<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P9_TA(2024)0279</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Kwijting 2022: Gemeenschappelijke Onderneming “Schone luchtvaart”</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A9-0110/2024 - Rapporteur: Joachim Kuhs)</STRING></HIDDEN><TXTLST><DECISION><TI><NR>1.</NR> <STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 11 april 2024 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2022 (2023/2183(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de balansen en resultatenrekeningen van het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2022 (COM(2023)0392 – C9‑0302/2023),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de financiële informatie over de Europese Ontwikkelingsfondsen (COM(2023)0392),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de activiteiten van het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2022 en de antwoorden van de Commissie<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/103, 4.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de betrouwbaarheidsverklaring<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/109, 12.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE> van de Rekenkamer voor het begrotingsjaar 2022 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbevelingen van de Raad van 22 februari 2024 inzake de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de verrichtingen van het Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2022 (05889/2024 – C9-0123/2024, 05891/2024 – C9-0122/2024, 05892/2024 – C9-0124/2024),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2021 (COM(2023)0384),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000<FOOTNOTE><FIELD>PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.</FIELD></FOOTNOTE> en gewijzigd te Ouagadougou (Burkina Faso) op 22 juni 2010<FOOTNOTE><FIELD>PB L 287 van 4.11.2010, blz. 3.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie (“LGO-besluit”)<FOOTNOTE><FIELD>PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Besluit (EU) 2021/1764 van de Raad van 5 oktober 2021 inzake de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie, met inbegrip van de betrekkingen tussen de Europese Unie enerzijds en Groenland en het Koninkrijk Denemarken anderzijds (Besluit betreffende de LGO-associatie, met inbegrip van Groenland)<FOOTNOTE><FIELD>PB L 355 van 7.10.2021, blz. 6.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 33 van het intern akkoord van 20 december 1995 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het tweede financieel protocol van de vierde ACS-EG-overeenkomst<FOOTNOTE><FIELD>PB L 156 van 29.5.1998, blz. 108.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 32 van het intern akkoord van 18 september 2000 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het financieel protocol bij de partnerschapsovereenkomst tussen de staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000, en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het EG-Verdrag van toepassing zijn<FOOTNOTE><FIELD>PB L 317 van 15.12.2000, blz. 355.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 11 van het intern akkoord van 24 juni 2013 en 26 juni 2013 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Europese Unie binnen het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020, overeenkomstig de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst, en betreffende de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het VWEU van toepassing zijn<FOOTNOTE><FIELD>PB L 210 van 6.8.2013, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 319 VWEU,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 74 van het Financieel Reglement van 16 juni 1998 van toepassing op de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering in het kader van de vierde ACS-EG-overeenkomst<FOOTNOTE><FIELD>PB L 191 van 7.7.1998, blz. 53.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 119 van het Financieel Reglement van 27 maart 2003 van toepassing op het negende Europees Ontwikkelingsfonds<FOOTNOTE><FIELD>PB L 83 van 1.4.2003, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 50 van Verordening (EG) nr. 215/2008 van de Raad van 18 februari 2008 inzake het Financieel Reglement van toepassing op het tiende Europees Ontwikkelingsfonds<FOOTNOTE><FIELD>PB L 78 van 19.3.2008, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 48 van Verordening (EU) 2015/323 van de Raad van 2 maart 2015 inzake het Financieel Reglement van toepassing op het elfde Europees Ontwikkelingsfonds<FOOTNOTE><FIELD>PB L 58 van 3.3.2015, blz. 17.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 44 van Verordening (EU) 2018/1877 van de Raad van 26 november 2018 inzake het financieel reglement van toepassing op het elfde Europees Ontwikkelingsfonds, en tot intrekking van Verordening (EU) 2015/323<FOOTNOTE><FIELD>PB L 307 van 3.12.2018, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 99, artikel 100, derde streepje, en bijlage V bij zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0110/2024),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>verleent de Commissie kwijting voor de uitvoering van de begroting van het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2022;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Rekenkamer en de Europese Investeringsbank, en te zorgen voor publicatie ervan in het <STRING ITALIC="on">Publicatieblad van de Europese Unie</STRING> (L-serie).</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST><TXTLST><DECISION><TI><NR>2.</NR> <STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 11 april 2024 over de afsluiting van de rekeningen van het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2022 (2023/2183(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de balansen en resultatenrekeningen van het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2022 (COM(2023)0392 – C9‑0302/2023),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de financiële informatie over de Europese Ontwikkelingsfondsen (COM(2023)0392),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de activiteiten van het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2022 en de antwoorden van de Commissie<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/103, 4.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de betrouwbaarheidsverklaring<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/109, 12.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE> van de Rekenkamer voor het begrotingsjaar 2022 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbevelingen van de Raad van 22 februari 2024 inzake de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de verrichtingen van het Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2022 (05889/2024 – C9-0123/2024, 05891/2024 – C9-0122/2024, 05892/2024 – C9-0124/2024),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2021 (COM(2023)384),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000<FOOTNOTE><FIELD>PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.