<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P9_TA(2024)0237</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Kwijting 2022: Europees Openbaar Ministerie (“EOM”)</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A9-0117/2024 - Rapporteur: Luke Ming Flanagan)</STRING></HIDDEN><TXTLST><DECISION><TI><NR>1.</NR> <STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 11 april 2024 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Openbaar Ministerie voor het begrotingsjaar 2022 (2023/2139(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Openbaar Ministerie voor het begrotingsjaar 2022,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de EU-agentschappen betreffende het begrotingsjaar 2022, vergezeld van de antwoorden van de agentschappen<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/594, 27.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de Rekenkamer<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/112, 12.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE> voor het begrotingsjaar 2022 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Raad van 22 februari 2024 betreffende de aan het Europees Openbaar Ministerie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2022 (06179/2024 – C9‑0077/2024),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012<FOOTNOTE><FIELD>PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 70,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (het “EOM”)<FOOTNOTE><FIELD>PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 94,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/715 van de Commissie van 18 december 2018 houdende de financiële kaderregeling van de bij het VWEU en het Euratom-Verdrag opgerichte organen, bedoeld in artikel 70 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad<FOOTNOTE><FIELD>PB L 122 van 10.5.2019, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 105,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 100 en bijlage V van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van de Commissie juridische zaken,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0117/2024),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>verleent de administratief directeur van het Europees Openbaar Ministerie kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Openbaar Ministerie voor het begrotingsjaar 2022;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de administratief directeur van het Europees Openbaar Ministerie, de Europese Raad, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het <STRING ITALIC="on">Publicatieblad van de Europese Unie</STRING> (L-serie).</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST><TXTLST><DECISION><TI><NR>2.</NR> <STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 11 april 2024 over de afsluiting van de rekeningen van het Europees Openbaar Ministerie voor het begrotingsjaar 2022 (2023/2139(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Openbaar Ministerie voor het begrotingsjaar 2022,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de EU-agentschappen betreffende het begrotingsjaar 2022, vergezeld van de antwoorden van de agentschappen<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/594, 27.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de Rekenkamer<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/112, 12.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE> voor het begrotingsjaar 2022 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Raad van 22 februari 2024 betreffende de aan het Europees Openbaar Ministerie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2022 (06179/2024 – C9‑0077/2024),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012<FOOTNOTE><FIELD>PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 70,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (het “EOM”)<FOOTNOTE><FIELD>PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 94,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/715 van de Commissie van 18 december 2018 houdende de financiële kaderregeling van de bij het VWEU en het Euratom-Verdrag opgerichte organen, bedoeld in artikel 70 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad<FOOTNOTE><FIELD>PB L 122 van 10.5.2019, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 105,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 100 en bijlage V van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van de Commissie juridische zaken,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0117/2024),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van het Europees Openbaar Ministerie voor het begrotingsjaar 2022;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de administratief directeur van het Europees Openbaar Ministerie, de Europese Raad, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het <STRING ITALIC="on">Publicatieblad van de Europese Unie</STRING> (L-serie).</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST><TXTLST><RESOL><TI><NR>3.</NR> <STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 11 april 2024 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Openbaar Ministerie voor het begrotingsjaar 2022 (2023/2139(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Openbaar Ministerie voor het begrotingsjaar 2022,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 100 en bijlage V van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van de Commissie juridische zaken,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0117/2024),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat het Europees Openbaar Ministerie (EOM) het onafhankelijke openbaar ministerie van de Unie is en verantwoordelijk is voor het onderzoeken en vervolgen van strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden en het voor de rechter brengen van daders van en medeplichtigen aan strafbare feiten als bedoeld in Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt<FOOTNOTE><FIELD>PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29.</FIELD></FOOTNOTE> en die worden genoemd in Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (het “EOM”);</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat de bevoegdheid van het EOM verschillende soorten fraude omvat, waaronder btw-fraude met schade van meer dan 10 miljoen EUR, witwassen van geld, corruptie en andere vormen van fraude, waarbij het EOM de functie van aanklager uitoefent bij de bevoegde rechtbanken van de deelnemende lidstaten, totdat de zaak definitief is beslecht;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat het EOM een van de componenten van de fraudebestrijdingsarchitectuur van de Europese Unie is en dat de acties ervan als zodanig worden gecoördineerd met en een aanvulling vormen op die van de andere componenten van die architectuur, teneinde een eindresultaat te bereiken dat groter is dan de som van de onderdelen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat het EOM tussenbeide komt in een scenario waarin alleen de nationale autoriteiten deze strafbare feiten konden onderzoeken en vervolgen, maar hun prerogatieven ophielden bij de grenzen van hun land, en andere organisaties zoals Eurojust, OLAF en Europol niet over de nodige bevoegdheden beschikten om de desbetreffende strafrechtelijke onderzoeken en vervolgingen uit te voeren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat de procedurele handelingen van het EOM onderworpen zijn aan rechterlijke toetsing door de nationale rechtbanken en dat het Europees Hof van Justitie – door middel van prejudiciële beslissingen of rechterlijke toetsing van die handelingen – residuele bevoegdheden heeft om een consistente toepassing van het EU-recht te waarborgen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat het EOM bestaat uit een centraal niveau, met hoofdkantoor in Luxemburg, bestaande uit de Europees hoofdaanklager, 22 Europese aanklagers (één per deelnemend EU-land) en de administratief directeur, en een gedecentraliseerd (nationaal) niveau, bestaande uit de gedelegeerd Europese aanklagers in de 22 deelnemende EU-lidstaten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat de Europees hoofdaanklager en de 22 Europese aanklagers op centraal niveau het college van het EOM vormen en toezicht houden op de onderzoeken en vervolgingen die worden uitgevoerd door de gedelegeerd Europese aanklagers op nationaal niveau, die volledig onafhankelijk opereren van hun nationale autoriteiten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat de administratief directeur, als verantwoordelijke binnen het EOM, op grond van artikel 93 van Verordening (EU) 2017/1939 de begroting onder zijn eigen verantwoordelijkheid en binnen de in de begroting gestelde grenzen uitvoert, en dat hij de begrotingsautoriteit jaarlijks alle informatie toezendt die relevant is voor de bevindingen van de evaluatieprocedures;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat de rekenplichtige van de Commissie overeenkomstig artikel 50, lid 2, van de financiële regels van het EOM ook optreedt als rekenplichtige van het EOM en verantwoordelijk is voor het opstellen van de jaarrekening, die geconsolideerd wordt met die van de Unie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat in het huidige kader de definitieve jaarrekening door de Rekenkamer