<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P9_TA(2024)0288</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Kwijting 2022: Algemene begroting van de EU – Europese Raad en Raad</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A9-0071/2024 - Rapporteur: Luke Ming Flanagan)</STRING></HIDDEN><TXTLST><DECISION><TI><NR>1.</NR> <STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 23 april 2024 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022, afdeling II – Europese Raad en Raad (2023/2131(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022<FOOTNOTE><FIELD>PB L 45 van 24.2.2022.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022 (COM(2023)0391 – C9‑0250/2023)<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/2, 12.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Raad aan de kwijtingsautoriteit over de in 2022 uitgevoerde interne controles,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2022, tezamen met de antwoorden van de instellingen<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/103, 4.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de Rekenkamer voor het begrotingsjaar 2022<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/112, 12.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE> waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 314, lid 10, en de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012<FOOTNOTE><FIELD>PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 59, 118, 260, 261 en 262,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 100 van en bijlage V bij zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de brief van de Commissie constitutionele zaken,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0071/2024),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>stelt zijn besluit over het verlenen van kwijting aan de secretaris-generaal van de Raad voor de uitvoering van de begroting van de Europese Raad en de Raad voor het begrotingsjaar 2022 uit;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het <STRING ITALIC="on">Publicatieblad van de Europese Unie</STRING> (L-serie).</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST><TXTLST><RESOL><TI><NR>2.</NR> <STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 23 april 2024 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022, afdeling II – Europese Raad en Raad (2023/2131(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022, afdeling II – Europese Raad en Raad,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 100 van en bijlage V bij zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de brief van de Commissie constitutionele zaken,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0071/2024),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat de kwijtingsautoriteit in het kader van de kwijtingsprocedure wenst te benadrukken dat het bijzonder belangrijk is de democratische legitimiteit van de instellingen van de Unie verder te versterken door de transparantie en de verantwoordingsplicht te verbeteren en door het concept van resultaatgericht begroten en een goed personeelsbeheer toe te passen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat overeenkomstig artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) het Europees Parlement als enige verantwoordelijk is voor het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Unie, en overwegende dat de begroting van de Europese Raad en de Raad deel uitmaakt van de begroting van de Unie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat de Europese Raad overeenkomstig artikel 15, lid 1, VEU geen wetgevingstaken mag uitvoeren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat overeenkomstig artikel 317 VWEU de Commissie de begroting van de Unie uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en volgens het beginsel van goed financieel beheer, en overwegende dat overeenkomstig het toepasselijke kader de Commissie de overige instellingen van de Unie de bevoegdheden toekent die nodig zijn voor de uitvoering van hun afdelingen van de begroting;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat overeenkomstig artikel 235, lid 4, en artikel 240, lid 2, VWEU de Europese Raad en de Raad (hierna de “Raad”) worden bijgestaan door het secretariaat-generaal van de Raad, en overwegende dat de secretaris-generaal van de Raad geheel verantwoordelijk is voor het goede beheer van de op afdeling II van de begroting van de Unie opgevoerde kredieten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat het Parlement in de loop van bijna twintig jaar de gevestigde en gerespecteerde praktijk heeft gehanteerd om kwijting te verlenen aan alle instellingen, organen en instanties van de Unie, en overwegende dat de Commissie het ermee eens is dat het aan alle instellingen, organen en instanties van de Unie verlenen van kwijting voor hun administratieve uitgaven moet worden voortgezet;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 59, lid 1, van het Financieel Reglement de overige instellingen van de Unie de bevoegdheden toekent die nodig zijn voor de uitvoering van hun afdelingen van de begroting;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat sinds 2009 het gebrek aan medewerking van de Raad tijdens de kwijtingsprocedure het Parlement ertoe heeft genoodzaakt het verlenen van kwijting aan de secretaris-generaal van de Raad te weigeren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat de Europese Raad en de Raad, als instellingen van de Unie en ontvangers van