</FIELD></FOOTNOTE> en gewijzigd te Ouagadougou (Burkina Faso) op 22 juni 2010<FOOTNOTE><FIELD>PB L 287 van 4.11.2010, blz. 3.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie (“LGO-besluit”)<FOOTNOTE><FIELD>PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Besluit (EU) 2021/1764 van de Raad van 5 oktober 2021 inzake de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie, met inbegrip van de betrekkingen tussen de Europese Unie enerzijds en Groenland en het Koninkrijk Denemarken anderzijds (Besluit betreffende de LGO-associatie, met inbegrip van Groenland)<FOOTNOTE><FIELD>PB L 355 van 7.10.2021, blz. 6.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 33 van het intern akkoord van 20 december 1995 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het tweede financieel protocol van de vierde ACS-EG-overeenkomst<FOOTNOTE><FIELD>PB L 156 van 29.5.1998, blz. 108.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 32 van het intern akkoord van 18 september 2000 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het financieel protocol bij de partnerschapsovereenkomst tussen de staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000, en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het EG-Verdrag van toepassing zijn<FOOTNOTE><FIELD>PB L 317 van 15.12.2000, blz. 355.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 11 van het intern akkoord van 24 juni 2013 en 26 juni 2013 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Europese Unie binnen het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020, overeenkomstig de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst, en betreffende de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het VWEU<FOOTNOTE><FIELD>PB L 210 van 6.8.2013, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE> van toepassing zijn,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 319 VWEU,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 74 van het Financieel Reglement van 16 juni 1998 van toepassing op de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering in het kader van de vierde ACS-EG-overeenkomst<FOOTNOTE><FIELD>PB L 191 van 7.7.1998, blz. 53.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 119 van het Financieel Reglement van 27 maart 2003 van toepassing op het negende Europees Ontwikkelingsfonds<FOOTNOTE><FIELD>PB L 83 van 1.4.2003, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 50 van Verordening (EG) nr. 215/2008 van de Raad van 18 februari 2008 inzake het Financieel Reglement van toepassing op het tiende Europees Ontwikkelingsfonds<FOOTNOTE><FIELD>PB L 78 van 19.3.2008, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 48 van Verordening (EU) 2015/323 van de Raad van 2 maart 2015 inzake het Financieel Reglement van toepassing op het elfde Europees Ontwikkelingsfonds<FOOTNOTE><FIELD>PB L 58 van 3.3.2015, blz. 17.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 44 van Verordening (EU) 2018/1877 van de Raad van 26 november 2018 inzake het financieel reglement van toepassing op het elfde Europees Ontwikkelingsfonds, en tot intrekking van Verordening (EU) 2015/323<FOOTNOTE><FIELD>PB L 307 van 3.12.2018, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 99, artikel 100, derde streepje, en bijlage V bij zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0110/2024),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2022;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Rekenkamer en de Europese Investeringsbank, en te zorgen voor publicatie ervan in het <STRING ITALIC="on">Publicatieblad van de Europese Unie</STRING> (L-serie).</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST><TXTLST><RESOL><TI><NR>3.</NR> <STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 11 april 2024 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2022 (2023/2183(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2022,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het speciaal verslag nr. 35/2018 van de Europese Rekenkamer,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 99, artikel 100, derde streepje, en bijlage V bij zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0110/2024),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat de ontwikkelingssamenwerking van de Unie, zoals bedoeld in de artikelen 208 tot en met 211 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, functioneert in een mondiale context, die wordt bepaald door de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties (Agenda 2030) en de bijbehorende duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s);</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat de Unie samenwerkingsbetrekkingen heeft met een groot aantal ontwikkelingslanden, waarbij de belangrijkste doelstelling het bevorderen van de economische, sociale en ecologische ontwikkeling is, en waarbij de aandacht in eerste instantie wordt gericht op het verminderen en uitbannen van armoede op lange termijn door aan de begunstigde landen ontwikkelingshulp en technische bijstand te verstrekken;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat uit de Europese Ontwikkelingsfondsen (EOF’s) sinds 1959 en tot 2020 EU-ontwikkelingshulp werd verstrekt aan de landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS-landen) en aan landen en gebieden overzee (LGO); overwegende dat het kader voor de betrekkingen van de Unie met de ACS-landen en de LGO een partnerschapsovereenkomst is die op 23 juni 2000 in Cotonou is ondertekend (“de Overeenkomst van Cotonou”) voor een periode van twintig jaar, die later tijdelijk is verlengd; overwegende dat de Overeenkomst van Samoa op 15 november 2023 is ondertekend;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat het elfde EOF zijn laatste fase heeft bereikt toen de vervalclausule ervan op 31 december 2020 in werking trad; overwegende dat specifieke contracten voor bestaande financieringsovereenkomsten echter nog tot 31 december 2023 zullen worden ondertekend en dat de uitvoering van de lopende projecten die door het EOF worden gefinancierd, zal worden voortgezet totdat deze definitief zijn afgerond;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat in het MFK 2021-2027 ontwikkelingshulp voor de ACS-landen is geïntegreerd in het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI – Europa in de wereld) en dat ontwikkelingshulp voor de LGO is geïntegreerd in het Besluit betreffende de LGO-associatie, met inbegrip van Groenland;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat het negende, tiende en elfde EOF niet in de