wordt onderzocht en dat het aan de Raad is aan te bevelen en het Europees Parlement te besluiten of de administratief directeur van het EOM al dan niet kwijting wordt verleend voor de uitvoering van de begroting van een bepaald begrotingsjaar;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat het EOM met zijn operationele activiteiten is begonnen op 1 juni 2021 en pas autonoom opereert wat de uitvoering van zijn begroting betreft sinds 24 juni 2021, en dat dit korte tijdsbestek slechts ruimte laat voor een beperkte vergelijkende analyse en vaststelling van trends;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat de regels voor het beheer van de middelen van het EOM en de daarmee verband houdende uitgaven moeten worden aangepast aan de specifieke kenmerken van vervolgings- en onderzoeksacties en dat de desbetreffende bepalingen van het Financieel Reglement momenteel worden besproken in het kader van de herschikking van dit reglement en, in een ruimere context, tussen het EOM en de Commissie;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>is ingenomen met het positieve advies van de Europese Rekenkamer over de betrouwbaarheid van de rekeningen van het EOM voor het per 31 december 2022 afgesloten jaar en over de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende ontvangsten en betalingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>herinnert aan de krachtige steun van het Parlement voor de oprichting van het EOM; onderkent de belangrijke rol van het EOM als een onafhankelijk orgaan van de Unie en benadrukt dat het EOM een bijzondere verantwoordelijkheid draagt jegens de andere instellingen en het grote publiek op de gebieden die onder het rechtssysteem vallen; geeft blijk van zijn grote respect en zijn waardering voor het werk dat het EOM verricht bij het onderzoeken, vervolgen en veroordelen van strafbare feiten ten nadele van de Unie-begroting en de financiële belangen van de Unie, zoals fraude, corruptie en ernstige grensoverschrijdende btw-fraude; erkent de belangrijke rol die het EOM speelt om bij de bescherming van de financiële belangen van de Unie en met name van de begroting van de Unie; herinnert eraan dat de unieke rol van het EOM in het Unie-kader voor rechtshandhaving als openbaar ministerie de verplichting voor het EOM inhoudt om alle aangelegenheden die onder zijn bevoegdheid vallen, te onderzoeken wanneer deze onder zijn aandacht worden gebracht;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Budgettair en financieel beheer</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>merkt op dat de totale definitieve begroting die in 2022 aan het EOM was toegewezen 51,2 miljoen EUR bedroeg, een verlaging ten opzichte van de oorspronkelijke dotatie van 57,1 miljoen EUR en een aanzienlijke verhoging ten opzichte van de 35,4 miljoen EUR die was toegewezen in 2021; merkt op dat het terugbetaalde bedrag van 5,9 miljoen EUR (10 % van de oorspronkelijke begroting voor 2022) een verbetering is ten opzichte van 2021, toen 9,5 miljoen EUR werd teruggestort in de begroting van de Unie (21 % van de oorspronkelijke begroting voor 2021); merkt op dat het genoemde bedrag in 2022 geleidelijk is teruggestort omdat er deels een te hoge inschatting was gemaakt van de daadwerkelijke behoeften (voor taalkundige diensten: 65 % hoger) en het deels onmogelijk was om het bedrag te gebruiken voor de terugbetaling van de uitzonderlijk dure onderzoeken van de deelnemende lidstaten, bijvoorbeeld artikel 91, lid 6, van Verordening (EU) 2017/1939 (door het Financieel Reglement verboden totdat in 2023 een afwijking werd toegestaan), en ook vanwege de vertraagde start van de selectie en aanwerving van nieuwe personeelsleden (die gepland had moeten worden in 2021, maar pas later mogelijk werd, met de goedkeuring van de begroting 2022);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>merkt op dat het alleen mogelijk is de begrotingsprestaties van het EOM te vergelijken voor de periode na zijn financiële autonomie, die van start is gegaan in juni 2021; is ingenomen met het bevredigende uitvoeringspercentage van de begroting van 98,1 % van de vastleggingskredieten (tegenover 97,4 % in 2021) en 76,6 % van de betalingskredieten (tegenover 78,2 % in 2021); waardeert het dat het totale uitvoeringspercentage voor betalingen in 2022 is gestegen, waarbij 76,6 % van de betalingskredieten in de definitieve begroting is voltooid, tegenover 71 % in 2021; merkt op dat de gemiddelde betalingstermijn in 2022 is toegenomen tot 23,8 dagen in vergelijking met 21,0 dagen in 2021 en begrijpt dat deze trend verband houdt met de aanzienlijke toename van het aantal verwerkte betalingsverzoeken gedurende het jaar (2 316 betalingsverzoeken ten opzichte van 657 in 2021, een stijging van 252 %); moedigt het EOM nogmaals aan de elektronische factureringsmodule (e-facturering), die pas in 2023 van start is gegaan, verder in te voeren, om de administratieve lasten, de betalingstermijn en de totale verwerkingskosten te verminderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>merkt op dat het EOM, na het bereiken van zijn financiële autonomie, in juni 2021, prioriteit heeft gegeven aan de operationele uitgaven in verband met onderzoek, vervolging en veiligheidsmaatregelen, door niet-operationele uitgaven te beperken tot essentiële nalevingsvereisten en een basisniveau van ondersteunende diensten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>wijst op de stijgende trend in een aantal begrotingslijnen voor operationele uitgaven; merkt op dat de bezoldiging van de gedelegeerd Europese aanklagers 8,7 miljoen EUR bedroeg en de belangrijkste operationele uitgaven vormt vanwege het toegenomen aantal gedelegeerd Europese aanklagers dat actief was in 2022; merkt op dat de kosten van dienstreizen en operationele vergaderingen 5,2 % van de operationele uitgaven vertegenwoordigden (1,1 miljoen EUR), tegenover 2,9 % in 2021, en dat alleen al voor dienstreizen de stijging in 2022 ten opzichte van 2021 (nadat het EOM financiële autonomie verwierf) 170 % bedroeg, als gevolg van de toename van het personeelsbestand en de externe activiteiten in het eerste volledige operationele jaar; merkt tevens op dat 2,8 miljoen EUR werd vastgelegd voor vertaaldiensten, wat neerkomt op 14 % van de operationele uitgaven, tegenover 7,6 % in 2021; erkent de noodzaak van extra middelen voor vertaling, gezien de verwachte toename van het aantal onderzoekszaken in de komende jaren; verzoekt het EOM het Parlement te informeren over zijn plannen om het gebruik van geautomatiseerde vertaaldiensten verder uit te breiden via het intern ontwikkelde vertaalportaal en het toegenomen gebruik van nationale beëdigde vertalers die door de deelnemende lidstaten worden betaald;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>merkt op dat een prognose van de uitgaven in verband met de activiteiten van het EOM zeer complex is vanwege het niveau van de opsporing van fraude, de typologie en aard van de zaken, de efficiëntie van het EOM bij het leiden van onderzoeken en vervolgingen, gelet op het verplichte karakter ervan en de procedures en beperkingen van de nationale rechtsstelsels, het ontbreken van een vaste correlatie tussen het aantal onderzoeken en de kosten ervan, en ten slotte, maar niet in de laatste plaats, de omvang van de te beschermen financiële belangen van de Unie, evenals de plannen van Polen en Zweden om zich bij het EOM aan te sluiten; merkt ook op dat het moeilijk is om de uitgaven voor de werklast in verband met de herstel- en veerkrachtfaciliteit (Recovery and Resilience Facility, RRF) te ramen vanwege de ongeziene uitvoeringswijze en de enorme omvang van de middelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>herinnert aan zijn oproep om met de gevolgen van de uitrol van de RRF rekening te houden in de prognose die het EOM in het kader van de begrotingsprocedure aan de Commissie moet meedelen; deelt de mening dat de werklast van het EOM, die aanvankelijk te laag was ingeschat, de afgelopen jaren significant is toegenomen en de komende jaren zal blijven toenemen, met name het aantal RRF-zaken (in 2022 zijn slechts 15 zaken geopend, maar in 2023 zullen er meer worden geopend, aangezien de RRF dan haar uitvoeringspiek bereikt) en dat een groter aantal zaken in de procesfase een andere focus zal vereisen dan zaken in de onderzoeksfase;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>erkent dat het EOM duidelijk bijdraagt aan Europese meerwaarde op het gebied van coördinatie en samenwerking met de lidstaten bij het onderzoeken en vervolgen van misdrijven die de financiële belangen van de Unie schaden, en dat het EOM in dit verband de doelstellingen van Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 heeft bereikt; verwacht dat de lidstaten aan de wettelijke verplichtingen voldoen en alle relevante zaken aan het EOM rapporteren; stelt met bezorgdheid vast dat de lidstaten in meerdere gevallen misdrijven met gevolgen voor de financiële belangen van de Unie als nationale zaken hebben gemeld, die onder het mandaat van het EOM vallen; stelt vast dat de bevoegdheidsvraag tussen de nationale autoriteiten en de Europese gedelegeerde aanklagers in meerdere zaken en in meerdere landen aan de orde is gesteld; is zich ervan bewust dat, overeenkomstig