middelen uit de algemene begroting van de Unie, transparant moeten zijn, een democratische verantwoordingsplicht moeten hebben tegenover de burgers van de Unie en onderworpen moeten zijn aan een democratische controle op de uitgave van overheidsmiddelen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat de Europese Ombudsman (hierna de “Ombudsman”) in haar aanbeveling inzake strategisch onderzoek OI/2/2017/TE naar de transparantie van het wetgevingsproces in de Raad aangaf dat de werkwijzen van de Raad met betrekking tot transparantie in het wetgevingsproces neerkomen op wanbeheer en moeten worden gewijzigd om de burgers in staat te stellen het wetgevingsproces van de Unie te volgen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat in de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie het recht van belastingbetalers en van het publiek wordt bevestigd om op de hoogte te worden gehouden van het gebruik van overheidsinkomsten, en dat het Gerecht in zijn arrest van 25 januari 2023 in zaak T-163/21<FOOTNOTE><FIELD>Arrest van het Gerecht van 25 januari 2023, De Capitani/Raad, T‑163/21, CLI:EU:T:2023:15.</FIELD></FOOTNOTE>, De Capitani/Raad, met betrekking tot transparantie binnen het wetgevingsproces van de Unie heeft verklaard dat de documenten die de Raad in zijn werkgroepen opstelt, niet van technische maar van wetgevende aard zijn en bijgevolg onderworpen zijn aan verzoeken om toegang tot documenten;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>merkt op dat de begroting van de Raad onder rubriek 7, “Europees openbaar bestuur”, van het MFK valt, die in 2022 in totaal 11,6 miljard EUR bedroeg (5,9 % van de totale begroting van de Unie); merkt op dat de begroting van de Raad van ongeveer 0,6 miljard EUR ongeveer 5,3 % van de totale administratieve uitgaven van de Unie bedraagt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>neemt er nota van dat de Europese Rekenkamer (de “Rekenkamer”) in haar jaarverslag over het begrotingsjaar 2022 een steekproef van 60 verrichtingen onder administratieve uitgaven heeft onderzocht, hetzelfde aantal als voor 2021 werd onderzocht; merkt voorts op dat de administratieve uitgaven volgens de Rekenkamer uitgaven voor personele middelen omvatten, met inbegrip van uitgaven voor pensioenen, die in 2022 goed waren voor ongeveer 70 % van de totale administratieve uitgaven, en uitgaven voor gebouwen, uitrusting, energie, communicatie en informatietechnologie, en dat haar werkzaamheden gedurende vele jaren erop wijzen dat deze uitgaven over het algemeen een laag risico inhouden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>merkt op dat 14 (23 %) van de 60 verrichtingen fouten bevatten, maar dat de Rekenkamer op basis van de vijf gekwantificeerde fouten inschat dat het foutenpercentage onder de materialiteitsdrempel ligt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>merkt met tevredenheid op dat de Rekenkamer in haar jaarverslag over het begrotingsjaar 2022 opmerkt dat zij geen specifieke kwesties met betrekking tot de Raad heeft vastgesteld;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Stand van zaken van de kwijtingsprocedure</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>betreurt ten zeerste dat het Parlement sinds 2009 en opnieuw voor het begrotingsjaar 2021 kwijting aan de Raad moest weigeren omdat de Raad blijft weigeren met het Parlement samen te werken aan de kwijtingsprocedure, waardoor het Parlement geen gefundeerd besluit kan nemen op basis van een ernstige en grondige controle van de uitvoering van de begroting van de Raad;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>merkt op dat de betrokken diensten van het Parlement, namens de rapporteur voor de kwijtingsprocedure, op 28 september 2023 een vragenlijst aan het secretariaat van de Raad hebben toegezonden met 74 vragen die voor het Parlement belangrijk zijn om een grondige controle van de uitvoering van de begroting van de Raad en het beheer van de Raad mogelijk te maken; merkt verder op dat soortgelijke vragenlijsten zijn toegezonden aan alle andere instellingen, die het Parlement degelijke antwoorden op alle vragen hebben gegeven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>betreurt dat het secretariaat-generaal van de Raad het Parlement op 12 oktober 2023 opnieuw heeft meegedeeld dat het de vragenlijst van het Parlement niet zou beantwoorden en dat de Raad niet zou deelnemen aan de hoorzitting van 25 oktober 2023 in het kader van de kwijtingsprocedure waaraan alle andere uitgenodigde instellingen wel hebben deelgenomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>wijst op het prerogatief van het Parlement om kwijting te verlenen overeenkomstig artikel 319 VWEU en de toepasselijke bepalingen in het Financieel Reglement en het Reglement van het Parlement, in overeenstemming met de tot nu toe gehanteerde interpretatie en praktijk, namelijk de bevoegdheid om kwijting te verlenen teneinde transparantie te bieden en de democratische verantwoordingsplicht ten aanzien van de belastingbetalers van de Unie te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>benadrukt dat in artikel 59, lid 1, van het Financieel Reglement is bepaald dat de Commissie de overige instellingen van de Unie de bevoegdheden toekent die nodig zijn voor de uitvoering van hun afdelingen van de begroting, en vindt het bijgevolg onbegrijpelijk dat de Raad het passend acht dat de Commissie kwijting wordt verleend voor de uitvoering van de begroting van de Raad;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>wijst