algemene begroting van de Unie werden geïntegreerd en de uitvoering en rapportage daarvan afzonderlijk zullen worden voortgezet tot de afsluiting ervan;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat de EOF’s bijna volledig worden beheerd door het directoraat-generaal Internationale Partnerschappen (DG INTPA) van de Commissie en dat een klein deel (5 %) van de EOF-uitgaven voor 2022 wordt beheerd door het directoraat-generaal Europese Civiele Bescherming en Humanitaire Hulp (DG ECHO);</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat ontwikkelingssamenwerking zich ontwikkelt van een meer traditioneel donor-ontvangermodel naar samenwerking met een sterkere nadruk op wederzijdse belangen, die niet alleen betrekking heeft op sociale sectoren, maar ook op duurzame investeringen, handel en de ontwikkeling van economische sectoren met een hoge toegevoegde waarde, en op internationale partnerschappen om mondiale uitdagingen aan te pakken; overwegende dat het hoofddoel van het beleid van de Unie op het gebied van ontwikkelingssamenwerking volgens het VWEU bestaat in het terugdringen en uiteindelijk uitbannen van de armoede;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat de Unie door middel van een Team Europa-aanpak samenwerkt met de lidstaten in het veld, met de lokale begunstigden en met de andere donoren om in de partnerlanden tastbare effecten en veranderingen teweeg te brengen;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Uitvoering van de begroting</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>merkt op dat in 2022 de financiële uitvoering van het tiende en elfde EOF (individuele vastleggingen: 853 miljoen EUR en betalingen 2 386 miljoen EUR) werd gekenmerkt door het Besluit (EU) 2022/1223 van de Raad om 600 miljoen EUR aan vrijgemaakte middelen uit het tiende en elfde EOF te hergebruiken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>is ingenomen met het besluit van de Raad waarmee 600 miljoen EUR van geannuleerde projecten uit het tiende en elfde EOF is toegewezen aan de financiering van maatregelen voor het aanpakken van de voedselzekerheidscrisis en de economische schok in landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS-landen) ten gevolge van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne; is van mening dat deze middelen gezien de bijzonder ernstige situatie op het vlak van voedselzekerheid in de ACS-landen moeten worden aangevuld met passende maatregelen om de voedselautonomie van lokale gemeenschappen te verbeteren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>merkt op dat de uitvoering van het EOF in 2022 bijdroeg tot verbeteringen op het gebied van water en sanitaire voorzieningen, de toegang tot elektriciteit, de toegang tot juridische bijstand, voedselzekerheid en voeding, milieubescherming, strategieën voor de mitigatie van de klimaatverandering en natuurlijke ecosystemen, gezondheid, onderwijs en ondernemerschap/inzetbaarheid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>merkt op dat het EOF goed is voor 33,2 % van de portefeuille van DG INTPA wat betreft de betalingen in 2022, die 2 452 miljoen EUR bedroegen (d.w.z. 98,08 % van het jaarlijkse streefdoel); neemt er nota van dat de betalingen van de Europese Investeringsbank (EIB) 461 miljoen EUR bedroegen; merkt op dat, aangezien de vervalclausule van het elfde EOF op 31 december 2020 is verstreken, er in 2022 geen nieuwe vastleggingen zijn gedaan, met uitzondering van de vastleggingen van de middelen die voortvloeien uit het hergebruik van de reserve van het tiende en elfde EOF in het kader van Besluit (EU) 2022/1223 van de Raad, met betrekking tot de speciale maatregelen voor de respons van de Unie op de voedselzekerheidscrisis en de economische schok in de ACS-landen; neemt er nota van dat de betalingen van de EIB in het kader van de ACS-investeringsfaciliteit 400 miljoen EUR bedroegen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>wijst op het belang van de Team Europa-aanpak voor de doeltreffendheid en zichtbaarheid van de steun van de Unie en is verheugd over het initiatief van de Commissie om de coördinatie met de lidstaten te intensiveren en optimaal gebruik te maken van hun bestaande expertise in partnerlanden om te zorgen voor een sterker Europa in de wereld; neemt kennis van de regionale Team Europa-initiatieven op de migratieroute van het westelijke Middellandse Zeegebied, waar de managementgroep bestaat uit vertegenwoordigers van zowel DG NEAR als DG INTPA, zodat de samenhang van de maatregelen en het optimale gebruik van financiële middelen worden gewaarborgd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>wijst erop dat 60 % van de contracten in het kader van het elfde EOF is afgesloten en dat de Commissie de afsluiting van het negende EOF in 2024 moet voltooien; stelt vast dat vooruitgang is geboekt bij de afsluiting van het tiende EOF, waarbij 95,2 % van de contracten is afgesloten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>neemt nota van de inspanningen van DG INTPA om de oude voorfinancieringen met een streefdoel van 40 % en oude nog te betalen vastleggingen met een streefdoel van 35 % te verminderen; merkt op dat DG INTPA deze streefdoelen heeft overtroffen door de oude voorfinanciering van het EOF met 54,31 % te verminderen en met 52,51 % voor zowel de oude nog te betalen vastleggingen van het EOF als voor zijn hele bevoegdheidsgebied; merkt op dat DG INTPA, wat de nog te betalen vastleggingen betreft, met 36,83 % het streefdoel van 35 % voor de EOF’s heeft gehaald;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>neemt er echter kennis van dat volgens het verslag van de Rekenkamer in de KPI van DG INTPA inzake de vermindering van oude voorfinanciering geen rekening wordt gehouden met het aantal jaren waarvoor elke voorfinancieringsverrichting openstaat, en dat de Rekenkamer derhalve van oordeel is dat in de verwezenlijking van deze KPI niet de moeilijkheden tot uitdrukking kwamen die DG INTPA heeft ondervonden bij de verrekening van oudere voorfinancieringsverrichtingen, waarvan sommige al tot twaalf jaar openstonden; neemt kennis van het antwoord van de Commissie dat met betrekking tot oudere openstaande facturen en voorfinancieringen die tot twaalf jaar openstaan, de meeste van deze oude voorfinancieringen verbonden zijn met rechtszaken; verzoekt de Commissie verslag aan het Parlement te blijven uitbrengen over deze rechtszaken, zoals reeds is gedaan naar aanleiding van Aanbeveling nr. 2015/PAR/0463 van het Parlement; merkt daarnaast op dat de Commissie al jaarlijkse controles heeft ingesteld om oude voorfinancieringen te verminderen en de veroudering van facturen aan te pakken, waarbij 93 % van de EOF-betalingen in 2022 op tijd werden uitgevoerd, en gebruikmaakt van een dashboard voor portefeuillebeheer (bijgewerkt in oktober 2023), waarmee het personeel de veroudering van voorfinanciering kan monitoren en een follow-up kan verrichten van langdurig openstaande facturen, alsook dat de Commissie aanvullende maatregelen neemt, waaronder ad-hoccampagnes, seminars en richtsnoeren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>merkt op dat DG INTPA zijn streefdoel om voor het EOF niet meer dan 13 % aan oude vervallen contracten te hebben, heeft gehaald; wijst erop dat het een score heeft behaald van 10,56 % voor het EOF en 8,39 % voor de algemene begroting van de EU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>benadrukt dat het bedrag aan nog te betalen vastleggingen van de EOF’s in 2022 12,6 % of 8 250 miljoen EUR bedroeg;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Impact van de activiteiten op de financiële overzichten</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>merkt op dat de voorfinanciering met 239 miljoen EUR is gedaald, grotendeels als gevolg van het feit dat er minder voorschotten zijn uitbetaald door het lager aantal ondertekende contracten (2 118 miljoen EUR in 2021 ten opzichte van 853 miljoen EUR in 2022), en dat de geldmiddelen en kasequivalenten met 34 miljoen EUR zijn gestegen als gevolg van de daling van de voorfinanciering en andere betalingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>neemt kennis van een stijging van te betalen kosten ter waarde van 123 miljoen EUR door de toename van het aantal open contracten zonder gevalideerde kostendeclaraties aan het einde van het jaar, waardoor de uitgaven moesten worden geraamd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>neemt voorts nota van de daling van de exploitatiekosten met in totaal 74 miljoen EUR, voornamelijk als gevolg van de afwikkeling van de trustfondsen, wat leidde tot een daling van de bijdragen die nodig waren om de uitgaven ervan te dekken, alsook van het feit dat de uitgaven in verband met noodhulp zijn gestegen doordat vrijgemaakte middelen van het tiende en elfde EOF opnieuw werden gebruikt om de negatieve gevolgen van de oorlog in Oekraïne tegen te gaan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>onderstreept dat de Rekenkamer met betrekking tot de gevolgen van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie heeft geconcludeerd dat er geen financiële gevolgen te melden zijn voor de EOF-rekeningen van 2022 en dat de EOF-rekeningen per 31 december 2022 een correct beeld geven van de stand van het terugtrekkingsproces op die datum;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Betrouwbaarheid van de rekeningen</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>stelt vast dat de begroting van het negende EOF (2000-2007) slechts 13,8 miljard EUR bedroeg, dat die van het tiende EOF (2008-2013) bijna was verdubbeld tot 22,7 miljard EUR, en dat die van het elfde EOF voorziet in het hoge bedrag van 30,5 miljard EUR, waarvan 29,1 miljard EUR is toegewezen aan de ACS-landen en 0,4 miljard EUR aan de LGO, met 1 miljard EUR voor administratieve kosten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>neemt kennis van de aankondiging van de Commissie om het achtste EOF in oktober 2021 af te sluiten; wijst erop dat de Commissie in de jaarrekening van het EOF voor het begrotingsjaar 2022 heeft aangegeven dat alle activiteiten van het achtste EOF waren voltooid en dat alle contracten en financiële besluiten in de EOF-rekeningen waren afgesloten en dat de resterende openstaande invorderingsopdrachten waren overgedragen naar het negende EOF; merkt echter op dat de rekeningen nog steeds financiële informatie over het achtste EOF bevatten, en dat sommige saldi van het achtste EOF in 2022 nog openstonden; neemt er kennis van dat de operationele afsluiting van het achtste EOF zoals gepland in 2021 heeft plaatsgevonden en dat de volledige afsluiting van de boekhoudkundige activiteiten voor het achtste EOF vanwege openstaande invorderingsopdrachten nog loopt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>stelt vast dat de Rekenkamer in haar jaarverslag over de uit het negende, tiende en elfde EOF gefinancierde activiteiten voor het begrotingsjaar 2022 concludeert dat de rekeningen over het op 31 december 2022 afgesloten begrotingsjaar op alle materiële punten een getrouw beeld van de financiële situatie van de EOF’s geeft, van de resultaten van hun verrichtingen en hun kasstromen en van de veranderingen van de nettoactiva voor het op die datum afgesloten jaar, overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EU) 2018/1877<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EU) 2018/1877 van de Raad van 26 november 2018 inzake het financieel reglement van toepassing op het elfde Europees Ontwikkelingsfonds, en tot intrekking van Verordening (EU) 2015/323 (PB L 307 van 3.12.2018, blz. 1).</FIELD></FOOTNOTE> van de Raad (“Financieel Reglement van de EOF’s”) en de boekhoudnormen voor overheidsdiensten;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen bij de rekeningen</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>neemt nota van het oordeel van de Rekenkamer dat de onderliggende ontvangsten bij de rekeningen betreffende het per 31 december 2022 afgesloten begrotingsjaar op alle materiële punten wettig en regelmatig zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>merkt op dat de uitvoering van de Europese Ontwikkelingsfondsen (EOF’s) betrekking heeft op landen die te maken hebben met ernstige gevolgen van de klimaatverandering, biodiversiteitsverlies en voedselonzekerheid en die verzwakt zijn vanwege de COVID-19-pandemie, de ongerechtvaardigde en niet-uitgelokte aanvalsoorlog van Rusland tegen Oekraïne, een stijgende staatsschuld en nieuwe en vergeten humanitaire crises en conflicten die tot toenemende ongelijkheid en armoede leiden; dringt er daarom op aan dat de resterende projecten in het kader van de EOF’s gericht moeten zijn op het boeken van vooruitgang bij de verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen; herhaalt dat veiligheid, wederzijds voordelige partnerschappen en internationale samenwerking onontbeerlijk zijn voor de wereld om tegen 2030 en daarna vooruitgang te boeken met betrekking tot de SDG’s;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>herhaalt zijn bezorgdheid over de vele mogelijke redenen voor achtereenvolgende afkeurende oordelen van de Rekenkamer over de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven vanwege het feit dat de aanvaarde uitgaven in de rekeningen betreffende het per 31 december 2022 afgesloten begrotingsjaar materiële fouten vertonen; merkt tegelijkertijd op dat de context waarin het EOF wordt uitgevoerd riskant en complex is en snel evolueert, met een opvallende diversiteit wat betreft de geografische spreiding, de uitvoerende entiteiten en de partnerlanden en de wijze waarop de hulp wordt verleend;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>neemt er nota van dat, om de regelmatigheid van de verrichtingen te controleren, de Rekenkamer een steekproef onderzocht van 140 verrichtingen die representatief waren voor alle soorten uitgaven in het kader van het EOF; merkt voorts op dat de steekproef bestond uit 27 verrichtingen met betrekking tot het noodtrustfonds voor Afrika, 98 verrichtingen die zijn goedgekeurd door 20 EU-delegaties<FOOTNOTE><FIELD>Benin, Botswana, Burkina Faso, Djibouti, Ethiopië, Fiji, Gabon, Sao Tomé en Principe, Guinee-Bissau, Haïti, Ivoorkust, Liberia, Madagaskar, Malawi, Nigeria, Tanzania, Gambia, Togo, Uganda en Zimbabwe.