artikel 25, lid 6, van Verordening (EU) 2017/1939, verschillen van mening over de bevoegdheden van het EOM opgelost moeten worden door dezelfde nationale gerechtelijke autoriteit als die welke verantwoordelijk is voor het bepalen van het orgaan dat op nationaal niveau voor vervolging verantwoordelijk is; betreurt het dat in veel deelnemende landen de toepasselijke procedures en de nationale autoriteiten die belast zijn met het nemen van besluiten in dergelijke gevallen van bevoegdheidsgeschillen niet in overeenstemming met Verordening (EU) 2017/1939 zijn vastgesteld, en benadrukt dat bij bevoegdheidsgeschillen tussen het EOM en een nationaal openbaar ministerie de nationale autoriteit die verantwoordelijk is voor het toewijzen van de bevoegdheid tot een conclusie zou kunnen komen zonder indiening van een verzoek om een prejudicieel besluit van het Hof van Justitie, maar in de vorm van een bindend besluit voor het EOM, en geeft aan dat dit indruist tegen de geest van Verordening (EU) 2017/1939, waarin staat dat het Hof van Justitie, overeenkomstig artikel 267 VWEU, gemachtigd is een prejudicieel besluit te nemen over de interpretatie van de bepaling betreffende bevoegdheidsgeschillen tussen het EOM en nationale autoriteiten; is van oordeel dat de huidige situatie juridisch gezien onduidelijk is; spoort alle lidstaten aan nauwer samen te werken met het EOM; onderstreept dat de bevoegdheden van het EOM duidelijk zijn vastgesteld in artikel 22, de leden 1 en 2, en in artikel 23, en dat alle lidstaten zich aan Verordening (EU) 2017/1939 moeten houden; stelt vast dat wanneer lidstaten twijfels hebben over de bevoegdheid van het EOM in een specifiek geval, zij overeenkomstig artikel 267 VWEU en artikel 42, lid 2, punt c), van Verordening (EU) 2017/1939 een verzoek om een prejudicieel besluit kunnen indienen bij het Hof van Justitie: verzoekt de Commissie gevallen waarin er sprake is van een inbreuk op Verordening (EU) 2017/1939 voor te leggen aan het Hof van Justitie; stelt met bezorgdheid vast dat de kwestie van de bevoegdheid erin kan resulteren dat onderzoeken stil komen te liggen; maakt zich zorgen over het risico dat bewijs verloren kan gaan wanneer zaken tijdelijk stil worden gelegd; verzoekt de Commissie met het oog op het evaluatieverslag dat in 2026 zal worden gepresenteerd informatie te verzamelen over gevallen waarin sprake is van bevoegdheidsgeschillen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>stelt vast dat, in 2022, van de 15 actieve RRF-gevallen die in het jaarverslag van het EOM worden vermeld 9 zich voordeden in Italië, 2 in Portugal, 3 in Roemenië en 1 in Kroatië; verzoekt het EOM met klem te kijken naar fraudepatronen in landen met meer dan een RRF-geval en zowel OLAF als de Recovery and Resilience Task Force van deze patronen op de hoogte te brengen om eerst en vooral te voorkomen dat zich sowieso gevallen van fraude voordoen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>merkt op dat het EOM momenteel naar schatting 170 actieve onderzoeken in meer dan zeven landen met betrekking tot RRF-zaken heeft lopen en dat de schade in deze actieve onderzoeken momenteel wordt geschat op 530 miljoen EUR; merkt op dat het EOM verwacht dat het aantal nieuwe actieve onderzoeken met middelen in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit zal toenemen naarmate meer landen ontvangers van RRF-middelen worden, en moedigt het EOM aan zijn begroting en capaciteit dienovereenkomstig te plannen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>onderstreept met betrekking tot de aan het EOM toegewezen middelen dat de budgettaire en personele middelen toereikend moeten zijn om de efficiënte en succesvolle uitvoering van zijn opdracht en de normale afhandeling van de desbetreffende administratieve procedures mogelijk te maken; verzoekt de Commissie het begrotingskader van het EOM samen met het EOM aan een grondige toetsing te onderwerpen om passende manieren te vinden om het EOM bij zijn werkzaamheden te ondersteunen, in de wetenschap dat er in het kader van een toenemend aantal complexe zaken extra middelen nodig zullen zijn en dat deze niet afhankelijk mogen zijn van de herziening van Verordening (EU) 2017/1939 en/of van zijn mandaat; merkt op dat ook in dit verband een toenemend aantal juridische uitdagingen wordt verwacht, waarbij vraagtekens zullen worden geplaatst bij de interpretatie van het rechtskader van het EOM en de integratie ervan in de rechtsstelsels van de lidstaten, of voor het Hof van Justitie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>begrijpt met betrekking tot het gebruik van de aan het EOM toegewezen middelen dat het EOM permanent een actualisering en herziening uitvoert van zijn interne financiële regels inzake de financiële aspecten van zijn operaties; is in dit verband ingenomen met de lopende dialoog met de Commissie en neemt kennis van het feit dat, in overeenstemming met de suggesties van de Commissie, bij een recent besluit van het college van het EOM de financiële regels van het EOM zijn gewijzigd door de mogelijkheid toe te voegen om overeenkomsten te sluiten met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en om contracten te sluiten zonder gebruik te maken van een openbare aanbestedingsprocedure, wanneer een aanbesteding niet mogelijk is;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>begrijpt dat in 2022 een experimentele kaderovereenkomst is gesloten voor de terugbetaling van verzoeken uit hoofde van artikel 91, lid 6, van Verordening (EU) 2017/1939, ter dekking van uitzonderlijk dure onderzoeksmaatregelen die namens het EOM op nationaal niveau worden uitgevoerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>wijst erop dat het mogelijk moet worden gemaakt om artikel 91, lid 6, van Verordening (EU) 2017/1939 naar behoren uit te voeren en onderstreept dat de bijzondere kenmerken van uitgaven voor vervolging en onderzoek (met inbegrip van de uitzonderlijke gevallen van operationele uitgaven van het EOM die onder artikel 91, lid 6, vallen) in aanmerking moeten worden genomen; betreurt dat het voorstel dat naar voren is gebracht in de trialoogonderhandelingen over de herschikking, is ingetrokken; is van mening dat de Commissie, in overleg met het EOM, alternatieven moet onderzoeken om een doeltreffende en efficiënte uitvoering van de bepaling mogelijk te maken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>benadrukt dat na de start van de operationele activiteiten van het EOM het financieel memorandum van 2017 niet langer geschikt was voor het beoogde doel vanwege een aanzienlijk onderschatte werklast, en dat hiervan geen actualisering is voorgesteld; is in dit verband van mening dat het ontbreken van een tussentijdse begrotingsherziening voor het EOM het EOM belet duidelijk zicht te krijgen op de middelen die beschikbaar zijn voor de toekomstige activiteiten in verband met de reeds gestarte zaken en te anticiperen door voorbereidende activiteiten voor de uitvoering van de begroting te starten vóór het einde van het proces voor de vaststelling van de begroting;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>herhaalt zijn standpunt dat het ontbreken van een kader voor middelen op de middellange termijn voor het EOM, zowel wat begroting als wat personeel betreft, in een tijd waarin de activiteiten snel moeten worden opgevoerd en administratieve grondslagen moeten worden gelegd, de opties beperkt die beschikbaar moeten worden gesteld om maximale flexibiliteit te bereiken bij de opbouw van een organisatorische infrastructuur voor een project dat zo innovatief is als het EOM;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>neemt kennis van het feit dat het EOM streeft naar samenwerking en coördinatie met de lidstaten met betrekking tot de wijze waarop fraude die gevolgen heeft voor de RRF, in de onderzoeks- en vervolgingsfase aan het EOM moet worden gemeld en moet worden behandeld, en de wijze waarop het EOM in dit verband doeltreffend kan optreden; is van oordeel dat de betrokkenheid van het EOM bij het onderzoeken en instellen van vervolging in fraudedossiers in verband met RRF-middelen van essentieel belang is voor de bescherming van de financiële belangen van de Unie; herinnert eraan dat het EOM een onafhankelijk orgaaan van de Unie is en herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om het EOM passende richtsnoeren te verstrekken over het ondersteunen en bevorderen van het nemen van corrigerende maatregelen na de onafhankelijke opsporing en vervolging van fraude met betrekking tot de RRF, en de begrotingsautoriteit op de hoogte te houden van de beschikbare opties;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Intern beheer, prestaties en interne controle</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>neemt kennis van de toename van het aantal aan het EOM voorgelegde misdaadmeldingen (3 318 in 2022 tegenover 2 832 in 2021) en de daaruit voortvloeiende toename van het aantal ingestelde onderzoeken (865 in 2022, met een geschatte schade van 9,9 miljard EUR, tegenover 576 in 2021, met een geschatte schade van 5,4 miljard EUR); merkt op dat het aantal afgesloten zaken (251 in 2022 tegenover 57 in 2021) en het aantal tenlasteleggingen (87 in 2022 tegenover 5 in 2021) samen met de door het EOM verkregen