de late bekendmaking van de lijsten door de lidstaten en stelt vast dat alle lidstaten de vereiste lijst op het scorebord van de herstel- en veerkrachtfaciliteit uiterlijk in december 2023 hebben gepubliceerd; constateert dat de omvang van de betalingen sterk varieert, zowel tussen de lidstaten als binnen elk land, wat wordt verklaard door de heterogene aard van de herstel- en veerkrachtplannen; maakt zich zorgen over de interpretatie van de Commissie van het begrip “eindontvanger” in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit, aangezien eindontvangers vaak alleen ministeries betreffen, en dat de beschrijvingen uitermate vaag zijn, waarvan tal van voorbeelden in bijna alle door de lidstaten verstrekte lijsten te vinden zijn; herhaalt zijn eis dat de lijst met de honderd grootste eindontvangers de daadwerkelijke natuurlijke personen of entiteiten moet bevatten die, als laatste in de keten begunstigden, de EU-middelen ontvangen; maakt zich zorgen dat er anders problemen ontstaan bij het meten van de effecten en het garanderen van de zichtbaarheid van de middelen in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit onder de burgers;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>281.</NO.P>wijst erop dat transparantie en verantwoordingsplicht bij de uitvoering van de Uniebegroting van cruciaal belang zijn en benadrukt in dit verband dat er verdere inspanningen moeten worden gedaan, zowel door de Commissie als door de lidstaten; is verheugd over de andere initiatieven van de Commissie om de transparantie over de uitvoering van de herstel- en veerkrachtfaciliteit te vergroten; merkt op dat belangrijke documenten over de uitvoering, zoals herstel- en veerkrachtplannen, operationele regelingen, methodologieën voor beoordeling en documenten ter ondersteuning van of met belangrijke besluiten over de uitvoering door de lidstaten, openbaar en gemakkelijk toegankelijk zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>282.</NO.P>maakt zich zorgen over meldingen door de Rekenkamer met betrekking tot problemen die zij tijdens de uitvoering van haar taken ondervindt bij de toegang tot gegevens betreffende de herstel- en veerkrachtfaciliteit; spoort de Commissie aan erop toe te zien dat de Rekenkamer volledig toegang heeft tot de relevante databanken van de lidstaten en de Unie; spoort de Commissie aan te waarborgen dat de gegevens in de Fenix-databank met het oog op audits en controles tijdig worden geactualiseerd; onderstreept dat de gegevens nauwkeurig moeten zijn en in gestandaardiseerde vorm moeten worden verstrekt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>283.</NO.P>beveelt aan dat mijlpalen en streefdoelen bij de uitvoering van toekomstige prestatiegerelateerde instrumenten duidelijk worden vastgelegd en tijdig aan elkaar worden gekoppeld, teneinde verantwoordingskloven te voorkomen en ervoor te zorgen dat outputs en resultaten kunnen worden gemeten; beveelt aan dat prestatiegerelateerde instrumenten vanaf het begin voorzien in een duidelijk en nauwkeurig verificatiemechanisme; merkt op dat dit van cruciaal belang is in het kader van de transparantie en verantwoordingsplicht ten aanzien van de belastingbetaler in de Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>284.</NO.P>maakt zich zorgen over de transparantie en verantwoordingsplicht ten aanzien van het publiek; spoort de Commissie aan met de lidstaten te communiceren over de passende benaming van projecten, met inbegrip van een verwijzing dat een bepaald project steun heeft ontvangen uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit; betreurt dat uit het jaarverslag 2022 van de Rekenkamer blijkt dat er zelfs op het niveau van de Commissie geen duidelijk beeld bestaat van welke specifieke projecten steun uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit ontvangen; onderstreept dat de Europese belastingbetaler het recht heeft te zien welke projecten EU-steun ontvangen, waar de projecten worden uitgevoerd en wat hun meerwaarde is; verzoekt de Commissie de zichtbaarheid te vergroten en een duidelijke benaming van projecten te eisen, hetzij in de vorm van plaques bij fysieke gebouwen of renovaties, hetzij in de vorm van kennisgevingen op websites, aankondigingen bij conferenties en opleidingen of in de vorm van gedrukte documenten;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Aanbevelingen</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>285.