</FIELD></FOOTNOTE> en 15 betalingen die zijn goedgekeurd door het hoofdkantoor van de Commissie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>stelt met bezorgdheid vast dat van de 140 onderzochte verrichtingen, 57 (40,7 %) fouten bevatten, tegenover 54 (38,8 %) in 2021 voor hetzelfde aantal verrichtingen; benadrukt voorts dat de Rekenkamer 48 fouten heeft gekwantificeerd (43 in 2021), op basis waarvan zij het foutenpercentage voor het begrotingsjaar 2022 op 7,1 % raamt (4,6 % in 2021);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>stelt met bezorgdheid vast dat, wat het type fouten betreft, het foutenpercentage voor het begrotingsjaar 2022 wordt geschat op 51 % met betrekking tot niet-gedane uitgaven (14,9 % in 2021), 24 % met betrekking tot niet-subsidiabele uitgaven (38,6 % in 2021), 16 % met betrekking tot ernstige inbreuken op de regels inzake openbare aanbestedingen (14,6 % in 2021), 7 % met betrekking tot het ontbreken van essentiële bewijsstukken (23,3 % in 2021) en 2 % met betrekking tot overige soorten fouten (8,6 % in 2021); neemt kennis van het antwoord van de Commissie dat de meeste fouten die hadden kunnen worden voorkomen te wijten zijn aan overmatige verrekening (niet-gedane uitgaven), wat het gevolg is van onvoldoende financiële verslaglegging door uitvoerende partners in het kader van indirect beheer en wat geen invloed heeft op de uitvoering van de projecten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>neemt kennis van het antwoord van de Commissie dat in 2022 ongeveer 50 % van het totale aantal fouten te wijten is aan overmatige verrekening, een praktijk waarbij niet-gedane uitgaven als gedane uitgaven in de rekeningen worden opgenomen, en bijgevolg tijdelijk zijn, aangezien deze na de definitieve verrekeningen niet langer zullen voorkomen; wijst daarnaast op de door de Commissie genomen maatregelen om een eenvoudigere identificatie van gedane uitgaven mogelijk te maken en verzoekt de Commissie de kwijtingsautoriteit op de hoogte te stellen van de resultaten van deze maatregelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>merkt op dat met de controles vooraf van DG INTPA in 2022 de uitbetaling werd voorkomen van in totaal 167,94 miljoen EUR aan niet-subsidiabele uitgaven, wat overeenkomt met 2,91 % van het totale gefactureerde bedrag en meer is dan de benchmark (2 %) die DG INTPA voor deze indicator heeft vastgesteld en het resultaat van 2021 overstijgt (2,62 %); moedigt de Commissie aan de controlesystemen verder te verbeteren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>	is bezorgd over het feit dat de nationale ordonnateur voor de EOF’s in Benin een opdracht aan een adviesbureau heeft gegund om de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld in het land te versterken, wat een ernstige inbreuk is op de regels inzake openbare aanbestedingen; stelt met bezorgdheid vast dat het evaluatiecomité volgens de Commissie zijn “discretionaire bevoegdheid” heeft gebruikt om een berekeningsmethode toe te passen die in de procedure niet voldoende was gedocumenteerd; neemt kennis van de maatregelen die de Commissie heeft genomen om de tekortkomingen die bij deze delegatie werden vastgesteld, te verhelpen en om vergelijkbare problemen bij andere delegaties te voorkomen; merkt op dat het foutenpercentage van de EU-delegatie in Benin de oorzaak was van ongeveer 30 % van het totale foutenpercentage wat zonder het foutenpercentage van de delegatie in Benin ongeveer 4,7 % zou zijn geweest, in plaats van 7,1 %; herinnert eraan dat transparantie en verantwoordingsplicht essentieel zijn voor ngo’s, die worden verzocht om in volledige overeenstemming met de financiële regels en waarden van de <STRING UNDERLINE="on">Unie</STRING> te handelen, met name bij het beheer van Europese middelen, en wijst erop dat ngo’s moeten worden ondersteund met betrekking tot hun controle- en monitoringsystemen, met name ngo’s die in derde landen actief zijn; herinnert eraan dat ngo’s aan hetzelfde niveau van controle en onderzoek worden onderworpen als andere ontvangers van middelen van de Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>stelt bezorgd vast dat het geschatte foutenpercentage systematisch de materialiteitsdrempel (2 %) overschrijdt; merkt met bezorgdheid op dat het geschatte foutenpercentage met 2,5 % is gestegen ten opzichte van het begrotingsjaar 2021, tegenover een stijging met 0,8 % tussen de begrotingsjaren 2020 en 2021;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>28.</NO.P>merkt op dat de Commissie in 2022 333 invorderingsopdrachten afgaf voor 293 contracten, voor een totaalbedrag van 62,92 miljoen EUR;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Transparantie en doeltreffendheid van de monitoring- en borgingssystemen</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>29.</NO.P>neemt kennis van de opmerking van de Rekenkamer dat de Commissie en haar uitvoerende partners in 2022 meer fouten maakten bij verrichtingen die verband hielden met programmaramingen en subsidies en met bijdrage- en delegatieovereenkomsten die gesloten werden met begunstigde landen, internationale organisaties en agentschappen van de lidstaten, dan bij andere vormen van steun (zoals die met betrekking tot contracten voor werkzaamheden, leveringen en diensten); voegt eraan toe dat 46 van de 99 door de Rekenkamer onderzochte verrichtingen in deze categorie kwantificeerbare fouten vertoonden, wat 86 % van het geschatte foutenpercentage uitmaakte; stelt vast dat DG INTPA momenteel zijn controlestrategie herziet, met inbegrip van de rapportagevereisten, en eventuele corrigerende maatregelen onderzoekt; vraagt de Commissie de kwijtingsautoriteit te informeren over haar herziene controlestrategie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>30.