bevriezingsbevelen alleen al in 2022 neerkwamen op 359,1 miljoen EUR (tegenover een gevraagd bedrag van 516 miljoen EUR); merkt op dat in 2022 20 zaken zijn afgesloten bij het Hof van Justitie, en acht het belangrijk dat het EOM systematisch verslag uitbrengt over de follow-up van deze zaken wat de vastgestelde financiële maatregelen betreft (confiscatie en/of terugvordering) om een beter zicht te krijgen op de gevolgen van de acties van het EOM; verzoekt de Commissie na te gaan wat de meest geschikte manieren zijn om het EOM bij te staan bij het toezicht en de follow-up, zodat de middelen van het EOM niet worden onttrokken aan zijn onderzoeks- en vervolgingstaken; moedigt het EOM aan om, waar mogelijk en passend, beter samen te werken met andere componenten van de fraudebestrijdingsarchitectuur, zoals Eurojust en Europol, of, via OLAF, gebruik te maken van de in de lidstaten gevestigde coördinatiediensten voor fraudebestrijding (Anti-Fraud Coordination Services, AFCOS);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>verzoekt het EOM een systeem in te voeren om toezicht te houden op efficiëntiewinsten en tijd- en kostenbesparingen, en waardeert de invoering van een kwaliteitsbeheersysteem om belangrijke processen te optimaliseren en te komen tot een verbetering van de organisatorische prestaties, de kwaliteit van de dienstverlening en de kosteneffectiviteit; begrijpt dat sommige procedures zijn herzien om onnodige administratieve lasten en overbodig werk te verminderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>begrijpt dat het EOM bij zijn activiteiten een risicogebaseerde benadering hanteert, met bijzondere aandacht voor het identificeren van gebieden met een hoog risico; is ingenomen met de vaststelling van het administratief beleid inzake interne controle van het EOM en verzoekt het management van het EOM toe te zien op de doeltreffende uitvoering van de 17 internecontrolebeginselen, om ervoor te zorgen dat deze voortdurend worden aangepast aan het groeitraject van het EOM naar organisationele maturiteit; waardeert in dit verband de onlangs uitgevoerde beoordeling die heeft geresulteerd in een routekaart voor de uitvoering met bijzondere aandacht voor de vastgestelde tekortkomingen; wijst op de vaststelling dat de belangrijkste resterende gebieden met een hoog risico te wijten zijn aan een gebrek aan middelen (wanneer het EOM wordt gedwongen te kiezen tussen activiteiten die even essentieel zijn voor de uitvoering van zijn mandaat of wanneer er geen redelijke zekerheid is over de naleving van alle administratieve normen);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>is ingenomen met de vaststelling van kernprestatie-indicatoren (KPI’s) voor zowel operationele als administratieve activiteiten, die verband houden met het jaarlijkse en meerjarige werkprogramma; merkt op dat de belangrijkste KPI’s voor operationele activiteiten geen specifieke verwijzing bevatten naar de bedragen uit de begroting van de Unie die worden teruggevorderd, hoewel de bescherming van die begroting uiteindelijk de bestaansreden is van de fraudebestrijdingsarchitectuur, waarvan het EOM een belangrijk onderdeel is; verzoekt het EOM indicatoren vast te stellen die verband houden met de verwezenlijking van deze essentiële taak;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>waardeert de goedkeuring door het college van het EOM in 2022 van het handvest en het risicogebaseerd auditplan van de interne-auditcapaciteit, waarin de prioriteiten voor interne audit voor 2022-2024 zijn vastgesteld; moedigt de dienst Interne Audit (Internal Audit Service, IAS) en de interne-auditcapaciteit (Internal Audit Capability, IAC) aan hun acties te coördineren teneinde het EOM te adviseren en bij te staan bij de vaststelling van zijn belangrijkste processen en de verwezenlijking van zijn doelstellingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>dringt aan op een beter systeem voor het monitoren van resultaten en het volgen van de financiële impact van de werkzaamheden van het EOM; wijst op de noodzaak van meer geaggregeerde gegevens over zaken om fraudepatronen beter in kaart te brengen; moedigt verdere coördinatie met Europol op dit gebied aan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>merkt op dat het EOM ernaar streeft de beheersnormen van de Unie voor openbaar bestuur volledig na te leven, en herinnert eraan dat de vaststelling van een alomvattend bedrijfscontinuïteitsplan tot die basisvereisten behoort;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Personele middelen, gelijkheid en welzijn van het personeel</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>neemt kennis van de stijgende trend van het aantal personeelsleden, van 58 in 2020 tot 122 in 2021 en 217 eind 2022; neemt kennis van het feit dat het EOM voor 2022 heeft verzocht om 171 tijdelijke functionarissen, 48 arbeidscontractanten en 29 gedetacheerde nationale deskundigen, in totaal 248 posten (situatie in 2021: 95 tijdelijke functionarissen, 35 arbeidscontractanten en 0 gedetacheerde nationale deskundigen, in totaal 130 posten); merkt op dat de begrotingsautoriteit 100 % van de gevraagde posten heeft toegekend;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>wijst erop dat de inspanningen van het EOM om voldoende gekwalificeerd personeel aan te werven door middel van snelle procedures in 2022 hebben geleid tot de aanwerving van 85 statutaire functionarissen in het centrale bureau en 22 gedelegeerd Europese aanklagers in de nationale kantoren; merkt op dat, met een bezetting eind 2022 van 217 van de 248 begrote posten, de bezettingsgraad van de door tijdelijke functionarissen, arbeidscontractanten en gedetacheerde nationale deskundigen bezette posten is gedaald tot 87,5 % (tegenover 94 % in 2021), terwijl de bezettingsgraad voor de gedelegeerd Europese aanklagers is gestegen tot 82,1 % (met een bezetting van 115 van de 140 hiervoor begrote posten), tegenover 68 % in 2021 (met een bezetting van slechts 95 van de 140 hiervoor begrote posten), waardoor de totale bezettingsgraad op 85,56 % komt (tegenover 81 % in 2021);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>28.</NO.P>onderstreept dat het EOM, toen het in 2023 werd bezocht tijdens de dienstreis in het kader van begrotingscontrole naar Luxemburg, heeft aangegeven dat dringend meer juridische deskundigen nodig zijn om het grote aantal onderzoeken te behandelen; merkt op dat er in 2022 meer dan 1 117 actieve onderzoeken waren (statistieken EOM 2022); erkent dat de Commissie al actief is op dit gebied, maar vraagt om meer capaciteit, met name gezien de achterstanden en extra aan de RRF gerelateerde zaken en verreikende btw-fraude; wijst erop dat de Commissie de behoeften en capaciteit mogelijk heeft onderschat; erkent dat DG Begroting en de Commissie tot nu toe aan de verzoeken van het EOM hebben voldaan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>29.</NO.P>begrijpt dat het aantal administratieve en centrale ondersteunende functies naar verwachting zal toenemen, in overeenstemming met het grotere personeelsbestand voor operationele activiteiten, en dat extra aanwervingen ook van cruciaal belang zullen zijn op het gebied van digitale en veiligheidsdiensten; waardeert het dat de aanvullende operationele behoeften zijn opgenomen in het programmeringsdocument 2024-2026 van het EOM en het begrotingsverzoek voor 2024;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>30.</NO.P>is zich ervan bewust dat de Luxemburgse arbeidsmarkt zeer concurrerend is en dat de door de administratie van de Unie geboden voorwaarden niet aantrekkelijk zijn ten opzichte van de lokale markt (met uiteenlopende salarisindexeringen gedurende het jaar), noch voldoende rekening houden met de hoge kosten van levensonderhoud (met name op het gebied van huisvesting); begrijpt dat deze moeilijke situatie nog nijpender is voor stagiairs en arbeidscontractanten, en dat arbeidscontractanten daarom geleidelijk worden afgebouwd ten gunste van tijdelijke functionarissen, aangezien deze een gunstiger contract hebben; merkt op dat het aantrekken en behouden van personeel in 2022 nog moeilijker is geworden als gevolg van de inflatie en de hogere kosten van levensonderhoud, en dat de compensatiecijfers niet hetzelfde positieve effect hebben als buiten de administratie van de Unie, waar de nationale loonindexeringen de koopkracht van de burgers hebben gehandhaafd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>31.</NO.P>merkt op dat het EOM minder aantrekkelijk is geworden dan de vier andere Unie-instellingen die vanuit Luxemburg opereren, aangezien het geen mogelijkheid kan bieden om Europees ambtenaar te worden; geeft aan dat het EOM arbeidscontractanten en uitzendkrachten een aantrekkelijk salaris moet kunnen bieden dat concurrerend is met hetgeen in de privésector wordt geboden, ook op het gebied van juridische diensten en IT-diensten, om de beste en meest getalenteerde mensen met internationale ervaring aan te trekken; onderstreept dat de huidige salarissen en begroting misschien moeten worden aangepast om dit te weerspiegelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>32.