op de gevestigde en gerespecteerde praktijk die het Parlement gedurende bijna twintig jaar heeft gehanteerd om kwijting te verlenen aan alle instellingen, organen en instanties van de Unie; herinnert eraan dat de Commissie heeft verklaard dat zij niet in staat is toezicht te houden op de uitvoering van de begroting door de andere instellingen van de Unie; benadrukt dat de Commissie meermaals te kennen heeft gegeven dat het aan elke instelling van de Unie verlenen van kwijting voor hun administratieve uitgaven door het Parlement moet worden voortgezet;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>benadrukt dat de huidige situatie toelaat dat het Parlement de verslagen van de Rekenkamer en de Ombudsman controleert, alsmede de openbaar beschikbare informatie op de website van de Raad, aangezien de Raad zijn wanpraktijk om niet samen te werken met het Parlement voortzet, waardoor het voor het Parlement onmogelijk is zijn taken goed uit te voeren en een gefundeerd besluit te nemen over het verlenen van kwijting;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>betreurt het dat de Raad al meer dan tien jaar geen enkele politieke wil toont om in het kader van de jaarlijkse kwijtingsprocedure samen te werken met het Parlement; beklemtoont dat deze houding een blijvend negatief effect heeft op beide instellingen en op het vertrouwen van de burgers in de Unie als transparante organisatie, en het beheer van en de democratische controle op de begroting van de Unie in diskrediet heeft gebracht;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>wijst erop dat de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie het recht van de belastingbetalers en het publiek ondersteunt om op de hoogte te worden gehouden van het gebruik van overheidsinkomsten; eist daarom volledige eerbiediging van het prerogatief van het Parlement en zijn rol als hoeder van het beginsel van democratische verantwoordingsplicht; verzoekt de Raad naar behoren gevolg te geven aan de aanbevelingen die het Parlement in het kader van de kwijtingsprocedure heeft aangenomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>verzoekt de Raad de onderhandelingen met het Parlement op het hoogste niveau zo snel mogelijk te hervatten, met deelname van de secretarissen-generaal en de voorzitters van beide instellingen, om de impasse te doorbreken en een oplossing te vinden met inachtneming van de respectieve rollen van het Parlement en de Raad in de kwijtingsprocedure en te zorgen voor transparantie en behoorlijke democratische controle op de uitvoering van de begroting;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>benadrukt dat de huidige situatie weliswaar moet worden verbeterd door een betere samenwerking tussen de instellingen in het kader van de Verdragen, maar dat een herziening van de Verdragen de kwijtingsprocedure duidelijker en transparanter zou kunnen maken door het Parlement de expliciete bevoegdheid te geven om alle instellingen, organen en instanties van de Unie afzonderlijk kwijting te verlenen; onderstreept echter dat in afwachting van een dergelijke herziening de huidige situatie moet worden verbeterd door middel van betere interinstitutionele samenwerking binnen het huidige kader van de Verdragen, en dringt er bij de Raad op aan actief samen te werken met het Parlement om de huidige situatie recht te zetten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>merkt op dat het Parlement, ondanks het feit dat de Raad niet bereid is mee te werken aan de kwijtingsprocedure, in deze resolutie niettemin de nadruk legt op een aantal politieke prioriteiten en enkele opmerkingen maakt over het begrotings- en financieel beheer van de Raad alsook andere opmerkingen die relevant zijn voor de kwijtingsprocedure;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>wijst erop dat sinds Rusland op 24 februari 2022 een illegale, niet-uitgelokte en ongerechtvaardigde totale aanvalsoorlog tegen Oekraïne is begonnen, de Unie en haar lidstaten Oekraïne en de Oekraïense bevolking hulp hebben toegezegd; wijst op het munitie-initiatief, dat aanvankelijk tot doel had Oekraïne vóór maart 2024 van één miljoen 155 mm granaten te voorzien, waarvan op die datum echter slechts ongeveer de helft is geleverd; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de productie, aanschaf en levering van munitie aan Oekraïne onmiddellijk aanzienlijk op te voeren; wijst erop dat de Oekraïense regering haar Europese bondgenoten heeft verzocht om de levering van 7 van de ongeveer 30 Patriot-raketafweersystemen die in de lidstaten beschikbaar zijn, om de civiele infrastructuur adequater te beschermen tegen de Russische agressie; betreurt dat tot op heden slechts één lidstaat een extra systeem heeft toegezegd en dringt er bij de Europese Raad op aan het besluitvormingsproces te versnellen en middelen toe te wijzen om Oekraïne te voorzien van de nodige luchtverdedigingscapaciteit; benadrukt dat het Parlement geen kwijting zal verlenen aan de Raad zolang de aanbevelingen van het Parlement niet worden uitgevoerd en zolang er onvoldoende middelen worden uitgetrokken voor de noodzakelijke steun aan Oekraïne; verklaart zich nogmaals solidair met Oekraïne en benadrukt het belang van doortastend optreden door de Europese leiders om tegemoet te komen aan de dringende veiligheidsbehoeften van onze Oekraïense partners</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Politieke prioriteiten</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>betreurt