</NO.P>neemt kennis van het feit dat de Commissie volgens het verslag van de Rekenkamer in 23 gevallen van kwantificeerbare fouten en 5 gevallen van niet-kwantificeerbare fouten over voldoende informatie beschikte om de fout te voorkomen of op te sporen en te corrigeren voordat zij de uitgaven accepteerde; merkt bovendien op dat volgens de beoordeling van de Rekenkamer het geschatte foutenpercentage 5,5 procentpunt lager zou zijn geweest indien de Commissie alle informatie waarover zij beschikte naar behoren had benut, vergeleken met 2,4 procentpunt lager in 2021; neemt kennis van het antwoord van de Commissie dat de meeste fouten die hadden kunnen worden voorkomen het gevolg waren van onvoldoende financiële verslaglegging door uitvoerende partners in het kader van indirect beheer; neemt kennis van de toezegging van de Commissie om haar controlestrategie te herzien, met inbegrip van de rapportagevereisten, en verzoekt de Commissie informatie te verstrekken over de genomen corrigerende maatregelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>31.</NO.P>neemt er nota van dat volgens het verslag van de Rekenkamer 22 verrichtingen met kwantificeerbare fouten, die 2,3 procentpunt bijdroegen aan het geschatte foutenpercentage, werden onderworpen aan een controle of een uitgavenverificatie; merkt voorts op dat het controlesysteem van DG INTPA gebaseerd is op controles vooraf en dat de Rekenkamer aan de hand van de in de controle-/verificatieverslagen verstrekte informatie over de werkelijk verrichte werkzaamheden, niet kon beoordelen of de fouten tijdens deze controles vooraf hadden kunnen worden ontdekt en gecorrigeerd, aangezien de verslagen niet 100 % van de gerapporteerde uitgaven bestrijken en niet altijd voldoende gedetailleerd zijn om uit te wijzen of de elementen waarbij de Rekenkamer fouten heeft geconstateerd, deel hadden uitgemaakt van de controles vooraf; merkt in dit verband op dat de Commissie de regels voor de uitgavenverificaties regelmatig bijwerkt om de volledigheid en duidelijkheid van de verslaglegging te verbeteren; verzoekt de Commissie de kwijtingsautoriteit op de hoogte te stellen van de verbeteringen die zijn gerealiseerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>32.</NO.P>benadrukt dat de Rekenkamer heeft geconstateerd dat de verrichtingen op de twee volgende uitgaventerreinen minder foutgevoelig zijn vanwege specifieke betalingsvoorwaarden: a) begrotingssteun en b) door internationale organisaties uitgevoerde multidonorprojecten waarbij de “hypothetische aanpak” wordt gevolgd; merkt op dat de Rekenkamer in 2022 twee verrichtingen voor begrotingssteun en acht door internationale organisaties beheerde projecten waarbij de hypothetische aanpak was toegepast, heeft gecontroleerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>33.</NO.P>benadrukt de rol van lokale uitvoerende partners en de noodzaak om hun steun en capaciteitsopbouw te waarborgen; merkt op dat bij de geleidelijke afschaffing van EOF-projecten de lokale knowhow over de omgang met middelen van de Unie in stand moet worden gehouden, zodat deze kennis kan worden ingezet voor projecten in het kader van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI – Europa in de wereld); onderstreept dat projecten van de Unie moeten worden onderworpen aan evaluatie, monitoring en rapportage, om na te gaan of deze doeltreffend zijn en onbedoelde negatieve effecten te voorkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>34.</NO.P>is bezorgd over het feit dat, net als in voorgaande jaren, sommige internationale organisaties slechts beperkte toegang tot documenten (bijv. in read-only) boden, waardoor de planning, uitvoering en kwaliteitscontrole van de audit van de Rekenkamer werd gehinderd en vertraging opliep; merkt op dat controlekwesties herhaaldelijk zijn besproken met VN-entiteiten en de Wereldbank, onder meer in het kader van gemeenschappelijke vergaderingen van de technische referentiegroepen en de FAFA-werkgroep van de EU en de VN, en dat er gemeenschappelijke technische groepen zijn opgericht waarin audit- en controlekwesties regelmatig kunnen worden besproken; merkt voorts op dat de Commissie samenwerkt met de desbetreffende internationale organisaties en de communicatie met hen over de toegang van de Rekenkamer tot documenten heeft geïntensiveerd; moedigt de Commissie aan om deze inspanningen op te drijven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>35.</NO.P>merkt op dat in de elfde studie van het restfoutenpercentage (RFP) van DG INTPA, die in 2022 namens het DG door een externe contractant is uitgevoerd, het totale restfoutenpercentage voor het zevende jaar op rij onder de door de Commissie vastgestelde materialiteitsdrempel van 2 % wordt geschat: 1,15 % (1,14 % in 2021);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>36.</NO.P>benadrukt dat de RFP-studie volgens de beoordeling van de Rekenkamer geen assuranceopdracht of controle vormt en gebaseerd is op de door DG INTPA verstrekte RFP-methodologie en -handleiding; merkt op dat DG INTPA verduidelijkt dat de RFP-studie een belangrijke indicator moet zijn voor de geraamde financiële impact van restfouten, dat wil zeggen dat hiermee de behoorlijke werking van het interne controlesysteem wordt gemeten en daarmee het corrigerende vermogen van de Commissie wordt aangetoond; benadrukt dat de Rekenkamer, net als in voorgaande jaren, tekortkomingen heeft vastgesteld in de studie; merkt op dat de Rekenkamer bij haar onderzoek van de in de RFP-studie van 2022 gebruikte berekeningsmethode tot de conclusie kwam dat het RFP te laag werd ingeschat, en dat het RFP volgens de berekening van de Rekenkamer 1,35 % bedroeg; neemt voorts kennis van het oordeel van de Rekenkamer dat, net als in voorgaande jaren, de contractant dankzij de RFP-methodologie volledig kan vertrouwen op de resultaten van de beheerscontroles van DG INTPA, en dat de mate waarin vertrouwd wordt op het werk van andere auditors indruist tegen het doel van een RFP-studie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>37.</NO.P>merkt op dat DG INTPA vanaf 2018 de reikwijdte van de punten van voorbehoud (d.w.z. het deel van de uitgaven waarop zij betrekking hebben) in de jaarlijkse activiteitenverslagen (JAV’s) aanzienlijk heeft beperkt en dat het JAV voor 2022 evenmin punten van voorbehoud bevat; merkt op dat de Rekenkamer van oordeel is dat er ten onrechte geen punten van voorbehoud zijn opgenomen in het JAV 2022 en dat dit deels te wijten is aan de tekortkomingen van de RFP-studie;  neemt kennis van het antwoord van de Commissie dat het ontbreken van punten van voorbehoud gezien de juiste uitvoering van de RFP-methodologie en -instructies door haar centrale diensten gerechtvaardigd is;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>38.</NO.P>merkt op dat DG INTPA het totale risicobedrag bij betaling op 83,3 miljoen EUR (1,4 % van de uitgaven in 2022) schat en het totale risicobedrag bij afsluiting op 71,7 miljoen EUR; merkt voorts op dat naar raming van DG INTPA 11,6 miljoen EUR (19 %) van het risicobedrag bij betaling zal worden gecorrigeerd door zijn controles in komende jaren (dit bedrag staat bekend als het “corrigerend vermogen”);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>39.