</NO.P>merkt op dat eind 2022 in het algemeen een behoorlijk geografisch en genderevenwicht was gerealiseerd onder de 217 personeelsleden (met 122 mannen en 95 vrouwen); is ermee ingenomen dat de uitsplitsing naar nationaliteit van het personeelsbestand van het EOM voortdurend wordt gemonitord door het aanwervende personeel, om te zorgen voor evenwicht, met name in het licht van de ongelijke verdeling van sollicitanten; merkt echter op dat de genderverdeling in de hogere en middenkaderfuncties (vier tot één) nog steeds suboptimaal is en herhaalt dat dit aspect moet worden verbeterd in het kader van de algemene diversiteitsstrategie, met inbegrip van passende aanmoediging voor mensen met een handicap om te solliciteren; herhaalt zijn verzoek aan het EOM om onverwijld zijn handvest inzake diversiteit en inclusie vast te stellen, rekening houdend met de personeelsuitbreiding in het afgelopen jaar;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>33.</NO.P>merkt op dat eind 2022 275 van de 332 personeelsleden (82,83 %, tegenover 186 personeelsleden, of 86 %, in 2021) werden ingezet voor onderzoeksactiviteiten (tijdelijke functionarissen, arbeidscontractanten, gedetacheerde nationale deskundigen en gedelegeerd Europese aanklagers), terwijl 57 personeelsleden waren aangesteld in functies voor administratieve ondersteuning en controle (17,17 %) en negen onderzoeksposten vacant waren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>34.</NO.P>merkt op dat de benoeming van gedelegeerd Europees aanklagers een gedeelde verantwoordelijkheid is van het EOM en de lidstaten; benadrukt dat de benoemingsprocedure altijd in overeenstemming moet zijn met artikel 17 van Verordening (EU) 2017/1939 en het beginsel van nationale autonomie inzake procedures;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>35.</NO.P>is verheugd over het toegenomen aantal gedelegeerd Europese aanklagers dat in verschillende lidstaten werd aangeworven; is van mening dat de deelname van gekwalificeerde kandidaten kan worden verbeterd en dat de benoemingsprocedure selectiever kan zijn door te zorgen voor een duidelijk loopbaanperspectief en een gunstiger administratieve regeling op het gebied van sociale zekerheid en ziektekostenverzekering; is van mening dat de invoering van een specifieke status voor gedelegeerd Europese aanklagers, rekening houdend met de aard van hun gerechtelijke functie, deze posten aantrekkelijker zou maken; verzoekt het EOM en de Commissie alle mogelijke oplossingen te onderzoeken om hun dialoog met het oog op het bereiken van dit resultaat te versterken, rekening houdend met de voordelen die dit zou opleveren op het gebied van vaardigheden en operationele efficiëntie; herhaalt zijn overtuiging dat deze situatie extra munitie biedt ter ondersteuning van het pleidooi voor een herziening van Verordening (EU) 2017/1939 en de status van het EOM;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>36.</NO.P>merkt op dat het EOM nog steeds externe dienstverleners in dienst heeft die werken in de gebouwen va het EOM (39 personeelsleden in 2022); neemt kennis van het feit dat het EOM in 2022 opnieuw een beroep heeft moeten doen op uitzendkrachten voor financiële transacties, in strijd met zijn eigen financiële regels; begrijpt dat het besluit hierover, dat op transparante wijze openbaar werd gemaakt, noodzakelijk was om het beschikbare statutaire personeel te kunnen inzetten in onderzoeks- en vervolgingsfuncties; merkt echter op dat het EOM niet langer afhankelijk is van uitzendkrachten voor de verwerking van financiële transacties nu zijn personeelscapaciteit is uitgebreid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>37.</NO.P>neemt kennis van de hogere kosten van opleidingen in 2022 en begrijpt dat dit heeft geleid tot een intensiever gebruik van het EU Learn-platform, waarvan de kosten bijna zijn verdubbeld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>38.</NO.P>benadrukt dat er momenteel twee regelingen gelden voor flexibel werk en telewerk, dat het in oktober 2021 vastgestelde besluit van het college van het EOM inzake arbeidstijd alleen van toepassing is op de aanklagers en de administratief directeur, en dat het in december 2022 vastgestelde besluit van het college van het EOM van toepassing is op het overige personeel; benadrukt dat beide besluiten gelijktijdig van kracht zijn en worden toegepast op de respectieve adressaten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>39.</NO.P>begrijpt dat het eerste besluit restrictiever is en ervoor zorgt dat de arbeidstijd en bijbehorende opties voor managementniveaus aangepast zijn aan de eisen van het EOM, om de consistentie en continuïteit van de besluitvormingsprocessen te waarborgen, terwijl het tweede gericht is op het optimaliseren van het evenwicht tussen werk en privéleven; merkt op dat een soortgelijk onderscheid wordt gemaakt voor de telewerkregeling, waarbij het management maximaal 60 dagen per kalenderjaar mag telewerken, terwijl het overige personeel ervoor kan kiezen om tussen 20 % en 60 % van de wekelijkse arbeidstijd te telewerken; merkt op dat beide groepen personeelsleden maximaal 10 werkdagen kunnen telewerken vanuit het buitenland; moedigt het EOM aan zijn personeel te raadplegen door een enquête te houden om de mate van tevredenheid te verifiëren en het personeelscomité te raadplegen over eventuele verdere besluiten die over deze kwestie moeten worden genomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>40.</NO.P>merkt op dat er geen gevallen van burn-out of intimidatie zijn gemeld en dat het aantal langdurig zieken zeer beperkt is; is ingenomen met de goedkeuring van een gestructureerde procedure voor het melden van gevallen van intimidatie door de Europees hoofdaanklager en de Europese aanklagers, alsook met de bekendmaking ervan aan alle personeelsleden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>41.</NO.P>is ingenomen met het feit dat het welzijn van het personeel een belangrijke dimensie zal vormen van de bredere inzet van het HR-kader en dat het EOM meer middelen zal uittrekken voor het welzijn van het personeel; moedigt het EOM met klem aan zijn huidige en toekomstige beleid inzake inclusie, intimidatie en gelijkheid te harmoniseren en periodiek enquêtes onder zijn personeel te houden, waar mogelijk door het bevorderen van collegiale toetsing met andere componenten van de fraudebestrijdingsarchitectuur (Eurojust, OLAF enz.), en in het algemeen diversiteit aan te moedigen om de werkplek aantrekkelijker te maken voor kandidaten met specifieke behoeften;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>42.</NO.P>merkt op dat er in 2022 geen stagiairs zijn aangeworven, maar dat bij het voorbereidende werk om de voorwaarden voor toekomstige HR-managementcomponenten vast te stellen, stages zijn geïdentificeerd als voorwaarde; steunt het voorstel voor en de uitvoering van een proefprogramma voor stages begin 2023, waarvan de resultaten momenteel worden onderzocht met het oog op de uitvoering van een stageprogramma vanaf 2024; benadrukt dat de uitdagingen die voortvloeien uit de kosten van levensonderhoud in Luxemburg een aanzienlijk obstakel vormen voor potentiële stagiairs; stelt dat stages moeten worden bezoldigd om te worden afgestemd op de resolutie van het Europees Parlement van 14 juni 2023 betreffende hoogwaardige stages in de EU (2020/2005(INL)), waarin wordt gepleit voor betaling van alle stagiairs in Europa;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Ethisch kader en transparantie</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>43.</NO.P>merkt op dat de gedragscode van het EOM de verwachte gedragsnormen voor werknemers op alle niveaus bevat en dat de ethische besluitvormingsprocessen in 2022 werden versterkt door specifieke richtsnoeren in te voeren voor het aanpakken van ethische dilemma’s en het nemen van ethische beslissingen over externe activiteiten en het aanvaarden van geschenken en gastvrijheid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>44.</NO.P>merkt op dat er voor het personeel van het EOM regelmatig (twee keer per maand) opleidingssessies worden georganiseerd over het ethisch kader, de code van goed administratief gedrag en de fraudebestrijdingsstrategie van het EOM, en dat in 2022 een speciale intranetpagina van het EOM over het ethisch kader van start is gegaan; merkt in dit verband op dat de huidige deelname van personeel aan bewustmakingscursussen beperkt lijkt (in totaal namen in 2022 69 personeelsleden deel aan opleidingscursussen); verzoekt het EOM haalbare opties te onderzoeken om de deelname te vergroten; betreurt dat er nog geen enquête is gehouden om een zicht te krijgen op het bewustzijn van het personeel op het gebied van ethiek en moedigt het EOM aan om zijn dialoog met het personeel te intensiveren door middel van enquêtes en om de deelname van het personeel aan periodieke algemene bijeenkomsten te bevorderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>45.