dat de Raad in de voordracht- en benoemingsprocedures voor een groot aantal instellingen, organen en instanties van de Unie zijn prerogatief uitoefent zonder daarbij rekening te houden met de meningen van de betrokken partijen of met de aanbevelingen van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>benadrukt dat de traditie van de Raad om de benoemingen van afzonderlijke lidstaten voor de meeste functies niet in twijfel te trekken betekent dat de beroepskwalificaties van kandidaten niet grondig worden gecontroleerd; dringt daarom aan op een herziening van het prerogatief van de Raad om de participatie van de betrokken instellingen, organen en instanties te waarborgen en te versterken en om de legitimiteit van de benoemden te vergroten; stelt, om ervoor te zorgen dat kandidaten over de nodige kwalificaties beschikken, bijvoorbeeld de oprichting voor van onafhankelijke panels van deskundigen die dergelijke controles uitvoeren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>herinnert eraan dat de Raad, overeenkomstig artikel 286, lid 2, VWEU, de leden van de Rekenkamer benoemt na raadpleging van het Parlement; betreurt dat de Raad meermaals heeft verzuimd rekening te houden met de aanbevelingen van het Parlement in zijn raadgevende rol voor de benoeming van de leden van de Rekenkamer;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>wijst op het ernstige gebrek aan genderevenwicht bij de Rekenkamer, met eind 2022 slechts 9 vrouwelijke leden tegenover 17 mannelijke leden; wijst op de moeilijkheden bij het realiseren van genderevenwicht in de Rekenkamer als gevolg van de huidige benoemingsprocedure; herhaalt zijn verzoek aan de Raad om de voordrachtprocedure te heroverwegen teneinde dit probleem met concrete maatregelen aan te pakken, zoals de invoering van de verplichting voor de lidstaten om voor elke vacature ten minste twee kandidaten van verschillend geslacht voor te dragen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>betreurt dat de Raad tot dusver de resolutie van het Parlement van 17 december 2020 over de noodzaak van een specifieke Raadsformatie voor gendergelijkheid heeft genegeerd<FOOTNOTE><FIELD>PB C 445 van 29.10.2021, blz. 150.</FIELD></FOOTNOTE>, en blijft van mening dat een specifiek institutioneel forum zou zorgen voor een sterkere integratie van gendergelijkheid in het beleid en de strategieën van de Unie, alsook voor essentiële coördinatie en vooruitgang in de belangrijkste dossiers met betrekking tot gendergelijkheid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>betreurt dat het besluitvormingsproces in de Raad nog steeds verre van volledig transparant is, wat een weerslag heeft op het vertrouwen van burgers in de Unie als een transparante organisatie en dus schadelijk is voor de reputatie van de Unie als geheel; herinnert aan en steunt de aanbevelingen van de Ombudsman met betrekking tot de transparantie van het wetgevingsproces in de Raad, die zijn gedaan in het kader van strategisch onderzoek OI/2/2017/TE; dringt er bij de Raad op aan alle nodige maatregelen te nemen om de aanbevelingen van de Ombudsman en de desbetreffende uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie onverwijld op te volgen; herinnert eraan dat het Gerecht in zijn arrest in zaak T-163/21, De Capitani/Raad, heeft benadrukt dat de Raad meer wetgevingstransparantie aan de dag moet leggen om de toegang tot wetgevingsdocumenten te waarborgen, wat eenvoudigweg strookt met de plicht van de Raad tot publieke toetsing en de verantwoordingsplicht van de medewetgevers als grondslag van elke democratische legitimiteit;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>uit zijn ernstige bezorgdheid over het feit dat de Europese Raad zich toenemend bemoeit met wetgevingsdossiers ondanks het feit dat deze instelling noch een wetgevende noch een uitvoerende functie heeft en niet dezelfde transparantienormen als de Raad toepast, wat erop neerkomt dat de Raad geen rekenschap aflegt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>wijst erop dat het gebruik van de stemprocedure met eenparigheid van stemmen in de Raad op bepaalde beleidsterreinen het besluitvormingsproces van de Unie negatief kan beïnvloeden en het ook vatbaar maakt voor chantage door de lidstaten, met name door lidstaten die de rechtsstaat niet eerbiedigen; verzoekt de Raad om de stemprocedures met gekwalificeerde meerderheid van stemmen toe te passen waar dat overeenkomstig de Verdragen mogelijk is; wijst erop dat een overgang naar stemming met gekwalificeerde meerderheid van stemmen in de Raad een stap kan zijn op weg naar efficiëntere beleidsvorming;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>betreurt het feit dat de deelname door de permanente vertegenwoordigers van de lidstaten aan het verplichte transparantieregister, dat is ingesteld door het Interinstitutioneel Akkoord van 20 mei 2021 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over een verplicht transparantieregister<FOOTNOTE><FIELD>PB L 207 van 11.6.2021, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>, volledig vrijwillig is, en dringt erop aan dat alle permanente vertegenwoordigingen vóór, tijdens en na het voorzitterschap van de Raad van hun lidstaat actief deelnemen aan het transparantieregister; is van mening dat de bestaande ethische regels inzake belangenconflicten, draaideurconstructies en transparante lobbyactiviteiten moeten worden versterkt en geharmoniseerd en dat vertegenwoordigers van de lidstaten die via de bedrijven die zij bezitten rechtstreeks begunstigden zijn van Uniesubsidies, niet zouden mogen deelnemen aan de besprekingen en stemmingen over beleid en begrotingskwesties in verband met die subsidies;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>betreurt dat de Raad het verplichte transparantieregister niet volledig benut buiten zijn huidige beperkingen en elke aanbeveling voor verbeteringen verwerpt; herhaalt zijn 8proep aan de Raad om te weigeren niet-geregistreerde lobbyisten te ontmoeten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>28.