</NO.P>merkt op dat het actieplan voor 2022 van DG INTPA waarmee vastgestelde tekortkomingen op het vlak van controle en hoge risico’s worden aangepakt, onder meer de verbetering van de follow-up van de bevindingen van de Rekenkamer/RFP-bevindingen omvat en dat in september 2022 nieuwe versies van de RFP-handleiding en -methodologie zijn goedgekeurd om problemen aan te pakken die in de eerdere opmerkingen van de Rekenkamer aan de orde zijn gesteld; neemt kennis van het antwoord van de Commissie dat de gewijzigde regels ervoor zorgen dat niet te veel op eerdere controlewerkzaamheden wordt vertrouwd, omdat het vertrouwen op eerdere controlewerkzaamheden nu moeten worden gemonitord in het licht van historische gemiddelden; merkt voorts op dat de Commissie volledig gevolg heeft gegeven aan de aanbeveling van de Rekenkamer in haar jaarverslag 2020 om de contractant van RFP-studie de verplichting op te leggen om de Commissie alle gevallen te melden van vermoedelijke fraude ten nadele van de Uniebegroting die tijdens zijn werkzaamheden aan het licht zijn gekomen; betreurt echter dat de Commissie de aanbeveling in het jaarverslag 2022 van de Rekenkamer om de RFP-methodologie te verbeteren en de correcte toepassing ervan te controleren, niet aanvaardt, aangezien zij geen noodzaak ziet om de methodologie die bij de RFP-studie wordt gebruikt voor de extrapolatie van posten met een hoge waarde te wijzigen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Voorkoming, opsporing en correctie van fraude</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>40.</NO.P>neemt er nota van dat DG INTPA sinds 2014 zijn eigen fraudebestrijdingsstrategie heeft ontwikkeld en uitgevoerd op basis van de door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) aangereikte methodologie en dat de strategie sinds de inwerkingtreding ervan drie keer is geactualiseerd; neemt er kennis van dat DG INTPA heeft besloten de tussentijdse beoordeling van zijn fraudebestrijdingsstrategie (oorspronkelijk gepland voor 2022) uit te stellen vanwege verschillende lopende controles en actualiseringen onder leiding van de IAS, de Rekenkamer en OLAF; merkt bovendien op dat DG INTPA 90 % van het begeleidende actieplan heeft uitgevoerd en dat alle maatregelen binnen de aangekondigde termijnen zijn getroffen, met uitzondering van het gezamenlijk onderzoek met OLAF naar de mogelijkheid om geanonimiseerde voorbeelden van fraude te verspreiden binnen het interne netwerk van de Commissie dat in 2023 is opgezet;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>41.</NO.P>merkt op dat DG INTPA ook heeft bijgedragen aan de fraudebestrijdingsstrategie van de Commissie en een follow-up heeft gedaan van de financiële aanbevelingen van OLAF in 2018-2022, wat heeft geleid tot de afsluiting van slechts 24 % van de financiële aanbevelingen en de follow-up van 76 % van de financiële aanbevelingen; is voorts ingenomen met de in 2022 behaalde resultaten, zoals de inwerkingtreding van nieuwe interne richtsnoeren voor de behandeling van fraudegerelateerde informatie, de versterking van het meldingssysteem van het fraudebestrijdingsnetwerk van DG INTPA, de lancering van externe bewustmakingsacties ten aanzien van de uitvoerende partners en begunstigden van DG INTPA, de verdere actualisering van alle interne webpagina’s, handleidingen en databanken, en een jaarlijkse nota aan alle personeelsleden over professionele ethische normen, preventie en opsporing van fraude, en regels voor de openbaarmaking van informatie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>42.</NO.P>merkt op dat DG INTPA eind 2022 op de hoogte was van 24 lopende onderzoeken en door OLAF in kennis is gesteld van de afsluiting van 6 onderzoeken met financiële en/of administratieve aanbevelingen en 7 onderzoeken zonder aanbeveling, en van de overdracht van 2 zaken aan het Europees Openbaar Ministerie; merkt op dat DG INTPA systematisch alle gevallen van vermoedelijke fraude of onregelmatigheden aan OLAF heeft doorgegeven en alle door OLAF meegedeelde financiële aanbevelingen op de voet heeft gevolgd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>43.</NO.P>merkt op dat de eerste prioritaire doelstelling van de fraudebestrijdingsstrategie 2021-2024 van DG INTPA erin bestaat het interne en externe bewustzijn over fraudegerelateerde kwesties te vergroten, onder meer door middel van opleidingsmogelijkheden; betreurt echter dat de Rekenkamer in het kader van haar werkbezoek aan vier delegaties een gebrek aan opleiding op het gebied van fraudepreventie heeft vastgesteld (het personeel had de afgelopen vijf jaar geen opleiding op het gebied van fraudepreventie gekregen);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>44.</NO.P>is ingenomen met het feit dat DG INTPA het gebruik van het systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting als een instrument voor sancties voor fraude heeft geoptimaliseerd en de fraudebestrijdingsmaatregelen in verband met begrotingssteun heeft versterkt;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Begrotingssteun van de Unie</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>45.</NO.P>merkt op dat de betalingen voor begrotingssteun in het kader van het EOF in 2022 105,2 miljoen EUR bedroegen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>46.</NO.P>voegt eraan toe dat Oekraïne, ter vergelijking, in 2022 de op twee na grootste portefeuille begrotingssteun kreeg toegewezen, met bijna 800 miljoen EUR aan lopende operaties;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>47.</NO.P>wijst erop dat in het kader van de begrotingssteun van de EU de afgelopen drie jaar in totaal 6 miljard EUR aan betalingen is uitgevoerd – 3 miljard EUR in 2020, 1,2 miljard EUR in 2021 en 1,8 miljard EUR in 2022; merkt voorts op dat begrotingssteun goed was voor 15 % van de betalingen van de Europese Commissie in het kader van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI – Europa in de wereld), het instrument voor pretoetredingssteun (IPA III), het Besluit betreffende de LGO-associatie, met inbegrip van Groenland, of in het kader van eerdere instrumenten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>48.</NO.P>merkt op dat het Europese nabuurschap in 2022 de grootste ontvanger van begrotingssteun werd (38 %), gevolgd door Afrika (ten zuiden van de Sahara) (24 %), Azië (18 %), de westelijke Balkan (8 %), Latijns-Amerika (6 %), het Caribisch gebied (2 %), landen en gebieden overzee (2 %) en de regio van de Stille Oceaan (2 %), en dat, wat het soort contract betreft, de prestatiecontracten voor sectorale hervormingen zwaarder wegen dan de contracten voor staats- en veerkrachtopbouw en SDG-contracten, met 74 % van de portefeuille in waarde, tegenover respectievelijk 24,5 % en 1,5 %;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>49.