</NO.P>neemt kennis van het feit dat er in 2022 geen effectieve belangenconflicten zijn vastgesteld; is ingenomen met het beleid inzake belangenconflicten dat momenteel wordt ontwikkeld; merkt op dat er specifieke regels inzake belangenconflicten zijn vastgesteld voor de leden van het college van het EOM, de gedelegeerd Europese aanklagers en de personeelsleden van de operationele eenheid; merkt op dat in een code van beroepsnormen voor het personeel van het EOM dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van de begroting en in het handvest van taken en verantwoordelijkheden van gedelegeerd ordonnateurs de regels zijn vastgesteld die gelden in situaties waar sprake kan zijn van een belangenconflict; merkt echter op dat het EOM weliswaar voldoet aan de algemene bepaling van artikel 16 van het personeelsstatuut, maar geen gericht beleid heeft vastgesteld inzake draaideurconstructies; moedigt het EOM aan dergelijk beleid vast te stellen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>46.</NO.P>merkt op dat de functionaris voor interne controle van het EOM in 2022 een evaluatie heeft uitgevoerd van het actieplan voor fraudebestrijding 2021-2022 van het EOM, waarna op 1 maart 2023 een geactualiseerde versie is aangenomen (fraudebestrijdingsstrategie 2023-2025) om de tekortkomingen en nieuwe risico’s aan te pakken die tijdens het eerste uitvoeringsjaar zijn vastgesteld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>47.</NO.P>benadrukt dat er nog geen specifieke klokkenluiders- en antirepresailleprocedure is geformaliseerd, maar dat er in de loop van 2023 één wordt ontwikkeld, en dat het financieel reglement van het EOM momenteel instructies bevat over de maatregelen die een personeelslid of andere medewerker, met inbegrip van bij het EOM gedetacheerde nationale deskundigen, moet volgen; benadrukt dat het klokkenluiders- en antivergeldingsbeleid zo snel mogelijk moeten worden geformaliseerd om een veilige en beschermde werkplek te waarborgen; dringt aan op het zorgvuldig plannen en structureren van een dergelijk mechanisme om echte klokkenluiders te scheiden van degenen die valse beschuldigingen uiten, stelt dat bescherming moet worden ingebouwd voor degenen die ten onrechte worden beschuldigd of belasterd en moedigt de ontwikkeling aan van normen die vergelijkbaar zijn met die van andere Unie-instellingen in dit verband;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Digitalisering, cyberbeveiliging en gegevensbescherming</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>48.</NO.P>begrijpt dat de Commissie, via haar directoraat-generaal Informatica (sindsdien omgedoopt tot DG Digitale Diensten), het EOM na medio 2024 niet langer digitale diensten op de werkplek zal kunnen aanbieden, als gevolg van een wijziging in de IT-systemen van de Commissie en een IT-beleid dat de verlening van digitale diensten op de werkplek beperkt tot louter de diensten van de Commissie; merkt op dat de aanvankelijke aanpak van het EOM erin bestond om zijn middelen prioritair toe te wijzen aan het opzetten en laten functioneren van essentiële digitale diensten in verband met zijn operationele activiteiten, zoals zijn systeem voor dossierbeheer, en erkent dat er voor de digitale diensten van het EOM, die ten minste gedeeltelijk afwijken van die van de Commissie, op middellange termijn behoefte zou zijn geweest aan een op maat gesneden aanpak; merkt op dat de voorgenomen onderbreking van de door de Commissie verstrekte dienstverlening een extra probleem kan opleveren voor de organisatie van het EOM in de cruciale fase van de consolidering van zijn werking; verzoekt de Commissie de overgang van het EOM naar een bevredigend niveau van digitale autonomie voor zijn kerndiensten te vergemakkelijken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>49.</NO.P>dringt er met klem op aan dat de IT-dienst van de Commissie niet wordt onderbroken totdat het EOM over een betrouwbaar IT-systeem beschikt om verlies van gegevens, met name over dossiers, te voorkomen; benadrukt dat hiertoe duidelijke communicatie en operationele coördinatie op het hoogste niveau tussen de Commissie en het EOM noodzakelijk zijn; onderstreept dat een soepele en continue overgang tussen systemen essentieel is voor de continuïteit van de werkstroom, betrouwbaarheid van gegevens en functionerende operationele structuren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>50.</NO.P>merkt op dat het EOM belemmeringen ondervindt in verband met de verwerking van niet-gedigitaliseerde documenten die door nationale autoriteiten en particuliere partijen in het kader van onderzoeken worden verzameld; verzoekt de lidstaten hun documenten en procedures te digitaliseren om het EOM kostenefficiënter te maken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>51.</NO.P>begrijpt dat de huidige uitdaging op het gebied van digitalisering erin bestaat geautomatiseerde zoekopdrachten en taken te bevorderen om de prestaties en bruikbaarheid van het EOM-systeem voor dossierbeheer te verbeteren, hetgeen van essentieel belang is om het EOM een overzicht van de criminele netwerken te geven en verbanden tussen zaken op te merken; merkt op dat minder uitbesteding en een versterking van de veiligheid essentieel zijn voor een efficiënte respons op de toegenomen fysieke en cyberdreigingen voor de centrale en gedecentraliseerde kantoren van het EOM;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>52.</NO.P>neemt kennis van de verhoging van de begroting voor IT-projecten in 2022 (11,3 miljoen EUR, tegenover 6,1 miljoen EUR in de periode van financiële autonomie in 2021); waardeert met name de aandacht die wordt besteed aan het opzetten en uitvoeren van het systeem voor dossierbeheer van het EOM, dat naar verwachting interoperabiliteit mogelijk zal maken met 22 lidstaten; begrijpt dat de efficiëntie van de bestaande instrumenten op het gebied van interoperabiliteit suboptimaal is en dat alleen de vaststelling van minimale gemeenschappelijke overeenkomsten voor gegevensuitwisseling en instrumenten voor justitiële interoperabiliteit een doeltreffende uitwisseling van informatie en samenwerking via de verschillende platforms die door de verschillende lidstaten worden gebruikt, mogelijk zal maken; moedigt het EOM aan de coördinatie met de lidstaten en de samenwerking met de betrokken instellingen, organen en instanties van de Unie voort te zetten, teneinde een gemeenschappelijk uitwisselingsmodel te ontwerpen, tegenover de huidige situatie, waarin treffers gebaseerd zijn op bilaterale modellen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>53.</NO.P>onderstreept de toegenomen bedreiging voor de structurele integriteit van de IT van het EOM als gevolg van de agressiviteit van de georganiseerde misdaad die door het EOM wordt bestreden, wat ertoe leidt dat de fysieke en digitale veiligheid moet worden versterkt; steunt het voornemen van het EOM om zijn eigen cyberbeveiligingscapaciteit te ontwikkelen teneinde de diensten van CERT-EU en DG DIGIT aan te vullen en daarmee samen te werken; steunt het EOM in zijn verzoek om extra middelen voor de bescherming van zijn cyberbeveiliging; moedigt het personeel van het EOM aan om via de passende kanalen actief kenbaar te maken dat er behoefte is aan aanvullende cyberbeveiligingsinfrastructuur of cyberbeveiligingsopleiding, zowel binnen de organisatie zelf als aan het Parlement en de Commissie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>54.</NO.P>waardeert de ontwikkeling door het EOM van zijn eigen ecosysteem voor dossierbeheer, waarvan de componenten allemaal worden gehost in het datacentrum van het EOM en worden beheerd door het personeel van het EOM, waardoor de controle, bewaring en eigendom van de verwerkte systemen en gegevens door het EOM wordt gewaarborgd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>55.</NO.P>erkent dat het EOM behoefte heeft aan up-to-date apparatuur, cyberbeveiliging en IT-systemen om steeds complexere misdrijven aan te pakken waar vaak digitale elementen bij betrokken zijn; neemt kennis van de presentatie van het EOM tijdens de dienstreis in het kader van begrotingscontrole naar Luxemburg over de gestage toename van het aantal misdrijven waarbij digitale elementen betrokken zijn, zoals fraude met cryptomunten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>56.</NO.P>verzoekt de digitale diensten van de Commissie en het EOM gemakkelijk identificeerbare e-mailadressen voor het EOM vast te stellen, die niet misleidend zijn, aangezien de “ext.ec” waarop de e-mailadressen momenteel eindigen, verwarrend kan zijn voor personeel van andere instellingen en voor externe communicatie, omdat deze extensie gewoonlijk alleen aan externe consultants wordt gegeven en de legitimiteit van personeelsleden van het EOM die het e-mailadres gebruiken, ondermijnt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>57.</NO.P>moedigt de diensten van het EOM en de gedelegeerd Europees aanklagers aan hun werkzaamheden op gecoördineerde wijze voort te zetten en doeltreffend toezicht te houden op de verwerking van de gegevens die zij verzamelen, en daarbij tegelijkertijd de rechten van natuurlijke personen in verband met gegevensbescherming te waarborgen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Gebouwen en veiligheid</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>58.