</NO.P>verzoekt de roulerende voorzitterschappen van de Raad, in overeenstemming met de conclusies van de workshop van de Commissie begrotingscontrole van het Parlement van 27 juni 2023, niet langer gebruik te maken van commerciële sponsoring om een deel van hun uitgaven te dekken; is zich ervan bewust dat de financiële middelen uit de nationale begrotingen aanzienlijk verschillen per lidstaat en dat elke lidstaat, ongeacht zijn omvang en beschikbare begrotingsmiddelen, gelijke kansen moet hebben om een succesvol voorzitterschap van de Raad te organiseren, maar is van mening dat het accepteren van commerciële sponsoring reputatieschade veroorzaakt vanwege het risico op belangenconflicten; verzoekt de Raad nogmaals om de voorzitterschappen van de Raad een begroting toe te kennen teneinde te zorgen voor adequate en uniforme normen inzake efficiëntie en doeltreffendheid van de werkzaamheden van de Raad in het algemeen; is in dit verband teleurgesteld over de niet-bindende richtsnoeren van de Raad inzake commerciële sponsoring;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>29.</NO.P>betreurt het dat de gedragscode voor de voorzitter van de Europese Raad, ondanks meerdere verzoeken van het Parlement, niet op één lijn is gebracht met die van het Parlement en de Commissie, met name wat betreft activiteiten die moeten worden goedgekeurd nadat de voorzitter zijn functie heeft neergelegd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>30.</NO.P>herhaalt dat Besluit (EU) 2023/2061 van de Europese Raad van 22 september 2023 inzake de samenstelling van het Europees Parlement<FOOTNOTE><FIELD>PB L 238 van 27.9.2023, blz. 114.</FIELD></FOOTNOTE> de prerogatieven van het Parlement en de Raad in de jaarlijkse begrotingsprocedure onverlet laat en dat overweging 5 van dat besluit betrekking heeft op aangelegenheden die niet vallen onder de bevoegdheden van de Europese Raad uit hoofde van artikel 15, lid 1, VEU en de rechtsgrondslag voor de vaststelling van de samenstelling van het Parlement overeenkomstig artikel 14, lid 2, VEU; benadrukt dat het uitsluitend aan het Parlement en de Raad staat om overeenkomstig de procedure van artikel 314 VWEU over de inhoud van de Uniebegroting te beslissen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Financieel en begrotingsbeheer</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>31.</NO.P>merkt op dat de begroting voor de Raad 611 473 556 EUR bedroeg voor 2022, wat neerkomt op een stijging van 2,9 % ten opzichte van 2021, wat aanzienlijk hoger is dan de stijging van 2020 naar 2021 die 0,6 % bedroeg;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>32.</NO.P>spreekt opnieuw zijn teleurstelling uit over het feit dat de begroting van de Europese Raad en de Raad niet is opgesplitst in twee duidelijk gescheiden begrotingen, zoals het Parlement in eerdere kwijtingsresoluties heeft aanbevolen teneinde de transparantie en de verantwoordingsplicht te verbeteren, niet in het minst met betrekking tot de Europese Raad aangezien het momenteel onmogelijk is betrouwbare informatie te verkrijgen over de kosten ervan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>33.</NO.P>betreurt dat het secretariaat-generaal van de Raad een verslag over de jaarrekening en een reeks jaarlijkse activiteitenverslagen met betrekking tot verschillende delen van het secretariaat-generaal bekendmaakt, maar dat het moeilijk is om een beknopt en gemakkelijk toegankelijk overzicht te krijgen van alle activiteiten van het secretariaat-generaal van de Raad omdat er geen enkel verslag bestaat waarin een coherent overzicht van de activiteiten van de Raad wordt samengevat en gepresenteerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>34.</NO.P>stelt met tevredenheid vast dat de rekenplichtige van de Raad kan bevestigen dat de jaarrekening van de Raad voor het jaar 2022 is opgesteld overeenkomstig titel XIII van het Financieel Reglement en de door de rekenplichtige van de Commissie vastgestelde boekhoudregels, zoals is vereist voor alle instellingen, organen en instanties van de Unie, en dat de rekenplichtige redelijke zekerheid heeft dat de rekeningen voor 2022 op alle materiële punten een getrouw beeld geven van de financiële situatie, de resultaten van de verrichtingen en de cashflow van de Raad;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>35.</NO.P>merkt op dat de Raad 64 begrotingsoverschrijvingen heeft verricht in 2022, die allemaal gebaseerd waren op artikel 29 van het Financieel Reglement, wat aanzienlijk meer is dan de 43 in 2021; merkt verder op dat zes van de overschrijvingen gepaard gingen met het informeren van de begrotingsautoriteit en dat de belangrijkste reden voor deze overschrijvingen de stijging van de kosten voor water, gas, elektriciteit en verwarming was alsook de salarisverhogingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>36.