</NO.P>steunt de aanbevelingen van de Rekenkamer in haar jaarverslag en in de bijbehorende speciale verslagen, en is verheugd dat de Commissie de meeste daarvan aanvaardt; verzoekt de Commissie deze aanbevelingen uit te voeren en de kwijtingsautoriteit op de hoogte te houden van de vorderingen die worden gemaakt met de uitvoering ervan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>286.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">verzoekt de Commissie voorts:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(i)</SYMBOL>de controles achteraf van de blijvende bevredigende verwezenlijking van mijlpalen en streefdoelen te verbeteren, onder meer op het gebied van de rechtsstaat, en de bepalingen van de herstel- en veerkrachtfaciliteit en de vastgestelde richtsnoeren strikt toe te passen om concrete gevallen van terugdraaiing aan te pakken door gebruik te maken van duidelijke financiële maatregelen, waaronder opschorting van betalingen en terugvordering van middelen wanneer mijlpalen en streefdoelen worden teruggedraaid overeenkomstig de verordening tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit en bijbehorende methoden;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(ii)</SYMBOL>in nauwe samenwerking met de kwijtingsautoriteit verschillende opties en de relevante rechtsgrondslag in kaart te brengen om het terugdraaien van mijlpalen na afloop van de uitvoeringsperiode van de herstel- en veerkrachtfaciliteit aan te pakken;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iii)</SYMBOL>de duidelijkheid van de maatregelen en de bijbehorende mijlpalen en streefdoelen te blijven verbeteren wanneer de lidstaat een herziening van het nationale herstel- en veerkrachtplan indient, met volledige inachtneming van de horizontale beginselen van de verordening;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iv)</SYMBOL>duidelijke verificatiemechanismen op te nemen in de operationele regeling voor mijlpalen en streefdoelen om een ondubbelzinnige beoordeling van de verwezenlijking ervan mogelijk te maken en het doel ervan in toekomstige prestatiegerelateerde instrumenten beter te omschrijven, alsmede rekening te houden met het verificatiemechanisme bij het analyseren van de bevredigende verwezenlijking van mijlpalen en streefdoelen om bij te dragen aan de nauwkeurigheid van metingen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(v)</SYMBOL>in de lidstaten systeemaudits te blijven uitvoeren teneinde de toereikendheid van de systemen te controleren alsook redelijke zekerheid te verkrijgen over de naleving van de Unie- en nationale regels, met name waar het overheidsopdrachten betreft, en nauw samen te werken met de Rekenkamer om manieren te vinden om de zorgen over de zekerheidskloof weg te nemen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(vi)</SYMBOL>niet alleen te kijken naar de adequaatheid van de opzet, maar ook naar de daadwerkelijke werking van de audit- en controlesystemen van de lidstaten voor toekomstige prestatiegerelateerde instrumenten;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(vii)</SYMBOL>de lidstaten te helpen de projecten in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit binnen het voorgestelde tijdschema uit te voeren en de methode voor het classificeren van grensoverschrijdende projecten aan te passen, zodat alleen een daadwerkelijk grensoverschrijdend geografisch element in aanmerking wordt genomen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(viii)</SYMBOL>de lidstaten verder te ondersteunen bij het verhogen van hun administratieve capaciteit voor de gelijktijdige uitvoering van fondsen en hen te helpen onnodige administratieve lasten te beperken, met name voor het mkb, aanbestedingen te vereenvoudigen en te zorgen voor gerichtere informatie;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(ix)</SYMBOL>een aanhoudende dialoog met de lidstaten te voeren en hier aandacht aan te besteden, teneinde ervoor te zorgen dat hervormingen en investeringen de klimaatdoelstellingen van de verordening tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit verwezenlijken en het beginsel “geen ernstige afbreuk doen” ten volle eerbiedigen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(x)</SYMBOL>gemelde vertragingen in een vroeg stadium aan te pakken door onder meer technische bijstand te verlenen aan de lidstaten;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xi)</SYMBOL>te blijven samenwerken met de Rekenkamer om de interpretatie van mijlpalen en streefdoelen