</NO.P>is ingenomen met de ondertekening van de huurovereenkomst met de Luxemburgse autoriteiten voor het gebruik van het gebouw waar het hoofdkantoor van het EOM momenteel is gevestigd (TOB-gebouw) en het formaliseren van de huurvrije terbeschikkingstelling van de huidige kantoren van het EOM tot 31 december 2029; begrijpt dat deze overeenkomst jaarlijks stilzwijgend wordt verlengd, tenzij zij door een van beide partijen wordt opgezegd, waarbij de opzegtermijn twaalf maanden bedraagt; merkt op dat het EOM een dienstverleningsvergoeding van 716 724 EUR per jaar betaalt, alsmede een eenmalige kostenvergoeding voor aanvullende beveiligings- en andere aanvullende voorzieningen waarom het EOM heeft verzocht; wijst erop dat in 2022 de renovatie van start is gegaan van twee extra verdiepingen van het TOB-gebouw die door het EOM zullen worden gebruikt en die moeten worden aangepast aan de aard van de werkzaamheden van het EOM, die niet volledig verenigbaar zijn met open ruimten en hot desks;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>59.</NO.P>benadrukt dat het EOM op het gebied van fysieke beveiliging veiligheidsmaatregelen, -uitrusting en -processen heeft ingevoerd om bedreigingen voor zijn gebouwen, middelen en personeel aan te pakken; wijst erop dat een aantal beleidsmaatregelen, procedures en richtsnoeren ook de uitvoering van fysieke veiligheidsmaatregelen ondersteunen; waardeert in dit verband de uitvoering in 2022 van een beoordeling van de fysieke veiligheidsrisico’s om lacunes op te sporen en aan te pakken; neemt kennis van het feit dat het EOM in juni 2023 heeft verzocht om 21 extra posten om zijn veiligheidscapaciteit te vergroten en herhaalt dat het personeel van het EOM in oktober 2023 tijdens de dienstreis in het kader van begrotingscontrole naar Luxemburg deze behoefte aan veiligheid verder heeft benadrukt en dat dit verzoek in november 2023 werd ingewilligd met een gewijzigde begroting voor 8 posten, en dat de resterende 13 posten zullen worden opgenomen in de begroting voor 2024; onderstreept dat het EOM moet blijven beschikken over een toereikend deel van de begroting voor veiligheidsmaatregelen en beveiligingspersoneel om al het personeel beter te beschermen, met name gezien het vertrouwelijke karakter van onderzoeken naar fraudezaken op hoog niveau waarbij grote belangen op het spel staan; dringt erop aan dat aanklagers en personeel in ruime mate worden beschermd om hun werk volledig te kunnen uitvoeren zonder de dreiging van fysiek of psychologisch geweld en zonder invloed of druk van buitenaf;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Milieu en duurzaamheid</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>60.</NO.P>neemt kennis van het feit dat het EOM geen specifieke actie heeft ondernomen op het gebied van hernieuwbare energie, zoals de installatie van zonnepanelen, toepassing van de EMAS-regels en compensatie van de CO<STRING SUBSCRIPT="on">2</STRING>-uitstoot, aangezien het EOM gevestigd is in Luxemburg en de diensten in kwestie worden verleend door de nationale autoriteiten, die ook verantwoordelijk zijn voor investeringen in verband met duurzaamheid en energieprestatie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>61.</NO.P>begrijpt dat het TOB-gebouw zich in de nabijheid van openbaar vervoer bevindt en verzoekt het EOM op de huidige situatie voort te bouwen om een strategie vast te stellen voor de duurzame mobiliteit van zijn personeel;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Interinstitutionele samenwerking</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>62.</NO.P>prijst de inspanningen van het EOM om intensief samen te werken en overleg te plegen met partners en belanghebbenden, en is van mening dat het EOM door zijn rol als belangrijkste operationele component van de fraudebestrijdingsarchitectuur continu moet werken aan een goede communicatie en coördinatie met de verschillende partners, wier optreden is ontworpen om wederzijds complementair te zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>63.</NO.P>neemt kennis van het feit dat het EOM heeft aangegeven dat van de in 2022 ontvangen 3 318 misdaadmeldingen 103 afkomstig waren van instellingen van de Unie (55 van het Europees Bureau voor fraudebestrijding, 16 van de Commissie, negen van Eurojust, acht van de Europese Rekenkamer, drie van de Europese Centrale Bank en één van het Parlement), en waardeert de effectieve interinstitutionele samenwerking tussen het EOM en de betrokken instellingen in dit verband;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>64.</NO.P>wijst erop dat de operationele coördinatie en samenwerking tussen het EOM en OLAF belangrijk is, met name wat de opening betreft van aanvullende OLAF-onderzoeken en administratieve onderzoeken ter ondersteuning van het EOM; dringt er bij de twee bureaus op aan hun dialoog verder op te voeren, om hun samenwerking te versterken, rekening houdend met de voordelen die daaruit voortvloeien voor een goed gebruik van de beschikbare middelen; dringt er voorts bij het EOM en OLAF op aan overlappingen en herhaling van activiteiten te voorkomen, te zorgen voor loyale, wederzijdse en synergetische samenwerking bij de uitoefening van hun mandaat, teneinde de efficiëntie van hun acties te maximaliseren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>65.</NO.P>onderstreept dat de kennisgevingen van het EOM aan de Commissie als bedoeld in artikel 103, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1939 een innovatief instrument zijn voor de bescherming van de begroting van de Unie; merkt op dat op dit specifieke punt nog door geen van beide partijen feedback is gegeven, waardoor de wetgevers geen volledig zicht krijgen op de onderliggende kwesties; is ingenomen met de inspanningen van het EOM en de Commissie om het interne mechanisme voor de toezending van dergelijke kennisgevingen te verbeteren en benadrukt dat de onlangs met de Commissie opgerichte werkgroep ervoor moet zorgen dat de kennisgevingen van het EOM, met het oog op administratieve terugvordering als bedoeld in artikel 103, lid 2, punt c), de Commissie naar behoren en effectief in staat stellen de terugvordering ten bate van de begroting van de Unie te maximaliseren, met inachtneming van het vertrouwelijke karakter en de correcte uitvoering van de onderzoekshandelingen; dringt erop aan dat de jaarlijkse vergaderingen over de uitvoering van de werkafspraak tussen de Commissie en het EOM gericht zijn op het coördineren van de vaststelling van beschermende en corrigerende maatregelen ter bescherming van de begroting van de Unie; verzoekt het EOM de gedelegeerd aanklagers in de lidstaten te adviseren bij hun inspanningen ter ondersteuning van de acties van de Commissie om de begroting van de Unie te beschermen; verzoekt zowel het EOM als de Commissie nogmaals om verslag uit te brengen over deze specifieke kwestie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>66.</NO.P>merkt op dat er werkafspraken en werkovereenkomsten zijn ondertekend tussen het EOM en zijn belangrijkste partners, namelijk Europol, Eurojust, OLAF, de Commissie, de Europese Rekenkamer en de EIB-groep, op het gebied van preventie, opsporing, analyse en interventie; begrijpt dat het EOM interne capaciteit aan het opbouwen is om zijn werkzaamheden te ondersteunen met analyses per geval; moedigt het EOM en zijn partners aan hun samenwerking te intensiveren om voort te bouwen op de reeds uitgeteste vaardigheden en de opgedane ervaringen, teneinde dubbel werk en verlies van aandacht voor de kern van het mandaat van elke component van de fraudebestrijdingsarchitectuur te voorkomen en het gebruik van de beschikbare middelen te optimaliseren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>67.</NO.P>moedigt het EOM aan om, gezien het grote aantal actieve zaken met betrekking tot RRF-middelen, de Commissie in kennis te stellen van een toename van het aantal actieve RRF-zaken, en moedigt het EOM aan om de Commissie en met name de taskforce voor herstel en veerkracht ook in kennis te stellen van mogelijke lacunes in toezicht of controle of van fraudepatronen in actieve RRF-zaken, zodat de Commissie instrumenten en mechanismen op het gebied van prestatiemonitoring en communicatiekloven met de lidstaten kan actualiseren om toekomstige fraude te voorkomen; herinnert alle actoren eraan dat RRF-middelen Europese en geen nationale middelen zijn en onder de bevoegdheid van het EOM vallen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>68.</NO.P>begrijpt dat de onderhandelingen met het Parlement voor een actualisering van de werkafspraken nog lopen; is van mening dat deze situatie de gelegenheid kan bieden om nieuwe mogelijkheden voor communicatie en samenwerking tussen het EOM en de bevoegde commissies van het Parlement te verkennen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>69.</NO.P>betreurt dat het EOM de verzoeken tot opheffing van de immuniteit die in 2022 bij het Parlement werden ingediend, onvoldoende oordeelkundig heeft behandeld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>70.</NO.P>wijst erop dat het EOM nog maar pas is opgericht, maar dringt er niettemin op aan dat het zich in zijn officiële betrekkingen met de nationale en Unie- instellingen op de hoogte stelt van de verschillende procedures die zij toepassen, deze naleeft en er daarbij voor zorgt dat zijn statuut en zijn opdracht niet worden ondermijnd.</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>71.