</NO.P>merkt op dat de overschrijvingen ook een verlaging van de kosten van dienstreizen voor het secretariaat-generaal van de Raad met 300 000 EUR inhielden, wat neerkomt op 9 %, en een soortgelijke stijging van 300 000 EUR aan kosten voor dienstreizen voor het personeel in verband met de Europese Raad, wat neerkomt op 20 %; verzoekt de Raad te zorgen voor volledige transparantie met betrekking tot reizen van de voorzitter van de Europese Raad, met inbegrip van vervoermiddelen, motivering van de gekozen middelen en vergezellend personeel;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>37.</NO.P>uit kritiek op de aanzienlijke verhoging van de begroting voor reizen van de voorzitter van de Europese Raad in de loop van een aantal jaren en is bezorgd over het feit dat de voorzitter van de Europese Raad volgens persberichten voor slechts 18 van de 112 door hem ondernomen dienstreizen tussen het begin van zijn ambtstermijn in 2019 en december 2022 commerciële vluchten heeft gebruikt; benadrukt dat commerciële vluchten ook voor de voorzitter van de Europese Raad de standaardoptie moeten zijn als dat alternatief beschikbaar is en aansluit bij de agenda en de locatie van de vergaderingen in kwestie, en onderstreept dat de leiders van de instellingen van de Unie het goede voorbeeld moeten geven aan de burger, niet in het minst met betrekking tot het waarborgen van een duurzaam klimaatbeleid;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Intern beheer, prestaties en interne controle</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>38.</NO.P>merkt op dat de uitzonderlijke maatregelen in verband met de COVID-19-pandemie in 2022 zijn afgebouwd en dat de vergaderingen weer normaal begonnen plaats te vinden; merkt in dit verband op dat het aantal videovergaderingen ten gunste van fysieke vergaderingen is gedaald ten opzichte van 2021, toen 35 % van de vergaderingen videovergaderingen en 65 % fysieke vergaderingen waren, naar 15 % videovergaderingen en 85 % fysieke vergaderingen in 2022;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>39.</NO.P>merkt op dat in 2022 het totale aantal officiële vergaderingen 4 415 bedroeg, wat neerkomt op een stijging van 2,9 % ten opzichte van 4 291 in 2021 en op een aanzienlijke toename van het aantal fysieke vergaderingen met meer dan 150 %;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>40.</NO.P>merkt op dat er in 2022 bij het secretariaat-generaal van de Raad 44 nieuwe openbare aanbestedingsprocedures zijn gestart en 42 contracten zijn ondertekend voor een totaalbedrag van 123 863 392 EUR, wat een aanzienlijke daling inhoudt ten opzichte van 2021 toen 62 nieuwe openbare aanbestedingsprocedures werden gestart en 102 contracten werden ondertekend voor een totaalbedrag van 416 013 813 EUR;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>41.</NO.P>is ingenomen met het feit dat het secretariaat-generaal van de Raad een beknopt overzicht heeft gepresenteerd van het aantal en de soort interne controles die in 2022 in het secretariaat-generaal zijn verricht, alsook een synthese van de aanbevelingen en de naar aanleiding van die aanbevelingen getroffen maatregelen, overeenkomstig artikel 118, lid 8, van het Financieel Reglement; merkt op dat de intern controleur een driejarig werkprogramma voor de periode 2022-2024 heeft opgesteld, dat in jaarlijkse werkprogramma’s is opgesplitst; merkt verder op dat in 2022 zeven interne controles zijn uitgevoerd; merkt met bezorgdheid op dat eind 2022 slechts 72 % van de aanbevelingen uit het werkprogramma 2019-2021 was uitgevoerd en dat 27 % nog openstaat;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>42.</NO.P>is ingenomen met het feit dat de interne controles op een groot aantal gebieden zijn uitgevoerd; is verder ingenomen met het feit dat alle aanbevelingen met betrekking tot zes van de zeven controles zijn aanvaard; betreurt het dat de resultaten van de controle van het cryptobeheer niet zijn meegedeeld omdat het controleverslag gerubriceerd was; benadrukt dat het Parlement over systemen beschikt om gerubriceerde informatie te verwerken en dat de resultaten van de controle van het cryptobeheer via deze systemen hadden kunnen worden meegedeeld;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Personele middelen, gelijkheid en welzijn van het personeel</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>43.</NO.P>merkt op dat, gezien het gebrek aan medewerking van de Raad met het Parlement, de opmerkingen in dit deel in de eerste plaats berusten op geaggregeerde informatie die op de website van de Raad is gepubliceerd en die slechts in beperkte mate gedetailleerd is;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>44.</NO.P>merkt op dat de Raad in zijn begroting voor 2022 kon beschikken over 3 029 posten, wat hetzelfde is als in 2021, maar dat de verdeling over de categorieën is veranderd doordat het aantal posten voor administrateurs (AD) steeg van 1 493 naar 1 519, het aantal posten voor assistenten (AST) daalde van 1 320 naar 1 284 en het aantal secretariaatsposten (SC) steeg van 180 naar 190; verzoekt de Raad meer details te verstrekken over burn-outpreventie voor zijn personeel, met name nu het aantal assistenten is afgenomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>45.</NO.P>constateert dat het secretariaat-generaal van de Raad volgens zijn financieel activiteitenverslag voor 2022 op 31 december 2022 2 924 bezette posten had; merkt verder op dat op de website van de Raad staat dat het secretariaat-generaal van de Raad op 1 januari 2023 over 3 108 personeelsleden beschikte (ambtenaren, tijdelijke functionarissen, arbeidscontractanten en gedetacheerde nationale deskundigen); verzoekt de Raad te voorkomen dat er tegenstrijdige informatie in zijn open bronnen wordt gepubliceerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>46.