</NO.P>herinnert eraan dat de Rekenkamer bij haar regelmatigheidscontrole<FOOTNOTE><FIELD>Speciaal verslag van de Europese Rekenkamer nr. 25/2019: Gegevenskwaliteit bij begrotingssteun: tekortkomingen bij sommige indicatoren en de verificatie van de betaling voor variabele tranches.</FIELD></FOOTNOTE> niet kan nagaan wat er gebeurt nadat de Commissie de begrotingssteun heeft uitgekeerd aan het ontvangende land, aangezien deze middelen vervolgens met de eigen begrotingsmiddelen van dat land worden samengevoegd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>50.</NO.P>merkt op dat Mozambique, Sudan en de Democratische Republiek Congo in 2022 de grootste ontvangers van EOF-betalingen waren, en dat de sectoren die de meeste financiering ontvingen, de overheid en het maatschappelijk middenveld, de landbouw, energie en sociale infrastructuur en diensten waren; merkt op dat de uitvoering van het EOF betrekking heeft op landen die te maken hebben met ernstige gevolgen van de klimaatverandering, biodiversiteitsverlies en voedselonzekerheid en die verzwakt zijn vanwege een stijgende staatsschuld en nieuwe en vergeten humanitaire crises en conflicten die tot toenemende ongelijkheid en armoede leiden; dringt erop aan het EOF voorwaardelijk te maken wanneer bewijs bestaat van mensenrechtenschendingen, en in het kader van het EOF te controleren op corruptie en belastingontduiking;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>51.</NO.P>dringt aan op een betere coördinatie tussen de Commissie, de EDEO en de EU-delegaties om besprekingen en samenwerking met relevante lokale actoren ter plaatse te vergemakkelijken en zo na te gaan welke projecten het beste beantwoorden aan de doelstellingen inzake doeltreffende ontwikkelingshulp;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>52.</NO.P>merkt op dat lokale, niet-gouvernementele actoren zich in een goede positie bevinden om bijstand van de Unie te verlenen aan mensen in nood, met name in afgelegen gebieden; benadrukt dat een grotere betrokkenheid van de Unie bij deze organisaties de doeltreffendheid van de ontwikkelingssamenwerking zou kunnen vergroten;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Follow-up van de kwijting voor 2021</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>53.</NO.P>maakt uit het follow-upverslag van de Commissie over de kwijting 2021 op dat de controles op het gebied van extern optreden momenteel worden gedigitaliseerd, met het oog op de invoering van institutionele praktijken en instrumenten, en dat de geplande overgang naar institutionele elektronische audit een meer systematische en geïntegreerde follow-up van controles en verificaties zal vergemakkelijken, waardoor een meer holistisch follow-upproces mogelijk wordt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>54.</NO.P>merkt op dat de gezamenlijke opleidingen met VN-personeel in 2023 zijn hervat en dat de Commissie met de VN is overeengekomen gemeenschappelijke technische groepen op te richten om regelmatig audit- en controlekwesties te bespreken, en dat de Commissie actie zal blijven ondernemen om praktische en langetermijnoplossingen voor deze kwesties te vinden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>55.</NO.P>merkt op dat DG INTPA in 2022 de systemische bevindingen heeft beoordeeld bij uitgavenverificaties van acties die zijn uitgevoerd door twintig wereldwijd opererende internationale organisaties waarvan het beheer van de controletaken gecentraliseerd is, en dat het in januari 2023 zijn bevindingen en voorstellen voor risicobeperkende maatregelen heeft gedeeld met relevant personeel van het hoofdkantoor en de delegaties;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>56.</NO.P>merkt op dat de Commissie en haar partnerinstellingen (met inbegrip van financiële instellingen voor ontwikkeling en ontwikkelingsagentschappen) actief samenwerken met lokale organisaties uit de particuliere sector om de uitdagingen en kansen te bespreken om de toegang tot financiering te verbeteren door middel van financieringsinstrumenten zoals gecombineerde financieringsoperaties, en dat de beleidsdialoog plaatsvindt in partnerschappen met partnerlanden via de EU-delegaties en nationale investeringsfora; wijst op het belang van het mobiliseren van de particuliere sector om het tekort aan ontwikkelingsfinanciering op te vullen en de SDG’s te behalen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>57.</NO.P>is ingenomen met de Global Gateway-strategie als een gezamenlijke reactie van de Unie op mondiale uitdagingen; is van mening dat de Unie-actoren voor buitenlands en veiligheidsbeleid en ontwikkelingssamenwerking in tijden van nieuwe geostrategische uitdagingen hun activiteiten beter moeten coördineren teneinde de aanwezigheid en zichtbaarheid van de EU in de wereld te vergroten door middel van harde en zachte investeringen in infrastructuur waarmee nationale waarde in partnerlanden wordt gecreëerd aan de hand van samenwerking met de particuliere sector en instellingen voor ontwikkelingsfinanciering, in lijn met de SDG’s;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>58.</NO.P>herinnert eraan dat mondiale crises ongelijkheden zowel binnen als tussen landen hebben veroorzaakt en verergerd, waarmee de sociale samenhang is ondermijnd, en is in deze context verheugd over de ontwikkeling van een ongelijkheidsmarker (I-Marker) om een gedegen systeem voor verslaglegging en benchmarking te creëren voor de bijdrage van alle interventies aan het beperken van ongelijkheden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>59.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">sluit zich aan bij de aanbevelingen van de Rekenkamer aan de Commissie:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>a)</SYMBOL>ga na of boeksaldi voor afgesloten EOF’s tijdig worden verrekend;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>b)</SYMBOL>zorg ervoor dat voorfinanciering en facturen tijdig in de jaarrekeningen zijn verrekend;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>c)</SYMBOL>neem maatregelen voor de verbetering van de controlesystemen van de EU-delegaties voor de verrekening van voorfinanciering;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>d)</SYMBOL>herhaal de verplichting om de btw-regels na te leven en voer passende controles uit;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>e)</SYMBOL>versterk de controles vooraf voordat uitgaven worden aanvaard;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>f)</SYMBOL>verbeter de RFP-methodologie en controleer de correcte toepassing ervan.</ITEM></LIST></P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>