zo dicht mogelijk op elkaar af te stemmen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xii)</SYMBOL>de transparantie en presentatie van het scorebord van de herstel- en veerkrachtfaciliteit te verbeteren door mogelijke onjuiste interpretatie van cijfers uit te sluiten en de bijdrage aan veerkracht nauwkeuriger te meten als onderdeel van de evaluatie achteraf van de herstel- en veerkrachtfaciliteit;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xiii)</SYMBOL>de bepalingen met betrekking tot de “eindontvangers” van de verordening tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit consistent en nauwkeurig toe te passen en met de lidstaten te communiceren over de juiste toepassing van de definitie van “eindontvangers”;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xiv)</SYMBOL>de Rekenkamer, OLAF en het EOM toegang te verlenen tot de gegevens betreffende de herstel- en veerkrachtfaciliteit, alsook tot de Fenix-databank, in het kader van de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xv)</SYMBOL>op actieve wijze te communiceren met de lidstaten over de bevoegdheid van het EOM voor strafzaken die verband houden met middelen in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit, aangezien gevallen van corruptie en fraude met middelen in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit strafbare feiten uitmaken die de financiële belangen van de Unie schaden;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xvi)</SYMBOL>op actievere wijze te communiceren met de lidstaten over fraudepreventie en hen aan te sporen het melden van fraude digitaal en op gestandaardiseerde wijze te laten verlopen, en gebruik te maken van het beheerssysteem voor onregelmatigheden;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xvii)</SYMBOL>op geaggregeerd niveau verslag uit te brengen aan OLAF over gevallen van vermoedelijke fraude, corruptie en belangenconflicten die zij in haar eigen controles heeft ontdekt, alsook de gevallen die zijn opgenomen in door de lidstaten verstrekte beheersverklaringen, en de ontvangen informatie te beoordelen om de lidstaten zo nodig richtsnoeren aan te reiken;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xviii)</SYMBOL>de interactie tussen middelen in het kader van de cohesiefondsen en de herstel- en veerkrachtfaciliteit aan te pakken, en met name de vereisten die veeleer het gebruik van het ene fonds dan het andere kunnen vergemakkelijken, alsook samen te werken met de lidstaten en hen te begeleiden bij het selecteren van middelen op basis van hun geschiktheid en doeltreffendheid voor het project in kwestie; op actieve wijze kruiscontroles van de databanken uit te voeren om dubbele financiering te vermijden;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xix)</SYMBOL>de lidstaten aan te sporen meer aandacht te besteden aan lokale en regionale behoeften door de lidstaten te verzoeken actiever samen te werken in de vorm van een aanpak voor co-governance;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xx)</SYMBOL>de doelstelling van veerkracht en herstel goed voor ogen te houden, in het bijzonder met betrekking tot sectoren die van cruciaal belang zijn in geval van crisis, zoals de gezondheidszorg en de sector van goederen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xxi)</SYMBOL>de aanbevelingen van de Rekenkamer die voortvloeien uit haar werkzaamheden met betrekking tot de herstel- en veerkrachtfaciliteit en de bij de uitvoering opgedane ervaring waar relevant te gebruiken voor het ontwerp en de uitvoering van toekomstige prestatiegerelateerde instrumenten van de Unie;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xxii)</SYMBOL>een vergelijkbaar en evenredig niveau van nauwkeurigheid te waarborgen bij de beoordeling van mijlpalen en streefdoelen en gelijke behandeling van de lidstaten te waarborgen bij de beoordeling van de bevredigende verwezenlijking van mijlpalen en streefdoelen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xxiii)</SYMBOL>verzoekt de Commissie proactiever op te treden bij het publiceren van documenten en statistieken betreffende de manier waarop zij omgaat met verzoeken om toegang tot documenten, aangezien dergelijke informatie zou helpen bij het beoordelen van de proactieve aanpak door de instellingen betreffende toegang tot documenten; pleit ervoor dat verzoeken om toegang tot een document onverwijld worden behandeld.</ITEM></LIST></P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>