</NO.P>merkt op dat van de 3 108 personeelsleden 1 783 (57 %) vrouwen en 1 325 (43 %) mannen waren; betreurt dat in de categorie “hoger management” slechts 18 van de 51 betrokkenen, ofwel 35 %, vrouwen waren; betreurt verder dat dit neerkomt op een daling van het aandeel vrouwen in het hoger management ten opzichte van 38 % in 2021;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>47.</NO.P>merkt op dat in de categorie “middenkader” 37 van de 83 betrokkenen (45 %), vrouwen waren, wat neerkomt op een lichte stijging ten opzichte van 44 % vorig jaar; merkt tot slot op dat 814 van de 1 462 AD’s, wat overeenkomt met 56 %, vrouwen waren, wat ook een kleine stijging inhoudt ten opzichte van 55 % in 2021, en merkt op dat 882 van de 1 411 AST’s en SC’s (63 %) vrouwen waren, wat hetzelfde is als in 2021;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>48.</NO.P>betreurt het gebrek aan genderevenwicht in het hoger management van het secretariaat-generaal van de Raad; verzoekt de Raad onmiddellijk concrete maatregelen te nemen om in alle lagen van de hiërarchie genderevenwicht tot stand te brengen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>49.</NO.P>merkt op dat alle 27 lidstaten vertegenwoordigd zijn in het personeel, maar dat er sprake is van ernstige geografische onevenwichtigheden met 527 Belgische personeelsleden, wat overeenkomt met 17 %, terwijl slechts 0,2 % Cypriotisch en 0,3 % Luxemburgs is; beklemtoont hoe belangrijk een eerlijk geografisch evenwicht van de personeelsleden op alle niveaus is, vooral op het niveau van het middenkader en het hogere management, en tegelijkertijd te voldoen aan de vereisten van het Statuut van de ambtenaren in verband met de vaardigheden en verdiensten van kandidaten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>50.</NO.P>betreurt het gebrek aan informatie over de uitvoering van het genderactieplan van de Raad en over de maatregelen die zijn genomen om gelijke kansen te garanderen voor personen met een handicap die werkzaam zijn bij de Raad; verzoekt de Raad het Parlement informatie te verstrekken over het genderevenwicht, de geografische spreiding en de handicaps van zijn personeelsleden en over het interne beleid ter zake;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>51.</NO.P>betreurt dat het Parlement, aangezien de Raad de vragenlijst van het Parlement niet heeft beantwoord, geen informatie heeft over het aantal stagiairs bij de Raad in 2022 en over het feit of hun stage al dan niet bezoldigd was; herinnert aan het verzoek van het Parlement aan alle instellingen om ervoor te zorgen dat alle stagiairs een bezoldiging ontvangen, tenzij zij reeds door andere bronnen worden betaald;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Ethisch kader en transparantie</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>52.</NO.P>herhaalt dat ethisch gedrag bijdraagt tot goed financieel beheer en een sterker vertrouwen van het publiek, en dat er, zoals de Rekenkamer heeft benadrukt in haar Speciaal verslag nr. 13/2019, ruimte is voor verbetering bij de ethische kaders van de instellingen van de Unie, wat van cruciaal belang is aangezien elk onethisch gedrag van personeel en leden veel publieke belangstelling krijgt en het vertrouwen in de Unie doet afnemen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>53.</NO.P>betreurt dat het Parlement geen enkele mogelijkheid heeft om vragen te stellen over het ethisch kader in de Raad, aangezien de Raad geen vragen van het Parlement zal beantwoorden en daardoor geen informatie wordt ontvangen over de gedragscode die van toepassing is op alle personeelsleden van de Raad;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>54.</NO.P>herinnert aan de aanbeveling die de Rekenkamer in haar Speciaal verslag nr. 13/2019 heeft gedaan met betrekking tot de verbetering van het ethisch kader van de Raad; uit zijn bezorgdheid over het gebrek aan een gemeenschappelijk ethisch kader van de Unie voor de werkzaamheden van de vertegenwoordigers van de lidstaten in de Raad, zoals door de Rekenkamer is vastgesteld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>55.</NO.P>merkt op dat het secretariaat-generaal van de Raad jaarlijks een verslag publiceert met informatie over de beroepsactiviteiten van voormalige hoge ambtenaren van het secretariaat-generaal van de Raad na beëindiging van de dienst (artikel 16, derde en vierde alinea, van het Statuut); merkt op dat volgens het verslag over 2022 vier hoge ambtenaren hun voornemen kenbaar hebben gemaakt om in 2022 beroepsactiviteiten uit te oefenen en dat twee voormalige hoge ambtenaren eind 2021 een verklaring hebben ingediend, die beide ook in 2022 zijn onderzocht; stelt vast dat geen van de verzoeken binnen het toepassingsgebied van artikel 16 bleek te vallen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>56.</NO.P>stelt met tevredenheid vast dat alle bevoegde directeuren-generaal van de Raad in hun jaarlijkse activiteitenverslagen hebben verklaard dat er in 2022 geen gevallen van fraude of onregelmatigheden onder hun aandacht zijn gebracht;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Digitalisering, cyberbeveiliging en gegevensbescherming</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>57.