</NO.P>neemt kennis van het feit dat het EOM in 2022 met andere instellingen en organen van de Unie 20 dienstverleningsovereenkomsten (SLA’s) en memoranda van overeenstemming (MoU’s) heeft ondertekend en dat dit het mogelijk heeft gemaakt maximaal te besparen op de begroting van de bestaande contractuele instrumenten, in overeenstemming met de beginselen van goed financieel beheer;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>72.</NO.P>onderstreept dat het belangrijk is een productieve dialoog te voeren met de niet-deelnemende lidstaten met het oog op doeltreffende werkafspraken; merkt op dat de vijf niet-deelnemende lidstaten in 2022 betrokken waren bij 86 EOM-onderzoeken (tegenover 48 onderzoeken in 2021);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>73.</NO.P>merkt op dat de samenwerking, die gebaseerd is op de desbetreffende handelingen van de Unie inzake justitiële samenwerking in strafzaken, soepel verloopt met Denemarken, Hongarije en Zweden, zij het in een ander tempo dan met de deelnemende landen; merkt op dat de werkafspraak met Polen op technisch niveau is afgerond, maar in 2022 niet is ondertekend omdat de wijzigingen van het Poolse wetboek van strafvordering (om het EOM te erkennen als autoriteit die bevoegd is voor de relevante instrumenten van de Unie inzake justitiële samenwerking in strafzaken) pas op 27 december 2022 in werking zijn getreden; merkt op dat dit er ook toe heeft geleid dat het EOM overeenkomstig de conditionaliteitsverordening verslag uitbrengt aan de Commissie over het systematische gebrek aan medewerking van Polen in 2021 en 2022 en de directe negatieve gevolgen daarvan voor het vermogen van het EOM om de begroting van de Unie te beschermen door middel van strafrechtelijke onderzoeken en vervolgingen; is dan ook zeer ingenomen met de door de nieuwe Poolse regering in december 2023 ingediende aanvraag voor lidmaatschap van het EOM, en met de aanvraag van Zweden, zoals aangekondigd in januari 2024, en is ervan overtuigd dat met het Zweedse en Poolse lidmaatschap van het EOM de algemene bescherming van de financiële belangen van de Unie zal worden versterkt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>74.</NO.P>betreurt het feit dat de Ierse autoriteiten in 2022 hebben geweigerd met het EOM samen te werken en verschillende verzoeken om wederzijdse rechtshulp van de Europese aanklagers niet hebben ingewilligd, onder verwijzing naar een gebrek aan rechtsgrondslag; merkt ook op dat dit ertoe heeft geleid dat het EOM overeenkomstig de conditionaliteitsverordening over deze situatie verslag heeft uitgebracht aan de Commissie; is echter verheugd over het recente besluit van de Ierse autoriteiten om hun nationale wetgeving te wijzigen om voor het nodige rechtskader te zorgen om wederzijdse rechtshulp aan het EOM te bieden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>75.</NO.P>herhaalt dat de keuze van een lidstaat, of die nu deelneemt aan de nauwere samenwerking of niet, om niet samen te werken met het EOM, het risico met zich meebrengt dat niches van immuniteit en voorrecht ontstaan die de verdediging van de financiële belangen van de Unie in het beste geval ongelijkmatig en inefficiënt maken; verzoekt de Commissie en de betrokken lidstaten alles in het werk te stellen om de weinige, maar wel zeer belangrijke ontbrekende componenten in het huidige scenario te integreren, en de deelname van de resterende niet-deelnemende lidstaten aan het EOM te bevorderen, op een wijze die de doeltreffendheid van de bescherming van de begrotingen van de Unie en de lidstaten versterkt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>76.</NO.P>verheugt zich over het maken van meerdere werkafspraken met autoriteiten van derde landen zoals Oekraïne, Albanië, Moldavië, Montenegro, Georgië en Noord-Macedonië;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Communicatie</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>77.</NO.P>prijst de inspanningen van het EOM ter verbetering van zijn interne en externe communicatie; neemt kennis van het feit dat de interne communicatie is verbeterd om de samenwerking tussen de eenheden te versterken en de uitwisseling van informatie en beste praktijken te vergemakkelijken; waardeert de intensieve acties die worden uitgevoerd via socialenetwerkplatforms, en het feit dat het EOM de trends volgt om de mogelijkheden te benutten die worden geboden door gratis, zelf gehoste opensource socialenetwerkplatforms;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>78.</NO.P>is van mening dat de inspanningen van het EOM om zijn activiteiten bekend te maken en de belastingbetalers bewust te maken van de omvang van zijn optreden zeer belangrijk zijn; is in dit verband ingenomen met de toename van het aantal openbare mededelingen en de inspanningen om de zichtbaarheid van de functionaliteit “Een misdrijf melden” op de website van het EOM te vergroten; verzoekt het EOM de resultaten en bevindingen duidelijk mee te delen en daarbij een optimaal evenwicht te vinden tussen transparantie en openbaar belang enerzijds en vertrouwelijkheid en een goed verloop van het onderzoek anderzijds; verzoekt het EOM voorts te zorgen voor neutrale communicatie over zijn activiteiten en ervoor te zorgen dat eventuele eerder vastgestelde problemen adequaat worden aangepakt;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Gevolgen van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>79.</NO.P>begrijpt dat de toegenomen inflatie, als gevolg van de Russische agressie tegen Oekraïne, in 2022 gevolgen had voor de uitvoering van de algemene begroting van het EOM (resultaat: een indexering van de bezoldiging van het personeel met 6,9 % en een algemene stijging van de prijzen voor de aankoop van goederen en diensten);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>80.</NO.P>onderstreept het feit dat de acties van het EOM om intensief te communiceren en van gedachte te wisselen met de Oekraïense autoriteiten en met de andere partners van de Unie die betrokken zijn bij uitgaven en fraudeopsporingsactiviteiten in Oekraïne, belangrijk zijn om de financiële belangen van de Unie te beschermen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>81.</NO.P>waardeert de inspanningen van het EOM om duidelijk te maken dat strafbare feiten die gevolgen hebben voor aan derde landen toegewezen middelen van de Unie, onder zijn rechtsmacht vallen, zelfs indien zij geheel of gedeeltelijk worden gepleegd buiten het gecombineerde grondgebied van de 22 deelnemende lidstaten, wanneer het strafbare feit is gepleegd door een onderdaan van een deelnemende lidstaat of door een ambtenaar van de Unie, of wanneer een constitutief element ervan plaatsvindt in België of in Luxemburg, die worden beschouwd als de zetels van de instellingen, organen of instanties van de Unie die betrokken zijn bij de uitgaven van de begroting van de Unie, en zelfs als de andere bestanddelen van het strafbare feit zich hebben voorgedaan in Oekraïne of een ander derde land;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>82.</NO.P>merkt op dat het EOM twee werkafspraken heeft gemaakt met het bureau van de procureur-generaal van Oekraïne en het nationale bureau voor corruptiebestrijding om de samenwerking bij onderzoeken te vergemakkelijken op basis van het Verdrag van de Raad van Europa van 1959 inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken; merkt op dat er in zijn gebouwen opleidingen worden georganiseerd voor Oekraïense aanklagers en onderzoekers, zodat zij hun deskundigheid op het gebied van financiële en complexe onderzoeken kunnen delen, en dat er sinds de ondertekening van de werkafspraken regelmatig vergaderingen op strategisch en operationeel niveau hebben plaatsgevonden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>83.</NO.P>is ingenomen met de bereidheid van het centrale bureau van het EOM om een taskforce met de Oekraïense autoriteiten te activeren om onderzoeken te coördineren; is van mening dat, in het kader van de mechanismen van de toekomstige faciliteit voor Oekraïne, het bestaande kader en het partnerschap dat met de Oekraïense autoriteiten tot stand is gebracht, onderzoek en vervolging zouden ondersteunen en snelle en betrouwbare samenwerking zouden vergemakkelijken; verzoekt de betrokken autoriteiten een nieuwe overeenkomst inzake wederzijdse bijstand in strafzaken tussen de Unie en Oekraïne goed te keuren, om de samenwerking in de specifieke context van het mechanisme van de faciliteit verder te versterken, met name wat de inbeslagneming, confiscatie en ontneming van vermogensbestanddelen betreft;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>84.</NO.P>neemt niettemin nota van het grote aantal gevallen van corruptie en fraude in Oekraïne, zowel vóór de huidige oorlog als op dit moment, waarschuwt dat bij de samenwerking bij onderzoeken extra voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen om personeel en getuigen te beschermen, en merkt op dat bijvoorbeeld het door de EU gefinancierde initiatief voor corruptiebestrijding dat in 2017 werd opgezet, in 2021 door de Rekenkamer ondoeltreffend voor de bestrijding van corruptie werd verklaard; erkent de inspanningen van het Oekraïense parlement, de Verchovna Rada, om samen te werken met de Europese Unie en merkt op dat verdere inspanningen ter bestrijding van corruptie nodig zijn om transparantiedoelstellingen met succes te behalen.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>