</NO.P>merkt op dat de begroting van de Raad voor IT-systemen en telecommunicatie in 2022 aanvankelijk 48 115 000 EUR bedroeg, een stijging van 2,1 % ten opzichte van 2021; merkt evenwel op dat in 2022 nog eens 6 805 000 EUR naar deze begrotingspost is overgeschreven, maar dat de feitelijke betalingen aanzienlijk lager waren, namelijk 27 096 067 EUR, wat neerkomt op slechts ongeveer 50 % van de totale definitieve kredieten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>58.</NO.P>is ingenomen met het feit dat in 2022 de elektronische verwerking van facturen 97 % bedroeg, wat een aanzienlijke stijging is ten opzichte van 89 % in 2021;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>59.</NO.P>verzoekt de Raad eens te meer na te gaan hoe opensourcetechnologieën zo ruim mogelijk kunnen worden gebruikt en verslag uit te brengen over de voortgang bij het gebruik van dergelijke systemen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Gebouwen</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>60.</NO.P>merkt op dat in 2022 de totale betalingen voor gebouwen 45 435 994 EUR bedroegen, wat aanzienlijk meer is dan de 35 709 119 EUR in 2021, namelijk een stijging met 27,2 %; merkt op dat de belangrijkste reden voor deze verhoging de betalingen voor water, gas, elektriciteit en verwarming zijn, die zijn gestegen van 2 565 008 EUR in 2021 tot 11 233 088 EUR in 2022, wat neerkomt op een stijging van 338 %;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>61.</NO.P>is ingenomen met het feit dat de Raad het energieverbruik in 2022 heeft kunnen verminderen ten opzichte van voorgaande jaren, mede vanwege het beleid van alle instellingen van de Unie om de temperatuur in gebouwen tot 19 graden te verlagen; moedigt het secretariaat van de Raad niettemin aan verdere initiatieven te identificeren om het energieverbruik te verminderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>62.</NO.P>betreurt dat het Parlement, aangezien de Raad de vragenlijst van het Parlement niet heeft beantwoord, geen informatie heeft over initiatieven bij de Raad in 2022 in verband met een betere toegang tot zijn gebouwen voor personen met een handicap en andere mogelijke initiatieven voor personen met een handicap;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Milieu en duurzaamheid</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>63.</NO.P>merkt op dat het nog steeds moeilijk is om actuele en volledige informatie te verkrijgen over initiatieven van de Raad op het gebied van milieu en duurzaamheid en de ontwikkeling van het algemene verbruik, met inbegrip van het gebruik van water, gas, elektriciteit en papier; moedigt de Raad aan om in het kader van zijn jaarlijkse verslaglegging systematisch verslag uit te brengen over de milieu- en duurzaamheidsaspecten van zijn werkzaamheden; neemt met voldoening kennis van enkele losse initiatieven die in de jaarlijkse verslaglegging worden genoemd, zoals de aankoop van vier elektrische auto’s en de bevordering van de opname van milieugerelateerde bepalingen in aanbestedingsprocedures;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>64.</NO.P>verzoekt de Raad eens te meer een systeem in het leven te roepen, voor zover dit nog niet bestaat, om het personeel aan te moedigen gebruik te maken van openbaar vervoer of ander vervoer met een lage uitstoot, zoals fietsen, om zo de koolstofvoetafdruk van de Raad te verkleinen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>65.</NO.P>merkt op dat in de jaarrekening van de Raad wordt vermeld dat de Raad eind 2022 in het bezit was van 773,4 groenestroomcertificaten (ten opzichte van 2 589,2 eind 2021), gebaseerd op de energie die wordt geproduceerd door zonnepanelen op het dak van de gebouwen van de Raad; merkt op dat de waarde per certificaat op 65 EUR wordt geraamd; vraagt de Raad eens te meer gedetailleerder verslag uit te brengen over de verkoop van deze certificaten op de open markt en het beoogde gebruik van de hierdoor ontstane ontvangsten;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Interinstitutionele samenwerking</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>66.</NO.P>benadrukt dat artikel 319 VWEU moet worden herzien in het kader van een wijziging van dat Verdrag, om uitdrukkelijk te bepalen dat het Parlement, naast het verlenen van kwijting aan de Commissie, ook kwijting verleent aan de andere instellingen, organen en instanties van de Unie voor de uitvoering van hun afdelingen van de begroting of van hun begroting;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Communicatie</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>67.</NO.P>stelt vast dat 2022 een recordjaar was met meer dan 24,5 miljoen bezoeken aan de website van de Raad, wat neerkomt op een stijging van 16 % vergeleken met 2020, en dat het aantal volgers op Facebook met 8 % is toegenomen en daarnaast het aantal volgers op X (voorheen Twitter), Instagram en LinkedIn met respectievelijk 19 %, 17 % en 33 % is gestegen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>68.</NO.P>spoort de Raad aan samen te werken met de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming om gebruik te maken van de twee opensourcesocialemediaplatforms, EU Voice en EU Video, die als openbaar proefproject zijn gelanceerd ter bevordering van het gebruik van kosteloze opensourcesocialenetwerksites; spoort de Raad ertoe aan gebruik te maken van gedecentraliseerde sociale netwerken als alternatief voor zeer grote onlineplatforms, zoals Mastodon.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>